SciLogs International .com.be.es.de

Survival of the fittest

Door Jeroen Jansen, 28 Juli 2008, 14:12

In het zweet des aanschijns staan ze daar, zich slechts door constant op topniveau te presteren handhaven kunnend. Het product van jarenlange training, onversneden talent en een explosieve mix van vechtlust en scoringsdrang. Welhaast stoïcijns bezien zij de concurrentie, zich slechts bekommerend om hun eigen prestaties.

Is dit nu een beschrijving van een zich op de komende olympische spelen voorbereidend sportteam of van een groep jonge dynamische wetenschappers? Beiden zijn bezig met grensverleggende prestaties, maar wetenschap is duidelijk ook anders dan topsport.


De dikke Van Dale geeft als definitie voor “sport”:

(lichamelijke) bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn

En voor “wetenschap”:

het systematisch geordende geheel van het weten en van de regels waarmee verdere kennis verkregen kan worden

Zo op het eerste gezicht lijken beide definities moeilijk verenigbaar: ik heb zelf al de vrijheid genomen om lichamelijke tussen haakjes te zetten: zowel om mijn komende verhaal geloofwaardiger te maken als om te voorkomen dat ik de volledige schaak/dam/go/bridge- en overige denksportwereld (terecht) over mij heen krijg.

Bovendien is de definitie van sport weliswaar taalkundig bruikbaar, het vertelt niet waaraan iets moet voldoen om een sport te zijn: is poker een sport? En muziek maken? In het kort zijn er volgens mij voor een sport drie vereisten: 1. een wedstrijdelement: je speelt tegen elkaar, 2. een score: er moet een getal zijn waaruit naar afloop blijkt wie de wedstrijd heeft gewonnen en 3. spelregels, waaruit blijkt wie er wanneer scoort. Volgens deze definitie is voetbal, maar dus ook een hondenshow een sport. Met zijn tweeën de hond uitlaten is dat dus niet.

Verder voldoet de definitie van wetenschap ook maar matig: hij gaat zowel voorbij aan de mondialiteit van de wetenschap zoals hij al decennia bestaat, als aan de innerlijke geldingsdrang die elk mens in zich heeft. Beide definities worden al wat meer vergelijkbaar wanneer ik de vrijheid neem om zelf de omschrijving van het lemma “wetenschap” wat uit te breiden:

“wetenschap”:

het systematisch geordende geheel van het weten en van de regels waarmee verdere kennis verkregen kan worden terwijl iemand die je nauwelijks kent op een willekeurige plek op deze aarbol op dìt moment dezelfde kennis probeert te verkrijgen

Het lemma “wetenschap” uit de Van Dale stamt duidelijk nog uit de tijd dat de een zoon (of dochter! ) uit een eeuwenoud adellijk geslacht met 8 achternamen ‘wel van vlinders hield’ of 'altijd maar met flesjes kleurige vloeistof in de weer was' en, waarschijnlijk belangrijker, absoluut niet met een geweer en ander legertuig om kon gaan. Zulke figuren legden zich dan toe op 'de natuurfilosofie', iets wat pas later 'wetenschap' zou gaan heten: twee volledig willekeurige-en vooral obscure-voorbeelden zijn Antoine Ferchault de Reaumur en de Duitse graaf Alois von Beckh Widmanstatten. Wetenschap was dus lange tijd voorbehouden aan de adel of de 'upper class'. Het wetenschappelijke wereldje was maar heel klein en de wetenschappelijke disciplines bestonden nog niet: kijk maar eens naar de breedte van ontdekkingen van Ferchault, zowel in de insectenkunde als de uitvinding van een proces in de productie van staal. Dit selecte en vooral gegoed clubje was trouwens ook niet vies van het nodige gekibbel: vanaf het begin is het 'wedstrijdelement' een centraal gegeven in het wetenschappelijke onderzoek.

COMPETITIE

Een voor biologen overbekend voorbeeld van omstreden competitief gedrag is dat van Gregor Mendel, de vader van de genetica: hij ontdekte dat bij het kruisen van erwtenplanten precies een kwart van alle planten geel was. In de wetenschap is nooit iets precies (zie mijn eerdere stukje over embryoselectie). Er was een andere wetenschappelijke zwaargewicht voor nodig, Ronald Fisher, om met de resultaten van Mendel aan de gang te gaan en statistisch te laten zien dat Mendel de resultaten die zijn theorie zo goed beschreven helemaal niet had kùnnen behalen. Mendel, of zijn assistent die ook vaak wordt 'beschuldigd', had kort door de bocht gezegd dus ergens een beetje lopen goochelen om de waarheid naar zijn eigen hand te zetten. Overigens ontwikkelde Fisher in het proces de 'variantieanalyse': het hulpmiddel waarmee wetenschappers nu in een getal kunnen uitdrukken hoe waarschijnlijk hun observaties zijn. Zodoende zorgde de competitiedrang van Mendel (alhoewel zijn exacte beweegredenen voor deze 'scheve schaats' nooit zijn opgehelderd) indirect voor rasse schreden voorwaarts in de wetenschap.

Ook de andere biologische 'godheid' Charles Darwin was niet van onbesproken gedrag: toen hij op het punt stond om met zijn nu wereldberoemde evolutietheorie op de proppen te komen, nam zijn collega Alfred Wallace contact met hem op om de theorie gezamenlijk te presenteren en stuurde hij gelijk zijn eigen boekje mee, waarin dezelfde theorie al overduidelijk stond uitgelegd. Darwin ging niet meteen in op dit verzoek en hield Wallace aan het lijntje, terwijl hij als een razende furie zelf zijn eigen theorie opschreef en publiceerde in een boek: een hoog spel tussen twee intellectuele grootheden waar boeken over zijn volgeschreven. De evolutietheorie is nu van Darwin en Wallace is nu de bekendste verliezer uit de wetenschap.

In de tijd van Mendel en Darwin was de wetenschap al lang niet meer voorbehouden aan de adel, maar nog wel het terrein van de gegoede burgerij: het zou tot de roemruchte sixties duren voor alle lagen in de maatschappij emancipeerden, wat duidelijk zichtbaar was in de hoeveelheid mensen die zich met wetenschap bezig hielden. In de periode 1975-2006 is het aantal Assistenten in Opleiding (het 'beginnersnivo' voor wetenschappers) in de Verenigde Staten gestegen van 202 duizend naar 350 duizend . Dat zijn bijna 75% meer jonge, ambitieuze jongens en meisjes die de kennis wel even systematisch komen ordenen. Meer competitie dus!

Maar... een duidelijk verschil tussen sport en wetenschap is toch wel het scoren: in de sport gaat het om keiharde doelpunten of de snelste tijd, terwijl het in de wetenschap toch meer lijkt te draaien om vage theorieen en onbegrijpelijke formules. Nu vinden de meeste ministers, beleidsmakers en (ook al zullen ze het niet snel toegeven) veel collega-wetenschappers al die theorieen ook maar vaag. Nu is het echter zo dat die theorieen niet zomaar ergens rondzweven, maar moeten worden opgeschreven. Dat gebeurt door ze te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Die tijdschriften zijn er in verschillende maten: sommige richten zich op een beperkt geografisch gebied (bijvoorbeeld het 'Romanian Journal of Physics'
) of op een beperkt wetenschappelijk vakgebied (zoals het tijdschrift 'Agricultural and Forest Meteorology') dat zich richt op het effect van klimaat op landbouw en bossen): het publiek van dit soort tijdschriften is dan ook navenant klein . Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de tijdschriften die zich op een wereldwijd publiek richten en bovendien niet op een specifiek vakgebied: de meest bekende hiervan zijn Science en Nature. De artikelen in deze bladen worden natuurlijk gelezen door heel veel wetenschappers en veel van het wetenschapsnieuws uit de kranten is ook afkomstig uit publicaties in deze bladen. Voor wetenschappers is het nu ook zaak om hun onderzoek zo veel mogelijk in zo populair mogelijke bladen te publiceren, net zoals het voor sporters belangrijker is om aan de Olympische Spelen mee te doen dan aan de open Drentse kampioenschappen.

Maar wat is nu de maat voor de populariteit van een tijdschrift? Bij kranten is dit de oplage (het aantal gedrukte exemplaren), maar wegens technische redenen is dit bij wetenschappelijke bladen blijkbaar geen goede maat. Reden voor de wetenschapper Eugene Garfield om de 'impact factor' te bedenken: een score voor de populariteit van elk wetenschappelijk tijdschrift, gebaseerd op het aantal malen dat andere wetenschappers refereren aan het werk beschreven in dat tijdschrift. Garfield verzon dit nummer in al zijn onschuld om het 'voortschrijden van de wetenschap' beter in kaart te kunnen brengen. Als een soort 'kernsplitsing' werd dit krachtige wapen al snel ingezet tegen wetenschappers zelf, door ze keihard op hun prestaties af te rekenen met dit getal. Garfield is dan ook vereerd met de grootste anti-eer die een wetenschapper kan verkrijgen, de totale vergetelheid. Dit terwijl Garfield ook aan de wieg stond van een van de meest geliefde gereedschappen van de wetenschapper: Web of Science, een internet-database waar bijna alle wetenschappelijke artikelen ter wereld met een korte beschrijving gearchiveerd zijn.

Goed: wetenschap is dus al bijna een echte sport, met flink wat bloedstollende competitie en ook nog eens een waterdicht scoresysteem. De vergelijking loopt alleen spaak bij de laatste vereiste van een sport: de gezamenlijke spelregels waarmee tot scoren gekomen wordt. Goed: elk wetenschappelijk tijdschrift heeft regels en toetsing om te bepalen of een artikel gepubliceerd wordt of niet, maar zo'n artikel is niet zozeer het spel, maar meer een manier om het spel te kunnen spelen: het is niet een buitenspelregel, maar meer het gras waarop de wetenschapper kan scoren. Spelregels zijn natuurlijk essentieel in elke sport: als je met een hockeystick het voetbalveld oploopt wordt dat waarschijnlijk niet echt gewaardeerd en het nemen van een strafcorner kun je wel helemaal vergeten. Wanneer wetenschappers hun 'sport' beoefenen schrikken ze niet van een hockeystick, zelfs als ze die (nog) niet kennen. Sterker nog, ze zullen je vragen of je je rugbyende neefje en je buurvrouw met haar volleybalteam ook mee kunt nemen.

Wetenschap is weliswaar competitief, maar een van de belangrijkste manieren om de competitie voor te blijven is een nieuw vakgebied (lees: een nieuwe sport) verzinnen, waar jijzelf dan natuurlijk meteen de beste in bent! Sporters kunnen dat niet zomaar doen: op het EK voetbal kan Marco van Basten niet zomaar ineens bedenken dat ze kopbal gaan spelen, omdat de buurjongen van Rafael van der Vaart een hele harde schedelpan blijkt te hebben. In de wetenschap is dat geen enkel probleem: als een wetenschapper altijd in dezelfde koffiehoek zit als een collega, die iets nieuws kan dat hij kan gebruiken, staat niets hun een samenwerking in de weg. Waarschijnlijk is het hele vakgebied van de al eerder genoemde Forest Meteorology dus ook alleen maar ontstaan omdat een weerkundige eens een avondje gezellig heeft geborreld met een wetenschapper die zich bezighield met bossen. Zo bestaat er een heel scala aan wetenschappelijke combinaties, zoals planten-neurobiologie, bio-informatica en statistische fysica , waarin wetenschappers hun eigen kennis samenbrengen met die van wetenschappers in een andere wetenschappelijke discipline en zo het geheel van weten opnieuw te te ordenen en zo de kennis te vergroten.

Je ziet verschillen altijd het best als het nu eens een keer niet goed gaat: als je uitgeschakeld wordt op het EK zeg je tegen je collega: "Ach over vier jaar proberen we gewoon nog een keer hetzelfde." Wetenschappers zeggen na een mislukt experiment: "Ach joh, morgen proberen we gewoon wat anders: laten we een biertje gaan halen."


Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon
  • NewsVine

Reacties

Voeg reactie toe
 authimage

Reacties

  1. Marjan Forest meteorology
    31.07.2008 | 04:41

    Hey Jeroen, Forest Meteorology is haske interessant hoor! Je moest eens weten hoe vaak ik wel niet nadenk over de invloed van wind op de boundary layer van de blaadjes die de CO2 opnemen en wat dat dan weer betekent voor de C-blanas in 'mijn' tropische bos....

    Gefeliciteerd trouwens met je blog!