In een periode dat studerend Vlaanderen met proefwerken of examens zit, is het misschien niet zo opportuun veel over wiskunde te schrijven. Daarom gaan we de lichtere toer op door enkele anekdotes over bekende en minder bekende wiskundigen te vertellen. Toch een waarschuwing hierbij: hoewel de foto's die je hieronder vindt de indruk zouden kunnen wekken dat wiskundigen saaie en kleurloze figuren zijn, willen we dat met klem tegenspreken. Moest je denken dat er toch blijkbaar iets mis is met wiskundigen, dan willen we daar tegenoverstellen dat wiskundigen vaak gewoon een ander soort gevoel voor humor hebben. Noodgedwongen moeten we ons tot mannen beperken, niet omdat vrouwelijke wiskundigen eerder schaars zijn, maar omdat ze zich minder laten betrappen op afwijkend gedrag.

 |
1729 staat bekend als het Ramanujan-Hardy getal.
De Britse wiskundige G. H. Hardy (1877-1947), die gespecialiseerd was in getaltheorie, en vooral bekend is door het feit dat hij het wiskundige wonderkind, de Indier Srinivasa Ramanujan (1887-1920), naar Cambridge haalde, vertelde dat hij op ziekenbezoek ging bij Ramanujan, en dat ze het op een bepaald moment hadden over het nummer van de taxi waarmee Hardy gekomen was. Hardy vond dat nummer, 1729, weinig interessant.
"Helemaal niet", zei Ramanujan daarop, "1729 is het kleinste getal dat op twee verschillende manieren te schrijven is als de som van twee derdemachten."
Inderdaad: $$1729 = 1^3 + 12^3 = 9^3 +10^3 $$
|
|

|
Norbert Wiener (1894-1964), een toegepast wiskundige, was bekend om zijn verstrooidheid.
Op een dag ging hij naar een conferentie, en parkeerde zijn auto op de (grote) parking van de universiteit. Na de lezingen liep hij terug naar de parking, maar omdat hij vergeten was waar hij zijn auto had gezet, en eigenlijk ook niet meer wist hoe zijn auto eruit zag, was hij genoodzaakt daar te blijven wachten tot alle andere auto's weg waren.
Op een bepaalde ogenblik verhuisde hij met zijn familie naar een ander huis een paar blokken verder. Zijn echtgenote, die wist dat ze aan haar man toch niets had bij zo'n bedoeningen, had hem naar zijn werk gestuurd 's morgens. 's Avonds zou dan wel alles verhuisd zijn. Voor de zekerheid had zij hem een papiertje met het nieuwe adres meegegeven. Na het werk wist Wiener niet meer wat zijn nieuwe adres was, en al evenmin wat er met dat papiertje gebeurd was. Hij ging dus maar gewoon naar zijn oude huis, en zag daar een kind staan waar hij aan vroeg: "Weet jij misschien naar welk adres de Wieners verhuisd zijn?" Waarop het meisje antwoordde: "Ja, papa. Mama dacht wel dat je naar hier zou komen, en heeft mij daarom gestuurd om je de weg te wijzen."
|
|

|
Henri Poincaré (1854-1912) was een van de grootste Franse wiskundigen. Over hem doet het volgende verhaal de ronde.
Poincaré ging elke dag een brood kopen bij de bakker op de hoek. Hij merkte al snel op dat het brood, dat normaal 1 kg moest wegen, vaak merkelijk veel minder woog, en hij hield dan ook een jaar lang zorgvuldig bij wat het dagelijkse gewicht van het brood was. Hij zette de resultaten hiervan uit op een grafiek, en die bleek een mooie Gausscurve te zijn met als gemiddelde 950 g. Hij diende een klacht in bij de lokale politie, en de bakker kreeg een waarschuwing.
Een jaar later diende Poincaré opnieuw klacht in. Hoewel het brood dat hij kocht bij de bakker nu wel het juiste gewicht had, kon hij bewijzen dat de bakker toch zijn klanten bedroog. De politie confronteerde de bakker met de aanklacht, waarop die de vraag stelde: "Hoe kan Poincare´ nu weten dat mijn broden toch niet het juiste gewicht hebben als er bij hemzelf geen problemen zijn?"
Poincaré antwoordde met deze grafiek.
|
|


|
Logicus Kurt Gödel (1906-1978) was niet van deze wereld. In 1939 was hij uitgeweken naar de Verenigde Staten, en na enkele jaren in Princeton besloot hij mee te doen aan het examen om Amerikaans staatsburger te worden.
Bij het bestuderen van de Amerikaanse grondwet ontdekte hij allerlei inconsistenties, en was daardoor erg in de war. Zijn collega John Von Neumann wist hem echter duidelijk te maken dat als je de zaken op een bepaalde manier bekeek, dat er dan geen logische problemen optraden.
De dag van het examen kwam. Albert Einstein (rechtsboven) en Oskar Morgenstern (linksonder) begeleidden hem naar het examen. De rechter die het examen afnam vond het geweldig eens te kunnen praten met een beroemdheid zoals Einstein, en ze hadden het o.a. over Nazi-Duitsland. Op een bepaald ogenblik richt de rechter zich tot Gödel en zegt: "Maar je hebt waarschijnlijk wel gemerkt bij het doornemen van onze grondwet dat zoiets hier nooit kan gebeuren. Waarop Gödel: "Maar ...", en hij kreeg prompt (onder de tafel) een stamp van Morgenstern. Gödel kreeg het staatsburgerschap.
|
|

|
Abram Besicovitch (1891-1970) was een Russisch wiskundige die de wereld rondreisde en in 1927 in Cambridge (Engeland) terechtkwam.
Op een dag ging hij op bezoek bij een collega die enkele honderden kilometers ver woonde. Dit gebeurde in een tijd dat telefoneren om een afspraak te maken erg duur was, dus hij stapte gewoon in zijn auto, reed enkele uren, belde aan en was blij te constateren dat zijn collega thuis was. Al snel ging het over wiskunde, en het was makkelijk Besicovitch te overtuigen om te blijven voor de lunch.
Na de middag werkten ze verder, het werd avond, en Besicovitch's collega nodigde hem uit voor het avondeten. "Maar moet je niet even naar huis bellen om je vrouw te laten weten dat je nog hier bent? Misschien maakt ze zich wel ongerust, of is ze al eten aan het koken." Waarop Besicovitch antwoordt: "Dat is niet nodig. Ze weet dat ik nog hier ben: ze wacht in de auto."
|
|

|
We sluiten af met Paul Erdös (1913-1996), een van de grootste wiskundigen van de vorige eeuw, die we ook al op deze blog zijn tegengekomen.
Erdös had de gewoonte wiskundecollega's op te bellen, op willekeurige momenten. Hij kende hun telefoonnummers van buiten, maar kende van niemand de voornaam. De enige die hij aansprak met zijn voornaam was Tom Trotter, die hij Bill noemde.
Erdös ontmoette eens een wiskundige op de een of andere conferentie, en vroeg hem van waar hij was. Toen bleek dat hij werkte in Vancouver, zei Erdös: "Dan ken jij waarschijnlijk mijn goede vriend Elliott Mendelson?"
De ander antwoordde: "Ik BEN je goede vriend Elliott Mendelson."
Zie ook het Erdös-getal en Erdös-Bacon getal. |
|
Bronnen:
Steven Krantz, Mathematical Apocrypha: Stories and Anecdotes of Mathematicians and the Mathematical, The Mathematical Association of America (2002)
Steven Krantz, Mathematical Apocrypha Redux: More Stories and Anecdotes of Mathematicians and the Mathematical, The Mathematical Association of America (2005)
(over Paul Erdös) Paul Hoffman, The Man Who Loved Only Numbers, Hyperion (1998) of de Nederlandse vertaling bij Bert Bakker (1999)
(over Srinivasa Ramanujan) Robert Kanigel, The Man Who Knew Infinity, Washington Square Press (1992)
(over Srinivasa Ramanujan) David Leavitt, The Indian Clerk, Bloomsbury (2008) of de Nederlandse vertaling bij De Harmonie (2009)
en natuurlijk ook het volgende recent verschenen boek:

|
Rueben Hersh en Vera John-Steiner, Loving + Hating Mathematics. Challenging the Myths of Mathematical Life, Princeton University Press (2011) 416 pagina's. |
|
Dit boek gaat niet zozeer over wiskunde, maar over wiskundigen, over hoe ze functioneren, wat hen triggert, waarom ze wiskunde doen, hoe ze omgaan met anderen,... Hersh en John-Steiner proberen komaf te maken met een aantal mythes die rond wiskundigen hangen, zoals de mythe dat het eenzaten zijn, en eerder asociale wezens. Ze doen dit met voorbeelden, en proberen hun punt te maken aan de hand van verhalen en anecdotes over wiskundigen.
Een deel van het boek heeft rechtstreeks betrekking op het onderwijssysteem in de Verenigde Staten, en is als dusdanig voor ons niet zo interessant. Maar voor de rest is het zeker een aanrader.
Formuledichtheid: Θ Ο Ο Ο Ο
Moeilijkheidsgraad: Θ Ο Ο Ο Ο
Score: Θ Θ Θ Ο Ο
|
|