Dierproeven
‘In vergelijking met de gevangenen in België verblijven mijn muizen in een hotel. Er is dag- en nachtverlichting, de vochtigheid en de temperatuur zijn perfect geregeld, de dieren krijgen altijd genoeg te eten en ze zitten nooit in overbevolkte kooien’, grapte biomedicus Peter Carmeliet afgelopen december tijdens een Eos-debat met criminoloog Sonja Snacken. Zijn instituut in Leuven herbergt zowat dertigduizend proefdieren. Carmeliet werkt met zogenoemde knock-outmuizen, muizen waarvan een gen uit- of aangeschakeld kan worden en die het afgelopen decennium een ware revolutie in de geneeskunde hebben teweeggebracht. Carmeliet en zijn team zorgden voor doorbraken in het onderzoek naar de groei van bloedvaten – als je de vorming van nieuwe bloedvaten kan terugdringen kan je ook de tumorontwikkeling stoppen – en de spierziekte ALS. Op de vraag of hij dezelfde belangwekkende resultaten zonder de muizen zou hebben bereikt, antwoordde hij negatief. Er zijn geen alternatieven.
De Leuvense wetenschapper erkent dat de afstand tussen mens en dier meespeelt in het debat rond dierproeven. Zijn lab probeert ‘primitievere’ diersoorten in het onderzoek te betrekken, zoals kikkervisjes en zebravissen, waarvoor de tolerantie bij het publiek groter is. Zelf ziet Carmeliet af van proeven met primaten, niet alleen omdat de knock-outtechniek op hen niet toepasbaar is, maar ook omwille van de tegenkanting. Het verzet tegen dierproeven wordt in België en Nederland aangevoerd door de Anti Dierproeven Coalitie. Begin februari verzamelden ze, naar jaarlijkse gewoonte, in Leuven, om tijdens het patroonsfeest van de universiteit te protesteren tegen de experimenten op apen. Korte tijd later overhandigde de Nederlandse afdeling een petitie van zestienduizend ondertekenaars aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Volgens de actievoerders zijn de experimenten op apen niet alleen gruwelijk, ze brengen de wetenschap geen stap vooruit. Jarenlange dierexperimenten hebben ons niets wijzer gemaakt. Zo blijft het menselijke brein nog even ondoorgrondelijk als vroeger.
In Europa worden jaarlijks ongeveer 12 miljoen proefdieren gebruikt, ongeveer tienduizend daarvan zijn primaten. De meest recente cijfers (uit 2009) voor België en Nederland vermelden respectievelijk 65 en 655 apen. Volgens Jan Langermans van het BPRC, het grootste onderzoekscentrum voor primaten in Europa, zijn voor sommige studies proeven op apen onontbeerlijk. Dat geldt zeker voor neurowetenschappelijk onderzoek naar bijvoorbeeld parkinson en alzheimer, want de dieren staan nu eenmaal dicht bij de mens. Maar ook de mechanismen achter infectieziekten als aids, malaria en tuberculose worden beter begrepen. Mede dankzij primatenonderzoek werd in 2003 snel de oorzaak van de dodelijke longziekte SARS gevonden.
Voor de wetenschap blijven dierproeven een noodzaak, zolang er geen volwaardige alternatieven zijn, en zolang de voordelen (voor de geneeskunde) het ruimschoots halen van de ‘kosten’ (het dierlijk leed). De vraag is natuurlijk of er genoeg naar alternatieve mogelijkheden wordt gezocht en of dierenwelzijn wel genoeg doorweegt in de beoordeling van de aanvragen. In september vorig jaar legde het Europese parlement strengere regels op, maar in de rest van de wereld gelden die niet. In de VS worden nog steeds experimenten op mensapen uitgevoerd, de toestand in sommige Aziatische fokkerijen is schrijnend.

Veel in de EU gebruikte primaten komen uit fokkerijen in Azië, waar de Europese normen niet gelden. (foto BUAV)
Intussen liggen de wetenschappers die op dieren experimenteren onder vuur. Ook letterlijk: twee jaar geleden werd brand gesticht in het biomedisch onderzoekscentrum van de Universiteit Hasselt en in de zomer van 2009 ging het buitenhuis van de topman van Novartis Zwitserland in de vlammen op. Volgens een recente enquête van het vakblad Nature heeft een kwart van de onderzoekers die dierproeven verrichten ooit een negatieve ervaring met dierenrechtenactivisten gehad. Het gaat dan over brandstichting, fysiek geweld, vandalisme of haatcampagnes. In het Verenigd Koninkrijk ligt het percentage hoger, tot een derde van de wetenschappers, maar daar is de trend, mee door de strenge aanpak van de extremisten, aan het keren. Zoals zo vaak is goede communicatie cruciaal. Wetenschappers moeten, in nauwe samenspraak met de instituten waar ze werken, het publiek duidelijk maken welke experimenten ze juist uitvoeren, waarom en onder welke condities ze dat doen, en welke strategie ze ondernemen om het aantal proefdieren te verminderen.











| 
