Dialecten met een leger en een marine (I)
Zoals bekend zijn talen niets anders dan dialecten met een leger en een marine. Wie macht heeft, of geld, kan zijn taal en zijn manier van spreken opleggen aan wie geen geld of geen macht heeft: dat is altijd al zo geweest, niet alleen in onze eigen vaderlandse geschiedenis.
Maar als we die geschiedenis een beetje terugspoelen, duurt het niet lang voor we in een tijd terechtkomen dat er geen enkele behoefte was aan één enkele taal.
Die is pas nodig als één centrale administratie een grote en dus heterogene groep mensen moet bereiken. Zolang mensen gewoon thuis blijven, spreekt iedereen zijn eigen taal en je kunt je heel goed voorstellen dat je nog niet zolang geleden van bijvoorbeeld Oostende naar Berlijn kon reizen en telkens in ieder dorp dat je tegenkwam mensen aantrof die geen enkel probleem hadden om hun buren in het oosten of het westen te begrijpen, maar toch veranderde die taal voor de reiziger van Vlaams naar Brabants en Limburgs en daarna een zelfde gamma van Duitse dialecten die zo verschillend zijn dat je iemand van vijftien dorpen verder nog nauwelijks kan begrijpen.
Wat is dat trouwens, een Duits dialect? Zijn het Oostenrijks of het Zwitsers dialecten van het Duits? De Zwitsers hebben dan wel geen marine en hun leger lijkt soms meer op een groepje jagers, maar je kunt niet zeggen dat ze geen eigen taal hebben. Overigens is er natuurlijk niet zoiets als een Zwitserse taal: niet alleen wordt er in de Zwitserse kantons ook Italiaans, Frans en Reto-Romaans gesproken, maar in nagenoeg iedere vallei spreekt men een andere variant die niet noodzakelijk aan de andere kant van de plaatselijke bergen begrepen wordt.
Dialecten worden maar talen als er communicatie is tussen verschillende groepen en voor die ontwikkeling was de uitvinding van de boekdrukkunst van het allergrootste belang, vooral omdat dat gebeurde in net die periode waarin dank zij de reformatie de volkstalen aan belang wonnen. In de lange eeuwen na de definitieve val van het Romeinse Rijk was het Latijn de taal van de internationale communicatie, voor de kerk en voor de staat en natuurlijk ook voor de eerste scholen en universiteiten. Kunnen lezen en schrijven betekende toen ook niets anders dan dat je Latijn kon lezen en schrijven.
Toen mensen Luther het Boek van God terug aan het volk van God wilde geven, merkte hij al snel dat de volkstaal eerst nog moest worden uitgevonden. Maar toen het Oude en het Nieuwe Testament eenmaal in één vaste en goedgekeurde vorm bestond, zoals de Lutherbijbel in Duitsland, de Statenbijbel in Nederland en de King James vertaling in Engeland, hadden deze landen meteen ook voor het eerst een geschreven standaardtaal. Omdat de vertalingen, met uitzondering van die van Luther, vaak door een comité gemaakt was dat bestond uit vertalers van verschillende streken, was die vertaling vaak representatief voor een veel ruimer gebied. Zo zaten er nogal wat Vlamingen bij de makers van de Statenbijbel, zodat “onze” bijbeltaal helemaal niet zo Hollands was, als anders het geval was geweest.
De drukpers zorgde ervoor dat de teksten in deze bijbels overal in het grondgebied verspreid en gelezen werden, zodat de volkstalen een vaste vorm konden krijgen. In de meeste Europese talen werd in de zestiende en zeventiende een nieuwe taal gecreëerd, met een woordenschat die wetenschappelijke en filosofische termen uit het Latijn vertaalde (soms gebeurde dat heel letterlijk zoals met het woord “onderwerp” voor “subiectum”). Maar veel belangrijker was het feit dat ieder woord nu een vaste en algemene aanvaarde vorm kreeg, zodat het in alle omstandigheden op dezelfde manier geschreven kon worden. Voor de uitvinding van de drukpers gebruikte iedere kopiist zijn eigen conventies, zodat een geoefend taalkundig alleen al op basis van de spelling kan vaststellen of de man uit Limburg dan wel uit Holland kwam.
Heel wat vaste uitdrukkingen waarvan we allang vergeten zijn waar ze vandaan komen, werden eigenlijk uit het niets geschapen door de bijbelvertalers. Dit blijkt vooral als je dergelijke uitdrukkingen in verschillende talen gaat vergelijken en er geen equivalent blijkt te zijn: “op handen dragen” en “bij de pakken neerzitten” of “through a glass darkly” en “by the skin of my teeth” zijn daar goede voorbeelden van. In het beste geval weten we nog wat ze betekenen, maar bijna niemand weet nog dat ze oorspronkelijk uit het Grieks en het Hebreeuws vertaald werden.
Zo werd de taal van de bijbel de standaardtaal, in elk geval in de geschreven vorm, want natuurlijk bleef men zijn eigen taal soms op een heel andere manier uitspreken. Aangezien de intellectuele elite nog altijd Latijn en later Frans als gemeenschappelijk Europese taal had en het vooral de elite was die buitenlandse contacten had, was er ook niet echt behoefte aan één enkele manier om de standaardtaal uit te spreken. Daarvoor was er weer een andere communicatieve doorbraak nodig.






LetterenLaser














Een heel interessante en leesbare uiteenzetting over het ontstaan van het Standaard Nederlands.
Deze hele EOS site is trouwens een ontdekking voor mij. Proficiat
Eigenlijk kwam ik voor Wouter Rogiests artikel over de ondraaglijke traagheid van het licht. Ik volg zijn (dichters)blog al een hele tijd en vond er vandaag de link naar Scilogs. Ik kon het niet laten van toch ook even de Letterenlaser aan te doen.
De posttitel ... doet een belletje rinkelen. Een toets- of examenvraag die ik graag stelde, zomaar uit een tekst in ons leerboek Nederlands geplukt. "Een taal is niets anders dan een dialect met een leger en een marine.": leg me die zin eens uit, beste leerling. O, ik herinner het me goed: sommigen konden er maar geen grip op krijgen. Maar degenen die hem door hadden: goed gedaan, mooi meegenomen voor mij ... Ooit, in mijn vorig leven, dat van lerares Nederlands.