SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Ebola virus update: over transmissie en therapie

23. Oktober 2014, 21:07


ebola

Sinds Eva een paar weken geleden al op Sciencepalooza over de huidige uitbraak van het Ebola virus in West-Afrika schreef zijn de problemen alleen maar groter geworden. Het aantal besmettingen en doden neemt alleen maar toe en de getroffen maatregelen lijken geen effect te hebben. We pakken mooie borrelpraat bij de kladden (kan het virus ‘airborne’ gaan?), stippen even de behandelingen aan en komen dan weer uit bij dezelfde conclusie als Eva.

It’s Airborne!

OutbreakContagion. Hollywood heeft redelijk succesvol dramatische beelden in onze hoofden geplant van infectieziekten die op een onhoudbare, via de lucht, zich over de wereld verspreiden. Kan dat ook gebeuren met het Ebola virus, dat nu slechts door lichaamsvloeistoffen (bloed, braaksel, faeces, zweet en waarschijnlijk ook sperma) wordt overgedragen? Allereerst, het Ebola virus is een RNA virus. Deze soort heeft het enzym RNA polymerase nodig om zich te vermenigvuldigen. Dit enzym is van nature erg slordig en maakt vele mutaties per replicatiecyclus. In de serieuze media in de Verenigde Staten wordt (zelfs door wetenschappers) het idee geschetst dat als het Ebola virus de juiste mutaties ondergaat het zich mogelijk via aerosolen in de lucht kan verspreiden, zoals mazelen of influenza. Maar pas op. In de vorige zin gaat zit het venijn in de woorden ‘als’ en ‘juiste’. Sinds wetenschappers virussen bestuderen heeft een virus dat van mensen naar mensen wordt overgedragen er nog nooit voor gekozen om een andere route te kiezen. Virussen bestaan al duizenden jaren in mensen, dieren en insecten en hebben een veel langere evolutionaire weg afgelegd dan dat wij kunnen – en vaak willen – zien. Bij HIV, Hepatitis en Influenza heeft er nog nooit een transmissie-switch plaats gevonden ondanks dat zij al eeuwen door de menselijke populatie gaan. Ook bij de H1N1 influenza epidemie in 2009, waar de overdracht van dier naar mens en later van mens ging, veranderde de methode van overdracht niet.

“Ja maar!” zeg je dan. “Nu vergeet je de dierproeven die bijvoorbeeld in het Rotterdamse virologie laboratorium van Prof. Fouchier uitgevoerd zijn waarbij slechts een handvol mutaties noodzakelijk bleken om een H5N1 Influenza virus van fretten naar fretten via de lucht overdraagbaar te maken?” Het klopt dat dit virus zijn methode van overdracht veranderde. Maar wat vaak vergeten wordt is dat dit Influenza virus tegelijkertijd zijn vermogen om te doden verloor. Het virus maakte de fretten slechts ziek. Dit verschijnsel ziet men vaak in de virologie: mutaties kunnen optreden maar die gaan ten koste van een hoge “fitness” prijs.

In deze transmissiediscussie wordt een hypothetische mogelijkheid en een werkelijke waarschijnlijkheid verward. En het feit dat we nu in real-time, via CNN, RSS-feeds en Twitter van elke nieuwe patiënt op de hoogte gehouden worden, wil niet zeggen dat het virus sneller repliceert of muteert. En als we ons zorgen maken over iets zéér onwaarschijnlijks staat dat een goede en adequate crisisbestrijding in de weg.

Behandeling?

Kunnen we het virus met medicijnen stoppen? De huidige epidemie heeft het vaccin onderzoek naar Ebola letterlijk versneld. In Oxford kijkt men naar een vaccinatie combinatie van twee verschillende vaccins met hetzelfde eiwit na elkaar. In een studie in de VS wordt ook gekeken naar twee verschillende stammen van hetzelfde oppervlakte-eiwit gecombineerd in één vaccin. Als deze studies laten zien dat het product veilig is en een wenselijke immuunrespons opwekt kunnen toezichtshouders ‘compasionate use’ toestaan. Dat wil zeggen dat vaccins die niet het hele ontwikkelingstraject hebben doorstaan gebruikt mogen worden. Maar in het geval van deze epidemie zal zo’n product alleen kunnen zorgen voor een mogelijk indamming van de epidemie (ring-vaccinatie) en niet ter behandeling van reeds geïnfecteerde patiënten. Om reeds geïnfecteerde patiënten te behandelen is het middel Zmapp, een cocktail van drie antilichamen, veel in het nieuws geweest omdat het gebruikt is bij een aantal westerse patiënten. Het middel is nog niet volledig op mensen getest en onder de noemer van compasionate use gebruikt bij drie geïnfecteerde Amerikanen in Liberia. Eén persoon is alsnog overleden. Dit resultaat is te rijmen met een in Augustus gepubliceerde studie in Nature. In deze studie werden rhesus makaken geïnfecteerd met het Ebola virus en kregen daarna ZMapp. Alle zes apen (6) waren beschermd waren mits ze binnen 5 dagen na infectie werden behandeld. De twee controle-apen overleden.

Los van alle antilichamencocktails en vaccins: de Ebola epidemie kan het beste – zoals Eva al zei – tegen gegaan worden door rubber, plastic en vertrouwen. De praktijk laat dat ook zien: In Oeganda zijn door het uitrollen van deze geïntegreerde oplossing van 425 gevallen en 224 sterfgevallen in 2000 naar 6 gevallen en 3 doden in 2012. In Guinee, Sierra Leone en Liberia zijn die pilaren nagenoeg non-existent op dit moment. De politieke systemen in die regio van West-Afrika zijn zeer broos en het vertrouwen in de politiek en zittende macht is laag. Er wordt slecht voorgelicht en wat er van de boodschap aankomt wordt in veel gevallen niet vertrouwd. Het Ebola virus zal de mens altijd blijven infecteren. Door fundamenteel en toegepast klinisch onderzoek kunnen we het virus beter begrijpen en indammen maar alles staat of valt bij een werkend gezondheidssysteem.

Door: Mark Geels 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Welke ziekte is volgend jaar aan de beurt voor een ludieke campagne?

30. September 2014, 14:20


IceBucket

Tien jaar geleden begon ik aan een promotieonderzoek naar ALS. Toen moest ik iedereen uitleggen wat ALS was. Door campagnes als de Amsterdam Swim Challenge met koningin Maxima en de IceBucketChallenge is daar wel verandering in gekomen. Maar leveren die campagnes eigenlijk ook wat op voor ALS-patiënten? Voorlopig helaas nog weinig.

Het zal niemand ontgaan zijn dat de IceBucketChallenge afgelopen zomer een trending topic op alle sociale media was, en daardoor ook werd opgepikt door serieuze media. Eerst beroemdheden, daarna al je Facebookvrienden: iedereen keerde een emmer koud water over zijn of haar hoofd om geld op te halen voor de ziekte ALS. Met succes – eerder schreef de Volkskrant dat er ruim 85 miljoen euro binnengekomen is in de VS, en ruim een miljoen euro in Nederland. De bedenkers van de campagne (wie zijn dat eigenlijk?) mogen zich op de borst kloppen.

Zelf heb ik niet aan de IceBucketChallenge meegedaan. Niet alleen omdat ik niet voor ben uitgedaagd, maar ook omdat ik niet inzie wat het omkeren van een emmer koud water boven je hoofd te maken heeft met een verschrikkelijke ziekte waar mensen vaak binnen 5 jaar aan doodgaan. Ook onder patiënten worden dergelijke ludieke campagnes lang niet altijd goed gewaardeerd, dit gold bijvoorbeeld ook voor de groet posters van ALS-patiënten in bushokjes, met daarbij de tekst “Ik ben al overleden” zoals bijvoorbeeld Pieter Steinz schreef in de NRC.

Nauwelijks vooruitgang in behandeling
Maar behalve betere bekendheid van de ziekte, is er in de afgelopen 10 jaar helaas nauwelijks iets veranderd in de behandelingen of medicijnen is voor deze vreselijke ziekte. Mensen die gediagnosticeerd worden met ALS, gaan nog steeds meestal binnen 5 jaar aan dood, op een vreselijke manier. De hoop is natuurlijk dat de IceBucket-miljoenen daar eindelijk verandering in gaan brengen, maar die hoop moet wel enigszins getemperd worden. Zoals ALS-onderzoeker en oprichter van het Nederlandse ALS-centrum Leonard van den Berg al vertelde in de Volkskrant: “de oorzaak van de ziekte is nog volstrekt onduidelijk en zonder die kennis wordt het lastig om een medicijn te vinden”.

Veel onderzoek richtte (en richt) zich nog steeds op het verbeteren van de kwaliteit van leven van de patiënten. Daarnaast wordt er zeer fundamenteel onderzoek gedaan, in gekweekte cellen en muizenmodellen, om te begrijpen hoe de ziekte eigenlijk werkt (zoals mijn promotieonderzoek, waarin ik géén baanbrekende ontdekkingen heb gedaan). Het mechanisme van de ziekte is namelijk nog steeds niet duidelijk, en zonder begrip daarvan is het lastig een behandeling vinden. Wat het zoeken naar een geschikte behandeling ook tegenwerkt, is dat er maar (relatief) weinig ALS-patiënten zijn: in Nederland slechts ongeveer 1000. Het is dus niet makkelijk nieuwe, potentiële medicijnen te testen op grote groepen proefpersonen. Kortom, het onderzoek naar ALS zal, ook na het binnenstromen van miljoenen euro’s, de komende jaren hoogstwaarschijnlijk niet leiden tot baanbrekende medicijnen of behandelingen.

Kan het nóg ludieker?
Een ander nadeel van zo´n ludieke campagne is dat de miljoenen euro’s die deze zomer naar ALS zijn gegaan, niet naar andere goede doelenfondsen zijn gegaan. Zo wordt dit jaar minder geld gedoneerd aan onderzoek naar kanker, AIDS, hartziekten, Alzheimer enzovoorts, terwijl deze ziektes zeker niet minder belangrijk zijn. Sterker nog, als je levens wilt redden kun je je geld beter geven aan de bestrijding van malaria, waar dagelijks meer dan 1000 mensen aan doodgaan, en veel makkelijker en goedkoper te voorkomen is.

Zouden andere goede-doelen-organisaties zich na het succes van de IceBucketChallenge achter hun oren krabben en, al of niet samen met hippe, dure reclamebureaus, gaan bedenken wat voor actie zíj kunnen verzinnen om bekendheid van hún ziekte te vergroten en veel geld binnen te halen? Ik hoop het niet. Want wat zal er komen na ‘6-keer-een-hoge-berg-op-fietsen-tegen-kanker’ en ‘een-emmer-koud-water-over-je-hoofd-tegen-ALS’? Ik hoop dat er iets verzonnen wordt wat wél echt met een ziekte te maken heeft. De ‘seks-selfies-met-condoom-tegen-AIDS’? Of liever een ‘foto-gehuld-in-alleen-een-klamboe-die-daarna-naar-een-malariagebied-wordt-opgestuurd’? Iets relevanter mag het wel zijn.

Door: Eva Teuling 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Vliegen duurt langer door internet

26. September 2014, 21:52


Vliegtuig-klein

Vliegen, de snelste manier van vervoer, gaat steeds langzamer. Frequente luchtreizigers in de Verenigde Staten hadden misschien al in de gaten dat er langzamerhand stiekem een paar minuten bij de vluchttijden zijn opgeteld. En dat is volgens onderzoekers mede het gevolg van ons koopgedrag op internet.

Let u eigenlijk wel eens op hoe lang uw vlucht duurt? En kan dat u eigenlijk wel iets schelen?

Vroeger, toen we nog naar het reisbureau gingen om een vlucht te boeken, kwamen we meestal thuis met een ticket voor de snelste verbinding naar onze plaats van bestemming. Die stond namelijk bovenaan in het reserveringssysteem, en waarom zou je dan verder zoeken.

Goedkoop
Nu we steeds vaker zelf onze vliegtickets via internet aanschaffen blijken we eigenlijk vooral geïnteresseerd te zijn in de prijs. Veel zoeksites tonen dan ook de goedkoopste vlucht als eerste optie. En luchtvaartmaatschappijen hebben ons door, dus maken ze de tickets goedkoper om bovenaan in een zoekactie uit te komen.

Langer vliegen
Maar ze laten ons voor straf ook langer in de lucht hangen. Dat is de conclusie van een studie van economen van Tel Aviv University, die binnenkort verschijnt in The Review of Economics and Statistics. Dit onderzoek verkent met statistische analyses de invloed van de toename van mensen met een internetverbinding op de vluchtduur van binnenlandse vluchten in de Verenigde Staten tussen 1997 en 2007.

Het onderzoek toont aan dat de toename in het aantal mensen met een internetverbinding, in de steden waar tickets zijn aangeschaft, een toename in de geplande reistijd kan verklaren. Dit effect is zelfs nog groter op verbindingen met veel concurrentie tussen luchtvaartmaatschappijen.

Geen eenvoudig sommetje
In de onderzochte periode steeg het aantal mensen met een internettoegang in Amerikaanse steden van 19 tot 76%. De gemiddelde geplande vluchtduur nam in die zelfde periode met ongeveer 5 minuten toe en de de duur van de kortste vluchten zelfs met 15 minuten. Het leggen van het verband tussen deze gegevens is echter geen eenvoudig sommetje, er zijn nog vele andere variabelen die de extra vliegtijd kunnen verklaren.

Het is bijvoorbeeld geen geheim dat de tijdsduur van vluchten in de Verenigde Staten is toegenomen. Meestal wordt dit verklaard als een noodzakelijke maatregel vanwege congestie in de lucht en op de vliegvelden. Daarnaast rekken luchtvaartmaatschappijen de geplande aankomsttijd op om hoger te scoren in de Amerikaanse ‘on-time’ statistieken.

Door variabelen als veranderingen op luchthavens, verschillen tussen type vliegtuigen, wijzigingen in de dienstregeling van luchtvaartmaatschappijen, en demografische veranderingen die van invloed zijn op de vraag als constanten mee te nemen in de analyses corrigeerden de onderzoekers voor deze omstandigheden.

Brandstofbesparing
De achterliggende verklaring die de onderzoekers geven voor de gevonden relatie tussen internettoegang en vluchtduur is dat luchtvaartmaatschappijen door de toegenomen concurrentie op prijs zuiniger omgaan met brandstof door langzamer of hoger te gaan te gaan vliegen – waar de luchtweerstand minder is. Gemiddeld levert dit een paar minuten vertraging op, maar dat is toch verrassend in een tijd waarin alles sneller gaat.

Extrapoleren
Hoewel het onderzoek geen uitspraken doet over het wereldwijde vliegverkeer is het verleidelijk om de bevindingen te extrapoleren naar buiten de Verenigde Staten. Ook daar vindt concurrentie op prijs plaats en niet zozeer op snelheid. En dat is volgens de studie dus niet alleen de voornaamste verandering sinds het pre-internettijdperk, maar dus ook het gevolg van het internettijdperk.

Koopgedrag
Volgens de onderzoekers hebben zij voor het eerst de link gelegd tussen toegang tot informatie en productkwaliteit. Het maakt nieuwsgierig naar welke processen wij met ons koopgedrag op internet nog meer beïnvloeden – de hoeveelheid beschikbare data om dat te onderzoeken lacht ons toe.

Schrale troost
Voorlopig weten we in ieder geval dat we door internet een paar minuten langer in het vliegtuig zitten. Een schrale troost is dat het waarschijnlijk wel bij die paar minuten zal blijven. Uiteindelijk is het voor luchvaartmaatschappijen nog steeds kostenefficiënt om een vliegtuig zo vaak mogelijk in te zetten. Maar de pieksnelheid van commercieel vliegen, onder de huidige stand van de luchtvaarttechniek, ligt inmiddels wel achter ons.

Door: Leonie Walta 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Deadlines moet je plannen

19. September 2014, 09:26


jaarkalender

Men zegt wel dat succes meer afhangt van ‘getting things done’ dan van intelligentie of geluk. Maar hoe krijg je die things done? Onderzoek dat deze maand verscheen in het Journal of Consumer Research laat zien hoe je jezelf – of anderen – ertoe kunt aanzetten om eerder te beginnen met een taak.

De onderzoekers ontdekten dat wanneer we ergens mee beginnen blijkt afhankelijk van hoe we de deadline in gedachten hebben gerubriceerd- als veraf of dichtbij. Daarbij bleek doorslaggevend of een deadline een bepaalde grens overschrijdt, zoals de maandgrens of een jaargrens. Neem een deadline die valt over vier weken. Toen ik dit schreef, op 2 september, zou het vier weken later 30 september zijn. Dat voelt relatief dichtbij. Maar als u dit leest, op 12 september, voelt ‘over vier weken’ heel ver weg; dan is het namelijk al 10 oktober. In de studie werd aan Canadese studenten gevraagd wanneer ze aan een taak zouden beginnen. Deelnemers voor wie de deadline ‘pas de volgende maand’ viel, begonnen pas veel later aan hun taak dan degenen voor wie de deadline nog dezelfde maand viel.

Dat uitstelgedrag is niet alleen typisch voor studenten in Toronto, constateerden de onderzoekers. Ook Indiase boeren lijden aan deze kwaal. Zij kregen de gelegenheid te sparen voor de opleiding van hun kinderen; als binnen zes maanden iets gespaard hadden, kregen ze een bonus. Of dat lukte, hing niet af van hoeveel geld ze voor hun kinderen overhadden; van belang bleek of de deadline voor of na het einde van het jaar viel. 28% van de mensen die in juni waren benaderd (deadline: 1 december) spaarde genoeg voor de bonus, terwijl maar 4 % van degenen die in juli (deadline: 1 januari) waren benaderd dat lukte.

Waardoor komt het dat we sneller aan de slag gaan als iets dichterbij lijkt? Hoe dichterbij de taak komt, des te concreter stellen we ons de bezigheid voor. De stap van het voornemen om ‘dingen te organiseren’ naar het concrete ‘ik maak een lijstje’ zorgt dat mensen daadwerkelijk begonnen met hun taak. Om die stap te kunnen maken is het dus zaak om de taak in gedachten geen enkele tijdsgrens te laten overschrijden.

Daarvoor hebben de onderzoekers een zeer praktische tip: geef de dagen in je agenda voor de deadline dezelfde kleur als de dag van de deadline zelf. Veel agenda’s werken met twee kleuren, bijvoorbeeld week om week een verschillende kleur, of met een andere kleur voor het weekend dan voor de werkweek. De suggestie van tijdsgrenzen die de kleurverschillen opriepen, zette de deelnemers aan tot het gebruik van abstracte gemeenplaatsen voor een goed voornemen: ze zouden ‘aan hun conditie gaan werken’ in plaats van ‘morgenochtend een rondje van vijf kilometer lopen’.

Koop of installeer dus een agenda in één kleur; dat zorgt voor eenheid, waardoor deadlines dichterbij lijken en je sneller daadwerkelijk aan de slag gaat.

Door: Eva van den Broek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Korting op verzekering in ruil voor privacy

08. September 2014, 12:26


streetmap2

Bent u een voorzichtige automobilist? Dan kunt u misschien korting krijgen op uw autoverzekering. Een verzekeringsmaatschappij hoeft daarvoor slechts – met uw toestemming – een kastje in uw auto te plaatsen, of een app op uw telefoon, om daarmee gegevens te verzamelen. Exacte locaties zoals GPS-gegevens worden niet gemeten, alleen de snelheid. De metingen zijn dus niet privacygevoelig, claimen de verzekeraars. Maar dat klopt niet: uit die snelheidsmetingen kan men ook heel veel informatie halen. Onderzoekers van de Rutgers University in de VS presenteerden een methode om uit de snelheidsmetingen zoals verzekeraars die doen de exacte locatie van een auto te bereken. De metingen zijn dus zeker wel privacygevoelig.

In Nederland kunt u bij verzekeraar PolisVoorMij terecht voor een verzekering-met-snelheidsmonitoring. Dat doen ze door middel van de iPhone-app App4Drivers (zie de uitleg in dit filmpje), met name bedoeld voor jongeren. De app registreert zowel het rijgedrag als het belgedrag van de bestuurder, en geeft feedback bij onveilig rijden. Wie zich aanmeldt om deze gegevens aan de verzekeraar kenbaar te maken, kan door veilig rijden extra korting krijgen op de verzekeringspremie. Een mooi idee: de directe feedback én de financiële stok achter de deur geven een goede motivatie om veilig te rijden. De app won niet voor niets in 2012 de Nationale Verkeersveiligheidsprijs.

Verzekeraars claimen (in elk geval in de VS) dat dergelijke apps geen problemen opleveren in verband met privacy. Hoe dan ook kiezen automobilisten er zelf voor om zo’n verzekering af te sluiten. Maar worden ze niet misleid bij die keuze door de claim dat de verzekeraar geen gegevens over de locatie van de auto verzamelt, en dus geen gevoelige informatie? Het team van Janne Lindqvist van de Rutgers University toonde met hun methode aan dat er in de snelheidsmetingen evengoed privacygevoelige informatie besloten ligt: uit de snelheden is in veel gevallen ook de locatie af te leiden.

Janne Lindqvist en zijn team noemen de methode elastic pathing. De kern van de methode zit in het gebruik van het stratenplan van een gebied. De snelheid waarmee men over de ene straat kan rijden verschilt namelijk enorm van de snelheid op een andere straat: dit hangt allemaal af van snelheidslimieten, verkeerslichten, bochten in de weg, etcetera. De enige informatie die Lindqvist en zijn collega’s verder nog nodig hebben is het vertrekpunt van de route. In veel gevallen is dat het thuisadres; en dat is bij een autoverzekeraar bekend.

Een voorbeeld: stel u woont aan een kleine, onverharde weg in een dorpje. Daarom rijdt u eerst een korte tijd stapvoets. Aan het einde van de weg kunt u linksaf, het dorp in (maximum snelheid: 30 km/u) of rechtsaf, een provinciale weg op (maximum: 60 km/u). De app meet een snelheid van 58 km/u, en Lidqvists methode leidt af dat u rechtsaf bent geslagen.

Bij een autorit van enige duur leidt zo’n benadering natuurlijk al snel tot een groot aantal mogelijke routes dat gematcht moet worden met de snelheidsdata. Dat maakt het probleem complex: een huis-tuin-en-keuken-computer kan simpelweg niet alle mogelijke routes gaan doorrekenen. Ook daar hebben Lindqvist en zijn team een slimme manier op gevonden. Exact de route berekenen hoeft dan niet, een route die bij benadering matcht met de snelheden is in de praktijk al voldoende.

De onderzoekers testten hun methode op gegevens van ruim 800 autoritten.  In 20 procent van de ritten lag de voorspelde eindbestemming minder dan 500 meter van de echte bestemming. Dit lijkt misschien een lage score. Maar, licht Lindqvist toe, de methode kan zeker verbeterd worden, en dan misschien ook tot betere resultaten leiden. Op dit moment is de belangrijkste bevinding dat het mogelijk is om locatie af te leiden uit snelheidsgegevens. Lindqvist claimt niet dat verzekeraars dat doen, of er op uit zijn om dat toen. Maar privacygevoelig is het wel.

 Plaatje boven van OpenStreetMap (www.openstreetmap.org)

Door: Charlotte Vlek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Zin en zotheid in evolutie

02. September 2014, 10:11


3741745674_d627d057f4_z

Er is een bekende stelling van de bioloog Dobzhansky: Nothing in biology makes sense, except in the light of evolution. Ik vind dit een mooie uitspraak, en ben het er roerend mee eens. Maar helaas kan alles overdreven worden, dus ook dit idee. Want dat iets meer ‘sense’ heeft in een evolutionaire schijnwerper, betekent niet dat die verklaring ook automatisch toepasselijk is. Dat klinkt wellicht wat cryptisch, dus laat ik dat uitleggen.

Krijsende baby
De beste uitleg is vaak een voorbeeld, en het beste voorbeeld hier is opzettelijke overdrijving. Neem fysicus Tomer Ullman. Ullman, gefrustreerd door het niet-aflatende huilen van zijn jonge zoon, heeft bedacht dat die huilbuien — en zijn eigen frustratie daarover — wel eens een evolutionaire aanpassing kunnen zijn. En wel zo: huilende kinderen zorgen voor nijdige ouders. Nijdige ouders zijn een stuk agressiever, en dus beter in een gevecht. Dorpen met veel huilende kinderen zullen dus waarschijnlijk winnen in een conflict met het buurdorp, waar de kinderen ‘s nachts allemaal rustig slapen. Ziedaar, het evolutionaire voordeel van een krijsende baby.

Dat Ullman hiermee de draak steekt met de stelling van Dobzhansky mag duidelijk zijn. Dat weet Ullman zelf gelukkig ook heel goed. Maar niet iedereen is deze tegenwoordigheid van geest beschoren, en het blijkt vaak behoorlijk verleidelijk om aan alles een evolutionaire verklaring te geven. Wat daarbij meestal vergeten wordt, is dat het proces van ‘evolutie’ niet alleen over aanpassing (adaptatie) gaat: de grootste kracht achter de levende wezens om ons heen, is toeval.

Complexiteit
Achter ieder kenmerk van een levend wezen een doelmatig ontwikkelde eigenschap zoeken gaat voorbij aan de complexiteit van biologie, en aan het belang van dom geluk. Om te beginnen kan natuurlijke selectie alleen maar werken met de varianten die daadwerkelijk bestaan, en sommige variaties ontstaan nu eenmaal makkelijker dan andere. Daarnaast hangen veel aspecten in een organisme met elkaar samen: genen doen zelden maar één ding, en worden vaak juist ‘gerecycled’ voor nieuwe kenmerken. Tenslotte is er het statistische proces dat ‘drift’ heet: de stochastische verspreiding (of verwijdering) van genvarianten uit een populatie, puur door toeval.

Kortom, evolutie is véél meer dan natuurlijke selectie als optimalisatieproces. Maar dat mag voor velen de pret niet drukken: de zoektocht naar ‘een evolutionaire verklaring’ voor een fenomeen lijkt vaak verdacht veel op de gedachtegang van Tomer Ullman: stap 1, neem fenomeen. Stap 2, bedenk mogelijk voordeel met implicaties voor overleven of voortplanting. Stap 3, werk uit.

PMS
Zo verscheen er onlangs in het wetenschappelijke tijdschrift Evolutionary Applications een artikel over de evolutionaire voordelen van het pre-menstrual syndrome, of PMS. De auteur van het stuk, bioloog Michael Gillings, stelt dat PMS een voordeel zou kunnen opleveren voor de vrouw omdat het relaties die niet tot nageslacht leiden — waar vaak sprake is van PMS in plaats van een beginnende zwangerschap — onder druk zet. Vrouwen die erg last hebben van PMS uiten hun irritatie tegenover de huidige partner, stelt Gillings, en zijn tegelijkertijd op jacht naar een nieuwe. Dat gedragspatroon levert evolutionair voordeel op als je in een monogame relatie met een steriele man verkeert: dat is een evolutionair nutteloze relatie. Dumpen die handel.

Gillings, die in tegenstelling tot Ullman bloedserieus was over zijn hypothese, kreeg gelukkig nogal wat kritiek over zich heen. Allereerst uit antropologische hoek: hij deed verstrekkende aannames over relatiestructuren in onze voorouders, en vergat voor het gemak de enorme biologische complexiteit die ten grondslag ligt aan PMS. Maar juist ook de evolutionaire invalshoek kwam onder vuur te liggen: het zoeken naar een ‘reden’ voor PMS impliceert immers dat er een is — en dat is dus maar zeer de vraag.

Speculatie
Ergens is het wel begrijpelijk: we willen graag weten waarom we zijn wie we zijn, en het is dus verleidelijk om wilde verhalen te bedenken als origin story. Maar de vraag is hoeveel we hiervan leren. Vraag ‘hoe’ iets geëvolueerd kan zijn, en duik in de genetica, de ontwikkelingsbiologie. Maar vraag ‘waarom’, en je belandt in het troebele veld van de speculatie.

Wat mij betreft is speculatie een prima (en hilarische) tijdsbesteding als het gaat om projecten als dat van Tomer Ullman en co, maar misschien moeten we het daar maar gewoon bij laten. Dobzhansky had gelijk toen hij zei:nothing in biology makes sense except in the light of evolution — maar hij zei evolution, niet adaptation. En hij sprak al helemaal niet over de adaptatie van afzonderlijke eigenschappen, los van de biologische complexiteit van het individu: dat is geen zin, maar zotheid.

Plaatje boven: Crying, door Kitsu op Flickr (licentie CC BY 2.0).

Door: Barbara Vreede



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een arts wil ook wel eens op vakantie

26. Augustus 2014, 13:35


richtlijnen

Met hoge koorts, een gevoel van slapheid en een zere keel ga je normaal gesproken niet naar je huisarts. Nu wel – het kan immers Ebola zijn. Niet iedere huisarts stelt echter direct die ene belangrijke vraag: of je onlangs in Afrika bent geweest. Dat is ernstig, maar een familielid maakte het eerder deze week mee. En het is niet heel verwonderlijk. Artsen worden dagelijks overspoeld met richtlijnen en protocollen, en dan niet alleen door gezaghebbende instanties als de Gemeenschappelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s), en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), maar ook door bijvoorbeeld vertegenwoordigers van farmaceuten. Dan is het toch voorstelbaar dat een arts bij de uitvoering wel eens een steekje laat vallen?

Alert

Het RIVM roept huisartsen sinds deze week op om extra alert te zijn op Ebola. Het instituut doet dat via een bericht naar GGD’s en een landelijk persbericht. Huisartsen moeten bij patiënten met hoge koorts de recente reisgeschiedenis opvragen, en nagaan of ze onlangs in besmette gebieden zijn geweest. Dat staat in alle berichten, en ook in Bijlage 1 van de richtlijn die het RIVM heeft opgesteld. Natuurlijk pikt elke huisarts deze informatie op. Maar er adequaat naar handelen – dus de vraag onmiddellijk stellen, en niet pas in laatste instantie – is niet vanzelfsprekend. Dit is wellicht deels te verklaren vanuit de manier waarop de informatie wordt overgebracht.

Beslisboom

Van huisartsen verwachten we dat ze goed geïnformeerd zijn over het Ebola-protocol. Maar eigenlijk verwachten we dat ze ook alle andere richtlijnen paraat hebben. Zoals die voor reflux, waarvoor een vriend met zijn pasgeboren dochter vorige week naar zijn huisarts ging. Reflux bij baby’s is in principe niet ernstig en gaat meestal vanzelf over. Dat staat ook in de Richtlijn Gastro-oesofageale reflux(ziekte) bij kinderen van 0-18 jaar, eenboekwerk van ruim 70 pagina’s. “Even aanzien,” was het advies van de huisarts, “het gaat vaak vanzelf over”. “Onbegrijpelijk,” vond de vriend het advies van zijn huisarts, “je kunt toch gewoon testen om te zien wat het is?”. Tja, dat zou kunnen. Maar achteraan in de richtlijn staat ook een mooie beslisboom die aanraadt om allereerst de voeding te verdikken, en eventueel door te verwijzen naar de kinderarts. In plaats van ‘even aanzien’ had de huisarts de wanhopige ouders ook kunnen adviseren om de voeding eerst eens te gaan verdikken. Misschien had hij dat zelfs wel gedaan, als de beslisboom op de eerste bladzijde van de richtlijn had gestaan.

Opstellen

Ruim anderhalf jaar geleden werd ik ook uitgenodigd om mee te werken aan het opstellen van een richtlijn. Inmiddels staar ik naar een document van ruim vijftig pagina’s met een keurige inleiding, een heldere verantwoording, duidelijke hoofdstukken. Ik vraag me echter af of de richtlijn ooit gebruikt gaat worden. Net als de reflux-richtlijn is hij opgesteld als een boek, en een arts die zijn werk serieus neemt, zou het boek van A tot Z moeten lezen om juist te kunnen handelen. En of het geschikte vakantielectuur is? Het eerlijke antwoord is ‘nee’.

Lijvige richtlijnen zijn eigenlijk niet meer bruikbaar in de huidige gezondheidszorg, waarin veel om tijd en efficiëntie draait. Beleidsmakers kunnen huisartsen best een stukje tegemoet komen. Door duidelijke richtlijnen op te stellen, én door het eenvoudiger te maken om ze toe te passen.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Grens tussen mens en dier geen discussie in Nederland

21. Augustus 2014, 08:45


Chimera of the Notre dame 2 - rechtenvrije afbeelding

Kruisingen tussen dieren spreken tot de verbeeldingen. Maar geldt dat ook voor kruisingen tussen mens en dier? In Nederland halen we onze schouders daarover op. 

Onlangs werd een gaap geboren, een kruising tussen een mannetjesgeit en een vrouwtjesschaap. De media presenteerde het lieve diertje als een speling van de natuur, een bezienswaardigheid. En wees eerlijk: wie gniffelt er nu niet bij een kruising van een tijger en een leeuw (een lijger of teeuw), een walvis en een dolfijn (een walfijn) of een ezel en een zebra (een zezel)?

Niet alle hybriden ontstaan echter van nature. Wetenschappelijke ontwikkelingen maken het soms mogelijk om op een andere manier overlap te creëren, ook tussen mens en dier. Onderzoekers spelen al langer met de idee om organen van varkens in mensen te zetten (xenotransplantatie). En ook stamcelonderzoek maakt het mogelijk om cellen te creëren die deels uit mens en deels uit dier bestaan.

Zo is het mogelijk om menselijke stamcellen met dierlijke cellen te mengen. Daarbij verwijderen wetenschappers de kern uit een dierlijke eicel en wordt deze vervolgens gevuld met een menselijke lichaamscel, met een chimaera als resultaat. De hoop is dat dit tot allerlei medische doorbraken leidt, onder meer voor Alzheimer en defecte organen.

Dergelijke hybriden leiden vaak tot heftige reacties. In haar boek Purity and Danger wees antropologe Mary Douglas er al op dat we voorzichtig om moeten gaan met fenomenen die onze classificaties overstijgen. Iets is ofwel een mens, of een andere diersoort. Wat niet binnen deze classificatie past, verwordt tot mythe of wordt weggezet als vuil.

In het buitenland zien we dat duidelijk. Zo leidde de ontwikkeling van chimaeras in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tot ophef. Kranten spraken over ‘Planet of the Apes’ experimenten met een hoge ‘yuk factor’. Na een felle publieke discussie werd in het Verenigd Koninkrijk strenge regelgeving geïntroduceerd voor stamcelonderzoek dat de grens tussen mens en dier in twijfel trekt. In negen Europese landen is stamcelonderzoek bovendien als zodanig verboden en kunnen dus ook geen chimaeras worden gecreëerd. Hybriden zijn vuil.

Zo niet in Nederland. Volgens de Nederlandse embryowet (artikel 25) mogen onderzoekers gewoon chimaeras creëren, al mogen ze deze niet langer dan twee weken ontwikkelen. En nu het mogelijk is geworden om stamcellen (en chimaeras) te maken zonder embryo’s te gebruiken, is het maar de vraag of de wet hier nog beperkingen aan stelt. Bovendien is er in Nederland geen noemenswaardige publieke discussie en leverde eenpublieksonderzoek geen sterke reacties op over mens-diercellen.

Darwin as ape - rechtenvrije afbeelding

Chimaeras worden blijkbaar niet door iedereen als grensoverschrijdende hybride beschouwd. Meestal is het wel duidelijk wanneer de grens tussen mens en dier wordt overschreden. Wanneer we bijvoorbeeld vlees eten nemen we wel een deel van de bouwstoffen van dat dier over, maar maakt dit ons nog geen hybride. Daar is iedereen het over eens. In het geval van chimaeras is het echter minder duidelijk. Wanneer wetenschappers in een laboratorium voor het eerst een cel creëren die zowel menselijke als dierlijke elementen bevat, betekent dat niet automatisch dat een mythisch of vuil wezen is gecreëerd. De grens tussen puurheid en gevaar ligt niet onomstotelijk vast: landen gaan hier heel verschillend mee om.

Nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen stellen ons steeds opnieuw de vraag waar de grens ligt tussen mens en dier. Door te vragen waar de grens ligt, bestendigen we het belang daarvan. In Nederland wordt die vraag echter amper gesteld. Zou het kunnen dat wij die grens gewoon niet zo belangrijk vinden als de Amerikanen en de Britten?

Wellicht behandelen we in Nederland een chimaera net als het gaapje. We gniffelen even, en hopen dat ‘ie gelukkig wordt.

Door: Koen Beumer 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Waarom wij niet bang hoeven te zijn voor Ebola (maar wel hulp moeten sturen naar West-Afrika)

11. Augustus 2014, 09:57


Ebola_virus_virion

Sinds de eerste uitbraak in maart in Guinee grijpt het Ebola-virus steeds verder om zich heen in West-Afrika. Met nu al meer dan 900 doden is het de dodelijkste uitbraak van het virus ooit. Liberia kondigde zelfs deze week de noodtoestand af om de situatie niet verder uit de hand te laten lopen. Verschillende westerse landen, als Engeland en de VS, maken zich ook zorgen over de komst van (mogelijke) Ebola-patiënten naar hun land en de risico’s daarvan voor de bevolking. Is deze angst overdreven, of zou Nederland er óók goed aan doen alvast voorzorgsmaatregelen te nemen?

Hoge mortaliteit

Het Ebola-virus is een naar ding. Wanneer een patiënt besmet is met het virus, krijgt hij of zij al snel griep-achtige symptomen zoals koorts, keelpijn, hoofdpijn en spierpijn, gevolgd door misselijkheid, diarree en overgeven. Later gaan deze symptomen over in interne bloedingen, nierfalen, en in 50-90% van de gevallen heeft besmetting de dood als gevolg. Een veel hogere mortaliteit dus dan bijvoorbeeld het influenza-virus dat griep veroorzaakt, waarbij de symptomen in het begin vergelijkbaar zijn, maar slechts zo’n 0,2% van de geïnfecteerden overlijdt.

Niet zo besmettelijk

Maar tegenover het feit dat Ebola een enge, vaak dodelijke ziekte is, staat dat Ebola eigenlijk helemaal niet zo besmettelijk is. Het eerder genoemde influenza-virus kan zich verspreiden via (aerosolen in) de lucht, en dus via niezende collega’s, deurkrukken, de crèche van je kinderen en andere manieren die in het dagelijks leven bijna niet te vermijden zijn. Daarbij komt dat een persoon met griep besmettelijk is vanaf een dag vóórdat symptomen beginnen, tot enkele dagen daarna. Het Ebola-virus daarentegen kan alleen maar worden verspreid via contact met lichaamsvloeistoffen van besmette personen, als braaksel, urine, ontlasting en bloed, iets waar veruit de meeste mensen niet dagelijks mee in aanraking komen. Alleen ziekenhuispersoneel, verzorgenden en naaste familieleden van Ebola-patiënten lopen daarom een groot risico geïnfecteerd te raken. Ook is het Ebola-virus pas overdraagbaar nádat de eerste symptomen zich hebben geopenbaard, en Ebola-patiënten zijn dan vaak al te ziek om zich nog onder de mensen te bevinden. Dus, de kans dat het virus zich ver buiten de landen verspreidt waar het nu voorkomt is niet zo heel erg groot.

Betere gezondheidszorg

Daarnaast is in West-Afrika de gezondheidszorg bij lange na niet op het niveau van hier. Een patiënt die ‘vermoedelijk’ met Ebola besmet is zal in Europa of de VS onmiddellijk in quarantaine gebracht worden, waarbij artsen en verplegers de patiënt alleen met de grootst mogelijke voorzorgsmaatregelen zullen benaderen. In Afrika daarentegen worden veel patiënten thuisgehouden, ten eerste omdat de symptomen lang niet altijd gelijk herkend worden, maar ook vaak uit angst voor artsen en ziekenhuizen (die volgens traditionele geloven dood en verderf zaaien). Daarnaast zijn veel gezondheidswerkers niet goed genoeg op de hoogte van voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen.

Ebola-patiënt in de VS

Afgelopen weekend werd een Amerikaanse arts die in Liberia assisteerde met de behandeling van patiënten, doodziek teruggevlogen naar Atlanta. Heel (angstig) Amerika stond op zijn kop: men was doodsbang dat het virus ook de VS zou bereiken, en daar vele slachtoffers zou maken. Maar deze angst is echt ongegrond. De man werd in een afgeschermd vliegtuig vervoerd, in een speciaal voor zeer besmettelijke en gevaarlijke virussen gebouwde kamer opgenomen in het ziekenhuis, en de artsen en verplegers die de man verzorgen weten dondersgoed waar ze mee bezig zijn. De man zal medicijnen krijgen en aan beademingsmachines gelegd worden, en mogelijk transfusies ondergaan, behandelingen die in de primitieve ziekenhuizen in Afrika niet voorhanden zijn. De kans dat hij het overleeft is vele malen groter dan wanneer hij in Liberia was gebleven. Het virus zal in de Verenigde Staten dus hoogstwaarschijnlijk beperkt blijven tot enkele gezondheidswerkers die het in West-Afrika hebben opgelopen. De bevolking hoeft écht niet te vrezen voor Ebola, wat sommige onruststokers ook verkondigen op het internet.

De lokale bevolking in West-Afrika daarentegen loopt wel degelijk een groot risico om besmet te raken. En wanneer zij besmet raken is de kans dat ze overlijden aanzienlijk, vanwege de vaak (te) late diagnose, de primitieve ziekenhuizen, het tekort aan goede medicijnen en quarantaine-ruimtes, en daarbij de angst voor westerse gezondheidszorg. Het blijft dus wél van groot belang dat gezondheidsprofessionals uit Europa en de VS hulp bieden aan de landen waar het Ebola-virus zich nu verspreidt om het tekort aan goede gezondheidszorg zoveel mogelijk aan te vullen. Alleen dan kan ook de epidemie in Afrika een halt worden toegeroepen.

Door: Eva Teuling 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Waarom een academicus geen freelancer is, en andersom

05. Augustus 2014, 09:57


publicspeaker

Het is zomer: de tijd van festivals, maar ook van wetenschappelijke congressen. Op het Lowlands van mijn vakgebied stippel ik mijn route uit, van grote naam naar veelbelovende nieuwkomer, onderweg vrienden tegenkomend en samen de reeds geziene acts besprekend. Boeiende visualisaties werken inspirerend, en de alcohol vloeit rijkelijk. Behalve dat er niet geheadbangd wordt is het verschil tussen een congres en een festival eigenlijk nauwelijks te ontdekken — totdat je achter de schermen kijkt.

Dan heb ik het dus niet over de geluidsinstallaties (ook de wetenschap kan niet zonder), maar de administratieve kant van het verhaal: waar de hoofdact van Lowlands met een flinke duit naar huis gaat, krijgt de publiekstrekker van een congres met een beetje mazzel net de reis vergoed. En niemand die zich hier druk om maakt.

Dat is grotendeels terecht: academici hebben namelijk gewoon een baan, waar ‘spreken in het openbaar’ bij hoort. Enkel een onkostenvergoeding volstaat dus als een congres een professor uitnodigt om te spreken: die krijgt immers salaris van zijn of haar eigen universiteit. De tijd die besteed wordt aan het voorbereiden van, reizen naar, en uiteindelijk uitspreken van de lezing mag onder de gewone werkzaamheden worden gerekend: de professor spreekt niet in zijn of haar eigen tijd.

Maar het neveneffect van deze gewoonte is dat academici het heel normaal vinden om voor een fles wijn en een treinkaartje een spreker te scoren als publiekstrekker van hun congres, ook als het níet om een wetenschapper gaat. Sterker nog, een (niet-academische) spreker die geld vraagt voor de moeite wordt veelal weggehoond. Veel fondsen die wetenschappelijke congressen financieren vertikken het om deze kosten te accepteren; zonder moeite worden eersteklas vliegtickets vergoed, maar een nota voor ‘verdiensten’ van de spreker zelf verdwijnt in de prullenbak.

Ik hoor nog het daverende gelach in mijn oren van een (voor deze column anonieme) professor, toen een door mij uitgenodigde spreker om een vergoeding vroeg. “Voor hem nodigen we zeven anderen uit,” was het commentaar. De freelancer wordt uit de markt geprijsd door de ‘gratis’ professor. En dat is onterecht én zonde, op twee punten.

Allereerst het punt van de freelancer zelf: freelance wiskundige Ionica Smeets schreef vorig jaar een zeer sterke column waarin ze liet zien hoeveel zij als freelancer zou moeten rekenen voor een gig op een congres. Overleg, voorbereiding, reistijd, interactie met de congresdeelnemers, en natuurlijk het praatje zelf — het is allemaal declarabele tijd, stelt ze, die ook voor een freelancer gewoon betaald moet worden. Als de catering in het congrescentrum betaald wordt, waarom dan niet de spreker?

Maar ook de wetenschap zelf verliest. Congressen, seminars en symposia zijn bij uitstek gelegenheid om van gedachten te wisselen, om uit de dagelijkse sleur en details te kruipen en weer even met een helikopterbeeld te bekijken waar we ook al weer als gemeenschap aan werken. Daar zouden juist de niet-academici welkom moeten zijn: de wetenschapsjournalisten, de schrijvers. Natuurlijk niet in drommen, een congres is immers ook maar interessant voor een selecte groep mensen, maar wel als deel van de community. Juist zíj hebben vaak de breedste blik, en kunnen de wetenschappers verder dan hun kleine onderzoeksdomein laten kijken.

Brede interactie binnen die community is uitermate waardevol, en de kosten voor die interactie komt nu alleen uit de zakken van de freelancer, die zonder vergoeding op de planken moet gaan staan. De zaal, de hapjes, de drankjes — die zijn allemaal betaald, en niemand van de deelnemers die afgereisd is van een fatsoenlijke universiteit heeft de deelname uit eigen zak betaald. Het is geen vrijwilligersgelegenheid; er is budget.

Hierbij dus een oproep aan de organisatoren van congressen, symposia, en de beheerders van de potjes geld: vergoedingen voor een goed verhaal van een freelancer zijn niet vies. Nodig de Ionica Smeetsen van deze wereld ook uit voor je academische bijeenkomst, en betaal ze: daar hebben we allemaal baat bij.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De overheid mag zich wel eens wat méér met onze gezinnen bemoeien

22. Juli 2014, 10:51


Finse trein

Scandinavische landen staan bekend als de beste landen om te wonen met kleine kinderen. De voordelen vallen zelfs al op bij een korte reis, zo kwam ik begin deze maand achter toen ik voor werk in Finland was, mijn tweede werkweek na mijn bevallingsverlof. Voorzieningen zijn een stuk beter, en de overheidsbemoeienis heeft ook een positief effect op de gezondheid van de volgende generatie.

Mijn drie maanden oude zoon en zijn vader mee gingen mee naar Finland, de eerste vanwege de borstvoeding, de tweede om voor de eerste te zorgen. Een vrij spannende onderneming vond ik, maar Finland bleek op alle vlakken een ideaal land om te bezoeken met een baby. Voor het vervoer zijn er ruime, schone treinen, met verschoonmogelijkheid, flessenwarmers, speelcoupés voor (oudere) kinderen en ruimschoots plaats voor kinderwagens. Verder zeer behulpzaam hotelpersoneel, een warm welkom als we met een kinderwagen een restaurant binnenliepen en geen scheve blikken bij borstvoeding geven in het openbaar. Er was zelfs een babyruimte op de universiteit waar mijn meeting plaatsvond. Een flink contrast met Nederland, waar je met je baby in een restaurant niet echt welkom bent en de trein nemen een hele klus is.

De Finse Blije Doos

Niet alleen lijkt de openbare ruimte in Finland beter ingericht voor mensen met kinderen, ook de overheid bemoeit zich actief met het gezin – met succes. Al 75 jaar krijgen zwangere vrouwen, ongeacht inkomen, van de overheid een kartonnen doos met alles erin wat je nodig hebt voor een baby: kleding, luiers, badproducten; in een kartonnen doos met matrasje waarin de baby kan slapen. De Finnen gebruiken de inhoud van de doosgraag: veel babies slapen in de kartonnen doos, en de Finnen kunnen aan de kleuren van de kleertjes zien in welk jaar een baby geboren is. Zo zorgt de overheid ervoor dat iedere baby een goede start heeft, en worden zwangere vrouwen gestimuleerd om de dokter te bezoeken (daar kan de box worden opgehaald). Verder kan de inhoud van de box worden veranderd om moeders andere, gezonde(re) keuzes te laten maken: de wegwerpluiers zijn vervangen door wasbare, flesjes en speentjes zijn verdwenen om borstvoeding te stimuleren. Niet vergelijkbaar met de Blije Doos die je hier kunt krijgen in ruil voor je emailadres (en dus ontelbare reclame-mails) vol commerciële troep (zoals de nieuwste trends op babyvoedingsgebied en 3 luiers van het nieuwste merk).

Bevallingsverlof

Op mijn meeting was ook een Finse met een dochter van net één. Zij was 9 maanden thuis gebleven, haar man daarna nog 6 weken. Daar zat ik dan met mijn baby van drie maanden, alweer aan het werk alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Zouden die Finnen denken dat ik een slechte moeder ben omdat ik zo’n kleine baby naar de crèche stuur, of dat de Nederlandse overheid het wel heel slecht voorheeft met de nieuwe generatie? Ik hoop het laatste. De Nederlandse vrouw heeft met 16 weken volledig betaald verlof altijd nog meer dan in de VS waar veel vrouwen helemaal geen verlof (kunnen) krijgen, maar als het gaat om de vader moetNederland zich schamen.

Effectieve bemoeienis

Zijn de Finse baby-box, het lange verlof voor moeder én vader en de goede openbare ruimte overdreven bemoeienis van de overheid? Misschien, maar het heeft wél effect. Zuigelingensterfte in Finland is flink afgenomen sinds de introductie van de box rond 1930. En nu nog zijn die getallen in Finland een van de allerlaagste in de alle ontwikkelde landen (en bijvoorbeeld drie keer lager dan in de VS).

Daarnaast geven vrouwen veel vaker en langer borstvoeding dan in de VS, Engeland en ook Nederland. Deze positieve getallen gelden niet alleen voor Finland, maar voor alle Scandinavische landen: daar krijgen na 6 maanden bijna 60% van de babies (deels) borstvoeding, tegenover slechts 30% in Nederland en nog minder in Engeland en de VS, terwijl het wereldwijd door de WHO wordt gestimuleerd. Ook in Nederland wordt het geven van borstvoeding tot 6 maanden door de overheid gestimuleerd. Maar als je kind met drie maanden al op de crèche zit betekent dat voor de moeder kolven, veel kolven. Officieel keurig geregeld volgens de CAO, en zijn er (bijna) overal kolfruimtes, maar het voelt raar om 3 keer per dag een half uur weg te gaan. Veel werkende vrouwen stappen daarom snel over op kunstvoeding. Met een bevallingsverlof van een half jaar is dit grotendeels verholpen.

Kortom: de soms verregaande overheidsbemoeienis rondom het gezin in de Scandinavische landen werpt zijn vruchten af – minder zuigelingensterfte en meer vrouwen die langer borstvoeding geven. De verschillen met Nederland zijn (nog) klein, maar met het huidige beleid waarin iedereen zijn eigen boontjes moet doppen gaan we de VS achterna, waar zuigelingensterfte hoger is en nog minder vrouwen borstvoeding geven. Als de Nederlandse overheid écht zou geven om de gezondheid van onze kinderen, zou zij het Scandinavische model opvolgen.

Foto: kindercoupé in Finse trein

Door: Eva Teuling 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Ik zie ik zie wat jij niet ziet…

26. Juni 2014, 12:04


berkenspanner

Het is gedaan met UCP, het Universal Camouflage Pattern. Dit Amerikaanse standaardmodel voor legercamouflage heeft haar naam niet waar kunnen maken, ondanks uitgebreide tests, jarenlange ontwikkeling en natuurlijk bakken met geld. Het was ook te mooi om waar te zijn: één patroon dat beschutting bood bij allerlei verschillende achtergronden, van woestijn tot stad, van grasveld tot regenwoud. One size fits all — kan dat überhaupt met camouflage?

Variatie
Wie wel eens op beestjessafari is gegaan, op zoek naar vogels, vlinders, of andersoortig gedierte, weet hoe goed de natuur is in het verstoppen van haar bewoners. Vreemd is dat niet: door natuurlijke selectie worden de nakomelingen van een opvallende prooi genadeloos in de kiem gesmoord. Waarschijnlijk kent u het klassieke voorbeeld van de berkenspanner, een mottensoort die zich ophoudt op berkenstammen, en met zijn grauwwitte vleugels nauwelijks te ontdekken is. Met toenemende vervuiling in het Engeland van de Industriële Revolutie werden de bomen aldaar echter steeds donkerder, en de berkenspanner steeds zichtbaarder — en dus in het vizier van hongerige vogels. De enkele zwarte berkenspanner die als freak of nature was geproduceerd, bleek nu ineens razend succesvol, en haar nakomelingen hadden al snel de witte exemplaren vervangen. Door natuurlijke selectie bleef de camouflage, ondanks een veranderende omgeving, intact.

Wij hebben het gelukkig een stuk beter: de mens hoeft zich niet over vele generaties aan te passen, hij trekt gewoon een andere trui aan en verstopt is Kees. Dat wil echter niet zeggen dat we geen lessen kunnen leren van de berkenspanner, zoals dat variatie belangrijk is bij een non-uniforme achtergrond. Voor de Homo sapiens die ongezien rond wil kruipen in een bos zijn dus echt andere pakken nodig dan in de woestijn. De berkenspanner zou hoofdschuddend neerkijken op het UCP.

Mutatie
En er is meer dat we kunnen leren van de natuur als het om camouflage gaat. Ook ‘variatie’ staat bijvoorbeeld niet op zichzelf: nieuwe varianten komen voort uit bestaande patronen — maar alleen uit die patronen die de beste camouflage vormen. Dit doorlopende proces maakt evolutie juist zo krachtig: het resulteert in een voortdurende aanpassing en verbetering van de verstoptechniek. Hoe sterk dit algoritme is in camouflageontwikkeling laat eenonline spel van de Universiteit van Exeter zien. In dit spel worden de standaardingrediënten van een evolutionair proces gebruikt om digitale nachtzwaluweieren (eiervormige 2D plaatjes) aan te passen aan hun omgeving (foto’s van de grond waarop de vogel haar eieren legt).

De speler doet de natuurlijke selectie: zij krijgen een zoekplaatje voor ogen, waarin zich een ei bevindt. Hoe langer de speler erover doet om het ei te vinden, hoe succesvoller het ei, en hoe meer ‘nakomelingen’ het krijgt in de volgende generatie van het spel. Nakomelingen zijn echter geen pure kopieën, maar varianten op het succesvolle, goed verstopte kleurenpatroon. Mutatie zorgt voor nieuwe variatie, en die variatie vormt het bronmateriaal van de natuurlijke selectie. Met deze evolutionaire algoritmes is na enkele tientallen generaties bijna geen ei meer te vinden.

Selectie
Daadwerkelijke ‘natuurlijke selectie’ van camouflagepatronen in militaire context is natuurlijk niet de bedoeling, dat mag duidelijk zijn. Maar experimenteren kan, en gebeurt: ook bij de ontwikkeling van het UCP werd de effectiviteit van meerdere ontwerpen vergeleken. Ook veel andere landen ontwerpen militaire kleding en werken zo collectief aan een brede variatie in camouflagepakken, waarbij niet zelden de wetenschap wordt aangeroepen om verbetering aan te brengen of nieuwe ontwerpen te produceren.

De elementen voor een succesvol evolutionair proces — mutatie, variatie, selectie — zijn dus aanwezig in de ontwikkeling van legercamouflage, maar juist in hun aaneenkoppeling bevindt zich de kracht van evolutie. Die koppeling lijkt te missen in het ontwikkelingsproces, en dat is zonde. Camouflage is en blijft een van de meest klassieke voorbeelden voor evolutie en natuurlijke selectie, en bij de ontwikkeling ervan kan men simpelweg niet genoeg gebruik maken van evolutionaire algoritmes.

Het spel met de digitale nachtzwaluweieren benadrukt overigens ook weer het belang van variatie: bij de drie verschillende soorten nachtzwaluwen, met drie verschillende soorten achtergronden, komen duidelijk verschillende patronen als beste uit de test. Die specialisatie zorgt voor een optimale verstoptechniek, die niet te evenaren is met een algemeen patroon. Een UCP is dus echt een utopie. Klaar om uit te sterven.

 Door: Barbara Vreede



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Genetische risico’s vertellen lang niet alles

19. Juni 2014, 13:39


pictograph

Vijfentwintig procent van de Amerikanen met minimaal een bachelor-diploma weet niet welk aandeel de grootste kans op ziekte weergeeft: 1 op 100, 1 op 1000 of 1 op 10. Dat is zorgwekkend, vindt psychologe Angie Fagerlin, omdat ze daardoor de uitslag van een medische test – bijvoorbeeld een DNA-test – maar moeilijk kunnen interpreteren.

 

Fagerlin gaf haar waarschuwing tijdens het grootste Europese congres over humane genetica, afgelopen week in Milaan. Ieder jaar organiseert de Europese brancheorganisatie voor humane genetici (ESHG) zo’n congres, waarop duizenden genetici uit heel Europa samenkomen. In een klein half uurtje liet de Amerikaanse zien hoeveel moeite haar landgenoten hebben met het inschatten van ziekterisico’s. En niet alleen haar landgenoten, ook Duitsers hebben geen duidelijk beeld bij een percentage. Volgens Fagerlin zegt dit niets over het intelligentieniveau van Amerikanen of Duitsers. Risico’s inschatten is gewoon heel erg lastig.

 

En dus, zo bepleitte Fagerlin, moeten we daar rekening mee houden in de patiëntenzorg, helemaal wanneer het zoiets abstracts als een genetisch risico betreft. Veel van Fagerlins onderzoek is gedaan onder kankerpatiënten, bij wie risicopercentages aan de orde van de dag zijn.

 

Ze presenteerde bijvoorbeeld haar onderzoek naar risicoperceptie onder patiënten met dikke darmkanker. Die blijken vooral af te gaan op familiegeschiedenis in plaats van een test-gebaseerd percentage in hun overweging om een colonoscopie (kijkoperatie van de dikke darm) te laten uitvoeren. Van de onderzochten met een ‘gemiddeld risico’ volgens de test, maar mét familieleden met dikke darmkanker, wilde maar liefst 85% snel een colonoscopie. Binnen de groep zonder familiegeschiedenis was dit slechts 53%. In de groep met een uitslag ‘verhoogd risico’ was het verschil minder drastisch, maar toch nog 11%.

 

Het moge duidelijk zijn: patiënten beslissen lang niet altijd op basis van getallen. Terwijl discussies rondom DNA-testen juist alleen maar over die getallen zelf gaan. Over hoe nauwkeurig of betrouwbaar deze zijn. Over de waarde van zo’n percentage bij voorspellende thuistesten ten opzichte van die in het ziekenhuis. Of zelfs over de kwaliteitswaardes. Fagerlin laat zien dat de precieze getallen er niet zo toe doen, maar eerder de manier waarop de resultaten bij patiënten terechtkomen.

 

Ze liet bijvoorbeeld heel helder zien dat het gebruik van labels een enorm effect heeft. Zwangere vrouwen met een verhoogd risico op een kind met geboorteafwijkingen zijn beter in staat om te beslissen over een vlokkentest wanneer ze een gelabelde uitslag van een screeningstest krijgen (uw risico is afwijkend), dan wanneer ze alleen een kans krijgen (uw risico op een kind met een genetische afwijking is 5 uit 1000).

 

Ook de grafische presentatie van een testuitslag maakt heel veel uit; pictogrammen doen het beter danhistogrammen, die het weer beter doen dan cirkeldiagrammen. En ten slotte is ook een vergelijking met ‘normaal’ heel handig in het overbrengen van risico’s: als u tamoxifen slikt, heeft u 0.4% meer kans op staar dan andere vrouwen van uw leeftijd. En dat dan uitgebeeld in een pictogram.

 

Tussen vier dagen technisch-wetenschappelijke sessies – over functional genomics, new mutational mechanisms en neuronal migration disorders – bood die over risicoperceptie een verhelderende kijk op de klinisch-genetische praktijk. En de timing was perfect; voorspellende genetische testen komen steeds meer in de belangstelling.

 

“Eigenlijk is het belangrijker om een goede keuze te ondersteunen dan om de getallen helemaal op orde te hebben,” was de conclusie van een van de toehoorders.

 

Fagerlin glimlachte en knikte.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Vertrouwen in de wetenschap

17. Juni 2014, 14:16


Nails on a Chalk Board - rechtenvrije afbeelding

Wetenschappers maken zich zorgen over het gebrek aan vertrouwen van burgers in de wetenschap. Maar vertrouwen wetenschappers de burgers wel?

Hoe kan de wetenschap het vertrouwen van de burger terugwinnen? Deze vraag stond centraal in een debatreeks die de afgelopen maanden werd gehouden op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Fraudegevallen, gevaarlijke technologieën en belangenverstrengeling zouden de autoriteit van wetenschap hebben aangetast. De wetenschap, zo is het vertrekpunt, verkeert in een vertrouwenscrisis.

Maar is dat wel zo? Uit onderzoek van het Rathenau Instituut en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) blijkt dat burgers wel degelijk vertrouwen hebben in de wetenschap. De wetenschap wordt meer vertrouwd dan ieder ander instituut, of dit nu de media, het bedrijfsleven, de overheid of de rechtspraak betreft. Zelfs onder burgers met een groot gevoel van onbehagen wordt de wetenschap nog altijd veel vertrouwen toegedicht.

Als burgers wel degelijk vertrouwen hebben in de wetenschap, waarom hebben we deze discussie dan eigenlijk? Deels komt dit door ervaringen uit het buitenland. Volgens het onderzoek van het Rathenau Instituut en de WRR is in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten het vertrouwen in de wetenschap bijvoorbeeld een stuk minder stabiel dan in Nederland. Ook blijkt dat het vertrouwen van burgers in de wetenschap niet onvoorwaardelijk is. Het vertrouwen neemt bijvoorbeeld flink af wanneer het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van de overheid of het bedrijfsleven. Aangezien wetenschappers steeds vaker hun oren moeten laten hangen naar de overheid en vooral het bedrijfsleven, kunnen we in de toekomst een afname in vertrouwen verwachten.

Toch is het op zijn minst ironisch te noemen dat terwijl degelijk onderzoek aantoont dat burgers vertrouwen hebben in de wetenschap, wetenschappers hardnekkig blijven geloven dat de burgers hen wantrouwen. Zou het niet kunnen dat wetenschappers de burger niet vertrouwen, in plaats van andersom?

Onderzoek naar het beeld dat wetenschappers hebben van burgers bevestigt dit beeld. Menig wetenschapper ziet de burger vooral als iemand die veel moeite heeft om complexe onderwerpen te begrijpen. De standaardreactie op kritische burgers is dan ook om het onderzoek nog eens goed uit te leggen, in simpele termen, met pakkende voorbeelden. Burgers moeten wetenschappelijk worden opgevoed.

Maar in veel gevallen komen de zorgen van burgers juist helemaal niet voort uit een misverstand. Burgers die bijvoorbeeld sceptisch zijn over onderzoek ter bevordering van de vele kunstmatige toevoegingen aan onsvoedsel omdat ze zich zorgen maken over de culturele waarde van voedsel of de macht die grote bedrijven krijgen over de productie van dat voedsel, kun je niet altijd overtuigen door de veiligheidsprocedures uit te leggen, of door nogmaals te wijzen op de mogelijke voordelen van dat onderzoek.

De veronderstelling van wetenschappers is echter vaak dat zolang burgers maar leren hoe de wetenschap werkt, het vertrouwen vanzelf wel volgt. De mogelijkheid dat burgers wel eens legitieme zorgen kunnen hebben, wordt daarmee per definitie gediskwalificeerd als onwetendheid. Niet bepaald een beeld waar veel vertrouwen uit spreekt.

In plaats van de burger nog eens goed uit te leggen hoe wetenschappers te werk gaan, kan het feit dat burgers voorwaarden stellen aan hun vertrouwen, ook worden gezien als een gezond inzicht: immers, burgers zien ook wel dat onderzoek voorkomend uit samenwerking met de overheid of het bedrijfsleven niet altijd hun belang dient. Dat de wetenschap weliswaar uit de ivoren toren stapt, maar vervolgens de oren teveel laat hangen naar het bedrijfsleven. Dat de Nederlandse topsectoren die de wetenschap ten dienste stellen aan de economie een wel erg magere interpretatie vormen van het maatschappelijke belang. Dit zijn allemaal zorgen die niet kunnen worden weggenomen door het onderzoek nog eens goed uit te leggen, maar die het wel verdienen om serieus genomen te worden.

Kortom: vertrouwen komt van twee kanten. Men kan moeilijk verwachten dat burgers de wetenschap vertrouwen wanneer diezelfde wetenschap de burger wantrouwt. Ook dat moet onderdeel zijn van een discussie over vertrouwen en wetenschap.

Door: Koen Beumer 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Nepdokteren in Kenia wordt beloond met ridderorde in Nederland

10. Juni 2014, 22:01


Screen Shot 2014-05-08 at 3.48.56 PM

De eerste lintjesregen van Willem-Alexander zit erop. Talloze dierenasielmedewerkers, voetbalcoaches en andere vrijwilligers zijn in het zonnetje gezet en door vertegenwoordigers van zijne majesteit onderscheiden. Een eer die — volgens de regels — alleen burgers “van onbesproken gedrag” ten deel mag vallen. En ook binnen de onderscheidingen bestaat een hiërarchie: naast de “gewone” lintjes is een select aantal dienstbare burgers geridderd in de orde van Oranje Nassau. Eén van deze nieuwe ridders is de homeopaat Jan Scholten.

Scholten is het brein achter het homeopathische middel Iquilai, dat hij heeft ontwikkeld als aidsremmer, en nog steeds als zodanig verspreidt, met name in Kenia. Een homeopathisch middel mag in Nederland inmiddels geen medisch indicatielabel meer dragen als niet wetenschappelijk is bewezen dat het werkzaam is, maar buiten Nederland is de regelgeving niet zo streng. En sommige Nederlandse artsen, waaronder Scholten, schromen er blijkbaar niet voor om dit soort middelen zonder bewijs in te zetten tegen ernstige ziektes, zoals HIV/aids.

Placebo-effect

Iquilai heeft dezelfde chemische compositie als het goedje dat u dagelijks door uw koffie roert. Homeopathie baseert zich op het idee dat water geheugen heeft, en dat deze magische boodschap vervolgens kan worden doorgegeven aan een balletje lactose. In werkelijkheid is nooit bewezen dat dit soort medicatie meer is dan een placebo: keer op keer laten homeopathische middelen het afweten als ze onder degelijke wetenschappelijke condities worden getest.

Iquilai is weliswaar getest, maar niet volgens wetenschappelijke standaarden, en slechts éénmaal: in 2006 werd een klinische trial uitgevoerd op aidspatienten in Kenia. Ik gebruik de term “klinische trial” hier losjes: de trial was niet gerandomiseerd, niet blind — sterker nog, er was überhaupt geen controlegroep waarmee de met Iquilai behandelde patiënten vergeleken konden worden. Deze elementaire fout in de onderzoeksopzet maakt alle conclusies over de effectiviteit van het middel onmogelijk. Het rapport van die “studie” is een schokkend verslag van een buitengewoon slecht opgezet “onderzoek”, waarin kwetsbare patiënten proefpersoon mogen spelen voor een middel waarvoor geen enkele indicatie van effectiviteit bestaat. Dat patiënten in deze studie-zonder-controlegroep verbetering laten zien, zegt niets meer dan dat het placebo-effect ook hier werkzaam is. En dat is verre van verrassend.

De ontwikkeling en distributie van Iquilai is de core business van het Nederlandse Aids Remedy Fund, de non-profit van Scholten en collega-arts en homeopaat Leo van Gelder. Na de nutteloze en onethische exercitie in Kenia is het fonds in 2011 aan een daadwerkelijk gecontroleerde en gerandomiseerde trial begonnen in Cuba, maar op de resultaten is niet gewacht: via e-mail laat Van Gelder weten dat de studie “door bureaucratie, epidemieën en wisselende ministers op het ministerie van gezondheid” nog niet is afgerond. Dat heeft verder niemand ervan weerhouden het middel gewoon beschikbaar te stellen als aidsremmer in Kenia en elders. “U kunt mij uw adres geven, en dan sturen wij het middel op,” bevestigt de lokale distributeur desgevraagd.

Levensgevaarlijk
Het kan niet allebei. Of een middel is effectief, het doet iets — en dan dient het grondig getest te zijn voordat je het op de markt brengt. Of het is een ineffectief placebo dat net zo veilig is als de suiker waar het van werd gemaakt. Wat hoe dan ook niet kan, is suggereren dat zo’n middel een (tijdelijke) vervanger zou zijn voor de daadwerkelijk wetenschappelijk bewezen medicatie die van levensbelang is voor patiënten met het HIV virus. Want dat adviseert het Aids Remedy Fund namelijk: “In veel gevallen kan de introductie van antiretrovirale therapie uitgesteld worden, waardoor aanzienlijke kosten bespaard kunnen worden.”

Nee. Nee, dat kan helemaal niet! En deze opmerking staat niet op zichzelf: volgens onderzoeksjournalisten in opdracht van The Independent wimpelen homeopaten die Iquilai voorschrijven stelselmatig het belang van antiretroviralen af. (Zie ook deze e-mail van een Iquilai-voorschrijvende homeopaat in Kenia, of dit interviewmet dezelfde dame, die ook andere homeopaten traint.) En dat is simpelweg levensgevaarlijk.

Façade
Hiermee is de collectieve dagdroom waarin beoefenaars van homeopathie zich bevinden geen kwestie meer van “baat het niet dan schaadt het niet”. Deze manier van geneesmiddelenonderzoek en -distributie lijkt op doktertje spelen, een façade waar kwetsbare patiënten in een derdewereldland de dupe van zijn. De artsen in kwestie moeten véél beter weten dan dit: “Ik zal de patiënt geen schade doen” houdt niet op bij de grenzen van ons land. Scholten en collega’s zouden voor een medisch ethisch tribunaal moeten verschijnen, en niet voor de burgemeester van Utrecht, om een ridderorde in ontvangst te nemen.

Dit verhaal van het Aids Remedy Fund is tevens een déjà vu. In 2008 leidde eenzelfde casus tot kamervragen: de (deels) met Nederlands belastinggeld opgezette Eva Demaya-kliniek in Malawi bleek ingestraald water te serveren in plaats van virusremmers. De Nederlandse overheid deed verder weinig; tot op de dag van vandaag heeft de Stichting Eva Demaya een ANBI-status. En ook oprichtster Jacqueline Kouwenhoven kreeg een lintje. Want het leven van mensen in Afrika in gevaar brengen met kwakzalverij valt in Nederland blijkbaar onder “onbesproken gedrag”.

Door: Barbara Vreede 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Succesvol diëten met religieus fanatisme

28. Mei 2014, 10:08


matzos

Al een week is in de meeste supermarkten hier in West-Jeruzalem geen kruimel brood meer te vinden. Ook de nijvere consument die het heft dan maar in eigen handen wil nemen, kan nauwelijks nog aan meel of gist komen. De pasta is verstopt achter grote plastic doeken, net als de cruesli en andere ontbijtgranen, en het bier natuurlijk. Het is Pesach, dus al het gefermenteerde graan is uit den boze: het mag niet langer gegeten, of zelfs bezeten worden. Massaal gaat het Joodse volk aan een bowel cleanse van bijna twee weken, waarbij de enige gluten afkomstig zijn van ongefermenteerd matzemeel.

Het Jodendom is niet uniek: bijna iedere religie heeft een set aan voedselregels. Denk aan specifieke voorschriften voor het slachten van dieren, periodes van vasten voor Pasen, of tijdens de Ramadan. Veel van die voorschriften zijn ter herdenking van gebeurtenissen uit het religieuze verleden, en lijken zo zeker voor het moderne leven erg arbitrair. In historische context zou er wellicht meer achter kunnen zitten dan de grillige voorkeuren van een groep geestelijken: als reden voor het verbod op varkensvlees wordt bijvoorbeeld infectierisico genoemd, maar het bewijs hiervoor is op zijn minst controversieel.

Maar juist bij dit gebrek aan bewijs is het opmerkelijk hoe effectief religieus opgelegde diëten zijn. Een aanzienlijk deel van de wereldbevolking eet nog steeds geen varkensvlees — nooit! — puur om religieuze of culturele redenen. Het zijn aantallen waar Michel Montignac en Sonja Bakker van watertanden, terwijl zij toch veel meer wetenschap ter tafel brengen. Hun succes en effectiviteit staat weliswaar ter discussie, maar er ís tenminste discussie, en het argument eindigt niet met een bijbeltekst.

Hoe problematisch is het dat religies zo effectief diëten opleggen? Wat zijn eigenlijk de gezondheidseffecten? Dit onderzoeken is lastig: aanhangers van wereldreligies hebben meer gemeen dan alleen dieet, en het effect van voedsel op zich is dus nauwelijks los te zien van andere factoren. Een uitzondering hierop zijn periodes van radicale dieetveranderingen, zoals vasten, die vergeleken kunnen worden met de ‘normale’ situatie. Zo toont een studie uit 1993 hoe de Ramadan de LDL:HDL cholesterolverhouding verlaagt, een positief effect dat ook weken na de Ramadan zichtbaar blijft. Andere onderzoeken spreken dit effect echter tegen: recentere studies (zoalsdeze uit 2012 met een focus op hartpatiënten en deze uit 2014 die zich richt op jongeren met overgewicht) laten zelfs het tegenovergestelde zien.

Het vasten van orthodoxe Christenen is in de wetenschappelijke literatuur minder controversieel, hoewel hier ook aanzienlijk minder onderzoek aan is verricht dan aan de Ramadan. Met meerdere vastenperiodes per jaar worden cholesterolgehaltes in Grieks Orthodoxe Christenen laag gehouden, volgens een studie uit 2003. Het Boeddhistisch vegetarianisme wordt ook overwegend positief beoordeeld door de wetenschap, hoewel in dit geval het dieet niet los gezien kan worden van andere Boeddhistische gewoontes (zoals mediteren, dat stress vermindert). Onderzoek aan de eetgewoontes van Boeddhistische groepen moeten het doen met niet-religieuze landgenoten als controlegroep.

Aan de eetgewoontes van moderne religies, zoals Mormonisme, is zo mogelijk nog minder onderzoek gedaan — maar waar de wetten van oude religies uit lang vervlogen tijden stammen, zouden Mormoonse voorschriften niet misstaan op bulletins van het voedingscentrum. Geen alcohol, geen sigaretten, geen koffie; het enige verschil met de gezondheid-bewuste Westerse mens is de striktheid waarmee deze regels worden opgevolgd.

In Nederland is inmiddels bijna de helft van de bevolking niet langer religieus. Het diëten gaat echter door, en lijkt bij sommigen de plek in te nemen van een geloof. Aanhangers worden fanatici, voedselhypes een cult. Zonder bovennatuurlijke dwang stort men zich op paleodieten, raw food, en veganisme, maar de passie is onmiskenbaar. En misschien zelfs wel onmisbaar: succesvol diëten gaat een stuk makkelijker met religieus fanatisme.

Wat het Jodendom betreft: een koosjere keuken lijkt geen effect te hebben op de gezondheid, linksom of rechtsom. Ook de gistloze Pesachperiode is een cultureel historisch ritueel, zonder daadwerkelijk meetbare voor- of nadelen. Behalve dan dat het een tikje hinderlijk is voor de niet-Joodse bewoners van West-Jeruzalem.

Door: Barbara Vreede 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


‘We moeten autorijden met Google Glass nu al verbieden’

29. April 2014, 15:21


800px-Google_Glass_Explorer_Edition

Nieuwe technologie heeft vaak neveneffecten die we vooraf maar moeilijk kunnen inschatten. Maar soms liggen ze er gewoon heel dik bovenop. Zo kun je nu al zien aankomen dat gebruik van een Google Glass in het verkeer door afleiding tot gevaarlijke situaties zal leiden, net zoals het gebruik van mobiele telefoon. Daarom zouden we gebruik van dit gadget op de weg al op voorhand moeten verbieden. Enkele Amerikaanse staten lopen hiermee voorop en het is te hopen dat deze niet bezwijken onder de druk van de lobby van Google.

Gevaarlijk spelletje
Innovaties moet je in het begin van hun ontwikkeling eigenlijk niet aan banden leggen, want er is ruimte nodig om te kunnen ontdekken wat er allemaal mee mogelijk is. Maar als we met Google Glass op de weg gaan experimenteren spelen we een gevaarlijk spelletje.

We vergeten nogal eens hoeveel aandacht deelnemen aan het verkeer van ons eist. Autorijden en fietsen worden met een beetje ervaring al gauw automatische handelingen waar we niet meer over na hoeven te denken en waar we best iets naast kunnen doen, zoals het voeren van een gesprek of luisteren naar de radio. Dat gaat goed zolang er niets aan de hand is.

Kritieke situaties
En daar zit de adder onder het gras. Want kritieke situaties, zoals een plotseling remmende auto voor ons of een overstekende hond, zien we meestal niet van tevoren aankomen. Maar we moeten er wel klaar voor zijn om erop te reageren. We moeten dus eigenlijk capaciteit overhouden om te kunnen inspelen op gevaarlijke situaties, maar omdat deze niet zo heel vaak voorkomen zijn we snel geneigd die capaciteit ergens anders voor te gebruiken.

Daarbij zijn we ook nog eens niet zo best in het inschatten hoe goed we nog rijden als we ergens anders door in beslag worden genomen, blijkt uit onderzoek van het Liberty Mutual Research Institute in Massachusetts. In deze studie legden veertig personen in een auto een testparcours af met de opdracht om een aantal handelingen te verrichten op een mobiele telefoon, zowel handsfree als niet handsfree. Hun rijprestatie werd gemeten met testapparatuur in het voertuig en vergeleken met wat zij zelf rapporteerden over hun rijgedrag. De gemeten rijprestatie ging achteruit als gevolg van het gebruik van de mobiele telefoon maar deze achteruitgang werd door de bestuurders enorm onderschat of juist overschat.

Ongevallen door afleiding
Afleiding door een taak die niet aan autorijden gerelateerd is blijkt een rol te spelen in zo’n 22 procent van auto-ongevallen. Onderzoekers van Virginia Tech Transportation Institute kwamen tot deze conclusie op basis van de gegevens over ongevallen, bijna-ongevallen en afleiding van de bestuurder uit een zogenoemde Naturalistic Driving Test. Gedurende deze proef reden 100 autobestuurders 18 maanden rond in een geïnstrumenteerde auto die hun rijgedrag, de gebeurtenissen onderweg en de toestand van de bestuurder tot in detail vastlegde.

De laatste jaren is er steeds meer potentiële afleiding van de rijtaak bijgekomen in de vorm van navigatiesystemen en mobiele telefoons. Als we schermpjes aflezen of een bestemming of telefoonnummer intoetsen dan kijken we niet naar de weg. Dan gaan we slingeren en reageren we trager op wat er op de weg gebeurt. Daarbij zijn we met onze gedachten niet bij het autorijden waardoor ons cognitieve systeem niet meer volledig beschikbaar voor het nemen van beslissingen. Dat geldt ook voor het voeren van een telefoongesprek met een handsfree telefoon.

Informatie
Hoewel er nog geen specifiek onderzoek is gedaan naar de effecten van de Google Glass kun je er vergif op innemen dat deze in de lijn liggen van de effecten van het gebruik van mobiele telefoons. Google claimt echter dat Glass juist zou bijdragen aan een betere waarneming van de omgeving, en het daarmee voorkomen van ongevallen. Het bedrijf heeft een punt als het gaat om bijvoorbeeld informatie over glad wegdek of een file die nog niet zichtbaar is vanuit de auto. Maar we kunnen nu eenmaal zelf beslissen welke informatie we willen zien. De beurskoersen misschien of nieuwsberichten over de onrust in de Oekraïne. Die voeren onze gedachten ver van waar we eigenlijk mee bezig zouden moeten zijn: autorijden of fietsen.

Omdat Google Glass nu nog niet op grote schaal op de markt is, is nu een goed moment om deelname aan het verkeer ermee alvast te verbieden. Dat lijkt rigide maar we kunnen nu eenmaal niet allemaal op elk moment juist inschatten welke mate van afleiding we er nog bij kunnen hebben. Daarvoor moeten we in bescherming genomen worden, wat Google ook beweert.

Door: Leonie Walta 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Succesvol diëten met religieus fanatisme

24. April 2014, 10:10


matzos

Al een week is in de meeste supermarkten hier in West-Jeruzalem geen kruimel brood meer te vinden. Ook de nijvere consument die het heft dan maar in eigen handen wil nemen, kan nauwelijks nog aan meel of gist komen. De pasta is verstopt achter grote plastic doeken, net als de cruesli en andere ontbijtgranen, en het bier natuurlijk. Het is Pesach, dus al het gefermenteerde graan is uit den boze: het mag niet langer gegeten, of zelfs bezeten worden. Massaal gaat het Joodse volk aan een bowel cleanse van bijna twee weken, waarbij de enige gluten afkomstig zijn van ongefermenteerd matzemeel.

Het Jodendom is niet uniek: bijna iedere religie heeft een set aan voedselregels. Denk aan specifieke voorschriften voor het slachten van dieren, periodes van vasten voor Pasen, of tijdens de Ramadan. Veel van die voorschriften zijn ter herdenking van gebeurtenissen uit het religieuze verleden, en lijken zo zeker voor het moderne leven erg arbitrair. In historische context zou er wellicht meer achter kunnen zitten dan de grillige voorkeuren van een groep geestelijken: als reden voor het verbod op varkensvlees wordt bijvoorbeeld infectierisico genoemd, maar het bewijs hiervoor is op zijn minst controversieel.

Maar juist bij dit gebrek aan bewijs is het opmerkelijk hoe effectief religieus opgelegde diëten zijn. Een aanzienlijk deel van de wereldbevolking eet nog steeds geen varkensvlees — nooit! — puur om religieuze of culturele redenen. Het zijn aantallen waar Michel Montignac en Sonja Bakker van watertanden, terwijl zij toch veel meer wetenschap ter tafel brengen. Hun succes en effectiviteit staat weliswaar ter discussie, maar er ís tenminste discussie, en het argument eindigt niet met een bijbeltekst.

Hoe problematisch is het dat religies zo effectief diëten opleggen? Wat zijn eigenlijk de gezondheidseffecten? Dit onderzoeken is lastig: aanhangers van wereldreligies hebben meer gemeen dan alleen dieet, en het effect van voedsel op zich is dus nauwelijks los te zien van andere factoren. Een uitzondering hierop zijn periodes van radicale dieetveranderingen, zoals vasten, die vergeleken kunnen worden met de ‘normale’ situatie. Zo toont een studie uit 1993 hoe de Ramadan de LDL:HDL cholesterolverhouding verlaagt, een positief effect dat ook weken na de Ramadan zichtbaar blijft. Andere onderzoeken spreken dit effect echter tegen: recentere studies (zoalsdeze uit 2012 met een focus op hartpatiënten en deze uit 2014 die zich richt op jongeren met overgewicht) laten zelfs het tegenovergestelde zien.

Het vasten van orthodoxe Christenen is in de wetenschappelijke literatuur minder controversieel, hoewel hier ook aanzienlijk minder onderzoek aan is verricht dan aan de Ramadan. Met meerdere vastenperiodes per jaar worden cholesterolgehaltes in Grieks Orthodoxe Christenen laag gehouden, volgens een studie uit 2003. Het Boeddhistisch vegetarianisme wordt ook overwegend positief beoordeeld door de wetenschap, hoewel in dit geval het dieet niet los gezien kan worden van andere Boeddhistische gewoontes (zoals mediteren, dat stress vermindert). Onderzoek aan de eetgewoontes van Boeddhistische groepen moeten het doen met niet-religieuze landgenoten als controlegroep.

Aan de eetgewoontes van moderne religies, zoals Mormonisme, is zo mogelijk nog minder onderzoek gedaan — maar waar de wetten van oude religies uit lang vervlogen tijden stammen, zouden Mormoonse voorschriften niet misstaan op bulletins van het voedingscentrum. Geen alcohol, geen sigaretten, geen koffie; het enige verschil met de gezondheid-bewuste Westerse mens is de striktheid waarmee deze regels worden opgevolgd.

In Nederland is inmiddels bijna de helft van de bevolking niet langer religieus. Het diëten gaat echter door, en lijkt bij sommigen de plek in te nemen van een geloof. Aanhangers worden fanatici, voedselhypes een cult. Zonder bovennatuurlijke dwang stort men zich op paleodieten, raw food, en veganisme, maar de passie is onmiskenbaar. En misschien zelfs wel onmisbaar: succesvol diëten gaat een stuk makkelijker met religieus fanatisme.

Wat het Jodendom betreft: een koosjere keuken lijkt geen effect te hebben op de gezondheid, linksom of rechtsom. Ook de gistloze Pesachperiode is een cultureel historisch ritueel, zonder daadwerkelijk meetbare voor- of nadelen. Behalve dan dat het een tikje hinderlijk is voor de niet-Joodse bewoners van West-Jeruzalem.

Plaatje boven: Matzos, door Paurian op Flickr (licentie CC BY-NC-ND 2.0).

Door: Barbara Vreede 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een zacht duwtje in duurzame richting

15. April 2014, 20:33


20140403_113119

De mens is een kuddedier. De afgelopen weken hebben we kunnen zien hoe bepaalde politici hier dankbaar gebruik van maken. Al onze pogingen tot origineel doen ten spijt, blijken we nogal beïnvloedbaar in ons gedrag. Soms leidt kuddegedrag tot mooie dingen. Vriendelijk en behulpzaam gedrag op straat kan voorbijgangers inspireren om hetzelfde te doen. Zo blijkt het credo ‘goed voorbeeld doet goed volgen’ handig in te zetten bij het stimuleren van positief gedrag. Kunnen we kuddegedrag uitbuiten om duurzaam gedrag te stimuleren, bijvoorbeeld om vleesconsumptie te verminderen, of anderszins bewuster om te gaan met het milieu?

Ik denk bij die vraag terug aan professor Henriëtte Prast die op Lowlands University een paar zomers geleden uiteenzette hoe mensen vaker verleid kunnen worden tot vegetarisch eten. De gevolgen van vleesproductie zijn desastreus voor het milieu op lange termijn: hoge CO2-uitstoot, veel watergebruik en mestproductie. Meer mensen die wat minder vlees gaan eten, resulteert dus in forse milieuwinst.

Prast bestudeert als gedragseconome prikkels die duurzaam gedrag kunnen stimuleren. Ze vertelde dat de keuze voor een maaltijd sterk blijkt af te hangen van het aanbod, en de daarmee impliciet gecommuniceerde norm. Als vijf maaltijden in een bedrijfsrestaurant vlees bevatten, en er maar één vegetarische optie is, denken mensen onbewust dat vlees eten normaal is. Als de vegetarische optie bovendien vaak niet veel creatiever is dan een omelet met een blaadje sla en een bleek, uitgedroogd schijfje tomaat, wordt de gemiddelde carnivoor niet verleid vlees een dagje over te slaan.

Met de slogan ‘Carnivoor? Geef het door!’ pleitte Prast ervoor de huidige situatie om te draaien: wat als niet de vegetariërs zich speciaal moeten melden bij een diner of vliegreis, maar de mensen die vlees willen eten? Aangezien 80% van de mensen ‘de standaardoptie’ blijkt te kiezen, ongeacht wat deze is, kan deze strategie enorme winst opleveren. De tent vol blije Lowlands-gangers liet met gejoel en gefluit weten dit een puik plan te vinden.

In de praktijk wordt deze strategie nog niet veel toegepast. Vegetarische of anderszins duurzame eettentjes zijn er genoeg, maar hoeveel personeelsrestaurants bieden minstens evenveel vegetarische als niet-vegetarische maaltijden aan? Daar is nog veel ruimte voor verbetering.

Ook in andere hoeken van de samenleving wordt bestudeerd hoe mensen gestimuleerd kunnen worden duurzame keuzes te maken. Onderzoekers van de Universiteit van Luxemburg onderwierpen nietsvermoedende hotelgasten in een ski-resort aan een test, en publiceerden de resultaten in The Journal of Social Psychology. Iedere gast vond in de badkamer één van drie versies van het welbekende ‘hergebruik uw handdoek’-kaartje. Behalve de standaardversie met uitleg over de milieugevolgen van het vele wasgoed in hotels, waren er ook kaartjes met de mededeling dat ‘75% van de hotelgasten hun handdoek meestal meerdere keren gebruikt’ of dat ‘75% van de eerdere gasten in deze kamer doorgaans hun handdoek opnieuw gebruikt’. De gasten die de laatste versie zagen, lieten de handdoeken minder vaak wassen.

Volgens de onderzoekers is dit omdat mensen zich instinctief meer verbonden voelden met eerdere gasten in hun hotelkamer, waardoor ze dat gedrag vaker kopieerden. Een groepsnorm suggereren en inspelen op de specifieke situatie waarin iemand zit, werkt dus goed om gedrag te beïnvloeden.

Mijn gevoel van verbondenheid met onbekenden die eerder in hetzelfde hotelbed lagen bleef totnogtoe binnen de perken. Maar onbewust ben ik waarschijnlijk ook op zo’n subtiele en onschuldige manier positief te beïnvloeden. Dat vind ik prima. Vaak weten we wel wat goed is voor onszelf of de wereld, maar regelmatig handelen we er niet naar. Goede voornemens worden niet altijd omgezet in daden, zoals ook Prast illustreerde. Prima als we daar wat bij worden geholpen.

Mogelijk werkt een zichtbaar grotere beschikbaarheid van vegahappen in de kantine op een vergelijkbare manier als de boodschap over de handdoeken, en misschien nog meer als degene voor u in de rij al één op zijn dienblad heeft liggen.

Ik stel voor dat we die natuurlijk neiging tot kuddegedrag meer uitbuiten: als we vaker spelen met de perceptie van de norm, kunnen we de kudde –bewust of onbewust – een zacht duwtje in duurzame richting geven.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


In China klonen ze al varkens

02. April 2014, 11:33


Flag_map_of_China_&_Taiwan copy

Rusland deed de afgelopen week aan groot machtsvertoon, maar ondertussen kan China er ook wat van. Daar klonen ze namelijk varkens. Op industriële schaal. Om de wereld van morgen te domineren. En de Chinezen gaan voortvarend te werk.

 

Begin dit jaar deed de Engelse BBC verslag van een tour door de stallen van het Beijing Genomics Institute (BGI) in Shenzhen, een grote stad in het zuiden van China. De verslaggever telde ruim negentig zeugen per stal; allemaal draagsters van acht tot twaalf gekloonde embryo’s. Een heuse varkenskloonfabriek, compleet met laboratorium, operatiekamer, en een batterij laboranten die het klonen handmatig uitvoeren. Want mensen zijn goedkoper en sneller dan machines, in China. De medewerkers doen gemiddeld twee implantaties per dag. Zeventig tot tachtig procent daarvan leveren levensvatbare biggetjes. In totaal is de fabriek goed voor een jaarlijkse productie van 500 varkensklonen.

Het is verleidelijk om te ageren tegen klonen op industriële schaal, of überhaupt tegen klonen als reproductietechnologie. En in de huidige tijdgeest is het ook terecht. Maar wie vooruit kijkt, weet dat we eerder hadden moeten reageren als we dit hadden willen voorkomen. Klonen gebeurt namelijk niet alleen in landen waar men het niet zo nauw neemt met morele waarden. Overal ter wereld worden in onderzoekslaboratoria op kleine schaal varkens gekloond, bijvoorbeeld om menselijke ziekten te bestuderen, of om medicijnen te testen. Varkens lijken genetisch sterk op mensen, en daarom zijn ze uitermate geschikt om het effect en de bijwerkingen van medicijnen op te testen. En niet alleen om ‘gewoon’ te testen. Veel van de klonen zijn namelijk ook genetisch gemodificeerd; genen worden veranderd om ziekteprocessen te simuleren en te bestuderen. Van sommige varkens is het groeihormoon verwijderd; andere zijn genetisch zo aangepakt dat ze een hoger risico op het ontwikkelen van Alzheimer hebben. Daar kun je het mee oneens zijn, maar het gebeurt.

Wat belangrijker is: de varkenskloonfabriek symboliseert een ontwikkeling die de traditionele morele discussies ver overstijgt.

China investeert namelijk stevig in alle sectoren die het land cruciaal acht in de wereld van morgen. Shenzhen wordt langzaamaan het genetisch epicentrum van de wereld. Naast de kloonfabriek heeft BGI ook een gigantische DNA-afleesfabriek, met 156 glimmende apparaten die aan de lopende band DNA sequencen. Ter vergelijking, het grootste sequencing-centrum in Europa – het Wellcome Trust Sanger Institute – heeft 30 van die machines. En BGI heeft ambitieuze plannen met haar wagenpark. Een project dat bekend staat als ‘3M’ springt het meest in het oog; het beoogt om het DNA van een miljoen planten en dieren, een miljoen bacteria en microben, en een miljoen mensen door de afleesmachines te halen. Wederom vallen de westerse genoomprojecten daarbij in het niet; de Britten komen met hun ‘100K Genome Project’ (100.000 mensen) het dichts in de buurt. Overigens is Neerlands’ vlaggenschip – Genoom van Nederland – ook in Shenzhen ‘gedaan’.

En het wordt nog interessanter. BGI heeft namelijk ook een ‘Reproductive Health Center’, dat gebruikt maakt van de DNA-fabriek om genetische testen aan artsen aan te bieden. Het centrum test van alles, van erfelijke aandoeningen tot kanker. Zelfs de in Nederland onlangs goedgekeurde non-invasieve prenatale test (NIPT) wordt in China aangeboden. Hoewel Nederlandse ziekenhuizen het DNA van hun patiënten vooralsnog binnen eigen muren houden, wordt er voor wetenschappelijk onderzoek wel eens met een schuin oog naar China gekeken. InTsjechië hebben ze de knoop een jaar geleden al doorgehakt; daar gaan alle DNA-monsters naar Shenzhen voor analyse.

Shenzhen zet dus groot in op DNA. Executive director Wang Jun lichtte de bedrijfsstrategie kort maar duidelijk toe;  BGI leest DNSA af van alles dat goed smaakt, dat bruikbaar is voor de industrie, en dat er lief uitziet. Daarmee is BGI bijna menselijk.

Door: Terry Vrijenhoek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Eiwitrijk dieet niet voor allen een goed idee

27. Maart 2014, 14:47


_JUD7648 - Version 2

Net nu eiwitrijke diëten zoals het Paleo- en Atkinsdieet een opleving doormaken, worden de mooie beloftes over hun gezondheidseffecten ontkracht. Terwijl menig, vaak zelfbenoemde gezondheidsfreak het mandje in de eko-supermarkt vulde met peulvruchten, biologisch scharrelvlees en dito eieren, publiceerde een groep internationale wetenschappers begin maart in Cell Metabolism dat een eiwitrijk voedingspatroon niet altijd leidt tot een lang en gezond leven. Volgens allerlei websites val je er van af, maar nu blijkt dat je mogelijk minder lang plezier hebt van je strakke lichaam. Voor sommige eiwitfans ligt kanker op de loer.

De onderzoekers vroegen ruim 6000 volwassenen ouder dan 50 jaar naar hun voedingspatroon. Op basis van het percentage energie dat ze dagelijks uit eiwitten halen werden ze ingedeeld in groepen met lage (<10%), matige (10-19%) of hoge (>20%) eiwitconsumptie. Vervolgens werd maximaal 18 jaar bijgehouden wanneer en waaraan de proefpersonen overleden.

Mensen tussen de 50 en 65 met een hoge eiwitinname bleken een ongeveer vier keer hoger risico te hebben om te sterven aan kanker dan mensen die weinig eiwitten aten; een sterfterisico zo groot als dat van roken. De kans op doodgaan door andere oorzaken dan kanker was in mindere mate verhoogd. Deze effecten bleken grotendeels te wijten aan consumptie van dierlijke eiwitten, uit bijvoorbeeld vlees, melk en kaas. Eiwitfans die voornamelijk plantaardige eiwitten aten, liepen geen extra risico om vroeg te sterven.

Bij mensen ouder dan 65 was iets anders aan de hand: hoge consumptie van eiwitten, ongeacht de bron, gaf in deze leeftijdsgroep juist bescherming tegen sterven aan kanker of andere oorzaken.

Het risico op sterfte was in de leeftijdscategorie van 50 tot 65 nog hoger als mensen behalve een hoge eiwitconsumptie ook hoge niveaus van het groeihormoon IGF-1 hadden. IGF-1 vermindert doorgaans met oplopende leeftijd. Die daling wordt deels verantwoordelijk gehouden voor een kwetsbaarder gestel. Maar IGF-1 is ook in verband gebracht met een grotere vatbaarheid voor kanker. Wellicht bepaalt leeftijd wat het effect is van de IGF-1 hormoonspiegel. Mogelijk beschermt een eiwitrijk dieet op hogere leeftijd juist tegen een zwakker wordend lichaam, doordat IGF-1 op peil blijft.

Een nadeel van dergelijke observerende studies, is dat ze niets vertellen over oorzakelijke verbanden. Proefdieronderzoek biedt hiertoe meer mogelijkheden, omdat de omstandigheden van de beesten relatief goed kunnen worden beheerst. Dat geeft minder verstorende factoren, die bij humaan onderzoek vaak de conclusie afzwakken.

De onderzoekers keken daarom naar tumorontwikkeling in muizen op diëten met verschillende eiwitgehaltes. Een lagere eiwitinname remde de ontwikkeling van tumoren, in vergelijking tot een eiwitrijk dieet, zelfs wanneer tumorcellen onderhuids werden aangebracht. De onderzoekers speculeren daarom dat eiwitconsumptie doorslaggevend is in het wel of niet doorontwikkelen van voorstadia van kanker tot kwaadaardige tumoren. De resultaten van de muizenexperimenten suggereerden ook dat de relatie tussen eiwitconsumptie en kanker grotendeels via IGF-1 verloopt. Bovendien waren oude muizen net als oude mensen beter af met hoge eiwitconsumptie dan met een eiwitarm maaltje.

De auteurs concluderen dat dagelijks 0.7-0.8 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht een gezonde aanbeveling is voor mensen tot een jaar of 65. De gemiddelde Paleo-adept zal dit maar karig vinden. Boven de 65 jaar waarschuwen de onderzoekers voor een tekort aan eiwitten. Het Voedingscentrum geeft hetzelfde advies aan volwassenen, maar doet geen specifieke aanbeveling voor ouderen. Met name plantaardige eiwitten eten lijkt gunstig op alle leeftijden. Puntje voor de vegetariërs.

Het internet staat vol levendige discussies tussen mensen die de word-supergezond-beloftes met een korrel zout nemen en anderen die een gepredikte leefstijl volgen als ware het een religie. De groepen komen niet vaak nader tot elkaar. Zouden deze bevindingen indruk maken? Velen klampen zich blijkbaar graag vast aan de heersende dieethype: misschien geloven ze dat het dit keer écht waar is. Dat je zonder moeite die overtollige kilo’s kwijt raakt, of dat je energiek en gezond 90 wordt.

Ik geloof niet in de mooie verhalen. In het leven zoek ik graag af en toe de berm op, maar ten aanzien van eten lijkt de middenweg me een prima route. Dan krijg je van alles wat binnen. Zo blijft het risico beperkt dat je je helemaal stort op een bepaalde voedingsstof, waarvan nu nog niet bekend is dat die in grote hoeveelheden niet zo goed voor je is. Bovendien blijken gezondheidseffecten van voeding dus niet voor iedereen hetzelfde. Dingen zijn vaak niet zo universeel goed als we willen geloven.

De mentale rust die het oplevert als je niet de hele tijd met voeding bezig bent is lijkt me wél goed voor je. De term gezondheidsfreak vind ik daarom zo slecht nog niet.

Door: Judith Brouwer 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De markt voor privacy

21. Maart 2014, 13:12


markt

We moeten oefenen met het verkopen van privacygevoelige informatie. Zonder oefening blijft het als het verkopen van een oude trui op de rommelmarkt: zelf vind je hem mooi, maar het is afwachten wat de gek ervoor geeft. Dat moet anders.

Eerst een voorbeeld om op te warmen. Stel, je hebt met de baas gezoend. Je kamergenoot doet je een aanbod: hij wil 1000 euro of hij stuurt het nieuwtje aan de afdeling rond. Die afweging kun je relatief gemakkelijk maken. Het gaat om afgebakende informatie, die interessant is voor een beperkte doelgroep, met een redelijk goed in te schatten effect: ontslag. Een mille is een koopje.

Dit soort afwegingen tussen opbrengst en risico’s van het prijsgeven van informatie, de privacycalculus, maken we niet dagelijks. De balans hangt af van een aantal factoren: de controle die we erover hebben, het vertrouwen in de afnemer, het risico op misbruik en aan de andere kant wat het openbaren van de informatie ons oplevert in geld, gemak of airmiles.

Twee elementen zijn daarbij doorslaggevend. Ten eerste weten we niet wat zulke informatie objectief waard is – Facebook betaalt veel voor Whatsapp, maar de marktwaarde van ons stukje data is onduidelijk. Ten tweede hebben we geen inzicht in het belangrijkste element in de ‘calculus’: de controle over de data. Amerikaanse onderzoekers lieten studenten een profiel aanmaken op basis van een aantal gevoelige gevragen over zichzelf en hun campusleven. Ze mochten ‘geen antwoord’ invullen. De helft van de deelnemers kreeg te horen dat hun profiel online geplaatst zou worden; de andere helft werd verteld dat hun profiel met 50% kans online geplaatst zou worden. Het gevolg was, tegenintuïtief genoeg, dat de eerste groep meer informatie prijsgaf. Net zoals we ons veiliger voelen als we achter het stuur zitten dan achterin het vliegtuig, neigen we (even onterecht) eerder naar het weggeven van informatie als we de controle erover behouden.

Komend jaar verandert zowel de controle over onze data als ons begrip van de marktwaarde ervan. Qiy, een platform waarin bedrijfsleven, banken en overheid partner zijn, lanceert dan een grote broer van de DigiD: een digitaal kluisje waarin we verschillende niveaus van bescherming kunnen handhaven. De binnenste kluis is alleen toegankelijk met jouw geauthoriseerde zelf, bijvoorbeeld met je paspoort bij de gemeente. Daarin ligt de sleutel waarmee je bij je medische gegevens kunt. De schil daaromheen bevat bijvoorbeeld salarisgegevens, en kan geopend worden door personen of instanties die jij expliciet toestemming hebt gegeven. De buitenste schil is in delen los te koppelen van je identiteit. Zo kun je onder pseudeniem het profiel ‘academicus met vouwfiets die karnemelk drinkt’ aan de Albert Heijn of de ING verkopen.

Op dit moment mogen bedrijven van zulke profielen gratis gebruik maken. Door zelf de ontkoppeling van persoonlijke informatie en je persoon te beheren, krijgen we zowel meer controle over onze data als meer grip op de marktwaarde ervan. Daardoor zullen we minder in een kramp schieten als commerciele partijen iets met onze data willen, zoals de ING en Whatsapp, maar vragen we er meer geld of aanbiedingen voor terug. Uiteindelijk komt dat marktbesef onze privacybescherming ten goede.

Door: Eva van den Broek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Heksenjacht op slordigheden

13. Maart 2014, 21:04


straffen

Sinds het omvangrijke bedrog van psycholoog Diederik Stapel in 2011 aan het licht kwam is er veel aandacht voor wetenschapsfraude. Zowel de universiteiten, de media als wetenschappers zelf zijn de afgelopen jaren meer bedacht op slechte onderzoeksmethoden, verdacht uitziende figuren en scheve conclusies (soms met een knipoog). Het woord ‘plagiaat’ is ondertussen onderdeel van de algemene vocabulaire van de meeste Nederlanders. Ook in 2014 zijn in Nederland de eerste twee gevallen van wetenschapsfraude alweer aan het licht gekomen, én uitgebreid uitgemeten in de media: econoom Peter Nijkamp en celbioloog Pankaj Dhonukse. Beide heren, die inderdaad fout zaten, worden publiek aan de schandpaal genageld. De berichtgeving over vermeende fraudeurs neemt de laatste tijd extreme vormen aan die niet helemaal in verhouding staan met de ernst van de fraudezaken.

Zo was er in januari het geval van ‘zelfplagiaat’ van de econoom Peter Nijkamp van de Vrije Universiteit. Hierover was nogal wat onduidelijkheid. Want wat had hij nou precies verkeerd gedaan? Zichzelf geciteerd zonder dat te melden – is dat erg dan? Als het gaat om een belangrijke claim, die herhaald wordt alsof het nieuw is, dan is dat inderdaad kwalijk. Maar wanneer iemand zijn eigen bewoordingen herhaalt in een volgend artikel, is dat minder erg. Maar de VU nam het hoog op: de promotie van Nijkamps AIO werd uitgesteld op basis van vage, anonieme beschuldigingen. Nijkamp zelf weersprak de beschuldigingen en vond dat er een hetze in het leven was geroepen, die niets meer te maken had met de inhoud van de artikelen waarin het zelfplagiaat gevonden was. Ook het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), dat fraudezaken behandelt, was kritisch over de gang van zaken: zeker het uitstellen van een promotie op basis van anonieme klachten werd niet gewaardeerd.

Recent kwam de Utrechtse celbioloog Pankaj Dhonukse in het nieuws vanwege mogelijke fraude in een aantal artikelen in de tijdschriften Cell en Nature. Hij was slordig geweest met het presenteren van figuren, en had geknipt en geplakt in foto’s zonder dat te melden aan zijn mede-auteurs en aan de tijdschriften. De Universiteit Utrecht stelde een onderzoek in en maakte dit wereldkundig in een persbericht, waarop de fraude in de mediabreed werd uitgemeten. Gezien de omvang van deze ‘fraude’ (die de conclusies van het onderzoek niet ondermijnden), was dit wellicht een kwestie geweest die de universiteit, de onderzoeker en de tijdschriften onderling hadden kunnen oplossen zonder daarbij de media te betrekken.

Nijkamp is een gerenommeerd onderzoeker in zijn vakgebied en publiceert veel. Ook Dhonukse publiceerde in toptijdschriften als Cell en Nature. Beide onderzoekers zijn schuldig aan onzorgvuldigheden en slordigheden, iets wat jonge wetenschappers in het begin van hun carrière al keihard afgeleerd wordt. Voor onderzoekers in hún positie en met hun prestige is het een schande dat ze zeggen ‘niet te weten’ wat de regels waren, zoals bijvoorbeeld Dhonuske beweert. De heren moeten zeker op het matje geroepen worden en hun excuses aanbieden (wat ze beiden hebben gedaan), maar zou in hun geval een rectificatie in het tijdschrift waar ze in publiceerden niet genoeg zijn geweest? Publiek aan de schandpaal genageld worden, zoals nu gebeurt, vind ik te ver gaan.

Door deze verhoogde media-aandacht moeten universiteiten nu meer bedacht zijn op dergelijke gevallen om hun reputatie niet te schaden. Maar voor universiteiten is deze gang van zaken nieuw. Zij zijn nog zoekende naar de beste manier waarop de verhoogde controle op fraude moet plaatsvinden, zoals Hans Clevers, president van de KNAW, betoogt in een recent interview. Maar, zoals hij ook zegt, regels alleen kunnen fraude niet voorkomen, het zijn de wetenschappers zelf die eerlijk en oprecht moeten zijn. Gelukkig zijn de meesten dat ook zeker wel.

De recente focus op wetenschappelijke integriteit is een goede ontwikkeling. Maar de hype die nu ontstaan is rondom iedereen die iets fout doet is behoorlijk uit de hand gelopen. Kwaliteitskranten troeven elkaar af met wie “als eerste” de nieuwe fraudegevallen ontdekte. Kranten en journalisten beschuldigen universiteiten ervan de fraudezaken onder de pet te houden. Wetenschappers beschuldigen universiteiten ervan dat aanklachten ongegrond zijn. Het LOWI beschuldigt universiteiten ervan onnodige onderzoeken in te stellen. Zo wijst iedereen de vinger naar elkaar en heeft het met het doen van goede wetenschap niets meer te doen. Openheid is goed, maar wanneer dit leidt tot een heksenjacht op iedereen die een fout durft te maken, schieten we er in de wetenschap niets mee op.

Door: Eva Teuling 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Meedraaien in de Brusselse subsidiecarrousel

04. Maart 2014, 17:21


Europe_Flag_map_2

Ik was helemaal niet van plan om subsidie aan te vragen. Maar ja, we hebben “goud in handen”, aldus enkele hoogleraren. De meesten zijn inmiddels partner en schrijven mee aan een plan voor de genetische kliniek van de toekomst. In 2017 is het af. Tenminste, als ‘Brussel’ het financiert. En als de partners ook zo eensgezind blijven zodra het geld eenmaal binnen is.

Er is eindelijk weer Europees geld voor onderzoek. Op 11 december gaf de Europese Commissie het startschot voor haar nieuwe onderzoeksprogramma, met de veelbelovende naam ‘Horizon 2020’. Ruim 80 miljard euro heeft de Commissie ervoor opzij gezet. Daarmee zal Horizon 2020 bol staan van de doorbraken, ontdekkingen en ‘eerste-ter-werelds’, aldus de Commissie.

Een ‘eerste-ter-wereld’, dat lijkt ons wel wat. En met steun van een paar genetica-hotshots moeten we een eind kunnen komen. Maar het gros van Horizon 2020 lijkt helemaal niet gericht op grote ontdekkingen. Slechts 17% van het totale budget gaat naar baanbrekend onderzoek, in de vorm van subsidies voor individuele onderzoekers. Daarnaast is er nog 3,5% voor zogenaamde ‘future and emerging technologies’. Wie niet beter weet, krijgt de indruk dat een ‘eerste-ter-wereld’ vereist dat je óf een egotrippende autist bent, óf je inspiratie vindt in Star Trek.

De rest van Horizon 2020 is voor onderzoeksconsortia, die zich richten op innovatie, maatschappelijke uitdagingen, en training en onderwijs. Het creëren van zo’n consortium vereist nogal wat polderwerk. Een klinisch geneticus uit Cyprus, een hoogleraar uit Finland en een ethicus uit Groot-Brittannië doen inmiddels mee. Daarmee is het consortium nog lang niet compleet. Om een Brusselse ambtenaar te laten watertanden, moet zijn ook museumdirecteuren, beleidsadviseurs en CEOs uit Oostenrijk, Portugal en Duitsland nodig. En dan nog komen we drie landen te kort. 

Een compleet consortium bestaat namelijk uit minimaal tien landen. En die doen niet mee uit liefdadigheid. Allemaal proberen ze een deel van de 1 miljoen euro te claimen. Bij gelijke verdeling van het volledige bedrag zou iedere partner dus €100.000 krijgen. Maar een project kent ook bijeenkomsten en workshops; totale kosten €200.000. Ten slotte moet er nog wat gereserveerd worden voor management en coördinatie. Uiteindelijk houdt iedere partner zo’n €70.000 over, oftewel een kwart promovendus.

Voor dat geld moet de partner een of meerdere onderdelen van het project uitvoeren, de zogenaamdewerkpakketten. Ieder werkpakket heeft een aantal meetbare uitkomsten, de deliverables en milestones. Om kans te maken op toekenning, moeten de werkpakketten ambitieus zijn. Maar meten is ook weten; als de milestoneseenmaal in het project staan, is er geen ontkomen meer aan.  Beweer je over 4 maanden een artikel af te leveren, dan moet dat artikel er ook in maand 4 zijn, anders word je gekort. Ervaren rotten in de subsidie-tango weten inmiddels precies hoe ze zoveel mogelijk geld binnen kunnen harken, zonder al te veel aan verplichtingen vast te zitten. De enige milestones waaraan zij zich verbinden, zijn degene die ze al gehaald hebben, of in ieder geval bijna. Veel projecten zijn daardoor geen zoektocht naar de ‘eerste-ter-werelds’, maar een marktplaats van stokpaardjes.

Wij van de genetische kliniek van de toekomst pakken het anders aan. We beginnen niet bij de verdeling van het geld, maar bij de inhoud. We verdelen het geld niet eerlijk, maar naar behoefte. Een klein project om te testen hoe we gegevens uit biobanken kunnen gebruiken in de kliniek van de toekomst. Of hoe genetische data het beste kunnen worden uitgewisseld. Geen grote doorbraken, maar misschien wel wat kleine stapjes richten 2020. Misschien heeft de Commissie daar wat aan.

Door: Terry Vrijenhoek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Gevolgen windmolenparken goed in de gaten houden

25. Februari 2014, 15:33


Windmolen - rechtenvrije afbeelding 5

Momenteel zijn er in Nederland meerdere windmolenparken in aanbouw. De onzekere gevolgen van deze technologie moeten we niet wegstoppen: die moeten we goed in het oog houden, stelt Koen Beumer.

Om klimaatverandering tegen te gaan, wil Nederland dat in 2020 veertien procent van de verbruikte energie uit duurzame energie bestaat. Windenergie speelt daarbij een belangrijke rol: “Nederland is vlak en het waait er vaak”, zoals de overheid het kort samenvat.

Windmolens zijn bedoeld om de kwalijke klimatologische gevolgen van andere technologieën in te perken. De afgelopen jaren is echter het vermoeden ontstaan dat windmolenparken zelf ook gevolgen hebben voor het klimaat. Verschillende wetenschappers hebben ontdekt dat bij windmolenparken lokaal de temperatuur kan stijgen en meer regen kan vallen door de wijze waarop ze lagen van warme en koude wind mengen. Onderzoek uit 2010suggereerde dat windmolenparken zelfs invloed kunnen hebben op het weer vele duizenden kilometers verderop: de windmolen als een enorme vlinder. Windmolenparken, zo werd geconcludeerd, zijn gevaarlijk.

Niet iedereen is het daar mee eens: vorige maand schreef een groep Franse onderzoekers dat het eigenlijk wel meevalt met die klimatologische gevolgen. Volgens hen had de simulatie uit 2010 cruciale informatie over de impact van de luchtverplaatsing uit het model weggelaten. De kielzog van de windmolens kon veel verschil maken, en nam je dat wel mee, dan bleek de impact van windmolenparken in het niet te vallen bij de normale jaarlijkse schommelingen in het klimaat. De gevaren van windmolens zijn beperkt, zo was de conclusie.

Alle simulaties ten spijt, de werkelijkheid is dat we niet met zekerheid weten wat de klimatologische gevolgen van windmolenparken zijn. Experts discussiëren op basis van een beperkt aantal scenario’s en gegevens en zijn het bovendien met elkaar oneens. Ondanks genuanceerde uitspraken in de wetenschappelijke literatuur wordt in de openbare discussie met stelligheid gesproken over de relatie tussen windmolens en klimaatverandering, alsof we nu eens zeker weten dat die relatie positief is, en dan weer zeker weten dat die negatief is. Waar komt dat toch vandaan, die ogenschijnlijke tegenzin om ruimte te laten voor onzekerheid?

De veronderstelling die hieraan ten grondslag ligt, is dat enkel volledige zekerheid de doorslag kan geven in een discussie. Als we niet met volledige zekerheid kunnen stellen dat windmolens geen kwalijke gevolgen hebben voor de temperatuur en de regenval, zo is de gedachte, dan zal het publiek dit onacceptabel vinden. Het publiek zal het vertrouwen in de technologie verliezen en windenergie is dan een verloren zaak.

Deze veronderstelling is echter onjuist. Uit publieksonderzoek bij verschillende technologieën blijkt dat het publiek niet het vertrouwen verliest in nieuwe technologieën wanneer de gevolgen daarvan onzeker zijn, maar dat het juist vertrouwen verliest in regelgevers en bedrijven wanneer er met al te grote zekerheid wordt gesproken over zaken die later onzeker bleken. Openheid schept vertrouwen, valse zekerheid ondermijnt dat.

Het publiek – de kranten-kopende lezer, de stemmende burger, de consument van energie – begrijpt ook wel dat een gebrek aan absolute zekerheid niet gelijk staat aan totale onwetendheid, laat staan aan schadelijkheid. Op basis van bestaand onderzoek kan men weliswaar niet met absolute zekerheid concluderen wat de relatie is tussen windmolens en klimaatverandering, maar de onzekere kennis toont aan dat er indicaties zijn voor het bestaan van bepaalde relaties, en biedt daarmee aanknopingspunten voor verder onderzoek en discussie. Het erkennen van dergelijke onzekerheid getuigd juist van inzicht en zorgvuldigheid.

In plaats van ons te laten gijzelen door de pretentieuze noodzaak van absolute kennis, kan er beter openlijk over onzekerheden worden gesproken. Voor zover we nu weten, is de klimatologische impact van windmolens beperkt. Maar we zullen er goed op blijven letten, en laat het ons vooral weten als u daar meer over weet.

Door: Koen Beumer 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Plasterk is zeker niet de laatste die struikelt over die verdomde data

18. Februari 2014, 12:12


data

Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken heeft het Nederlandse inlichtingenspel op scherp gezet. Media speculeren volop over de (politieke) gevolgen van het ‘Plasterkdebat’. Over de informatievoorziening over de geheime diensten die anders moet. Over de gele kaart die Plasterk heeft gekregen. En over de spanning binnen de coalitie en tussen verschillende fracties. Maar de gevolgen voor omgang met data – toch de aanleiding van Plasterks struikelpartij – worden zorgvuldig genegeerd. En dat terwijl politici zich steeds vaker zullen verslikken in (meta-) data.

Data worden gezien als de toekomstige bron van welvaart, de nieuwe olie. Alleen weet niemand nog waar de nieuwe sjeiks wonen. Sterker nog, het distributienetwerk van data is een stuk minder overzichtelijk dan dat van olie. Iedereen met een computer kan data produceren, en een eenvoudige internetverbinding volstaat om de data ook te verspreiden. Een volledig overzicht van alle data-transacties is dus onmogelijk te maken, zelfs niet van de data van een enkel land. Uiteindelijk is er wel iemand verantwoordelijk als het mis gaat. Nu is het Plasterk, maar binnenkort kunnen ook andere bewindslieden flinke data-klappen verwachten; bij Justitie (persoonsgegevens) en bij Volksgezondheid, Welzijn en Sport (medische data) kunnen ze hun borst natmaken. En natuurlijk krijgt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het heel erg lastig. Die is immers verantwoordelijk voor duizenden wetenschappers, die gezamenlijk petabytes (1015bytes) aan data de wereld insturen.

Die wetenschappers moeten wel, want zonder data van hun collega’s kunnen ze hun eigen resultaten niet interpreteren. Om te weten of die ene genetische variant de oorzaak is van een aangeboren afwijking, is vergelijkingsmateriaal nodig. Praktisch gezien is wetenschappelijke data-uitwisseling niet zo problematisch, maar nu data steeds meer een persoonlijke lading krijgen, schuiven ze in toenemende mate onder de politieke paraplu. Dat blijkt onder andere uit een nieuwe wet, die de Europese Raad in 2015 hoopt door te voeren om de privacy van Europese burgers volledig te garanderen. De wet gaat over alle ‘persoonlijk data’, wat gedefinieerd is als ‘alle informatie gerelateerd aan een geïdentificeerd of identificeerbaar natuurlijk persoon’.  Dus ook MRI-scans, bloedwaarden en DNA-profielen. Volgens de wet moeten alle persoonlijke data met uiterste voorzichtigheid behandeld moeten worden; in principe geanonimiseerd, bij hoge uitzondering gepseudonimiseerd, en voor ieder nieuw gebruik moet de beheerder (voor medisch onderzoek dus de patiënt) opnieuw toestemming geven. De gemiddelde geneticus is dan waarschijnlijk iedere maand in de weer met toestemmingsformulieren.

Er zijn ook politici die zich hard maken voor een meer open benadering. Twee weken geleden zette staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn handtekening onder ELIXIR, een Europees samenwerkingsverband voor het uitwisselen van biologische onderzoeksdata. ELIXIR geeft onderzoekers toegang tot ‘data voor het leven’, en Nederland is het zevende land dat zich aansluit. ELIXIR gaat dus in principe niet over persoonsgegevens, maar een botsing met de nieuwe Europese wet ter bescherming van persoonsgegevens is niet uit te sluiten. ELIXIR gaat namelijk ook over DNA-profielen en MRI-scans. Het wordt dan lastig voor bewindslieden om ‘persoonlijk’ van ‘onderzoek’ te scheiden.

Een Plasterkje is snel gemaakt. En van iedere struikelpartij moeten we leren. Niet over de credits van een individuele minister, of over de lengte van de tenen van een fractievoorzitter. Maar over zaken die er echt toe doen. Zoals bescherming van privacy zonder krampachtige afscherming van data. Of het gebruik van persoonlijke data voor wetenschappelijk onderzoek. Of misschien kunnen we het zelfs alvast hebben over de waarde van data. Dat is namelijk ook politiek.

Door: Terry Vrijenhoek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De hilariteit (en het nut) van slechte wetenschap

11. Februari 2014, 11:36


bullshitbingo

In zijn presentatie over de relatie tussen tuberculose en mobiele telefonie was de epidemioloog aangekomen bij de klinische trials die hij en zijn collega hadden uitgevoerd. Aan bod was het onderzoekssample: de groep mensen waarmee de trials waren uitgevoerd. Op het scherm verscheen een foto van één lachende jongeman. “Dit is ons sample. Zijn naam is João. Wij krijgen vaak het commentaar dat we met een te klein sample hebben gewerkt, maar João is in werkelijkheid best lang.”

Extraordinary evidence
Geen hond zou deze epidemioloog serieus nemen, en dat was dan ook niet de bedoeling. Zijn presentatie was deel van eenonlangs gehouden symposium aan ons onderzoeksinstituut, waar slechte wetenschap expliciet welkom was: de data moest echt zijn, geen gesjoemel met de cijfertjes, maar in de interpretatie en de experimentele opzet mochten de wetenschappers alles doen wat normaal verboden was. João, het sample van n=1, was nog maar het begin: correlatie met causatie verwarren was erg populair, en er werd weinig moeite gedaan om extraordinary claims te verdedigen met extraordinary evidence.

Waarschijnlijk klinken die termen bekend: bij het opzetten en het interpreteren van wetenschappelijke studies zijn dit soort principes namelijk van groot belang. Een sample van 1 is een anekdote, geen data; correlatie is niet hetzelfde als causatie; en een buitengewone bewering moet ondersteund worden met buitengewoon bewijs om serieus genomen te worden. Op het symposium werden deze regels aan het publiek gegeven in de vorm van een bingokaart (hier te downloaden), waar daarnaast statistische trucs op stonden. De Wet van de Grote Aantallen bijvoorbeeld: die stelt dat hoe groter het aantal metingen is, hoe dichter het gemiddelde bij de daadwerkelijke waarheid zal liggen. Andersom geldt dat het gemiddelde van een klein aantal metingen behoorlijk kan afwijken van het ware gemiddelde, puur door toeval. Daarmee kan je heel effectief pseudowetenschap bedrijven.

Statistische trucs
Het doorzien van dit soort statistische trucs is niet altijd makkelijk. Als ergens een significante p-waarde bijstaat stopt men al gauw met kritisch denken, en dat is onterecht: als je maar genoeg data hebt, is er altijd wel ergens een significante correlatie te vinden. Puur toeval, zonder werkelijke betekenis. Zo vond een studie uit 2001(dubbelblind, mét controlegroep) dat bidden voor patiënten een significante verkorting van het ziekenhuisbezoek opleverde, met gemiddeld lagere koorts. Klein detail: het gebed in kwestie vond pas 4 jaar na dato plaats. Dat klinkt als een bijzonder en raadselachtig resultaat, tot je beseft dat de onderzoekers een gigantische dataset aan parameters tot hun beschikking hadden. Deel de patiëntengegevens willekeurig in twee stapels, en er is altijd wel íets dat correleert met die verdeling. Ook op ons symposium werden de meest bizarre correlaties tevoorschijn getoverd uit medische gegevens: in het Chinese jaar van de Slang heeft u bijvoorbeeld minder kans op infecties met bacteriën die beginnen met een klinker.

Slechte wetenschap

Kortom, wetenschapsprincipes met voeten treden kan tot hilarische presentaties leiden. Natuurlijk zit hier een diepere laag, want net zoals niet ieder grappig wetenschapsverhaal onzin hoeft te zijn, is niet iedere onzinnige wetenschap grappig, en kan het herkennen ervan van levensbelang zijn. Een veel te klein sample was zo bijvoorbeeld (deels) verantwoordelijk voor het begin van de mythe dat vaccinaties autisme veroorzaken. Een fout met (nog steeds) grote gevolgen, die voorkomen hadden kunnen worden als, bijvoorbeeld, journalisten van het eerste uur het artikel in kwestie daadwerkelijk kritisch onder de loep hadden gelegd, of de juiste vragen hadden gesteld op de persconferentie.

In oktober vorig jaar verscheen in de Economist een stuk over problemen in de wetenschap. Publicatiedruk maar ook gebrekkige controle leidt tot slechte wetenschap, waaronder niet-reproduceerbaar onderzoek, en vertekende meta-analyses omdat negatieve resultaten niet worden gepubliceerd. Ook wees het artikel op slechte standaarden waar het de experimentele opzet en interpretatie betreft. Dit is op zijn zachtst gezegd zorgwekkend. Er wordt blijkbaar te weinig nagedacht over de aard van slechte wetenschap, en over wat goede wetenschap goed maakt; de principes die iedere wetenschapper ooit geleerd heeft liggen stof te vergaren in ladenkastjes op universiteiten over de hele wereld.

Ja, journalisten, politici, artsen, en eigenlijk iedereen met een hartslag moet de principes van goede wetenschap kennen. Maar vooral wetenschappers zelf moeten eerlijk kunnen zijn over de bingovakjes die hun onderzoek aankruist, want alleen hiermee is een accurate waardering van hun werk mogelijk. En niet alle principes zijn onder alle omstandigheden te waarborgen: een controlegroep samenstellen en randomiseren kán niet bij alle onderzoeken, en soms is het simpelweg niet mogelijk om een groter sample te verzamelen dan 1. Het bestaat. Een kruisje op de bingokaart betekent dus ook niet automatisch dat we hier met slechte wetenschap van doen hebben. Maar dat het kruisje er staat moet wel worden erkend. En er moet worden gepraat: over slechte wetenschap, over goede wetenschap; over het verschil tussen de twee.

Nepsymposium
Een nepsymposium met bingokaarten is natuurlijk niet de enige manier om dit gesprek op gang te brengen, maar dat het werkt was duidelijk: een klein sample zoals João zou overal met een bulderende zaal begroet moeten worden. Verder heb ik zelf sinds het symposium buitengewoon veel moeite gekregen met het lezen van papers en het bezoeken van seminars, want voortdurend gaat mijn bingo-alarm af. Zelfs nu ik dit schrijf besef ik dat dit slechts één symposium was, en ik slechts één persoon. Wie helpt ons aan een groter sample? Eenzelfde evenement in Nederland is zo opgezet.

Door: Barbara Vreede 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Genetica wordt persoonlijk, ook voor studenten

05. Februari 2014, 18:29


monopoly

Ik ben enthousiast geworden over onderwijs, en daar was maar één vak voor nodig. Het was een klein onderwijsexperimentje, voor een selecte groep derdejaars Biomedische Wetenschappen. ‘Personalised Genetics in Clinical Research’, heette het, afgekort ‘PG’. En het bevatte alles wat onderwijs uitdagend en effectief maakt: een gewaagde opening, persoonlijke essays, groepsdiscussies, brainstormsessies, colleges van topgenetici, en workshops voor en door studenten. En het sluitstuk: College Tour met professoren.

Een miljoen

Tijdens de workshops kwam studente Eline binnen met 1 miljoen euro. Te verdelen over onderzoek naar borstkanker, hart- en vaatziekten, zeldzame ziekten en neurologische aandoeningen. Het geld kwam van een oudtante, zei ze. Wij – drie studenten en ik – mochten in haar workshop uitmaken waarop we het zouden inzetten. Ze drukte ons ieder een aantal Monopolybriefjes in de hand. “Alsjeblieft, kies maar.”

Via deze simpele oefening wijst Eline ons op de dilemma’s rondom de verdeling van onderzoeksgeld. En later – als ze onderzoeksdirecteur zijn – zullen Eline en haar medestudenten ook stuiten op dit soort dilemma’s. ‘PG’ geeft ze de basis om straks grote beslissingen te nemen. Niet alleen over geld, maar ook over privacy en autonomie van patiënten. Over uitwisseling en publicatie van DNA-data. Over perverse prikkels in zorg en onderzoek. En over verdere medicalisering van de maatschappij.

Het gros van het fictieve geld ging volledig naar zeldzame ziekten. Want eigenlijk zijn alle ziekten zeldzaam, concludeerden we. Geen twee patiënten zijn immers gelijk. Over 20 jaar denkt Eline daar vast nog aan terug.

Persoonlijk

Voor de studenten van ‘PG’ is genetica inmiddels persoonlijk geworden. Tien weken geleden verzochten we ze hun DNA in te leveren om het te laten aflezen. Ze stemden klakkeloos in, zonder te weten wat er precies met de resultaten zou gebeuren. Inmiddels kennen ze alle nuances en dilemma’s rondom genetisch testen, en weten ze hoe persoonlijk DNA kan worden. Onder andere door de sessie met een échte hartpatiënt en zijn familie. De vader had twee dochters; een had zich genetisch laten testen, en zat naast hem voor de groep. De andere dochter niet; die had geen behoefte aan de last van een genetische diagnose.

Persoonlijk was ook de sessie met Marjolein Kriek. Zij was in 2010 de eerste vrouw ter wereld die haar volledige DNA liet aflezen. En ze toonde het de studenten. Niets bijzonders, zoals verwacht, want “als je op je veertigste nog geen symptomen hebt, ga je in het DNA ook niet veel spannends vinden.” Dat we nu DNA snel en goedkoop kunnen aflezen, betekent immers nog niet dat we alle veranderingen begrijpen. En de veranderingen die we wel begrijpen, hebben meestal te maken met ziekten die al duidelijk zichtbaar zijn, zoals Huntington en taaislijmziekte. Kriek: “Eigenlijk is DNA aflezen van een gezond persoon enorm saai.”

En zo kwamen we op het nut van genetische zelftesten als 23andMe. En ontstonden ideeën voor genetische consultancybureaus, online zelftesten voor autisme, een workshop ‘genetische profielen bedenken’, en een pinpas voor het aanvragen en beheren van genetische testen. En een Robolab, in de politiek instabiele Sahara. Allemaal wilde, creatieve plannen over de genetische kliniek van de toekomst.

Toekomst

Zo wil ik best onderwijs geven. Studenten echt voorbereiden op hun toekomst, en niet alleen maar proberen ze vol te stampen met kennis over dezen en genen. Ze zelf laten ervaren hoe persoonlijk genetica is, in plaats van ze het te vertellen in een hoorcollege. Of, zoals ‘PG’-coördinator Marc zei: “Ik hoop dat mijn onderwijs vooral vragen oproept.” Alleen is daar nog weinig waardering voor in het wetenschappelijke circuit. Dáár zouden we nou iets aan moeten doen. Waarom heeft niemand daar eerder aan gedacht?

Door: Terry Vrijenhoek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Waardevolle medische informatie onbenut

28. Januari 2014, 21:25


_JUD7164

Nederland doet het goed in allerlei ranglijstjes, maar we doen vaak onder voor Scandinavische landen. De noorderlingen blinken bijvoorbeeld uit in het gebruik van nationale patiëntengegevensregisters voor medisch onderzoek. Deze registers zijn niet hetzelfde als het veelbesproken elektronisch patiëntendossier (EPD), maar databases waarin geanonimiseerde patiëntengegevens van verschillende zorgverleners bij elkaar komen. Onderzoekers kunnen hiermee evalueren welke zorg het meest effectief is. Een belangrijk instrument om zorg te verbeteren, wat in Nederland totnogtoe amper benut werd. Langzaam lijkt daar nu verandering in te komen. Maar omdat er onterechte zorgen bestaan dat de privacy wordt geschonden, krijgen deze registraties mogelijk niet de kans die ze verdienen.

Registers kunnen kennis opleveren die momenteel ontbreekt. De farmaceutische industrie onderzoekt de effectiviteit van medicijnen. Dit beantwoordt echter niet altijd de vragen die in de spreekkamer spelen. De industrie laat bijvoorbeeld graag zien dat een nieuw middel meer effect heeft dan een placebo. Maar een arts wil liever weten of het ene medicijn tegen hoge bloeddruk beter is dan een ander. Bovendien worden nieuwe geneesmiddelen vaak getest in relatief gezonde patiënten. Kortom: een arts kan niet altijd weten of een middel goed werkt of veilig is voor een specifieke patiënt, die mogelijk ook allerlei andere aandoeningen heeft.

Daarom is onderzoek in de dagelijkse klinische praktijk heel belangrijk: inclusief complexe patiënten met meerdere kwalen. Hier kan het patiëntenregister een rol spelen, zo blijkt elders in Europa. Denemarken heeft een lange traditie in registergebaseerd onderzoek, Zweden en Noorwegen gebruiken patiëntenregisters van ziekenhuiszorg voor onderzoek en ook het Verenigd Koninkrijk wordt steeds actiever op dit vlak. De Engelse National Health Service voegde recentelijk patiëntendossiers van verschillende zorgaanbieders samen. Dat leverde een groot register dat beschikbaar is voor onderzoek.

Momenteel worden er in Nederland weliswaar allerlei gegevens digitaal geregistreerd in de spreekkamer, maar iedere zorgverlener heeft een eigen datasysteem. Anoniem koppelen van gegevens van bijvoorbeeld huisarts, apotheek en diëtist geeft een completer beeld van de gezondheid en het ziektebeloop van een patiënt. Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld bij hypertensiepatiënten met of zonder obesitas kijken of de obesitasgroep beter op een bepaald bloeddrukverlagend medicijn reageert. Zorgen omtrent privacy zoals bij het EPD zijn niet aan de orde: gebruikers van de registratie krijgen geen informatie waarmee patiënten direct geïdentificeerd kunnen worden. Ook al worden uw gegevens gebruikt; onderzoekers weten niet dat het om u gaat.

Maar er is meer: zo’n register kan ook gebruikt worden om patiënten willekeurig een bepaalde behandeling toe te wijzen. Dit klinkt misschien wat avontuurlijk, maar dat valt wel mee. Terug naar de twee medicijnen tegen hoge bloeddruk: de kans is groot dat niemand systematisch heeft onderzocht welk medicijn voor welke patiënt het meest effectief is. Tot hun frustratie worden artsen daardoor soms gedwongen een keuze voor een behandeling te maken waarvan ze niet zeker kunnen weten of dit de beste is.

Onderzoek doen met behulp van nationale patiëntenregisters biedt uitkomst om dit soort vraagstukken te onderzoeken: niet de arts, maar een programmaatje beslist of een patiënt medicijn A of B krijgt. Zorg wordt zo geboden in de vorm van een gerandomiseerde studie: de gouden standaard voor klinisch onderzoek. Zoals gewoonlijk houdt de arts de gezondheidstoestand van de patiënten bij. Analyse van gegevens van voldoende patiënten kan dan uitsluitsel geven over welk van de twee middelen het meeste voordeel biedt voor dat type patiënt.

Een groot voordeel van zo’n nationaal register is de hoge dekkingsgraad. Als het eenmaal groot is opgezet, doet (vrijwel) iedereen automatisch mee. Er is geen selectie voor een bepaalde groep patiënten dus de bevindingen zijn relevant voor de algemene bevolking. En het is relatief goedkoop omdat patiënten niet speciaal voor een studie worden geworven, geïnformeerd en opgevolgd. Eigenlijk een heel logische manier om de gezondheidszorg voor iedereen te verbeteren. Ja, ook voor u.

Hebben wij al zoiets? Het begin is er: navraag leert dat het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg NIVEL de effectiviteit en kwaliteit van de zorg onderzoekt. Hiervoor ontwikkelde het in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoeksinfrastructuur met daarin patiëntengegevens die routinematig in eerstelijnszorg worden verzameld. Op termijn kan ook ziekenhuiszorg hieraan worden toegevoegd. Dit lijkt mij een geweldige kans om relevante, completere informatie beschikbaar te maken. Voor patiënt én arts is het prettig te weten dat middel A meestal beter resultaat geeft bij obese patiënten met hoge bloeddruk, terwijl middel B in deze groep vaker bijwerkingen geeft.

Er kunnen nu al onderzoekvoorstellen worden ingediend om de zorgregistratie te gebruiken, maar dit wordt nog te weinig gedaan. Er is dus veel ruimte voor verbetering: deze schat aan informatie moet meer benut worden. Laten we de achtervolging van de Scandinaviërs op de ranglijst inzetten.

Door: Judith Brouwer 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Hét dieet van 2014 is geen dieet

21. Januari 2014, 15:33


Scale

Een nieuw jaar is tijd voor goede voornemens, met als meest populaire voornemen: afvallen. Grote kans dat ú het ook weer van plan bent. Na twee weken zijn echter veel mensen alweer met hun dieet gestopt. Maar wat is nu eigenlijk een goed dieet? Het populaire paleo-dieet, SonjaBakkeren, ouderwets caloriën tellen, koolhydraat-arm eten? Is er wetenschappelijk bewijs dat het ene dieet beter is dan het andere?

Dat vroegen de mensen van Lift, een platform dat mensen wil helpen met het bereiken van hun doelen, zich ook af. Zij starten dit jaar het Quantified Diet project waarmee ze mensen die willen afvallen willekeurig een dieet toewijzen, en ze door middel van een smartphone-app gedurende het project volgen. In samenwerking met de Universiteit van Berkeley willen zeuitzoeken welke diëten het beste werken, en ook hoe moelijk het is om ze vol te houden.

Paleo-dieet en de Voedselzandloper

Opde laatste hype op dieetgebied valt wetenschappelijk zeker wel iets af te dingen. In het boek De Voedselzandloper van de Belgische arts Kris Verburgh wordt voorgeschreven vooral veel groente, fruit en noten te eten, aangevuld met wat vlees; het ‘paleo-dieet’ van onze voorouders op de savanne. Volgens Verburgh en andere aanhangers van het paleo-dieet is de boosdoener van veel moderne gezondheidsproblemen  zetmeel, het belangrijkste bestanddeel van aardappelen, brood, pasta, rijst en granen.

 Wetenschappelijke missers

Het paleo-dieet blijkt inderdaad bij nader inzien helemaal niet zo wetenschappelijk. In juni van dit jaar verschenen vier studies die ontkrachtten dat wat nu doorgaat voor het paleo-dieet inderdaad was wat onze voorouders echt aten (zie goede blogs hierover op Discover MagazineWetenschap24Scientific American en De Volkskrant. In deze studies gebruiken wetenschappers chemische analyse van onder andere fossiele tanden van oude mensachtigen. Ze lieten zien dat onze voorouders zo’n 3-4 miljoen jaar geleden al grassen en andere granen aten. Dit zijn exact de voedingsmiddelen die gelovers in het paleo-dieet ons willen verbieden, en waarvan zij beweren dat we die pas enkele tienduizenden jaren eten.

Door dergelijk onderzoek kwam ook een tweede hiaat bij de paleo-aanhangers boven: het uitbannen van zetmeel. Dit gaat namelijk voorbij aan het feit dat onze voorouders wél zetmeel aten, niet als aardappels of brood, maar in de vorm van allerlei soorten knollen (‘vergeten groenten’ zoals knolraap, pastinaak en selderijknol, zoals ook beschreven in de NRC van 21 december). Ook resultaten uit de genetica draagt hieraan bij: in 2013 werd ook ontdekt dat Homo sapiëns veel meer kopieën van het gen heeft dat zorgt voor een goede zetmeelvertering (het enzym amylase in ons speeksel) dan bijvoorbeeld chimpansees. Zetmeel was dus wel degelijk een belangrijk onderdeel van het oerdieet, in tegenstelling tot wat de aanhangers van het paleo-dieet beweren.

Deze wetenschappelijkinzichten sturen ook het paleo-dieet en De Voedselzandloper naar het rijtje dieet-hypes. Hetzelfde geldt voor andere modieuze diëten: niets blijft overeind als je het echt goed uitzoekt. Ieder dieet helpt een aantal maanden, omdat iedereen die zich bewust(er) bezig gaat houden met voedsel zal afvallen. Maar wanneer een dieet niet tot een structurele gedragsverandering leidt, vliegen de kilo’s er snel weer aan. Ik vermoed dan ook dat in de vier weken dat het Quantified Diet-project zal lopen, het duidelijk zal worden dat alle diëten wel wat effect hebben. Maar als het project langer zou lopen geef ik de ‘klassieke’ diëten de meeste kans om te gaan winnen. Want normaal eten, niet te vet, niet te zoet, en vooral niet te veel, in combinatie met voldoende beweging, is en blijft de enige wetenschappelijk onderbouwde manier om niet dik te worden.

Door: Eva Teuling



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Open samenwerking heeft de toekomst

14. Januari 2014, 11:03


bitcoin

Onlangs konden leden van zorgverzekeraar Anderzorg bij eenactie een bitcoin winnen. De bitcoin is een digitale valuta, onafhankelijk van enig overheidsorgaan. Het idee voor zo’n valuta werd voorgesteld op een cryptografie-mailinglijst en is door een groepje geïnteresseerden verder ontwikkeld. De bitcoin blijkt het erg goed te doen: één bitcoin is tegenwoordig zo’n 700 euro waard. Producten van dergelijke samenwerkingen zonder enige verplichting doen het vaak goed: denk aan Wikipedia of Linux. Vanwaar dit succes? Heeft het te maken met de komst van het internet? Of zijn mensen gewoon voldoende altruïstisch om zoiets te laten slagen? In een recent artikel in het tijdschriftOrganization Science namen wetenschappers zulke open samenwerkingen onder de loep, en vroegen zich af welke eigenschappen bepalend zijn voor succes. De onderzoekers kwamen tot de conclusie: open samenwerkingen zijn zeer robuust, reken er maar op dat we hier in de toekomst nog veel meer van gaan zien.

Een doelgerichte samenwerking zonder vaste structuur met een waardevol product dat vrij beschikbaar is voor iedereen, dat is wat Sheen Levine van Columbia University in New York en Michael Prietula van de Emory University in Atlanta een open samenwerkingsverband noemen. De onderzoekers ontwikkelden een zogenaamd agentmodel, waarin een computer nabootst hoe verschillende personen (agenten) samenwerken en/of profiteren van zo’n open samenwerkingsverband. Op basis van dit model konden ze evalueren hoe succesvol een samenwerkingsverband functioneert in termen van een standaard economische maat: hoe efficiënt de samenwerking input in output omzet. Door vervolgens kleine variaties in het model aan te brengen konden Levine en Prietula nauwkeurig bestuderen welke factoren mogelijk het succes van open samenwerkingsverbanden verklaren of voorspellen.

Eén verklaring voor het succes van open samenwerkingen heeft te maken met de opkomst van het internet. Doordat het internet een grote diversiteit aan gebruikers samenbrengt, kan een platform als Wikipedia zeer succesvol worden. Zo kan een sterrenkundige schrijven over zijn of haar eigen vakgebied, terwijl hij of zij misschien zelf wil lezen over geschiedenis. De geschiedkundige die daarover heeft geschreven is misschien weer in heel iets anders geïnteresseerd. Maar, laat het model van Levine en Prietula zien: ook bij minder diversiteit blijft een open samenwerkingsverband robuust.

Een andere belangrijke eigenschap van digitale producten is de volgende: heel veel mensen kunnen er gebruik van maken, zonder dat de productiekosten omhoog gaan. In het geval van Wikipedia zijn de productiekosten hoofdzakelijk de tijd die iemand steekt in het schrijven van een lemma. Dat hoeft maar één keer te gebeuren, en talloze mensen kunnen er vervolgens gebruik van maken. Het computermodel van Levine en Prietula laat zien dat het inderdaad helpt als een product deze eigenschap heeft, maar dat het niet noodzakelijk is voor een succesvol open samenwerkingsverband.

Tenslotte is een open samenwerking hoe dan ook afhankelijk van de coöperatie van de gebruikers. Over het algemeen wordt gedacht dat zo’n 13% van de bevolking bereid is actief bij te dragen, ook zonder directe beloning, schrijven Levine en Prietula op basis van eerder onderzoek. Daarnaast is er ongeveer 63% die bijdraagt omdat ze zelf gebruik hebben gemaakt of hopen te maken van andermans bijdrage (je leest een stuk op Wikipedia en besluit iets terug te doen door over je eigen specialiteit te schrijven). Tenslotte is er nog 20% free riders, die niets bijdragen. Maar, zo schrijven Levine en Prietula, hun computermodel laat zien dat open samenwerkingsverbanden succesvol blijven, zelfs als het aantal gebruikers dat actief bijdraagt slechts een fractie is van het aantal free riders.

Het model van Levine en Prietula toont aan dat open samenwerkingen in allerlei situaties succesvol kunnen zijn, als er een klein groepje enthousiastelingen is dat het initiatief staande houdt. Dus: wie gaan er even vrijwillig aan de slag met een NS-dienstregeling zonder vertragingen, een geoliede huizenmarkt en een oplossing voor de economische crisis?

Door: Charlotte Vlek



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Herwin de placebo-industrie!

07. Januari 2014, 13:40


pills

We moeten af van de chronische misleiding van de patiënt, maar niet van het placebo-effect. Is er een middenweg?

Van bestraald water tot acupunctuur, van homeopathie tot de Biostabil 2000: in Nederland en omliggende ontwikkelde landen hebben we een volledige industrie aan “alternatieven”. Eigenlijk is het een luxeprobleem: een arsenaal aan opties tegen de kwaaltjes waar je, met schoon drinkwater en minimale blootstelling aan gevaarlijke infecties, aandacht voor kan hebben. In degelijk wetenschappelijk onderzoek zijn deze remedies niet aantoonbaar beter dan een placebo, of überhaupt niet eens getest.

Dat is overigens niet wat de industrie zelf beweert. Die fantaseert er volledig nieuwe natuurwetten bij: gebalanceerde energiestromen en water-dat-geheugen-heeft; ook daarvoor bestaat geen enkel bewijs, maar dat mag de pret niet drukken. Sinds 2012 mag in ieder geval het homeopotje bij de drogist geen therapeutische indicatie meer dragen, maar verder is er nog aan alle kanten sprake van consumentenbedrog in de informatievoorziening.

Geen wetenschappelijk bewijs
Sommige alternatieve genezers spelen deels open kaart: op sites en in andere informatiebronnen wordt door een selecte groep behandelaars erkend dat er geen wetenschappelijk bewijs bestaat voor de therapie in kwestie, of zelfs dat de therapie niet bewijsbaar zou kunnen zijn. (Dat laatste is natuurlijk onzin. Hóe een therapie werkt mag misschien lastig te onderzoeken zijn, maar doorgaans is met een simpele experimentele opzet te toetsen óf hij werkt: randomiseer, controleer, blindeer, en vergelijk de resultaten.) Daarnaast is er natuurlijk ook met een beetje kritisch onderzoek genoeg informatie te vinden over het gebrek aan wetenschappelijk bewijs voor de alternatieve therapie.

De klandizie blijft desondanks: voor veel patiënten die zich richten op de alternatieve geneeskunst is wetenschappelijke toetsing simpelweg niet relevant. Anekdotes en een mooi verhaal zijn vaak goed genoeg; de patiënt laat zich larie op de mouw spelden zonder daar echt een probleem mee te hebben. En vaak met resultaat: de poppenkast is een effectieve opwekker van het placebo-effect, en ironisch genoeg bestaat er voor dát effect wel degelijk goed wetenschappelijk bewijs.

Suggestie
Het placebo-effect is een intrigerend fenomeen: enkel de suggestie dat een behandeling succes zou kunnen hebben zorgt al voor verbetering. Bijvoorbeeld door tijdelijke productie van endorfinen die de symptomen van een kwaal lang genoeg onderdrukken tot ons lichaam de onderliggende oorzaak aan kan pakken. Het placebo-effect kan ontzettend sterk werken (er zijn hele operaties gedaan onder placebo-verdoving), en laat vooral zien wat onze eigen verborgen mentale superkrachten zijn. Het is wishful thinking, en de wens wordt vervuld.

Ondanks deze kennis worden placebo’s als daadwerkelijk medicijn maar matig gebruikt in de reguliere gezondheidszorg. Er is een groep artsen die homeopathische middelen gebruikt als placebo, maar het is begrijpelijk dat veel artsen er weinig voor voelen de patiënt voor te liegen. Een echte placebohandel bestaat, buiten de alternatieve wereld, eigenlijk niet.

Het Placebo™
En dat is zonde. Er bestaat zoveel wetenschappelijke kennis over het placebo-effect, dat het eigenlijk idioot is dat de placebo-industrie in handen is van de anti-wetenschappelijke behandelaars. Er is aangetoond dat verschillende placebo’s verschillende niveaus aan effect kunnen bereiken: injecties zijn effectiever dan capsules, capsules werken sterker dan ‘gewone’ pillen, en dokters met witte jassen en overtuigend uitziende medicijnen doen meer dan datzelfde suikertablet van de schappen van de drogist. Ook is er onderzoek dat laat zien dat verschillende placebo’s verschillende toepassingen kunnen hebben: blauwe pillen werken bijvoorbeeld beter dan rode als een kalmerend effect bereikt moet worden.

Dankzij die wetenschappelijke onderbouwing zou er dus voor placebo’s genoeg ruimte moeten zijn in de reguliere zorg. Stel je voor, een dokter in een witte jas, die zegt: “Ik geef je een recept voor Placebo™, dat zou je klachten binnen twee tot vier dagen moeten verminderen. Deze therapie beroept zich op het krachtige placebo-effect, een bekend en bewezen effectieve therapievorm die al millennia in de geneeskunde wordt toegepast. Het placebo-effect maakt gebruik van lichaamseigen krachten die ze induceert door suggestie, en is daarom 100% veilig.”

De dokter kan er in geloven — het is immers een wetenschappelijk aangetoond effect — en draagt dit vertrouwen over aan de patiënt. Voor de patiënt die nu de alternatieve placebo-industrie bezoekt is dat verhaal voldoende, en hoeft een therapie geen werkzame stof te bevatten. En dat deze leugenvrije placebo’s effectief kunnen zijn bewijsteen (gecontroleerde, gerandomiseerde) studie uit 2010, waar patiënten met prikkelbare darm aanzienlijke vermindering in pijn rapporteerden, nadat ze, openlijk, een placebo hadden gekregen.

Volksgezondheid
Ook biedt het voordelen voor de volksgezondheid: degenen die voor een verkoudheid of griepje naar de antibiotica grijpen, kunnen nu aan het Placebo™. De antibacteriële werking van een antibioticum is tegen het griepvirus namelijk net zo functioneel als een suikertabletje, en dat suikertabletje vormt geen enkel gevaar voor de volksgezondheid. Veelvuldig gebruik van antibiotica is dat natuurlijk wel. En het is nog goedkoper ook: suikerpilletjes van Placebo™ hoeven niet bedruppeld te worden met dure oplossingen uit de waterschudfabriek.

Kortom, artsen: herwin de placebo-industrie, en geef de patiënt een placebo met een eerlijk verhaal. Het is tijd voor een écht en oprecht alternatief.

Door: Barbara Vreede 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een goed voornemen voor de wetenschapper in 2014: onze eigen ‘Materiaal en Methoden’ lezen

31. December 2013, 17:09


M&M

De Nederlandse wetenschap kreeg er flink van langs in 2013. En dus moet het anders, beter, zuiverder in 2014. Onder andere door ‘het publiek te laten zien hoe wetenschap écht werkt’, aldusScience in Transition, de beweging op ramkoers onder leiding van decaan Frank Miedema van de Universiteit Utrecht. Dat is een mooie missie, die prima past in het business plan voor het bedrijf Wetenschap. Maar hóe het echt werkt, wordt duidelijk uit het belang dat wetenschappers hechten aan de werkwijze en protocollen die ze hanteren. Wat zou er gebeuren als iedere promovendus, postdoc en professor eens écht kritisch zou kijken naar de ‘Materiaal en Methoden’-sectie van wetenschappelijke artikelen?

Scène: een bijeenkomst van onze onderzoeksgroep. In iets meer dan 10 minuten fileerde collega Sara eenartikel over autisme. En daarmee ook de experts die het tijdens de ‘peer review’ op wetenschappelijke waarde hadden beoordeeld. ‘Onze methode voorspelt met 70% nauwkeurigheid of iemand autisme krijgt’, stond er in het betreffende artikel. “Dan moeten er bij de reviewer toch bellen gaan rinkelen?”, siste Sara. Iedereen weet immers dat de biologie van autisme grotendeels onbegrepen is, en daarmee onmogelijk te voorspellen. Dat bleek ook, toen ze de gebruikte ‘Materiaal en Methoden’ eens kritisch bekeek. De auteurs hadden geen rekening gehouden met het zogenaamde ‘populatie-effect’; het feit dat bepaalde genetische varianten in de ene bevolkingsgroep meer voorkomen dan andere. De gevonden ‘voorspelling’ bleek vooral voor afkomst te zijn, niet voor autisme. Conclusie: het betreffende artikel had nooit gepubliceerd mogen worden.

De boodschap: als je kritisch bent op de experimentele studie-opzet, zowel als wetenschapper en als reviewer, kun je veel ellende voorkomen. Helaas zijn de ‘Materiaal en Methoden’-secties niet meer wat ze ooit waren: het hart van een goed wetenschappelijk artikel. Tegenwoordig staan ze vaak helemaal onderaan de publicatie – in puntgrootte 8 – en beslaan ze slechts enkele regels met globale omschrijvingen. Voetnoten, dus. Uitgebreidere beschrijvingen zijn wel te vinden op de tijdschrift-website, maar de toegevoegde waarde daarvan is minimaal. “Seriously,” vraagt Sara zich hardop af, “wie léést die nou?”

Ook de Amerikaanse geneticus, antropoloog en blogger Jennifer Raff vindt dat wetenschappers die publicaties van collega’s beoordelen (peer review), scherper moeten zijn op de gevolgde werkwijze. In een recente post over hoe een jonge wetenschapper goed kan worden in peer review schrijft ze: ‘Als je er niet zeker van bent dat je in staat bent om te beoordelen of de experimenten goed zijn uitgevoerd, wees dan eerlijk tegen de editor en vraag deze een extra expert aan te wijzen om dat deel van het manuscript te beoordelen.’ Maar ja, wie dóet dat nou?

Niemand leest en niemand vraagt, als het op ‘Materiaal en Methoden’ aankomt. Hoe dat komt? Niemand weet het precies, maar het zal ongetwijfeld iets te maken hebben de focus op hoge citatie-indexen en verkoopcijfers van de wetenschappelijke tijdschriften. Wetenschappers verwijzen niet naar artikelen van collega’s omdat de ‘Materiaal en Methoden’-sectie zo goed in elkaar steekt, maar vanwege spectaculaire resultaten en conclusies. En het aantal verwijzingen; dát is belangrijk voor de individuele wetenschappers. En voor de tijdschriften. Als de methode die je gebruikt dus niet radicaal nieuw en revolutionair is, kijk je als wetenschapper wel uit om veel tijd aan ‘Materiaal en Methoden’ te besteden.

En toch is het cruciaal voor zuivere wetenschap. Hoe dus te zorgen voor een kritische evaluatie van de experimentele opzet? ‘De goede experts aanwijzen’ en ‘experts specifiek aanstellen en betalen voor review-werk’ waren enkele suggesties tijdens de bijeenkomst. Volgens Sara moeten wetenschappers bij hun eigen resultaten beginnen. “Eigenlijk moet je er alles aan doen om je eigen resultaten te ondergraven,” stelt ze voor. “Als ze dan nog overeind blijven, zit je goed.” Dat lijkt me een goed begin. Ook voor hoogleraar Miedema. En dan laten we het publiek vervolgens zien wat dat oplevert.

Door: Terry Vrijenhoek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


To zelftest or not to zelftest?

18. December 2013, 09:21


genetisch pionier_png

Genetische pionier

“Jij bent een van de eerste mensen in de wereld die toegang heeft tot z’n genoom. Jij bent een genetische pionier.” Wow, dat stond vorige week in een email van Anna Wojcicki, de CEO van het bedrijf 23andMe, persoonlijk gericht aan mij. Begin dit jaar heb ik een buisje met speeksel opgestuurd naar 23andMe en kreeg na analyse toegang tot een website met daarop mijn genetisch profiel. Daarmee ben ik, en een paar honderdduizend andere klanten van 23andMe, een genetische pionier. De aanleiding van de email was wat minder fraai, 23andMe een Amerikaanse onderneming die genetische testen voor particulieren levert, moet van de FDA (het Amerikaans agentschap dat de kwaliteit van medische producten bewaakt) stoppen met het geven van medische adviezen.

 

Risico’s op ziektes

Op de website van 23andMe kan ik mijn risico op bepaalde aandoeningen bekijken. De FDA heeft daarbij vooral moeite met de risicobepaling voor ziektes die door meerdere gen-mutaties worden veroorzaakt. 23andMe berekent, op basis van wetenschappelijk onderzoek, de kans dat je tijdens je leven, een dergelijke ziekte krijgt. Neem nu diabetes type 2, 23andMe berekent aan de hand van 11 gen-mutaties het risico op deze ziekte. In mijn geval gaat de kans van 25,7% die de gemiddelde Europeaan heeft, naar 27,6% in mijn geval. Moet ik me nu zorgen gaan maken? Volgens het rapport van 23andMe niet, mijn risico op basis van mijn genen, is niet sterk verhoogd. Bij een verhoogd risico adviseert 23andMe me allereerst om naar een dokter te stappen, daarnaast wordt naar voren gebracht dat overgewicht een grote risicofactor is en dat afvallen daarbij nooit kwaad kan.

 

Oeps, foutje

Het zijn juist dit soort adviezen, wat 23andMe niet meer mag geven. De FDA is bang dat 23andMe klanten gebaseerd op deze informatie verkeerde beslissingen gaan nemen. In een brief over de kwestie noemt de FDA als voorbeeld dat vrouwen op basis van foutieve informatie over genen die betrokken zijn bij borstkanker wellicht preventief hun borsten laten weghalen. Dat lijkt mij een onwaarschijnlijk scenario omdat er in de praktijk voor een dergelijke ingreep altijd een medisch specialist zal moeten worden geraadpleegd. Dat er toch zo nu en dan wat fout gaat bij 23andMe blijkt uit het verhaal van een Duitse blogger. Hij kreeg recent een update van zijn genetisch profiel waaruit bleek dat hij drager zou zijn van een gen-mutatie die verantwoordelijk is voor een ernstige spierziekte. Omdat hij dit niet kon geloven, hij voelde zich kerngezond, dook hij achter z’n computer en kwam er na flink wat speurwerk achter dat dit inderdaad op een vergissing was gebaseerd. 23andMe had een foutje gemaakt en heeft de informatie inmiddels gecorrigeerd. Over het algemeen is het bedrijf juist uitermate zorgvuldig met hun informatie.

 

Levend bloed analyse

Voorlopig gaat 23andMe gewoon door met hun service hoewel nieuwe klanten alleen nog informatie krijgen over hun genetisch afkomst. Oude klanten kunnen op de website nog wel de informatie met risico’s op ziektes bekijken. Ondertussen zoekt 23andMe de dialoog met de FDA om op termijn ook weer advies over ziektes te kunnen geven. In Nederland is een dergelijke dienst niet mogelijk, en met nieuwe Europese wetgeving in zicht zal dat waarschijnlijk voorlopig ook wel zo blijven. Ik blijft het wel gek vinden, die overdreven angst om mensen tegen zichzelf te beschermen terwijl ik hier om de hoek een levend bloedanalyse kan laten doen. Maar, ja ik ben dan ook een genetisch pionier.

Door: André Boorsma 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een alternatief voor de p-waarde

10. December 2013, 14:55


dobbelstenen

Met behulp van statistiek bepaalt een wetenschapper of zijn of haar resultaten het gevolg zijn van toeval: bij een p-waarde onder de 0,05 zijn de resultaten niet toevallig maar significant. Deze analysemethode, hypothesetoetsen, is een geaccepteerd instrument. Toch wordt wel eens te makkelijk geclaimd dat iets significant is. Een alternatieve methode met een ander type statistiek zou het volgens sommigen beter doen, schreef deVolkskrant onlangs. Of dat gaat helpen, is nog maar de vraag. Want het echte probleem zit niet in de gebruikte methode, maar in het onbegrip van de wetenschapper voor die methode.

De kern van het hypothesetoetsen is de kans dat het gevonden resultaat er zou zijn als gevolg van toeval (de p-waarde). Als deze waarde laag genoeg is, mag men aannemen dat er geen sprake is van toeval. Een voorbeeld: de kans dat je met een eerlijke dobbelsteen toevallig vijf keer een 6 gooit, is afgerond 0,00013. Die kans is klein genoeg om aan te nemen dat er iets uitzonderlijks aan de hand is: wellicht is er met de dobbelsteen gesjoemeld. Op eenzelfde manier analyseert men een psychologisch experiment: als zou blijken dat uitzonderlijk veel kinderen zich agressiever gedragen na het spelen van een gewelddadig computerspel, meer dan op basis van toeval te verwachten valt, trekt men de conclusie dat er wel een verband zal zijn.

Om te bepalen of de resultaten van een experiment significant zijn, gebruikt men al jaren de magische grens van 0,05. Dit houdt in dat de resultaten met een kans van 5% verwacht mogen worden als gevolg van toeval. Deze grens wordt door veel wetenschappers gebruikt als een onwrikbare waarheid: wie met een p-waarde van 0,049 komt mag een significant resultaat claimen, maar bij 0,051 niet meer.

Ter illustratie: de kans dat je twee keer achter elkaar een zes gooit met een eerlijke dobbelsteen is afgerond 0,028, en dus al voldoende klein om aan te nemen dat dit niet zomaar toevallig gebeurt (al is de steekproef van twee worpen wel wat klein om meteen conclusies te trekken). Dit betekent echter ook dat wie honderd keer een set van twee dobbelsteenworpen bekijkt, gemiddeld 2,8 keer twee zessen zal tegenkomen.

Voor wetenschappers is het helaas erg verleidelijk om net zo lang door te experimenteren tot ze iets significants hebben gevonden. Ze gooien spreekwoordelijk honderd keer twee worpen met een dobbelsteen, en rapporteren er één. Maar juist dan werkt die statistiek niet meer: het rapporteren van één significant resultaat in al die honderd pogingen is vrijwel betekenisloos.

Volgens sommigen (bijvoorbeeld Valen Johnson) zou een zogenaamde Bayesiaanse methode geschikter zijn voor de analyse van een experiment. Dat idee is niet nieuw: het kwam al ter sprake halverwege de vorige eeuw. Met de Bayesiaanse methode berekent men de kans dat twee verschillende theorieën waar zijn, bijvoorbeeld de theorie dat een dobbelsteen eerlijk is, en de theorie dat er met de dobbelsteen gesjoemeld is. Na een experiment bekijkt men vervolgens hoe deze kansen veranderen: vijf keer een 6 gooien zorgt ervoor dat de theorie van de verzwaarde dobbelsteen een stuk waarschijnlijker wordt.

Volgens Johnson is een groot voordeel van de Bayesiaanse benadering dat men direct kijkt naar de kansen op beide theorieën, en hoe die zich tot elkaar verhouden. Dit is volgens hem een veel natuurlijker manier van redeneren dan het hypothesetoetsen, waarbij men eerst moet aannemen dat iets het gevolg is van toeval, en pas als die kans klein genoeg is het toeval als aanname mag verwerpen om de alternatieve hypothese aan te nemen.

Filosofisch gezien is deze Bayesiaanse benadering een interessant alternatief. Maar het biedt geen oplossing voor de dagelijkse worsteling van een wetenschapper met zijn p-waarde. Want ook in de Bayesiaanse benadering moet er ergens een grens getrokken worden om te bepalen wanneer een theorie waarschijnlijk genoeg is, en die grens kan nog steeds worden misbruikt door een experiment zo lang te herhalen tot het onder die grens komt. Volgens Johnson zou een alternatieve theorie 25 tot 50 keer waarschijnlijker moeten zijn dan een toevallig resultaat. Deze grens correspondeert volgens hem met de wat strengere grens voor de p-waarde van 0,005. Maar net zoals bij het hypothesetoetsen heeft ook Johnson’s grenswaarde een hoog willekeurigheids-gehalte.

Daarnaast kampt de Bayesiaanse methode met een misschien wel veel groter probleem: er moet een heel scala aan kansen geschat worden. Want het bepalen van de kans op elk van de twee theoriën, wat de methode volgens Johnson zo natuurlijk maakt, vergt ook een grote mate van nauwkeurigheid wat betreft kansen die moeilijk te schatten zijn. Zo moet men bijvoorbeeld bepalen hoe groot de kans op elke theorie is, voorafgaand aan het experiment. Voor wie niet begrijpt hoe de p-waarde in elkaar steekt, zal het inschatten van al deze getallen zeker een zware klus worden.

Kortom, de Bayesiaanse methode is geen reëel alternatief voor het gebruikelijke hypothesetoetsen. Maar een beetje tornen aan de status van de p-waarde, dat lijkt me heel gezond.

Door: Charlotte Vlek 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


1 2 3 4  Volgende»