SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Hittegolf in de oceanische ruimte

21. Maart 2014, 15:29

Wat een hittegolf is weet iedereen. Voor velen betekent het een fijne dag aan het vaak overvolle strand, na een uiterst geduldige tocht over de snelweg van Gent naar de zee. Wegen ontworpen voor snelheden van 120 kilometer per uur veranderen dan in kilometers lange files. Hierin is de snelheid van een paard en wagen uit de negentiende eeuw dan vaak al een verademing. Maar niet zeuren: de zon schijnt, het strand lokt, evenals het niet te overtreffen Belgische bier.

Voor de wat ouderen onder ons is een hittegolf vaak geen pretje. Zuchtend in bejaardentehuizen zoekt men verkoeling. Dat valt vaak niet mee. Het is bekend dat hittegolven tot sterfgevallen leiden. Dat noemt men in het vakjargon oversterfte: de door de hitte veroorzaakte hogere sterfte dan statistisch verwacht. Het is een term uit de wereld van de levensverzekeringen. Eigenlijk een wat merkwaardige situatie als je bedenkt dat het leven dan juist niet meer verzekerd is.


Hittegolf in 2003 veroorzaakte 70.000 doden.

Zo stierven er als gevolg van de hittegolf in 2003, in Europa, ongeveer 70.000 mensen. In België waren dat er, volgens het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, in 2003 en 2006 respectievelijk 2.052 en 1.263. Bijna de helft van de slachtoffers was ouder dan 85 jaar. In Nederland waren dat er ongeveer 2.000 in 2.003. Naar aanleiding van deze hittegolven konden maatregelen om de gevolgen ervan voor de gezondheid te beperken, niet uitblijven. Zo bestaat er nu in Frankrijk het ‘Plan Canicule’, in Engeland de ‘Heat Health Watch’ en in Nederland en België een ‘Hitteplan’.

Een belangrijk onderdeel van het Hitteplan is een waarschuwingssysteem, dat berust op weersverwachtingen die vijf tot tien dagen vooruitkijken. Zo kan men, per regio, de risico’s inschatten en maatregelingen nemen om die te beperken. Vaak betekent dit voldoende drinken en afkoeling door voetbadjes en het naar beneden laten van de zonnewering. Om dit alles mogelijk te maken is er uiteraard ook een definitie van een hittegolf. In België en Nederland is er sprake van een hittegolf als in een periode van tenminste vijf dagen op een hoogte van vijf meter, de maximale dagtemperatuur in Ukkel of De Bilt 25°C of meer bedraagt, en waarin bovendien drie dagen lang de temperatuur er boven de 30°C stijgt. Voor de zee, de oceanische ruimte, hebben we nog geen definitie van een hittegolf.

Oceanische ruimte
Duizenden jaren lang hebben we de zee gezien als een oppervlakte – 2D – die we moesten oversteken om onze bestemming te bereiken. In de Middeleeuwen hadden we een wereldbeeld dat door het land waarop we leefden werd bepaald. Daarom is de zee, in de beroemde kaart van de Venitiaanse monnik Fra Mauro, slechts, letterlijk, een marginaal element. Dat veranderde drastisch toen de Europeanen tijdens de Renaissance ‘de wereld aan de overkant’ gingen verkennen. De 15de eeuwse ontdekkingsreizen van de Portugezen en Spanjaarden leidden uiteindelijk tot een volstrekt nieuw wereldbeeld. Hierbij werd de omvang van het wateroppervlak van de aarde in de juiste proporties gezien. Maar toch bleef men de zee nog lang, en zelfs nu nog, als een oppervlakte zien.

Pas in de 19de eeuw veranderde dit door het eerste wetenschappelijk onderzoek aan boord van de HMS Challenger (1872-1877). Hierdoor ontstond langzaam maar zeker een 3D-beeld. Onder invloed van zowel de technologische innovaties en het wetenschappelijk onderzoek na de Tweede Wereldoorlog werd er vervolgens een 4D-beeld van de oceaan ontwikkeld. De tijd vormt hierbij de vierde dimensie. Dit 4D-beeld is de oceanische ruimte. Nu weten we dat de oceanen één geheel vormen en dat het een uitermate ingewikkeld systeem is, dat van groot belang is voor de mens.



De oceanische ruimte is een andere wereld. Zo gauw de invloed van het zonlicht is verdwenen, is er de wereld van de eeuwige duisternis. Hier is boven onder en onder is boven. Oriënteren met het zicht is onmogelijk. Hiervoor zijn andere slimme oplossingen gevonden, zoals oplichtende organen en akoestische sensoren. In die ruimte zweef je, duik je, beweeg je, maar loop en vlieg je niet. De dichtheid van het water is een andere uitdaging en vraagt speciale aanpassingen van het leven. Zo hebben kwallen  zich al in een ver verleden, op een schitterende manier, aan het water aangepast met een enorme variëteit van vormen. Ze ‘omarmen’ het water met een volstrekt doorzichtig lichaam, waaraan vaak giftige tentakels zitten. Ook de door sommigen, vanwege zijn vinnen, felbegeerde haaien zijn prachtige en op een unieke wijze aan het leven in het water aangepaste dieren. De kwal en de haai hebben een honderden miljoenen jaren oud bouwplan en hebben het prima gedaan, tot, wat de laatste betreft, de geïndustrialiseerde mens kwam.

De oceanische ruimte die barst van het leven, is nu ook weer niet zo groot, dat wij niet in staat zouden zijn het te verknallen. Aan de monding van elke grote rivier is er tegenwoordig een ‘dode zone’, waarin al het leven – onder invloed van de menselijke activiteiten op het land – is verdwenen. Onze technologie maakt het mogelijk om alle grote vissen in de zee te vangen. Dat hebben we dan ook gedaan. Ook is het ons gelukt om het ijs in de poolgebieden te doen smelten door CO2-vervuiling met klimaatverandering, zeespiegelstijging en verzuring als gevolg. Andere menselijke activiteiten op zee leiden onder andere tot overbevissing. Terwijl de vele activiteiten op het land tot een ongekende, sluipende vervuiling door plastic en chemicaliën leidt.

Noordoostkust van VS
In dit gebied speelde en speelt de visserij een belangrijke rol. De visgronden van de Newfoundlandbank zijn sinds de 16de eeuw een belangrijke bron van inkomsten geweest. Helaas bleek de ‘onuitputtelijke’ voorraad van kabeljauw niet onuitputtelijk. Met het verschijnen van de moderne vissersboten na de Tweede Wereldoorlog, verdween de kabeljauw langzaam maar zeker. Uiteindelijk stortte de visserij, door overbevissing, in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw in. De vispopulatie heeft zich nooit meer hersteld.

Sinds 150 jaar wordt de temperatuur van het oppervlakte water in dit gebied gemeten voor wetenschappelijk onderzoek. Hierdoor weet men vrij goed wat men kan verwachten. Maar in mei 2012 was er iets vreemds aan de hand. Glen Gawarkiewicz van het wereldberoemde Woods Hole Oceanographic Institute, was voor de kust van North Carolina aan het werk. Tot zijn grote verbazing zag hij dat het zeewater abnormaal warm was. Deze opwarming bleef een half jaar doorgaan zodat de temperatuur aan het eind van de zomer tot 6°C hoger was dan normaal. De warme waterlaag was maar liefst 50 meter diep. Dat had hij, sinds 1984, nog nooit gezien. Het spreekt vanzelf dat deze ongekende, snelle opwarming, ook gevolgen heeft voor het leven in de zee en voor de lokale visserij.

Het was deze vissers inderdaad opgevallen dat er iets aan de hand was. Gewoonlijk weten ze vrij goed waar en wanneer ze het beste welke vis kunnen vangen. Zij kennen de zee immers als hun broekzak. Vissers van Rhode Island boven New York, weten precies waar ze de vissen die van koud water houden, moeten vangen. Maar dat jaar waren ze er niet. Nu vonden ze inktvis en wijting die normaal veel meer naar het zuiden, waar het water warmer is, voorkomen. Ook de visserij op krabben en kreeften veranderde dat jaar ineens. Zowel de hoeveelheden dieren als de plek waarop ze zich normaal bevonden, was anders.

Een voor de hand liggende verklaring zou een kleine verandering in de richting van de Golfstroom kunnen zijn. Men had immers gezien dat die, in het najaar van 2011, wat meer naar het noorden stroomde dan gebruikelijk was. Hierdoor zou dan warmer subtropisch water naar het gebied worden gebracht. Ke Chen, die op het onderzoek werd gezet, dacht dan ook dat dit een verklaring voor het verschijnsel voor de noordoost kust van de VS zou zijn. Dat was echter niet zo.


Hittegolf voor Amerikaanse oostkust en het SOOP schip MS Oleander.

Schepen en boeien
Het doen van gestandaardiseerde waarnemingen in de oceanische ruimte is geen eenvoudige en vooral ook een kostbare, zaak. Onderzoekschepen worden voor deze monitoringsactiviteiten gewoonlijk niet ingezet. Vaak maakt men gebruik van vracht- en passagiersschepen die een vaste route varen. Dit zijn de ‘Ships of Oppertunity’, SOOP. Dergelijke schepen worden ook al lang gebruikt voor het verzamelen van meteorologische gegevens op zee. De grondlegger van het idee om koopvaardijschepen te gebruiken voor monitoring in de zee is bedacht door de Britse onderzoeker Sir Alister Hardy. Sinds 1931 wordt zo informatie verzameld over de biogeografie en ecologie van plankton in de Noordzee en de Noord-Atlantische Oceaan. Dat is belangrijk voor de visserij.

Voor de oostkust van de VS onderhoudt de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) van de VS, een aantal van dergelijke lijnen. Eén ervan is het ‘Oleander Project’, dat genoemd is naar het containerschip dat hiervoor wordt gebruikt. Het schip vaart tussen New York en Bermuda en doet, onder andere, temperatuurmetingen. Naast schepen worden er ook boeien gebruikt om op bepaalde plaatsen langs de Amerikaans oostkust, (punt)informatie over de zee te verzamelen.

Het was deze informatie die Chen deed besluiten dat het niet de oceaan was die het warme water voor de kust van de VS veroorzaakte. Immers, was het wel het warme water van de Golfstroom geweest dan zou het opwarmen door de verschillend boeien op een ander tijdstip moeten zijn waargenomen. Dat was echter niet zo. Over het hele gebied vond de opwarming min of meer gelijktijdig plaats. Wat was dan wel de oorzaak?

Straalstroom
Als processen in de oceanische ruimte geen oplossing bieden, dan is er altijd nog de mogelijkheid  naar andere delen van het klimaatsysteem te kijken. NOAA beschikt ook over veel informatie over het weer en het klimaat. Al snel bleek het dat de straalstroom een interessante kandidaat voor een verklaring was. Het oceaanoppervlak is immers een belangrijke uitwisselingsbron met het onderste deel van de atmosfeer en andersom.

De straalstroom is een harde wind, met een snelheid van tenminste 100 km per uur, op een hoogte van 9-10 km. Vaak worden echter veel grotere windsnelheden, tot wel 350 km per uur, gemeten. Het is een ‘rivier’ met een lengte van enkele duizenden kilometers, een breedte van enige honderden kilometers en een hoogte van slechts een paar kilometer. Het is dus een zeer langgerekte, smalle band met hoge windsnelheden, die zich van west naar oost verplaatst.

 
Straalstroom boven de VS in een normale en afwijkende (rechts) situatie.

De richting en de plaats van de straalstroom is van groot belang voor het weer. Uit noordelijke richting voert een straalstroom in onze omgeving in de regel koudere lucht aan dan uit het westen of zuiden. De straalstroom fungeert bovendien als aanvoerroute voor depressies. Wanneer de straalstroom over of vlak bij ons land loopt, krijgen we de ene na de andere depressie. Dat betekent: regen en wind. Ligt de straalstroom zuidelijker, dan bewegen die depressies zich meer zuidelijk van ons. Ze veroorzaken slecht weer in Frankrijk en in het gebied van de Middellandse Zee

In de winter van 2011-2012 was het patroon van de straalstroom anders dan gebruikelijk. De stroom bevond zich noordelijker en was afgevlakt. Het liet dus geen grote kronkelingen zien, die in de VS gewoonlijk koude, polaire lucht naar het Atlantische kustgebied brengen. Hierdoor bleef de lucht boven de zee relatief warm. Dit warme water werd in het voorjaar nog eens extra opgewarmd. Zo ontstond er een uitzonderlijke hittegolf in de oceanische ruimte.

Op de vlucht
Evenals bij een hittegolf op het land, die je als een plaatselijke opwarming van een deel van de atmosfeer of een warme ‘deken’ kunt zien, reageert de natuur hierop. Die heeft natuurlijk geen hitteplannen. Maar de opwarming richtte wel een ravage aan in het ecosysteem. De voorjaarsbloei van het plankton, die normaal in april begint, begon nu al in januari. Dit plankton vormt wel de basis van de voedselketen. Dat heeft dan weer gevolgen voor het hele systeem. Zo werden trekvogels ineens op heel andere plaatsen aangetroffen. Hetzelfde gebeurde met de vissen, krabben en kreeften, maar ook met migrerende walvissen. Deze situatie heeft iedereen, van onderzoeker tot visser, verrast.

Het onderzoek en dus de advisering voor het visserij-management hierover, is nog maar net begonnen. Wel is Chen er van geschrokken, dat de opwarming op een volstrekt onbekende manier plaatsvond en gelijktijdig in een enorm gebied gebeurde. Bovendien kan het verschijnsel met de huidige klimaatmodellen (nog) niet worden gemodelleerd. De schaal waarop deze werken is domweg te grof. Binnen een resolutie van 100 km kun je de kleinere verschijnselen waar het hier om gaat, immers niet zien. Dus worden we nu nog door dergelijke zaken verrast.

De toekomst
De (operationele) oceanografie bevindt zich in een stroomversnelling (zie EOS-magazine van deze maand, p. 86-90). Er worden nieuwe waarnemingsnetwerken in de oceanische ruimte opgezet. Uiteraard richten deze zich nu vooral op de kustgebieden en de Exclusieve Economische Zone, EEZ. Hoewel Europa grote inspanningen zegt te doen op het terrein van het duurzame gebruik van de Europese EEZ en ondanks het succes van Copernicus, liggen we ver achter op de VS. Dit is zeker op regionaal niveau, zoals bij de landen rondom de Noordzee, het geval. Dit bleek nog weer eens op de onlangs gehouden conferentie over ‘Healthy Ocean – Productive Ecosystems’ (3-4 maart in Brussel). Samenwerking is absoluut nog geen troef. Het is nog veel te veel ieder voor zich. En zo werkt de natuur nu eenmaal niet. Maar de mens blijkbaar wel.

Ook is het merkwaardig dat wij jaarlijks 1000 maal meer geld besteden aan onderzoek van de ruimte buiten de aarde dan aan onderzoek van de oceanische ruimte op de aarde. Van de laatste zijn we echter wel in hoge mate afhankelijk. Blijkbaar is er een enorme blinde vlek bij politici en hun kiezers, over het belang van de oceanische ruimte. De verkenning hiervan moet nog beginnen en is dringend nodig. Nog steeds weten we meer van het oppervlak van de Maan of Mars dan van de diepzee. Hoewel ik zwaar onder indruk ben van de, wetenschappelijk gezien, schitterende en spannende exploraties van planeten en kometen, wordt het toch tijd onze inspanningen voor de oceanische ruimte te versterken, zowel organisatorisch als financieel. Het is hoog tijd voor een ‘ESA (of wel NOAA) voor de oceanische ruimte’! Wellicht is dat iets om over na te denken als u het stemhokje voor de komende Europese verkiezingen ingaat. Ik vrees echter dat hiervoor eerst een stevige sensibiliseringscampagne nodig zal zijn, bij zowel de politici als de burger.

Voor de onderzoekers in de VS was de aantoonbare relatie met de straalstroom een verassing en koppeling met een proces in de atmosfeer. Maar in feite zie je een vergelijkbare koppeling bij het ontstaan van de verschuivende laag warm water die leidt tot het El Niño en La Niña systeem in de tropische Stille Oceaan. Daarom is het gebruik van het begrip oceanische ruimte juist zo aantrekkelijk. Het plaatst dit soort verschijnselen in een ruimtelijke context: het 4D perspectief van de oceanische ruimte. Bovendien is het begrip aantrekkelijk voor de sensibilisering over het belang van de oceaan in ons leven en andersom. Vandaar dat ik de opwarming voor de oostkust van de VS een hittegolf onder water noem.


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Onderwatererfgoed: zeemansgraf of antiekbeurs?

11. Februari 2014, 14:04

Onlangs ben ik een dagje naar de BRAFA-antiekbeurs in Brussel geweest. Een bezoek aan een dergelijke beurs is als een bezoek aan een mooi museum. De jaarlijkse BRAFA vindt altijd plaats in de grote hallen van het voormalige rangeerstation van Tour & Taxis. De naam verwijst naar de familie Von Thurn und Tassis, de stichters van de Post. Zij gebruikten de moerassige terreinen langs de haven als weide voor de paarden. En dat is, gezien de beroerde staat van het parkeerterrein, nog goed te zien. Het tentoonstellingsgebouw zelf is een pareltje van het Belgische industriële, architecturele, erfgoed. De beurs trekt ongeveer 50.000 bezoekers.

Genietend van schilderijen die je terugvoeren naar vervlogen tijden, werd aangekondigd dat er juist die dag een lezing was over ‘Shipwrecked Secrets’ en de herontdekking van de maritieme Zijderoute. Een vijftigtal belangstellenden had zich in de lounge verzameld om te luisteren naar het verhaal van Nicolai von Uexkull en Alex Ford van ‘Oceanic Explorers’ in Singapore. Ford hield de algemene inleiding; Von Uexkull overlaadde je enthousiast met tientallen foto’s van voorwerpen, die men had gevonden. Hun marien archeologisch bedrijf richt zich op het behoud van het cultureel erfgoed onder water. Hierbij werken ze samen met de ‘grote namen op dit terrein’, zoals het Amerikaanse Smithsonian Institute en allerlei musea. Toch zat er een luchtje aan het verhaal.

De rode draad was een scheepswrak van een Arabische dhow uit de 9de eeuw, waarvan men de lading had geborgen en geconserveerd. Het wrak is een tijdscapsule en geeft ons een uniek inkijkje in de handel tussen het Arabische Rijk (749-1258), ook wel het Kalifaat van de Abbasiden genoemd (Bagdad als hoofdstad) en China. Ook was er veel aandacht voor de noodzakelijke samenwerking met lokale vissers. Het was een rommelig en wat aarzelend gebracht verhaal. Met klem werd er op gewezen dat ze uitsluitend in de internationale wateren werken. En dat dan wel met uiterst kleine bootjes. Dat riep bij mij twijfels op. Immers die internationale wateren zijn er in Zuidoost-Azië nog nauwelijks. Het grootste deel van de zee wordt geclaimd binnen het internationale zeerecht met zijn Exclusieve Economische Zone, de EEZ. De discussie hierover wilde niet vlotten. Die over de mening dat dergelijke vondsten vallen onder het UNESCO-verdrag tot bescherming van het cultureel erfgoed onder water, ook niet.

Zeekomkommers en scheepswrakken
Dat er in Zuidoost-Azië op parels wordt gevist, is algemeen bekend. Dat is overigens een zwaar, gevaarlijk en over het algemeen slecht betaald beroep. In Indonesië wordt door lokale vissers echter ook op zeekomkommers gedoken, een delicatesse in Hong Kong en China. En het waren deze vissers die het nu beroemde wrak van de Arabische dhow - dat bekend staat als het ‘Belitung scheepswrak’ - vonden. Wellicht werd daarom in deze BRAFA-lezing zo nadrukkelijk gewezen op de samenwerking met de arme, lokale vissers, die vaak in barre en gevaarlijke omstandigheden hun werk moeten doen, en dus ook scheepswrakken vinden.

Nemen we Indonesië als voorbeeld. Dit Zuidoost-Aziatisch land bestaat uit een archipel van 17.508 eilanden. Het is daarmee de grootste eilandstaat van de wereld. De archipel is al heel lang een belangrijke handelsregio. De gunstig gelegen zeestraten zijn een stimulans voor zowel de handel tussen de eilanden als de internationale handel. De zeeroutes tussen bijvoorbeeld de Indiase koninkrijken en China ontstonden daar al duizenden jaren geleden. Dit leidde uiteraard tot uitwisselingen tussen de verschillende culturen. Onder invloed van India floreerden het hindoeïsme en boeddhisme in het begin van onze jaartelling. De Islamitische handelaren brachten de islam mee. En Europese landen leverden een strijd op leven en dood om de handelsmonopolies in de specerijenhandel. Gezien het drukke scheepvaartverkeer ligt de bodem van de Indonesische zeeën dan ook bezaaid met wrakken, waaronder honderden wrakken van gezonken schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, VOC. Er is dus veel werk en er valt veel te verdienen met maritiem erfgoed. Aan het bergen, conserveren en verkopen ervan dus.


De Indonesische archipel heeft een land oppervlak van bijna 2 miljoen km2. Het zeeoppervlak is veel groter. Met de EEZ wordt het ‘grondgebied’ bijna viermaal zo groot.

De ‘Jewel of Muscat’
Bijna twaalf eeuwen geleden liep een Arabische dhow op een rif in de Java Zee bij het eiland Belitung tussen Kalimantan en Java, en zonk. In 1998, het internationale VN-jaar van de oceaan, stuitte een zeekomkommerduiker op een hoopje aardwerk. Hiermee deed hij, volgens sommigen, een van de grootste maritieme ontdekkingen van deze eeuw. Al vlug bleek dat het aardewerk in de Changha-ovens in de Zuid-Chinese provincie Hunan, was gemaakt. Daarmee was de periode waarin het aardewerk kon zijn gemaakt, vlot vastgesteld. Het was de Tang Dynastie (618-908). Op grond van een inscriptie werd vervolgens geconcludeerd dat het aardewerk in 830 was gemaakt.

De Indonesische overheid schrijft, verwijzend naar oude internationale afspraken, voor dat scheepswrakken moeten worden geborgen. Het mist hiervoor zelf echter grotendeels de noodzakelijke expertise en middelen. En dat geeft dus mogelijkheden. In dit geval verwierf het Duitse bedrijf Seabed Explorations, dat over de noodzakelijke vergunningen van de Indonesische overheid beschikt, de gegevens over de locatie van het wrak en kreeg de toestemming het te bergen. Dat gebeurde in 1998 en 1999 onder de bescherming van de Indonesische marine. Door de moesson moest het werk worden onderbroken waardoor plunderaars toch nog hun slag konden slaan. Seabed Explorations verzorgde de conservatie van de gevonden schatten en verkocht, omdat men de lading intact wilde houden, alles in 2005 aan de Sentosa Leisure Group in Singapore voor maar liefst 32 miljoen dollar.

Daarna heeft er het nodige wetenschappelijke onderzoek plaatsgevonden. Zo werden houtmonsters door gerenommeerde onderzoekers en onderzoeksinstellingen in Australië en Israël onderzocht. De laatste deden het blijkbaar het beste, want men neemt nu aan dat de dhow vooral van Afrikaans mahoniehout was gemaakt, waarbij de planken met touw van kokosnootvezels aan elkaar waren gebonden. Ook werden er in de kiel twee ondiepe, cirkelvormige uitsparingen ontdekt waarin de Chinezen vaak baosongkong amuletten deden. In de Taoïsme brengen die voorspoed of voorspoedige winden. In dit geval liep dat allemaal een beetje anders. Er is zoveel informatie verzameld dat men een replica van de achttien meter lange dhow heeft gemaakt. De ‘Jewel of Muscat’ voer, met veel publiciteit, van Oman naar Singapore. In 2010 is er in Singapore een schitterende tentoonstelling geopend over dit unieke scheepswrak. Aldus kan men ook de aankoop terug verdienen.

   
Changsha aardewerk (boven), een bronzen spiegel en een gouden beker uit het, uit het eind van de negende eeuw daterende, Belitung scheepswrak van een Arabische dhow.

Daarna zou de tentoonstelling in de Sackler Gallery van het beroemde Smithsonian Institution in Washington DC, zijn poorten voor het publiek openen. Maar dat ging op het laatste moment niet door. Na een tweedaagse, internationale conferentie over de ethische kanten van cultureel erfgoed in 2011 en op advies van UNESCO, werd ervan afgezien. Ondanks de erkenning dat er ruim 60.000 stukken aardewerk en prachtige bronzen spiegels, glaswerk, zilverwerk en zelfs een gouden beker zijn gevonden en geconserveerd, kon men zich niet vinden in de commerciële exploitatie van het culturele erfgoed door schattenjagers zoals Tilman Walterfang, de Duitse eigenaar van ‘Seabed Explorations’.

De zee is het grootste museum ter wereld
Dat waren de woorden van de bekende, Franse, archeoloog Salomon Reinach op een congres in mei van het vorige jaar, in het UNESCO hoofdkwartier in Parijs. Ook werd nog weer eens duidelijk dat sensibilisering of bewustwording van de sporen van menselijke activiteiten in de oceanische ruimte, nodig is. Zo bleek uit Brits onderzoek dat 20% van de Britten geen enkele waarde hecht aan de bescherming van scheepswrakken, terwijl die van archeologische vindplaatsen aan land breed wordt ondersteund. Dit illustreert treffend dat wij terrestrisch georiënteerd zijn en notoire ‘landdenkers’.

De zee herbergt een schat aan tijdcapsules of ‘signalen’ van de geschiedenis van de mens. Er liggen zo’n drie miljoen scheepswrakken op de bodem van de oceaan. Ook zijn er duizenden prehistorische landschappen en gezonken steden te vinden. Op zich moet ons dat niet verbazen. Door een zeespiegelstijging van ongeveer 120 meter is er na de laatste IJstijd een kustgebied met een oppervlakte van driemaal dat van Canada, overstroomd. Zo overstroomden de randzeeën in Zuidoost-Azië, waardoor Indonesië weer een reusachtige archipel werd en verdronk het beroemde Doggerland in de Noordzee. Uiteraard verdwenen ook vele oude kuststeden geheel of gedeeltelijk onder water en werden zo maritiem erfgoed.

Cultureel erfgoed onder water gaat over sporen van menselijke activiteiten. Het maakt niet uit of het sporen van het oudste gebruik van de zee, scheepvaart en visserij, zijn of uitingen van kunst, zoals grotschilderingen in ondergelopen grotten, en religie. Wat het laatste betreft kan het dan ook om mensenoffers gaan. Allemaal geven ze een kijkje in lang vervlogen tijden en beschavingen.

Over het algemeen maakt men onderscheid tussen: wrakken, ruïnes, onderwaterlandschappen, grotten en bronnen en sporen van marien gebruik van grondstoffen. Wat schepen betreft kan het gaan om de Titanic, een koggeschip in het Deurganckdok in Antwerpen of vernietigde oorlogsvloten als die van Kublai Kahn (1281) of Filips II (1588). Ruïnes laten vaak de gevolgen van natuurrampen zoals aardbevingen en overstromingen, zien. Het aantal door overstromingen verdwenen steden langs de monding van de Schelde is hiervan een sprekend voorbeeld, evenals het verdwenen, laatmiddeleeuwse vissersdorp Walraversijde bij Oostende.

UNESCO op de bres
Erfgoed dat onder water ligt, was lange tijd moeilijk of niet toegankelijk. Daar heeft vooral de ontwikkeling van het duiken met behulp van zuurstofflessen, scubaduiken, verandering in gebracht. Hierdoor kan bijna iedereen het bovenste deel van de oceanische ruimte verkennen en dus ook op schattenjacht gaan. Bovendien heeft nieuwe technologie nu ook geleid tot onderwaterdrones waarmee de verste uithoeken van die oceanische ruimte kunnen worden verkend en onderzocht. Zo werd bijvoorbeeld het wrak van de Titanic, in 1985, door Bob Ballard ontdekt op een diepte van 3.800 meter.

Ook zijn er vandaag nauwkeurige nationale en internationale gegevensbestanden over scheepswrakken. Zo is de positie van VOC-schepen vrij goed bekend. Het bergen van de lading, de ‘buit’ in termen van schatgravers, is de moeite waard. Zo werd de lading van het in 1752 gezonken VOC-schip Geldermalsen, in 1986, door Christie’s in Amsterdam geveild. De lading van 160.000 stukken Chinees porselein en 125 baren goud bracht een kleine 20 miljoen dollar op. Moderne technologie leidt tot een nieuwe en blijkbaar nogal winstgevende vorm van schatgraven op zee en plundering van erfgoed onder water.

Dat was dan ook de reden dat UNESCO aan de bel trok. In 2001 werd het ‘Verdrag ter Bescherming van Cultureel Erfgoed Onderwater’ opgesteld. Het werd in 2009 geaccepteerd. Het verdrag gaat de toenemende plundering en de vernieling van onderwatererfgoed door schatgravers tegen. Ook regelt het de samenwerking en het beheer ervan. Er zijn echter weinig grote landen lid van het verdrag. Spanje en Portugal, met de grootste EEZ in Europa, zijn respectievelijk in 2005 en 2006 lid geworden. België en Frankrijk volgden vorig jaar en Nederland en Australië volgen binnenkort. Die zochten eerst uit hoe de afstemming van dit verdrag met de VN-Zeerechtverdrag is. Dat blijkt overigens wel goed te zitten. Het verdrag is nu in 45 landen van kracht. Opmerkelijk is dat geen enkel Zuidoost-Aziatisch land het verdrag tot nu toe heeft geratificeerd.


Duiker bij scheepswrak


Bravo BRAFA? Het initiatief van de antiekbeurs lijkt mij niet slecht. Wel vraag ik me af of ze hun huiswerk goed gedaan hebben. Bij mij wekte de presentatie de indruk dat ‘Oceanic Explorers’ zijn eigen werk presenteerde. Dat was niet zo. Vandaar wellicht dat de heren wat onzeker overkwamen en de vragen nauwelijks wisten te beantwoorden. Voorlichting over de problematiek rondom maritiem erfgoed onder water is een goede zaak. In mijn ogen was deze sensibilisering niet echt geslaagd, maar alle begin is moeilijk. Het leek een beetje alsof men de kat op het spek had gebonden.

Toch is er een urgent probleem, waarbij men de handen ineen zou moeten slaan. Om de huidige kloof tussen de professionele archeologie en de gepresenteerde commerciële activiteiten te overbruggen, zou men wellicht kunnen samenwerken. Men zou nieuwe middelen kunnen genereren door een fonds op te richten waarbij een klein deel, zeg één procent of promille van de winst van kunstbeurzen, aan het wetenschappelijk verantwoord onderzoek door publiek-private samenwerkingsverbanden wordt besteed. Volgens mij ligt hier de bal bij de heren en dames kunsthandelaren en hun organisaties.



Websites:


UNESCO Verdrag:

http://www.unesco.org/new/en/culture/themes/underwater-cultural-heritage/

UNESCO Brochure (PDF):

http://unesdoc.unesco.org/images/0015/001528/152883E.pdf

Tentoonstelling ‘Shipwrecked’ in Singapore:

https://www.asia.si.edu/Shipwrecked/catalogue.asp

Maritiem erfgoed Nederland: http://www.cultureelerfgoed.nl/Maritiem%20programma%20

Maritiem erfgoed Vlaanderen: http://www.watererfgoed.be/

 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Antwerpen aan zee

06. December 2013, 17:07

'Antwerpen ligt aan zee', dat was een treffende en visionaire opmerking van burgemeester Bart De Wever op de tweede editie van het Congres Superstormen van 26 november. Superstormen-2 was het vervolg op Superstormen-1, dat in oktober 2011 in Oostende plaatsvond. In diezelfde maand werd ook begonnen met de uitvoering van het Masterplan kustveiligheid, dat op 10 juni 2011 werd goedgekeurd door de Vlaamse regering. Tijdens het eerste congres vertelde minister Hilde Crevits hier dan ook vol enthousiasme en terechte trots over.



Superstromen-2 vond plaats op de 80-jaar oude pier van Blankenberge. Het geheel maakt in de druilerige regen een wat vervallen indruk. Ik had me opgegeven voor dit tweede congres omdat ik me begon af te vragen of de Vlaamse overheid begonnen was aan een reeks van superstormen. Dat is echter gelukkig niet het geval. De ambitie om zelf superstormen te maken ontbreekt. Superstormen zijn dus gewoon een natuurverschijnsel. De bescherming ertegen is dan weer mensenwerk.

Het was weer een goed programma met veel politici en de oud-burgemeester van Londen, Ken Livingstone, als buitenlandse gast. Zoals gebruikelijk in Vlaanderen was de ontvangst heel goed. Alle politici kwamen hun zegje doen: Hilde Crevits, Johan Vande Lanotte, Carl Decaluwé, Patrick De Klerck en Bart De Wever. Daarnaast waren er de vlotte Nic Balthazar – u weet wel die van Sing for The Climate – en de professoren. En dan het publiek. Een volle zaal, die allemaal de tentoonstelling over een superstorm in de catacomben van de pier hadden gezien en waarvan verwacht werd dat ze geen (lastige) vragen stelden.



Masterplan kustveiligheid
"Een derde van onze 67 kilometer lange kust is onvoldoende beschermd tegen de zogenaamde superstormen. Dit blijkt uit een studie die de ‘afdeling Kust’ uitvoerde om te onderzoeken hoe de Vlaamse kust op een minimaal veiligheidsniveau gebracht kan worden tegen een zeer zware storm. Is er onmiddellijk reden tot paniek? NEEN. Is de dreiging reëel? JA, absoluut. Wij kunnen dus niet langer wachten om ons voor te bereiden op het ergste."

Profetische woorden op de website ‘Kustveiligheid’ van de overheid? Nee niet echt. Vlaanderen heeft gewoon veel te lang gewacht of veel te lang moeten overleggen met alle betrokkenen waar onder de tien kustgemeentes om eindelijk eens een steeds dringender wordend probleem aan te pakken. Immers ruim twintig kilometer van de dichtbebouwde en intensief gebruikte Vlaamse kust was een paar jaar geleden nog onveilig. Dat wil zeggen, niet voorbereid op de zogenaamde 1000-jarige storm. En dat is wel een hele zware storm, want de storm die de ramp van 1953 veroorzaakte, was er ‘maar’ één die eens om de 250 jaar wordt verwacht.

Daarom heeft men, tussen 2007 en 2010, de zwakke schakels in kaart gebracht en oplossingen voorgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een verwachte zeespiegelstijging van 30 centimeter in 2050. Ook wordt er rekening mee gehouden of de maatregelen die men nu neemt, op de lange termijn kunnen worden aangepast aan hogere beschermingsniveaus en een eventuele grotere stijging van de zeespiegel. De eerste prioriteit is nu echter er voor te zorgen dat de veiligheid kan worden gegarandeerd bij een storm die eens in de 100 jaar voorkomt. Na de Sinterklaasstorm kun je concluderen dat dit is gelukt. Maar dan wel met heel veel geluk en inspanning. "We zijn aan een ramp ontsnapt, maar alles is onder controle", verzuchtte de Bredense burgemeester Steve Vandenberghe deze nacht rond 02.00 uur.

Superstorm
Wat is nu eigenlijk een superstorm? Die vraag blijkt op het internet niet zo eenvoudig te beantwoorden. Blijkbaar is er geen definitie van. Wel is duidelijk dat het geen pretje is als we met een superstorm te maken krijgen. De watersnoodramp van 1953 wordt dan gewoonlijk genoemd als een voorbeeld van wat een superstorm zoal aan ellende kan aanrichten. Deze stormvloed was echter uniek. Het was in de twintigste eeuw de enige hoge stormvloed. Dat is dan een stormvloed die eens in de honderd tot duizend jaar plaats vindt. Daarnaast zijn er lage en middelbare stormvloeden die respectievelijk, eens in de twee jaar en eens in de tien tot honderd jaar plaatsvinden. Met de eerste heeft onze kustverdediging gewoonlijk weinig moeite.

De website van het KMI biedt ook weinig soelaas. Die van het Nederlandse KNMI geeft iets meer uitleg. Er staat een wat ingewikkeld verhaal over waterstanden, wettelijke normen die de zeedijken moeten aankunnen en windsnelheden. In Engelse encyclopedieën kan men een eenvoudige en nietszeggende omschrijving vinden. Het gaat bij een superstorm over een krachtige en destructieve storm waarvan de gevolgen in een groot gebied zijn te zien.

Het is maar goed dat de vriendelijke gastvrouwen van het tweede Superstormencongres me eerst de lift inpropten om de tententoonstelling ‘Storms’ te gaan zien. Na een kleine file van mensen die de lift naar boven willen nemen kom je in een ruimte met een gierende wind. Dan klinkt er een alarm en wordt een evacuatie aangekondigd. Het valt gelukkig mee. Je hoeft het pand echter niet te verlaten. De kamer wel en daarna volg je een educatief traject over het ontstaan van stormen, de gevolgen ervan voor de kust en het achterland en hun invloed op het ecosysteem. In de tentoonstelling ‘worstelt weerman David Dehenauw met superstorm Sandy’ en trekt weervrouw Jill Peeters erop uit om het onweersdrama tijdens Pukkelpop (18 augustus 2011) te verklaren. Ondanks het ontbreken van een definitie krijg je zo een aardige indruk van wat een superstorm is en kan veroorzaken.

Sinterklaasstorm
Eigenlijk valt de eindbalans van de Sinterklaasstorm die in de afgelopen uren over Noord-West Europa raasde, wel mee. Geen grote overstromingen. Vooral materiële schade, helaas toch enkele doden en hier en daar een lokale overstroming zoals in Hamburg. Nederland ging op slot. Code rood van het weeralarm zorgt er voor dat half Nederland niet meer bereikbaar is. Schoolkinderen krijgen stormvrij en het fileleed is weer niet te overzien. Dijken worden bewaakt en de Oosterscheldekering gaat uiteindelijk s ’avonds laat toch dicht. Sluizen zoals die van IJmuiden en Terneuzen zijn dan ondertussen al lang gesloten. Aan de andere kant van de Noordzee wordt de Thames Barrier bij Londen gesloten.

In Vlaanderen is de zwakke schakel in het Kustveiligheidsplan blijkbaar nog niet verholpen. In Bredene worden er 2000 mensen geëvacueerd en zandzakjes aangesleept om een en ander zo veilig mogelijk te maken. Dat is dan uiteindelijk gelukt. Gelukkig geen overstroming die rampzalige gevolgen voor de achterliggende polders zou hebben gehad. In Oostende slaat wat water over de dijk, maar dat is men gewend. Dat wordt nog wel opgelost. Ook in Antwerpen, waar de kaaimuren werden gesloten, viel het uiteindelijk behoorlijk mee. Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen laten weten dat de overstromingsgebieden zoals het Verdronken Land van Saeftinghe, langs de Schelde hier een belangrijke rol bij hebben gespeeld. Ze nemen de druk op de Scheldestad weg.

Niets aan de hand zou je dus kunnen zeggen. Maar dat is niet zo. Het is duidelijk dat de uitvoering van het Masterplan Kustbescherming werkt. Die uitvoering is ongeveer halverwege en kost 300 miljoen euro. Ondanks de vaak negatieve verhalen in de media over hoge kosten van dit plan, heeft deze storm klip en klaar aangetoond dat dit onderhoud meer dan noodzakelijk was. Eigenlijk is het net op tijd gebeurd. Het stromachtige sinterklaascadeautje was immers een 'eens in op de honderd jaar storm'. Daar was de kust drie jaar gelden niet op berekend. Bovendien tonen de maatregelen die men in Bredene moest nemen nog eens duidelijk aan dat we door het oog van de naald zijn gegaan en dat investeren in een veilig of klimaatbestendig Vlaanderen meer dan nodig is.

Superstormen-2
Wellicht had dit congres met zijn naam van Superstormen-2 toch een voorspellend karakter. In Nederland was de storm van de afgelopen dag inderdaad de tweede zware herfststorm van dit jaar. Men was er goed op voorbereid. Bovendien investeert men jaarlijks 1000 miljoen euro om het land te beschermen tegen dit natuurgeweld. Dat is dus jaarlijks drie keer het bedrag van het vijfjarig Vlaamse Masterplan Kustveiligheid.

Superstormen-2 ging in feite over de vraag wat men tegen dergelijke stormen kan doen. Hoe bescherm je Vlaanderen ertegen? Die vraag is eigenlijk niet beantwoord. Wel zijn er een aantal meningen naar voren gebracht. Weerman David Dehenauw was voorzichtig en traditioneel. De historicus Tim Soens gaf een boeiend overzicht over de ontwikkeling van de menselijke activiteiten in het Scheldegebied. Deze activiteiten hebben het systeem van de Schelde steeds meer aan banden gelegd. En daar betalen we uiteraard een prijs voor: het Masterplan Kustveiligheid en het Sigmaplan.


The Thames Barrier.

Keynote spreker Ken Livingstone, oud-burgemeester van Londen, vertelde over de bouw en vooral de fors uit de hand lopende kosten, van de Thames Barrier, die Londen en omgeving nu beschermt. Ook tijdens de Sinterklaasstorm ging deze stormvloedkering dicht. Die kosten vielen tien maal zo hoog uit als geraamd. Een verschijnsel wat men in Nederland bij de uitvoering van de Deltawerken ook tegenaan liep. Op zich dus, vanwege het innovatieve karakter van dit soort werken, niets bijzonders. Maar wel knap lastig voor de politici en hun eventuele’ science advisors’. Hij weet zijn ervaringen goed in het bredere kader van door de mens veroorzaakte klimaatverandering te plaatsen.

De andere keynote spreker was Bart De Wever. Hij speelde goed in op het wat knorrige verhaal van Livingstone. De Schelde is een trechter met aan het eind Antwerpen. Het is dus zonder meer duidelijk dat als er een Noordwesterstorm is, Antwerpen zich moet voorbereiden. Daar voor zijn er de Scheldekaaien die nu opnieuw worden aangelegd. Bovendien zijn er dan nog de Scheldemuren, die gesloten kunnen worden. Wijzend op het innovatieve Sigmaplan merkte hij op dat er wordt gestreefd naar een veilige en duurzame Schelde met dijken waar het moet, overstromingsgebieden en nieuwe natuur, waar het kan.

Volgens hem “ligt Antwerpen aan zee”. En daarin heeft hij volstrekt gelijk. Antwerpen verschilt hierin niet van steden als Londen, New Orleans, Rotterdam, enz. Allemaal verstedelijkte gebieden op het raakvlak oceaan-land. Dat zijn per definitie kwetsbare gebieden. De aan de klimaatverandering gerelateerde problemen en aanpassingen aan de infrastructuur zijn, volgens hem, zaken die toch gebeuren om de stad zijn rol als onder meer de economische motor van Vlaanderen, te laten behouden. Al met al een verassend en uitermate nuchtere en, in mijn ogen, juiste visie.

Kunnen we rustig gaan slapen?

Met waterstanden van 6,33 meter in Oostende en overgelopen kademuren in Antwerpen heeft Vlaanderen deze honderdjarige storm goed doorstaan. Felicitaties aan de minister van Mobiliteit en Openbare Werken Hilde Crevits of wel de Vlaamse regering, zijn op zijn plek. Carl Decaluwé, sinds 1 februari 2012, gouverneur van West-Vlaanderen heeft deze test goed doorstaan. Het viel me tijdens het congres al op dat hij de regelgeving die bij rampen van toepassing is, goed kent. Maar toch?

Vlaanderen was maar net op tijd met zijn Masterplan Kustveiligheid. Over de lange termijn wordt nog steeds nagedacht. Van het innovatieve plan Vlaamse Baaien zijn alleen de technisch goed haalbare eilandjes voor de kust Knokke-Heist overgebleven. En zelfs dat is niet zeker. Want er is geen geld. Ook hebben de verschillende burgemeesters van de kustgemeenten zo hun ideeën over die eilandjes voor de kust. Al met al schiet dat niet echt op.

Als er iets wat de afgelopen storm heeft laten zien is het wel dat de trechters van de Zuidelijke Noordzee en de Schelde een dreiging voor Vlaanderen zijn. Aan de kust wordt nu hard gewerkt. Maar de kans is reëel dat de dreiging via de zijdeur, Antwerpen en het stroomgebied van de Schelde het land binnenkomt. Het zeer de vraag of het huidige Sigmaplan wel voldoende rekening houdt met de snel stijgende zeespiegel en de forse klimaatveranderingen.
Meer onderzoek en meer modelstudies zijn dringend nodig. Er is geen tijd is relaxed te gaan achterover leunen.

De in 2012 gestarte heraanleg van de Scheldekaaien gaat 10-15, zeg maar 20 jaar duren. Dat de zeespiegel heel wat hoger zal zijn in 2030 is duidelijk. Het probleem is echter hoeveel dit precies zal zijn. Wel is duidelijk dat de schattingen steeds naar boven toe worden bijgesteld en Antwerpen aan zee ligt.



Websites
http://www.kustveiligheid.be/
http://www.superstormen.be/
http://www.visitlondon.com/things-to-do/place/26941-thames-barrier-information-centre
http://www.meteo.be/meteo/view/nl/65239-Home.html
http://www.knmi.nl/


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Knutselen aan de planeet

09. Augustus 2013, 15:44

Blijkbaar zit vervuilen in onze genen. Na afloop van de Gentse feesten moet er een schoonmaakploeg aantreden om de achtergelaten blikjes, flesjes en ander afval op te ruimen. Negen dagen feest en ongeveer 1,7 miljoen feestgangers leveren een kleine 500 ton afval op. Dit is bijna 300 gram per bezoeker.


Dat doet je dan onmiddellijk denken aan de vaak nogal stompzinnige en ‘opvoedende’ mededelingen van slogans langs onze snelwegen, gemaakt door ‘briljante’, door de Vlaamse overheid betaalde reclamemakers. Dan leer je dat een klokhuis van een appel afval is – wat in mijn ogen onzin is – of dat twee miljoen mensen denken dat je wel een blikje kunt weggooien. De heren en dames blinken niet uit in hun wetenschappelijke kennis en lezen blijkbaar ook Eos niet.


Toen we nog als jagers en verzamelaar in kleine groepen rondzwierven, viel het effect van onze activiteiten op het milieu over het geheel genomen wel mee. Met het ontstaan van steden zoals Brugge duizend jaar geleden, kwam de lokale of regionale vervuiling om de hoek kijken. Na de industriële revolutie is die vervuiling alleen maar toegenomen. De geweldige bevolkingsgroei en technologische ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog hebben uiteindelijk geleid tot vervuiling op een mondiale schaal. In onze moderne, op fossiel brandstoffen gebaseerde maatschappij leidt CO2-vervuiling tot een reeks van problemen zoals klimaatverandering, verzuring van de oceaan, verlies aan biodiversiteit, dode zones en algenbloeien. Daar moeten we natuurlijk iets aan doen.


Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Aan de zichtbare vervuiling op lokaal of nationaal niveau in het midden van de vorige eeuw was wel wat te doen. De smog in grote steden als Londen, raakten we kwijt door hogere schoorstenen te bouwen. Ook werden er uiteraard een reeks van andere maatregelen genomen. Op regionaal niveau wordt het al heel wat moeilijker omdat daarvoor vaak goede internationale afspraken nodig zijn.


De vervuiling van de Oostzee is hiervan een treffend voorbeeld. Ondanks alle goede bedoelingen wordt deze zee maar niet of nauwelijks schoner. Het oplossen van de vervuiling op mondiaal niveau blijkt politiek bijna onoplosbaar. Wat het klimaat betreft komen de politici er ook maar niet uit. Het grote probleem is dat deze vervuiling niet, zoals bij de al genoemde smog in de grote steden, is op te lossen door het probleem op een hoger schaalniveau (regionaal of mondiaal) te leggen. Wat nu?


Geo-engineering
Nieuwe technologie lijkt vaak de oplossing te zijn voor de door ons zelf veroorzaakte vervuilingsprobleem. Vervuild water kan worden gezuiverd – iets wat de natuur vaak gratis doet via de zogenaamde ecosysteemdiensten – met zuiveringsinstallaties. Zo komt dan schoon water via de rivieren in de zee terecht, dacht men. Maar dat blijkt tegen te vallen. Pesticiden en medicijnen komen toch in de zee terecht en leiden tot problemen in het Arctische gebied of tot ‘Prozac-garnalen’ in Engels kustwateren en ‘Oxazepam-baarzen’ in de Zweedse rivieren. Prozac is een medicijn tegen depressies en oxazepam is een kalmeringsmiddel. Zowel de garnalen als de baarzen veranderen hun gedrag. De baarzen worden er agressiever en asocialer van en de garnalen nemen meer risico’s. Ze zwemmen eerder naar het licht toe, waardoor de kans dat ze worden opgegeten door roofvissen of vogels veel groter wordt. Dit zijn voorbeelden van geo-engineering, die we per ongeluk doen.


Geo-engineering is de technologie gebruiken om de gevolgen van klimaatverandering op te lossen. Eigenlijk is het sleutelen aan de planeet en wel op wereldschaal. Hierbij wordt gedacht aan het plaatsen van spiegels in de ruimte om het zonlicht terug te kaatsen, het benevelen van de lucht boven de oceanen met 1500 speciaal hiervoor gebouwde schepen, waardoor de wolken beter isoleren, sulfaatwolken maken die hetzelfde doen, het bemesten van de oceaan met ijzerdeeltje, enz. Al die ‘oplossingen’ komen er op neer dat men met behulp van de technologie het teveel aan CO2 uit de lucht wil halen of dat men, met behulp van de technologie, wil voorkomen dat de aarde warmer wordt. Het is een prachtige toekomstdroom van de techneuten.

 

Schip spuwt zeewaterdruppels tot in de wolken opdat ze meer zonlicht zouden reflecteren. Het is maar één idee van geo-engineering. (Illustratie: NASA)

 


Geo-enginering is lange tijd zeer omstreden geweest. De meeste wetenschappers zagen dergelijk grootschalige ingrepen in het Systeem Aarde niet zitten en wachtten op een politieke oplossing. Maar dat is de laatste jaren veranderd. Zo bracht de Britse Royal Society in 2009 een studie uit waarin de mogelijkheden van geo-engineering, werden bekeken. Volgens dit rapport moet inderdaad eerst het teveel aan CO2 uit de lucht worden gehaald. Van alle plannen worden twee ideeën in het rapport besproken: het bemesten van de oceanen en CO2 opslaan met kunstmatige bomen.



In het eerste geval is het de bedoeling om de groei van algen die CO2 uit de lucht halen en omzetten in zuurstof en suiker, te stimuleren door extra voeddingstoffen, zoals ijzer, aan het zeewater toe te voegen. Er zijn een groot aantal, redelijk succesvolle, experimenten uitgevoerd waaruit bleek dat de algengroei en daarmee de onttrekking van CO2 uit de lucht, inderdaad toenam. Maar wel veel minder dan was verwacht. Er zijn veel onzekerheden en onderzoekers waarschuwen dan ook voor onverwachte gevolgen voor het ecosysteem. In het tweede geval plaatst men ‘techno-bomen’ langs snelwegen om de CO2 uit de lucht te filteren.


Tot op de dag van vandaag is geo-engineering geen goed idee. We weten veel te weinig van de oceanen om dit soort technologische experimenten op grote schaal te gaan toepassen. In zijn onlangs verschenen boek ‘Earthmasters: The Dawn of the Age of Climate Engineering’ geeft de Australische ethicus Clive Hamilton een overzicht van de huidige stand van zaken. Ook bespreekt hij de gevaren ervan.


Terecht wijst hij er op dat de toepassing van gei-engineering een aantrekkelijke en politiek gezien, eenvoudige oplossing voor een complex probleem lijkt te zijn. Maar het is wel een blind vertrouwen in de technologie en het gaat uit van een uiterst conservatieve opvatting over de plaats van de mens in de natuur: de mens als de beheerder of hoeder van de natuur. De werkelijkheid is echter dat de mens geen manager van de planeet of de natuur is; hij is er slechts een onderdeel van. Wel hebben menselijke activiteiten, wellicht vaak onbedoeld, altijd geleid tot vervuiling en mislukte geo-engineering experimenten. De CO2-vervuiling van de atmosfeer is hiervan een bekend voorbeeld.


Arctische oceaan
In het Arctische gebied worden vele gevolgen van de door de menselijke activiteiten veroorzaakte klimaatverandering uitvergroot. Hierdoor is het gebied bij wijze van spreken ‘de kanarie in de steenkoolmijn’ van het klimaat. Vroeger namen mijnwerkers kanaries in een kooitje mee de mijn. De vogeltjes zijn zeer gevoelig voor giftige gassen zoals methaan en koolmonoxide. Zo lang de kanarie zong was alles in orde. Hield het diertje er mee op dan was er een probleem en verliet men zo snel mogelijk de mijn. Op een vergelijkbare manier zijn er in het Arctisch gebied een aantal signalen, die wijzen op de komende klimaatverandering. De vraag is echter of we er wel naar luisteren.


Zo bereikte het Arctische zee-ijs, op 16 september 2012, de kleinste omvang tot nu tot: 3,4 miljoen km2. Dat is minder dan de helft van het gemiddelde over de periode 1979-2000. De verwachtingen voor dit jaar liggen tussen de 3,8 en 4,2 miljoen km2 (September Sea Ice Outlook: June Report). De algemene trend is echter een langzame inkrimping van de omvang van het met zee-ijs bedekt gebied.


Veel onderzoekers verwachten daarom dat er binnen een paar, of enkele tientallen, jaren, een ijsvrije Arctische oceaan zal zijn. En dat heeft grote gevolgen voor het milieu en de maatschappij. Ook zijn er grote uitdagingen voor het bedrijfsleven: olie en gas, de visserij, toerisme, transport, bioprospectie, enz. Het gaat om grote bedragen. Zo verwacht Lloyds dat er in de komende tien jaar voor 100 miljard US$ in het Arctische gebied zal worden geïnvesteerd.

 

In april vroegen een groot aantal Europese oceanografen, in een wetenschappelijk commentaar van de Europese Mariene Raad, aandacht voor de komende veranderingen in het Arctisch gebied. Het zal u niet verbazen dat deze wetenschappers met de pakkende kop ‘Getting ready for an ice-free Arctic’ om meer onderzoek, meer internationale samenwerking en meer waarnemingen vroegen. Toch is het interessant dat men eindelijk inziet dat er een internationaal gefinancierd marien informatiesysteem nodig is voor een duurzaam gebruik en beheer van de Arctische oceaan. Politiek is de realisatie ervan echter niet zo eenvoudig.

 

Onlangs verscheen er in Nature een commentaar van Gail Whiteman, hoogleraar duurzaamheid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de Engelse wetenschappers Chris Hope en Peter Wadhams over de gigantische kosten van klimaatverandering in de Oost- Siberische Zee. Terecht merken deze onderzoekers op dat er wel veel wordt gekeken naar ecologische gevolgen en de economische voordelen van klimaatverandering in het Arctisch gebied, maar niet naar de kosten ervan. Dat hebben zij wel gedaan.


Ze berekenden de mondiale kosten van het ontsnappen van grote hoeveelheden methaan, een broeikasgas, uit de bodem van de Oost Siberische Zee als gevolg van het opwarmen van het Arctisch gebied. Al modulerend kwamen ze uit op een bedrag van maar liefst 60.000 miljard US$. De meeste kosten zullen door ontwikkelingslanden worden gemaakt als gevolg van extreem weer, slechte gezondheidstoestand en een lagere opbrengst van de landbouw. Het zijn allemaal gevolgen van de klimaatsverandering, die door onszelf wordt veroorzaakt.

 

De Oost-Siberische Zee is met een oppervlakte van circa 900.000 km2, ruim 1,5 maal zo groot als de Noordzee. Het is slechts één van de Russische randzeeën, die een oppervlakte (in de Arctische oceaan) van 4,6 miljoen km2 hebben. De totale kosten van klimaatverandering zullen dus gigantisch zijn en een grote invloed hebben op de economische en sociale ontwikkelingen in de komende decennia.


Maar daar had de Britse topeconoom Sir Nicholas Stern in 2006 ook al op gewezen. Als we niets doen, concludeerde hij, dan zullen we in de toekomst 5 tot 20% van ons wereldwijde BBP moeten uitgeven om de gevolgen van klimaatverandering te bestrijden. We zouden dan een vijfde van onze welvaart hieraan kwijt zijn. Het is alleen daarom al beter om wel iets te gaan doen, want dat kost maar 1-2% van het mondiale BBP per jaar.


Een poll
In Engeland wilde men weten wat de bevolking denkt over geo-engineering. Daarom werden er het vorige een reeks van activiteiten ontplooid. Wat blijkt? De opmerking ‘knoeien met de natuur’ lokt vele, soms extreme reacties uit. Sommige mensen werden er fatalistisch van. We hebben immers altijd al met de natuur ‘gespeeld’. Anderen vonden die om dezelfde redenen juist overdreven. Geo-engineering zou immers het klimaat probleem even kunnen helpen oplossen, niet waar? En dat zou handig zijn. Al met al roept de eventuele toepassing ervan, vooral om de mogelijke onbedoelde bijverschijnselen, veel vragen op. Knutselen aan de planeet. Ik zie het in elk geval echt niet zitten. En u?



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Nierenberg-prijs voor James Cameron

28. Juni 2013, 14:41

Op 31 mei ontving James Cameron de prestigieuze Nierenberg Prize 2013 van het Amerikaanse SCRIPPS Oceanografisch Instituut in La Jolle. Omdat ik al jaren probeer het, in mijn ogen zeer aantrekkelijke en eigentijdse begrip ’oceanische ruimte’ meer bekendheid te geven, benaderde ik de interim directeur, Catherine Constable, van dit instituut. Ik had een korte argumentatie geschreven waarin ik uitleg dat James Cameron niet naar de diepste plek op aarde ging, zoals dat in de traditionele manier van denken en dus ook in de media, steeds wordt gezegd. Dat is in mijn ogen de visie van een landrot.



Als je zijn riskant avontuur vanuit de oceanische ruimte bekijkt, ging hij echter naar één van de meest afgelegen, onbekende en gevaarlijke plekken van die al even onbekende oceanische ruimte. Dat vergt uiteraard wel een aardig portie ‘anders denken’. Je kunt het vergelijken met de stunt van Edmond Hillary, die zich er na Sir Edmond Hillery mocht noemen. In 1953 bedwong hij samen met de Sherpa Tenzing Norgay de Mount Everest in het Himalaya gebergte, het ‘dak van de wereld’, in Tibet. Op dezelfde manier bedwong James Cameron, helemaal alleen, het vorig jaar de Challenger Deep in Marianen Trog, de ‘kelder van de wereld’, in de Stille Oceaan. Sir James Cameron is het nog niet, maar de Nierenberg Prize kreeg hij wel.

Volgens mij is hij iemand die niet vies is van ‘anders denken’. Mijn vraag aan SCRIPPS was dan ook eenvoudig. Of ze zo vriendelijk wilden zijn hem het verhaaltje te sturen. Iets voor zijn speech, wellicht, dacht ik. Catherine Constable reageerde verbazend snel, maar dan wel via haar op de website van SCRIPPS, breed lachende directeur voorlichting, Cindy Clark. Die was verbaasd dat ik, een ‘Lage Lander’, al weken van te voren wist dat Cameron die prijs zou krijgen. Hoe was dat nu toch mogelijk, vroeg ze me verbaasd. Geen woord over mijn verzoek. Cameron heeft het verhaal nooit gekregen, laat staan gezien.

SCRIPPS en Woodshole
Dat zijn de twee grootste oceanografische onderzoekinstituten in VS. De eerste ligt aan de kust van de Stille Oceaan; de andere aan die van de Atlantische Oceaan. Beide zijn ontstaan in het begin van de vorige eeuw. SCRIPPS begon in 1903 als een klein marien biologisch station waar men onderzoek van de Amerikaanse westkust ging doen. Ook moest er, om het brede publiek er bij te betrekken, een aquarium worden gebouwd. Een van de oprichters waren Edward. W.SCRIPPS, een steenrijke mediatycoon, en zijn vrouw Ellen. Later is het station hun naam gaan dragen. Bij SCRIPPS werken nu 1700 mensen. Het jaarlijkse budget is ongeveer 170 miljoen dollar.

Het SCRIPPS Oceanografisch Instituut is wereldberoemd. De geschiedenis ervan staat in het teken van vele, dikwijls maatschappelijk zeer belangrijke ontdekkingen. Zonder overdrijving kunnen we zeggen dat het onderzoek van dit instituut onze kijk op de wereld heeft veranderd. Zo publiceerden Arthur Raff en Ronald Mason in 1961 een nu beroemd verhaal over patronen van magnetische strepen in de bodem van de oceaan. Dat leidde tot de nu geaccepteerde theorie van de platentektoniek, een uniek afkoelingsmechanisme van onze planeet. In 1958 begon de SCRIPPS onderzoeker Charles David Keeling, de koolstofdioxide concentraties in de atmosfeer te meten. Hij deed dat in het Mauna Loa Observatorium, op Hawaii. Deze metingen worden ook nu nog steeds gedaan. Dit leidde tot de ontdekking de CO2-vervuiling van de atmosfeer door menselijke activiteiten en tot het huidige debat over door de mens veroorzaakte klimaatverandering. Dit zijn slechts twee voorbeelden die het maatschappelijk belang van het zeeonderzoek aantonen.


Het Woods Hole Oceanografisch Instituut, WHOI, ligt aan de oostkust van de VS. Het werd in 1930 opgericht om het wetenschappelijk onderzoek van de Atlantische Oceaan te stimuleren. Heel vernieuwend was dat men er vanaf het begin van uit ging dat het oceaanonderzoek door een aantal verschillende onderzoekdisciplines moest worden uitgevoerd. Zo werkten biologen, chemici, fysici en aardwetenschappers 80 jaar geleden al samen in de verschillende onderzoekteams. Dat is iets wat je nu op elk oceanografisch instituut ziet. Ook zijn er nauwe banden met verschillende universiteiten. Het instituut ligt niet ver van New York, op een mooie rustige plek aan de kust. Er werken ruim 1000 mensen. Het jaarlijkse budget is ongeveer 215 miljoen dollar.

Het WHOI is een begrip in de wereld van de oceanografen en media. Vooral het onderzoek met de Alvin zorgt regelmatig voor krantenkoppen. Deze diepzee duikboot wordt op dit moment geheel vernieuwd, schroefje voor schroefje, om dan weer tientallen jaren onderzoek in de diepzee te doen. De kosten van dergelijk onderzoek zijn hoog. Woodshole is hierin als enig Amerikaans instituut, dan ook gespecialiseerd. En onderzoekers van uit de hele wereld kunnen ervan gebruik maken. Heel bekend zijn de ontdekking van de warmwaterbronnen in de diepzee en het wrak van de Titanic. De eerste ontdekking leidde tot nieuwe ideeën over het ontstaan van het leven op de aarde, maar ook tot allerlei nieuwe medicijnen.

Sensibilisering
Een belangrijk verschil tussen de VS en Europa is dat men daar veel meer oog heeft voor de verspreiding van de resultaten van het (oceanografisch) onderzoek naar het bedrijfsleven, het onderwijs en de leek. Dat laatste noemen ze ‘outreach’, wat hier sensibilisering is. De EU heeft het dan weer over de geïnformeerde burger. Die sensibilisering is nauw gekoppeld aan wat in de VS sinds een kleine vijftien jaar ‘Ocean Literacy’ wordt genoemd. Het begrip laat zich wat moeilijk vertalen in het Nederlands. Maar het gaat er om dat men, via gericht sensibilisering en educatie de burger en de leerling van het middelbare onderwijs een bepaald niveau van kennis over de oceaan wil bijbrengen. Onderzoekers kunnen hiervoor subsidies krijgen en het telt mee in de waardering van hun werk.

Dat is in Europa niet zo. Subsidies voor sensibilisering kun je, bijvoorbeeld in Nederland, niet aanvragen bij de organisatie die het wetenschappelijk onderzoek financiert. Zelfs onderzoek naar methoden om het effect van sensibilisering te meten of te monitoren krijg je niet gefinancierd. Dat is een forse weeffout in de Europese structuur van de financiering van onderzoek. In het nieuwe raamwerkprogramma ‘Horizon 2020’ van de Commissie gaat men daar nu wat aan doen. Deze week was daarover een workshop bij het Vlaams Instituut voor de Zee, VLIZ, in Oostende. Er zijn prioriteiten opgesteld voor de Commissie. Ook heeft het VLIZ in oktober 2012 de eerste Europese Ocean Literacy conferentie georganiseerd. De belangstelling was groot. Toch zal er nog heel wat water door de Schelde vloeien voor er echt iets is veranderd. Voor onderzoekers is ‘outreach’ immers vaak moeilijk omdat men de benodigde vaardigheden mist en omdat je er voor je carrière niets aan hebt. Dat is niet handig en dat zou dan ook moeten worden veranderd.




‘Wow!’
Dat was vaak de reactie van de reactie van de mensen di
e op een speciale website de tocht van James Cameron naar en in de ‘kelder van de wereld’ volgden. In vele talen kunnen we in het juni nummer van National Geographic Magazine lezen over deze tocht. Voor hem was het de vervulling van een jongensdroom. Het is opvallend hoe er vaak op jeugdige leeftijd iets gebeurt waardoor mensen ineens besluiten iets in hun leven te gaan doen. Zelf was ik dertien, en net op school zitten gebleven, toen ik een boek over de geologie van Limburg las en besloot geoloog te worden. Dit tot groot vermaak van mijn leraren.

Zeven jaar werkten Cameron en zijn ploeg aan een nieuw type duikboot – een soort groene ‘raket’ – waarmee hij snel in de diepte wilde afdalen. Het is allemaal gelukt. Het ontbrak hem ook niet aan ervaring. Hij heeft immers meer uren in een duikboot in de diepzee doorgebracht dan de kapitein
van de Titanic op de brug van het noodlottige schip heeft gestaan. De kaskrakers van zijn films over de Titanic en Avatar maakten hem rijk. Zo had hij het geld om zijn jongensdroom, met de nodige sponsoring, waar te maken.

 
De Deepsea Challenger was uitgerust als een onderwater filmstudio. Overal op de duikboot waren lampen gemonteerd om het onbekend leven in de diepste diepzee te filmen. Zo zou iedereen het ook kunnen zien. Er was een speciale website waarop de missie kon worden gevolgd. Er waren meer dan één miljard hits. Vaak was de reactie gewoon ‘Wow!’. Je kunt je met recht afvragen hoeveel toekomstige zeeonderzoekers er tussen dit publiek zaten. Een antwoord op die vraag krijgen we pas over enige tientallen jaren. Maar dat ze er tussen zaten, daar kunnen we niet omheen.

Nierenberg
Aan de Nierenberg Prize van SCRIPPS is ook een bedrag van US$ 25.000 verbonden. Het komt uit een legaat van de familie Nierenberg. Cameron heeft het bedrag onmiddellijk aan SCRIPPS geschonken met de opmerking ‘Dit is voor jonge onderzoekers. Het onderzoek van de oceaan is immers per definitie niet goed gefinancierd. Wellicht helpt het een beetje’. Zijn Deepsea Challenger heeft hij op 14 juni aan het WHOI overhandigd. Hier zal het worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

 

De Nierenberg Prize wordt jaarlijks toegekend aan mensen die de belangstelling voor de wetenschap bij het brede publiek hebben bevorderd. Dat heeft James Cameron zeker gedaan. Hij hoort zonder meer thuis in de rij van winnaars van deze prijs. Anderen zijn bijvoorbeeld: Walter Cronkite, Sir David Attenborough, James E. Hansen en Richard Dawkins. Allemaal kregen ze een bronzen medaille en het genoemde geldbedrag.

Wie was Nierenberg eigenlijk? William A. Nierenberg (1919-2000) was een fysicus die van 1965 tot 1986 directeur van SCRIPPS was. Hij heeft het instituut de tijd van de ruimtevaart en de tijd van boringen in de diepzee, ingevoerd. ‘Noem me maar Bill’ zei hij toen ik hen eens tijdens een vergadering van het bestuur van het Ocean Drilling programma ontmoette. Een typische Amerikaan, die veel voor de ontwikkeling van de moderne oceanografie heeft betekend. Aan het eind van zijn leven maakt hij echter een vreemde draai. Hij werd lobbyist voor de olie-industrie. Hij werd een ‘merchant of doubt’ en verziekte, met opzet, de sensibilisering over klimaatverandering door het zaaien van twijfel. Wellicht heeft zijn familie deze smet op zijn blazoen, postuum weer goed willen maken. Hoe het ook is; James Cameron werd er mee beloond voor zijn moed en sensibilisering. En mijn plannetje om met zijn hulp het begrip ‘oceanische ruimte’ te introduceren. Tja, dat is niet gelukt.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De oceaan is geen badkuip

13. Mei 2013, 16:25

Jerry Mitrovica is hoogleraar geofysica aan de Havard Universiteit in de VS. Daar denkt hij ook na over de wisselwerking tussen de oceaan en het ijs. In de afgelopen twee miljoen jaar was die wisselwerking intensief. Op het ene moment werd er water aan de zee onttrokken, waardoor de zeespiegel daalde en er enorme ijskappen ontstonden. We zijn dan weer in een ijstijd beland. Met een zekere regelmaat smolt het ijs weer af, steeg de zeespiegel en belandden we in een warmere tussenijstijd of interglaciaal. Wij leven nu, met ruim zeven miljard mensen, in de laatste tussenijstijd, die de geologen het Holoceen noemen.

Jerry neemt je in zijn colleges, die op YouTube zijn te vinden, in gedachten mee naar Groenland. Stel je voor, zegt hij, dat je aan de kust van Groenland zit terwijl de ijskap op een catastrofale manier wegsmelt. Toch duurt dat, volgens hem, wel even; tenminste een paar eeuwen. Dus voor het gemak zit je in een tijdmachine. Het is algemeen bekend, dat het afsmelten van de Groenlandse ijskap tot een zeespiegelstijging van ruim zeven meter zal leiden. Dus verwacht je, dat het achter je wegstromende water van de smeltende ijskap, je natte voeten gaat bezorgen. Dat, terwijl de grote metropolen aan de laaggelegen kusten in verre landen ook worstelen om hun hoofd boven water te houden.





Maar daar aan de kust van Groenland gebeurt iets onverwachts. De zee trekt zich terug. De zeespiegel daalt met honderd meter in plaats van, zoals verwacht, ruim zeven meter te stijgen. Geen natte voeten dus. Hoe kan dat?
Het antwoord op die vraag heeft te maken met het feit dat de oceaan geen badkuip is. Het oceaanoppervlak laat heuvels en dalen zien. Die heuvels en dalen van water zien we niet, omdat de hellingen ervan niet stijl zijn. Ook is het een uitermate dynamisch oppervlak dat sterk reageert op de erbovenliggende atmosfeer, de ‘oceaan’ van lucht.

Het oceaanoppervlak
Dat het zeeoppervlak er nog al woest kan uitzien, dat weten we al eeuwenlang. Stormen die op de kust beuken, monstergolven die onverwachts schepen meesleuren in de diepte en enorme draaikolken die als warme of koude ‘tollen’ de oceaan oversteken. Ze zijn er allemaal. En niet alleen maar aan het oppervlak. De onderwaterwereld zit ook vol verassingen. Zo kunnen er onder andere bij de Straat van Gibraltar, onderwatergolven en draaikolken ontstaan door het verschil in wrijvingen tussen het koude, instromende water uit de Atlantische Oceaan en het warme, uitstromende water uit de Middellandse Zee. Op een diepte van duizend meter bewegen deze tollen zich door de zee. Aan het oppervlak ervan veroorzaken ze heuveltjes die met satellieten zijn te zien en te volgen.




Kaart van de verschillen tussen de zeespiegelstijging van eind 2009 tot eind 2012.In de rode gebieden is de zeespiegelstijging het groots; in de blauwe gebieden daalt de zeespiegel.



Sinds januari 1993 wordt het zeeoppervlak nauwkeurig in de gaten gehouden door satellieten als Topex/Poseidon, Jason-1, de OMST/Jason- 2, Envisat, ERS-1 en ERS-2 en GOCE, de eerste, in 2009 gelanceerde, zwaartekracht-satelliet van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA). GOCE staat voor Gravity Field and Steady State Ocean Circulation Explorer. Het is een fantastisch, hightech precisie-instrument waarmee, onder andere, nieuwe gegevens worden verzameld over de oceaanstromingen, de inwendige eigenschappen van de aarde en zeespiegelveranderingen. Door deze satellietmetingen weten we dat de gemiddelde mondiale zeespiegelstijging (GMSL) nu 3,3 millimeter per jaar is. Dat is vijftig procent meer dan het gemiddelde van 2,2 mm per jaar, in de twintigste eeuw.

De hellingen van de heuvels en dalen in het water-landschap zijn zo gering dat wij ze niet zien als we er over varen. Onder invloed van de CO2-vervuiling door de menselijke activiteiten begint dit landschap echter te veranderen. Immers door het warmere klimaat beginnen de grote ijskappen op aarde af te smelten. Hierdoor stijgt de zeespiegel, zoals de satellietmetingen laten zien. Maar dat is niet het hele verhaal. Getijmeters, waarmee al sinds het einde van de negentiende eeuw de waterstand wordt gemeten, laten echter grote regionale verschillen zien. Zo is de gemiddelde zeespiegelstijging in Europa, 1,5 mm per jaar. Dat is heel wat minder dan het gemiddelde over de twintigste eeuw. Dit verschil wordt het Europese probleem genoemd. De oorzaak? Het afsmelten van de Groenlandse ijskap.

Eigenlijk is het verwarrend om over een gemiddelde, mondiale zeespiegelstijging te spreken. De oceaan is hiervoor te complex en de reactie ervan op de wisselwerking oceaan-ijskappen is ook ingewikkeld. Het zijn geen communicerende vaten, waarbij water domweg van de oceaan op het land wordt opgeslagen of juist andersom. Het blijkt dat de opslag van zeewater in een ijskap het omringende oceaanwater aantrekt. Hierdoor wordt de zeespiegel daar hoger. Op een andere schaal lijkt dit op de aantrekkingskracht van de Maan op de Aarde, waardoor de getijden ontstaan en waardoor de rotatiesnelheid van de aarde heel langzaam afneemt.

Vingerafdrukken
Tot tien jaar geleden overheerste het idee dat de oceaan op een badkuip lijkt, de discussie over de zeespiegelstijging door klimaatverandering. Het feit dat er zulke grote verschillen waren tussen de reeksen getijmetingen was een eldorado voor de klimaatsceptici. Voor Jerry Mitrovica was het, zoals hij zo laconiek tijdens zijn lezingen zegt, een reden om eens rustig te gaan zitten nadenken. En dat bracht hem op het idee dat er bij het ontstaan van ijskappen uit het oceaanwater eigenlijk drie belangrijk aspecten zijn.

Een geologische, waarbij de ondergrond waarop de ijskap zich vormt, door isostatische bewegingen het extragewicht van de ijskap compenseert. Het gevolg is dat het land onder de ijskap soms wel honderden meters daalt en de bodem er omheen juist omhoog komt. Verdwijnt de ijskap dan gebeurt het omgekeerde. Het gevolg is dat zeventiende eeuwse vissershaventjes aan de Botnische golf in Zweden nu meters boven de zee liggen.

Daarnaast oefent de ijskap een aantrekkingskracht op het zeewater uit, waardoor er zich rondom de ijskap juist meer water verzamelt. Hier is de zeespiegel dus hoger. Verdwijnt de ijskap dan verdwijnt het effect en daalt de zeespiegel juist veel meer dan men tot toen toe verwachtte. Tot slot is een ijskap van invloed op de positie van de draaiingsas van de aarde. Dat heeft vervolgens weer een effect op de verdeling van het zeewater langs de evenaar. Dit verschijnsel is te vergelijken met het al dan niet plaatsen van een gewicht op de rand van een wiel om het uit te balanceren. Door het gewichtje wordt de balans ervan veranderd.

Dit alles maakt dat bij het afsmelten van een ijskap of een deel ervan, de zeespiegel niet overal evenveel stijgt zoals dat in een badkuip zou gebeuren. Met behulp van computermodellen berekende Jerry Mitrovica wat de gevolgen voor de zeespiegelstijging zouden zijn als de Groenlandse ijskap of die van West-Antarctica zou smelten.

Dat leverde een sterk verschillend beeld op. Omdat klimaatverandering beide ijskappen zal doen afsmelten wordt het eindresultaat ingewikkeld en (nog) moeilijk voorspelbaar. De algemene conclusie is dat de zeespiegel in de buurt van de ijskap daalt, tot wel honderd meter, en dat die juist extra stijgt in gebieden die ver van de ijskap zijn verwijderd. De kaartjes waarop deze gevolgen voor de zeespiegel zijn te zien, noemt men de vingerafdruk van een ijskap.

IJskappen Groenland en West-Antarctica smelten
Dat de Groenlandse ijskap afsmelt is wel zeker. De manier waarop dat gebeurt, zorgt regelmatig voor vette krantenkoppen. Eigenlijk is het Arctisch gebied een laboratorium geworden van de snelle door de mens veroorzaakte (klimaat)veranderingen met mondiale gevolgen. Op dit moment is de Groenlandse ijskap de enige op het Noordelijke Halfrond. Dat was tijdens de laatste IJstijd wel even anders. Toen lagen er ook enorme ijskappen op Schotland, de Barentszzee, Scandinavië en Siberië, Noord-Amerika.




De Groenlandse ijskap trekt water naar zich toe. Hierdoor is de zeespiegel rondom de ijskap hoger. Smelt de ijskap dan wordt niet alleen water aan de oceaan toegevoegd, maar verdwijnt ook de aantrekkingskracht van de ijskap. Hierdoor zal de zeespiegel tot een afstand van 2.000 kilometer dalen (donker blauwe gebieden) in plaats van te stijgen. Die daling moet ergens anders worden gecompenseerd (licht tot donkergele gebieden). Voor Nederland en Vlaanderen is dit goed nieuws. Hier blijft deze zeespiegelstijging beperkt tot ongeveer twee meter.

Wat de West-Antarctische ijskap betreft is de situatie juist andersom. De kleurencode geeft ook in dit geval de afwijking aan ten opzichte van de mondiale, zeespiegelstijging van drie tot zes meter. Hieruit blijkt dat de grootste zeespiegelstijging als gevolg van het afsmelten van dit ijs juist wel van belang is voor de West-Europese landen. Dit is geen goed nieuws voor Nederland en Vlaanderen. Voor Washington DC is het echter zeer slecht nieuws omdat daar de zeespiegel juist extra zal stijgen. Met als gevolg dat het Witte Huis in zee verdwijnt.

Er is echter een groot verschil tussen beide ijskappen. Die van Groenland ligt op het land en kan dus alleen afsmelten door de warmte in de atmosfeer. Het West-Antarctische ijs ligt echter op een archipel. En dat kan een wereld van verschil zijn. Dit ijs kan immers zowel door het warmere zeewater als door de warme atmosfeer versneld afsmelten. Of en hoe dat gebeurt, is nog niet duidelijk. Vergelijkingen met de situaties uit de vorige warme tussenijstijd helpen hier ook niet veel. Hoewel de algemene temperatuur toen 1 tot 2oC hoger was (een niveau dat wij in het midden van deze eeuw ook zullen bereiken) dan nu, is de door de mens veroorzaakte opwarming veel sneller dan die van toen.

Oude vingerafdrukken vertellen…
Het onderzoek van de vingerafdrukken van oude, verdwenen ijskappen, zoals die slechts 25.000 jaar geleden op het Noord-Amerikaanse continent en op Scandinavië en Siberië voorkwamen is nog maar net begonnen. Hoewel de natuurkunde ervan, volgens Jerry Mitrovica slechts “Newton onder de appelboom” is, zijn de conclusies belangrijk voor de toekomst. Aan de ene kant laat dit nieuwe onderzoek zien, hoe weinig we eigenlijk weten over het systeem oceaan. Aan de andere kant zijn er veel nieuwe uitdagingen.

Ook laat het zien dat wetenschap leuk, maar complex is. Immers de waarnemingen van getijmeters gaven een ander verhaal, althans dat dacht men, dan de waarnemingen met satellieten. En toch blijkt dat niet zo te zijn. Die conclusie zat teveel tussen onze oren. We gingen teveel uit van het idee van ‘de oceaan als een badkuip’. Het probleem van het verschil in informatie van de getijmeters en de mondiale waarnemingen is volgens Jerry Mitrovica, dat men de zwaartekracht binnen het systeem oceaan was vergeten. De oceaan is geen badkuip. De oceaan is een vierdimensionale ruimte, waarbij de tijd de vierde dimensie is. De oceaan is een oceanische ruimte, een systeem binnen het Systeem Aarde.




Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Pinguïns bekeren op Antarctica?

26. Februari 2013, 13:40

Wat moeten wij op de Zuidpool? Dat was een vraag die ik als voormalig architect van het Nederlandse Antarctische onderzoek in de afgelopen dertig jaar, vaak kreeg. De vraag werd gewoonlijk gevolgd door een opmerking: het is ver weg, het is duur en levert niets op. Dat het ver weg is, dat klopt. Ook kost het geld. Maar daar hadden we, in nauw overleg met de milieubeweging, een slimme en internationaal aantrekkelijke, oplossing voor bedacht. Dat het niets oplevert, is onzin.

Bijna dagelijks lezen we nu
in de kranten over de mede door de menselijke activiteiten veroorzaakte, klimaatverandering. Met ruim zeven miljard mensen leven we er – ook achter de Nederlandse en Vlaamse dijken en duinen en ondanks een crisis – lustig op los. Daarbij vervuilen wij onze omgeving buiten elke denkbare proportie en op een ongekende, mondiale schaal. Dat leidt tot kettingreacties in de natuur. Zo leidt de kooldioxidevervuiling van de atmosfeer tot klimaatverandering. Dat veroorzaakt vervolgens een reeks van andere verschijnselen, waaronder zeespiegelstijging en verzuring van de oceaan. En wij bouwen dijken en gaan ons verplicht verzekeren tegen de onzekerheden van de toekomst. Het poolonderzoek levert waardevolle informatie om de gevolgen van deze klimaatverandering beter in te schatten. Doen dus.

Geen Randstad
Het was niet zo eenvoudig om Nederland als volwaardig lid van het Antarctisch Verdrag (België is één van de oprichters ervan), dat op politiek-bestuurlijk niveau de belangrijkste speler is, geaccepteerd te krijgen. We waren te klein en hadden niet laten zien dat het zeer versnipperde onderzoek serieus werd genomen. De financiële inspanning was gering, zeg maar minimaal. Een eigen onderzoekfaciliteit of station hadden we niet en dat wilden we ook niet. We wilden namelijk niet nog eens een station toevoegen aan de ‘Randstad van Antarctica’.

Samen met de milieubeweging en de politiek (PvdA), hebben we jarenlang een lobby gevoerd om het Nederlands Antarctisch onderzoek mogelijk te maken. Dat is uiteindelijk gelukt. Geen eigen station op het gemakkelijk toegankelijke Antarctische Schiereiland, maar wel het gebruik van de onderzoeksfaciliteiten van andere landen. Internationalisering, waarvoor je een eerlijke prijs betaalt. Dat viel vaak tegen bij NWO. Men zat liever voor een dubbeltje op de eerste rang. Ook was er een expeditie nodig. De eerste en tot nu toe enige Nederlandse Antarctische Expeditie in de winter van 1990-1991.

Dat wordt nu doodgezwegen, maar die expeditie maakte ons wel stemgerechtigd lid van het Antarctisch Verdrag. In het Nederlandse beleid stond het milieu met zijn milieueffectrapportages (MERs) voor nieuwe onderzoeksfaciliteiten zoals stations enz., centraal. Nederland was kritisch en wekte soms de irritatie van mijn logistieke collega’s op door het onbegrip voor de moeilijke omstandigheden, die werken in het Antarctisch gebied met zich meebrengt. Maar Nederland bouwde een goede naam op en leverde de eerste uitvoerend secretaris van het Antarctische Secretariaat, dat in 2004 in Buenos Aires, Argentinië, werd opgericht.




Het Nederlandse Dirck Gerritsz laboratorium op het Britse onderzoekstation Rothera (© NWO), en een luchtfoto van het Britse onderzoekstation Rothera (© BAS)

Een eigen stek

Sinds enige weken heeft Nederland nu een eigen plek onder de sporadische Antarctische zon. Een eigen station, dat we niet zo noemen. Het Britse Rothera wordt hiermee, zichtbaar, nog internationaler. Maar wel op het gemakkelijk toegankelijke Antarctische Schiereiland. Niet zoals de Belgen met hun state-of-the-art Princess Elisabeth station. Dat staat op een plek waar onderzoeksfaciliteiten dringend nodig zijn. Nederland zit weer voor een dubbeltje op de eerste rang. ‘Financieel aantrekkelijk’, zoals de overenthousiaste NWO-medewerker Dick van der Kroef op Rothera, vol trots, in het Nederlandse TV-programma ‘Nieuwsuur’ vertelde. Dat de nieuwe onderzoeksmogelijkheden van de Nederlandse containerlaboratoria een aanwinst voor de mogelijkheden van het Britse Rothera-station zijn, ligt voor de hand. Dat er belangrijk onderzoek zal worden gedaan, is zonder meer te verwachten. Het Nederlands Antarctisch onderzoek, hoe versnipperd het ook was en is, is op een aantal gebieden van hoge kwaliteit.

Maar de wijze waarop NWO dit nu in de praktijk uitvoert, is op zijn minst lachwekkend. De opening van het containerlaboratorium markeert het einde van een wel overwogen, internationaal aantrekkelijke en zeer gewaarde vorm van samenwerking. Een samenwerking, die ook de steun had van de milieubeweging.



Bouw Dirck Gerritszlaboratorium op Antarctica (korte timelapse) 

Nederlands poolonderzoek eert pechvogels

Het Nederlands poolonderzoek heeft iets met pechvogels. Dat siert ze. Immers over het algemeen probeert men pechvogels zoals Willem Barentsz of de onfortuinlijke Dirk Gerritsz, zo snel mogelijk te vergeten. Ze verdwijnen in de nevelen van de geschiedenis. Maar niet in Nederland. En zeker niet bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, NWO. Die schrijft er zelfs een mooie tweetalige brochure over.

Beide heren werkten voor voorlopers van de Verenigde Oostindische Compagnie, VOC. Ze zochten aan het eind van de 16de eeuw, naar een andere route naar ‘de oost’, waar rijkdommen lonkten. Willem Barentsz probeerde het driemaal via de Noordelijke IJszee. Zijn reizen mislukten, maar leverden wel het prachtige verhaal op over de ‘heroïsche overwintering op Nova Zembla’. Ook leidde het tot een bloeiende walvisjacht. Sinds 2008 is zijn naam vereeuwigd in het Groningse Willem Barentsz Poolinstituut, een netwerkorganisatie voor het slecht gefinancierde Nederlandse poolonderzoek.

Dirck Gerritsz, die vanwege zijn ervaringen in China en Japan ook wel Dirck China werd genoemd, was de kapitein van De Blijde Boodschap. Dat was één van de vijf schepen waarmee admiraal Mahu een route via Zuid-Amerika probeerde te vinden (zie mijn blog van 24 februari 2012). Over deze expeditie is een prachtige beschrijving bewaard gebleven. Zo achtervolgden ze per ongeluk twee Engelse schepen om die te kapen. Ze dachten dat het Spaanse schepen waren. Ze ontmoetten naakte vrouwen in Afrika en eveneens naakte reuzen in Patagonië. Ze stierven aan koorts, scheurbuik of in een gevecht met indianen. Het waren pechvogels. Van de ongeveer 500 man keerde maar een enkeling terug.




In Vuurland ontmoetten Dirk Gerritsz en zijn bemanning reuzen. De vrouwen droegen een cape van dieren huiden, waaronder pinguïns. Bij de jacht op pinguïns troffen ze een van deze vrouwen aan in het hol van een pinguïn, waar ze zich had verstopt. ©Wikepedia


Gerritsz ontdekte volgens sommige Nederlanders Antarctica. Dit is internationaal niet erkend. Wel zeker is, dat hij door de Spanjaarden werd gevangen genomen, zijn Blijde Boodschap al dan niet aan de vijand verkocht voor 12.000 zilverlingen of wel dukaten (hier zijn de geschiedschrijvers het niet eens) en pas door een gevangenenruil weer vrijkwam. Die gevangenenruil was het gevolg van de voor de Spanjaarden niet zo succesvolle slag bij Nieuwpoort, waar de Nederlands Prins Maurits hen in 1600 versloeg. Hij maakte honderden gevangen, die moesten worden geruild. Dirk Gerritsz was er dus een van. Hij is nu vereeuwigd in het Dirck Gerritsz Laboratorium.

Wie waren Dirk Gerritsz Pomp of Dirk China eigenlijk?
Dat hij in Enkhuizen, een liefelijk stadje aan de voormalige Zuiderzee, is geboren, weten we. Wanneer dat precies was is echter niet bekend. Uit het feit dat hij 23 jaar was toen hij, op 7 april 1568, naar toenmalige Portugese Goa in India vertrok wordt geconcludeerd dat hij in 1544 of het begin van 1545 is geboren. Wanneer hij gestorven is, weten we ook niet precies. Maar het was in 1608 op de terugreis van Indië aan boord van de Matelief, dat bij bezweek en een zeemansgraf kreeg.

Hij was de eerste Nederlander die, in Portugese dienst, in China en Japan is geweest. Tweemaal maakte hij een dergelijke reis van Goa uit. Onder zijn invloed zijn de Liefde en de Hoop in 1599 van het eiland Santa Maria voor de kust van Chili, naar Japan vertrokken. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid, dat er een bloeiende en bijzonder winstgevende handel tussen Nederland en Japan ontstond.

Eigenlijk was Dirk Gerritsz een wat kleurloze avonturier. Iemand met weinig ambitie. Hij bracht het in Azië tot kanonnier. Maar wel iemand die de wijde wereld introk. Hij was geen schrijver zoals zijn tijdgenoot en vriend Jan Huygen van Linschoten (1563-1611), die beroemd werd door zijn boek 'Itinerario’ uit 1596. Hierin beschreef hij de gewoonten in het Portugese rijk in Azië, de verleidingen zoals mooie vrouwen, drank en opium en de route naar Java, China en Japan. Dat laatste deed hij op basis van de verhalen die hij hierover van anderen, zoals Jan Gerritsz, had gehoord.

Dirk Gerritsz werd vanwege zijn kennis over China en Japan overgehaald om aan de ontdekkingsreis Van Mahu deel te nemen; eerst als gast later als kapitein van de Blijde Boodschap. Eigenlijk werd hij bedonderd door zijn reders. Zo was de route van de reis geheim gehouden, omdat men anders geen bemanningen zou kunnen vinden. Afgezien van een paar ingewijden, dacht men dat men langs Kaap de Goede Hoop zou varen. Dat dit niet de bedoeling was, werd pas voor de kust van West-Afrika meegedeeld. Ook was het de bedoeling, dat de zwaar bewapende vloot zowel handelsroutes zou vinden als overvallen – piraterij dus – op onder andere de Spaanse vijand zou plegen. Hoe het ook is, de reis werd een grote mislukking. Het werd een reis van vooral pechvogels.

NWO predikt de ‘Blijde Boodschap’….
Onder de pakkende titel ‘NWO predikt Blijde Boodschap: geloof, hoop en liefde’ vraagt de Tilburgse de cultuurtheoloog Frank Bosman zich af wat NWO ertoe brengt om deze religieus geladen termen in de naamgeving te gebruiken. NWO geeft ook daar geen antwoord op. Wel zegt men, in een tweetalige brochure over de naamgeving van het eerste Nederlandse onderzoekstation op Antarctica: ‘De invloed van het Christelijk geloof was in die tijd groot. Scheepsexpedities waren hachelijke ondernemingen. Men voer op Gods kompas ter voorkoming van onheil. De schepen hadden dan ook Bijbels namen’. Maar die namen blijken juist een uitzondering te zijn. En zeker in deze combinatie. Van de 514 namen van de VOC- schepen, die tussen 1595 en 1650 uit Nederland vertrokken, hadden slechts ten hoogte 4% Bijbelse namen. Bijna de helft was genoemd naar een stad of plaats en een kwart naar dieren.




Videoboodschap prins Willem-Alexander 26 januari 2013.


In het kader van het internationale Pooljaar (2007-2009) organiseerde ik het bezoek van de kroonprins en prinses Máxima aan Rothera. Mijn ‘mission impossible’ is uiteindelijk toch gelukt. Nut en noodzaak van klimaatonderzoek was het centrale thema van dat bezoek. Vier jaar na het bezoek van de Koninklijke gasten aan Rothera is er dan dit ‘pechvogel’-laboratorium. Het duurde zo lang, omdat NWO in februari 2009 geen plannen klaar had, geen visie had waar het Nederlandse poolonderzoek heen moest of kon. De toenmalige minister van onderwijs Ronald Plasterk, die ook aan dat Koninklijke bezoek deelnam, overviel hen dan ook met die (logische) vraag. En nu wordt er dan met veel bombarie en Haagse bluf een eigen station op Rothera geopend. Dit met een milieueffectrapportage, onder de vlag van het Britse station en verzorgd door de Britten. Dat van een land, dat zijn mond vol heeft over de milieueffectrapporten van andere landen.

En dan die calvinistische, door de 16de eeuwse vrijheidsstrijd doorwrongen, namen van de vier hypermoderne, 21ste eeuwse onderzoekcontainers: Blijde Boodschap en Geloof, Hoop en Liefde. Hoe verzin je het, NWO? In welke eeuw leven jullie daar in Den Haag? Of gaan we pinguïns bekeren? Bekrompenheid ten top.

Internationaal zijn ze een lachwekkende uitzondering. Dat, evenals de financiële ondersteuning van het oh zo belangrijke poolonderzoek. Mocht het een verwijzing naar de VOC-mentaliteit zijn, dan zou het beter zijn als men het VOC-motto ‘de cost gaet voor de baet uyt’ volgt. Wellicht gaat men dat doen als men zich eindelijk eens op een gedegen manier inkoopt in een eigen station op Spitsbergen.

Onderzoek in de poolgebieden is van groot belang voor de Lage Landen. Hier treffen we immers de eerste signalen aan van de veranderingen, die ons staan te wachten. Het uitstekende en internationaal zeer goed bekendstaande ijskaponderzoek van de Universiteit Utrecht is hiervan een mooi voorbeeld. Of het Dirck Gerritsz Laboratorium, waarvan de financiering slechts tot 2015 verzekerd is, daar echt iets aan bijdraagt? Dat is de vraag.



Websites:
Geloof, Hoop en Liefde in Antarctica

NWO predikt Blijde Boodschap: geloof, hoop en liefde

Het Dirck Gerritsz Laboratorium: het verhaal achter de naam

Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Welkom in onze wereld

30. Oktober 2012, 14:15

Dat is de kop van een opiniestuk van Marc Bekoff in New Scientist van 22 september. Bekoff is emeritus hoogleraar ecologie en evolutionaire biologie aan de Amerikaanse Universiteit van Colorado in Boulder. Midden op de pagina prijkt een cartoon van een vergadertafel. Aan het hoofd zit een blijkbaar belangrijke meneer, met een mooie groene stropdas om. Aan de andere kant zit een bloot varken. Geen stropdas, dus; niets om je achter te verbergen. Andere deelnemers aan de vergadering zijn een felgekleurde haan, een duif of papegaai, een charmante geelgroen vis die zijn of haar lippen lijkt te tuiten, een rat en een konijn.


(Image: A. Krauze)

(Cartoon van A. Krauze bij het New Scientist-artikel van Bekoff)


Een aantal gasten ontbreken. De walvis is waarschijnlijk domweg te groot om aan zo’n tafel plaats te nemen. Die had zich kunnen laten vervangen door een zeehond, waarvan de aaibaarheid wellicht een bijkomend voordeel zou zijn. De in mijn jeugd zo succesvolle tuimelaars, die de hoofdrol speelden in de TV-serie over de vriendelijke en slimme dolfijn Flipper, zijn helaas niet meer beschikbaar. Ze zijn allemaal gestorven. Van de haaien, waarvan de mens jaarlijks een kleine 100.000.000 doodt voor de haaienvinnensoep, is er ook niemand aanwezig. Dit wellicht uit angst voor de witte haai, die soms een mens op eet. Dat overkwam de Australiër Ben Linden op 14 juli. Hij was toen aan het surfen voor de westkust. Daarna volgt een, door een nieuwe wet goedgekeurde, genadeloze jacht op de tot voor kort beschermde witte haai.

Ook ontbreekt de octopus, het – voor zover we eten – slimste ongewervelde zeedier. Deze dieren beschikken over een korte- en een langetermijngeheugen. Ook kunnen ze allerlei vormen en patronen van elkaar onderscheiden en dragen ze zelfs kokosnoten met zich mee. Deze worden gebruikt als beschermplaats. Ook is van gevangen octopussen bekend dat ze soms de aquaria waarin ze leven, verlaten om voedsel te gaan zoeken. Aan initiatief dus geen gebrek. En aan intelligentie ook niet. Toch belemmert ons dat niet om jaarlijks enorme hoeveelheden inktvissen te vangen en op te eten.



En dan was er, in 2010, de mediahype rondom de ‘orakeloctopus’ Paul van het Sealife Centre in het Duitse Oberhausen. Tijdens het wereldkampioenschap voetbal voorspelde Paul de uitslagen van de komende bekerwedstrijden. Zijn verzorgers hielpen hem een beetje bij de ‘voorspelling’. Ze deden mosselen in twee glazen bekers waarop de vlag van een aan de competitie deelnemend land was geplakt. Daarna was het de beurt aan Paul om zijn lekkernij te kiezen. De mossel die hij het eerst koos was die van het winnende land. Zo voorspelde Paul, foutloos, de afloop van alle wedstrijden van Duitsland. De overwinningen tegen Engeland en Argentinië en de nederlagen tegen Servië en Spanje. Over intelligentie gesproken…

Verklaring over bewustzijn
In juli kwamen een aantal topgeleerden in het Engelse Cambridge bijeen om deel te nemen aan de eerste Francis Crick Conferentie. Deze Engelse natuurkundige ontrafelde, samen met de Amerikaanse moleculair bioloog James Watson en Britse de natuurkundigen Maurice Wilkins, de structuur van het DNA. Hun baanbrekend onderzoek werd in 1953 in het bekende wetenschappelijke tijdschrift Nature gepubliceerd. Negen jaar later kregen ze voor dit onderzoek de ‘Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde’. In zijn latere leven heeft Crick zich in de VS vooral bezighouden met neurowetenschappelijk onderzoek van het bewustzijn. In 1994 publiceerde hij het boek The Astonishing Hypothesis: The Scientific Search For The Soul. Hierin zegt hij dat de neurowetenschappen nu over de hulpmiddelen beschikken om een wetenschappelijke studie te doen over de manier waarop de hersenen bewustzijn ervaren.

In de Cambridge Verklaring komen de neurowetenschappers tot de conclusie dat de mens niet uniek is wat het bewustzijn betreft. Niet-menselijke dieren – op zich al een uiterst merkwaardig onderscheid – zoals alle zoogdieren, vogels en vele andere dieren waaronder octopussen laten met de mens vergelijkbare neurologische structuren zien. Deze wijzen op een ‘menselijk’ of met dat van de mens te vergelijken, bewustzijn. Zo herkennen eksters, dolfijnen, mensapen en olifanten zich zelf ook in een spiegel.

Je kunt je afvragen of voor een dergelijke conclusie een speciale verklaring van dergelijke wetenschappers nodig is. Immers, het is al lang bekend dat dolfijnen en walvissen evenals apen slimme dieren zijn. Ook gaan de meeste mensen die huisdieren hebben, er nu van uit dat deze dieren heel wat slimmer en zeker aanhankelijker zijn dan soms wordt aangenomen. Het gebruik van proefdieren wijst bovendien eveneens op met de mens te vergelijken reacties bij deze dieren. Toch is het inzicht in het bewustzijn van niet-humane dieren in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Dit was voor de in Cambridge aanwezige onderzoekers blijkbaar de reden om hun bevindingen breder bekend te maken.

Menselijke perceptie
We kunnen ons natuurlijk afvragen waarom het zo lang geduurd heeft voordat de wetenschap officieel het bewustzijn bij andere dieren erkent. De belangrijkste reden hiervoor is dat deze dieren, in tegenstelling tot andere onderdrukte groepen in onze samenleving, niet voor zich zelf kunnen opkomen in onze menselijke maatschappij. Daarom bestaat er in Nederland sinds 2002 een Partij voor de Dieren die zicht richt op een dier- en milieuvriendelijker beleid.

Onze houding tegenover een reeks van medebewoners van ‘onze’ planeet, gaat vooral terug op de overtuiging van de Franse filosoof Descartes (1596-1650). Met zijn Cogito ergo sum – ik denk, dus ik besta – verwierp hij de toen gangbare filosofie van Aristoteles en verving die door een eigen dualistische filosofie. Hierin maakt hij, samen met andere filosofen uit zijn tijd, een verschil tussen lichaam en geest. Hierbij werd het lichaam als een machine beschouwd. De geest is geen materie en is dus niet onderworpen aan de natuurwetten. Omdat dieren geen geest hebben zijn het hersenloze machines. De schreeuw van pijn van een dier is daarom slechts het gekrijs van een slecht werkende machine.

Het gevolg is dat dieren genadeloos worden gebruikt voor menselijke activiteiten en voedsel voor de steeds maar groeiende menselijke bevolking. De visie van Descartes werd aangevochten door Verlichtingsfilosofen als Voltaire (1694-1778) en de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832), die één van de eerste voorvechters van dierenrechten was. Immers, we zien toch dat dieren kunnen leren, dat ze pijn lijden, vrolijk en boos kunnen zijn, enz. Het belang van de Cambridge Verklaring is dat wordt erkend – het is bijna een open deur – dat dieren kunnen lijden en een bewustzijn hebben. Wellicht opent dit de weg tot een diervriendelijker en duurzamer gedrag van de mens.

Lorre en het walvislied
Op het internet circuleert sinds enige jaren een YouTube-filmpje van de papegaai Chico uit Hoboken. In plat Antwerps imiteert hij het dialect van zijn baasje. Een papegaai is echter niet het enige dier dat de spraak van mensen imiteert. Dat komt bij een reeks van zeezoogdieren en  vogels voor. Bovendien kan de mens zelf ook uitstekend het geluid van allerlei dieren nabootsen.





In Nature van 22 oktober 2012 staat het verhaal van de jonge, witte of beloega walvis NOC. De witte dolfijn staat bekend als de ‘kanarie van de zee’. Het is al lang bekend dat walvissen geluiden kunnen maken die sterk lijken op de menselijke taal. Het bewijs hiervoor ontbrak echter tot nu toe. In 1984 hoorden de verzorgers van NOC, geluiden die klonken als verminkte door een mens uitgesproken, zinnen. Later maakten ze hiervan opnamen, die nu op YouTube zijn te vinden. NOC stopte met zijn communicatie toen hij, vier jaar later, volwassen werd.

Het leven in de 4D-wereld van de oceaan, die ik daarom de ‘oceanische ruimte’ noem, is heel wat ingewikkelder dan ons leven op het land. Wij, u en ik, bewegen ons slechts voort over het aardoppervlak; op de bodem van de ‘oceaan van lucht', die we atmosfeer noemen. Sinds een halve eeuw kunnen we, samen gepropt in stinkende buizen, die wij vliegtuigen noemen, massaal door het alleronderste deel van de ‘oceaan van lucht’ bewegen. Vliegtuigen maakten de wereld kleiner en veranderden ons gedrag in hoge mate.

Het leven van een vis, octopus of walvis in de oceanische ruimte is complex. Hoe vindt je elkaar in die enorme ruimte, waar boven onder is en onder boven, terug? Walvissen en dolfijnen gebruiken hierbij een fascinerende en ingewikkelde communicatie met geluid. Het ‘lied’ van de bultrug werd in de jaren zestig van de vorige eeuw ontdekt. Nu weten we dat deze in groepen levende dieren, verschillende ‘liedjes’ zingen. Die van de mannelijke humpbacks is het langst en meest complex. Ze kunnen wel een half uur duren. De ‘liedjes’ bestaan uit een ingewikkelde reeks van fluittonen, gilletjes en gesprekjes.

Deze communicatie wordt nu verstoord door het lawaai van de steeds maar toenemende menselijke activiteiten. De militaire proeven met sonar om de vijand op te sporen, het lawaai van het maritieme transport en de vele boortorens, baggeraars en windmolens. Dol worden ze ervan, daar in die oceanische ruimte. En wij, wij weten van niets.

Welkom in onze wereld
Bekoff ergerde zich er terecht aan dat de vissen in de Cambridge Verklaring ontbreken. De groep die dringends bescherming of op zijn minst een andere, ‘meer humane’ behandeling nodig heeft. Jaarlijks vangen en eten wij veel vis. De nieuwste cijfers van de Wereldvoedselorganisatie, FAO, laten zien dat dit in 2010 maar liefst 154 miljoen ton was. Hiervan wordt een kleine 80 miljoen ton uit zee gevist en wordt ruim 63 miljoen ton gekweekt. Daarnaast eten we jaarlijks 53 miljard koeien, varkens en schapen en 57 miljard vogels. Deze indrukwekkende getallen vallen echter in het niet, als we de tonnen vis, evenals bij de zoogdieren en vogels, omzetten in aantallen individuen. Volgens een studie uit 2010 van de Engelse milieuorganisatie Fishcount, gaat het dan om 1300 tot 3400 miljard dieren. Allemaal moeten ze worden geslacht. En dat gebeurt op een gruwelijke manier.

‘Welkom in onze wereld’, luidt de titel van het opiniestuk van Bekoff. ‘Welkom aan de vergadertafel’ zou het onderschrift van de cartoon kunnen zijn. Welke onderwerpen er op de agenda staan is niet te zien. Het voorkomen van dierenleed? Duurzaamheid wat de vele menselijke activiteiten betreft? Maar de kans is groot dat het ‘welkom’ vooral zal zijn: ‘Welkom op de tafel. Eet smakelijk!


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Ocean Health Index is misleidend

23. Augustus 2012, 16:33

Terwijl de Belgische kust zuchtte onder een hittegolfje, de eigenaars van strandtenten even niet meer dachten aan processen tegen de ‘slecht-weer-voorspellers’, de badgasten en masse van het weer genoten, werd de ‘ocean health index’ gepubliceerd in het gerenommeerde tijdschrift Nature.



Beide nieuwtjes zijn zaken die verband met elkaar houden. Maar het valt niet mee om de gevolgen van de menselijke activiteiten zoals visserij en vervuiling, te koppelen aan wat wij zoal dagelijks doen. In de media wordt hieraan bijna nooit aandacht gegeven. Kijk naar de krantenkoppen van de afgelopen week. Zo bericht men uitvoerig over het topweekend aan de Belgische kust en tegelijkertijd op de nieuwe 'ocean health index’, waarbij België blijkbaar een voldoende kreeg. De link tussen beide zaken wordt weer niet gelegd.


Het afgelopen weekend was het inderdaad weer aanschuiven op de snelwegen, zaten de treinen weer bomvol en lagen de mensen als frietjes te braden en te verbranden aan de kust. Niet alleen in Vlaanderen. Aan het strand van Scheveningen in Nederland kon je over de koppen lopen. Alle hotels aan de Vlaamse kust waren volzet. Volgens Horeca Middenkust kan de ondernemer weer opgelucht ademhalen en waren er slechts drie peuters verdwaald. Wat het kwijt raken van kinderen tijdens een weekendje aan het strand betreft, zitten we in een opwaartse trend. Eigenlijk mis ik hier een index, zeg maar het aantal ‘kwijtgeraakte’ kinderen per duizend bezoekers per dag of per jaar.


Voor de zee is er nu een nieuwe index: de ‘ocean health index’, OHI, of de oceanische gezondheidindex. Op een schaal van nul tot honderd scoort België 64 en bereikt daarmee een gedeelde 22ste plaats. Dat is heel wat lager dan de buurlanden. Nederland en Frankrijk scoren 70 en 66 en staan daarmee op de 9de en 11de plaats. Beide landen delen die positie echter met een aantal andere landen. Nederland met Canada en Frankrijk met Slovenië. België verslaat zijn overbuur Engeland met glans. Engeland eindigt met een score van 61 op een gedeelde 38ste plaats. Engeland moet deze positie delen met landen als Mauritanie, Bangladesh, Costa Rica, Zweden en Egypte. En België? Die deelt zijn positie met landen als Nieuw-Zeeland, de onbewoonde gebieden van de VS in de Stille Oceaan en Kiribati.



 

De gevolgen van menselijke activiteiten, zoals intensieve visserij, transport over de oceaan en de vervuiling van het water, zijn overal zichtbaar. Hierdoor veranderen ecosystemen in de oceanische ruimte en neemt de draagkracht ervan af. De verschillende kleuren in dit kaartje geven dit aan. In de blauwe gebieden is het effect het kleinst; in de groene is die klein, in de gele gebieden gemiddeld en in de rode gebieden, zoals de Noordzee en de Oostzee, het grootst. © Halpern, Center for Ocean Solutios, VS.



Oceanische ruimte

Eeuwenlang al beschouwen wij de oceaan als een oppervlak. Aan het strand bij Oostende zien we schepen voorbij varen: van links naar rechts en omgekeerd. Zo nu en dan wringt zich een veerpont, in een geheel andere richting, tussen het gestage verkeer door. Maar ja, de veerponten gaan dan ook naar de overkant, naar Engeland. Als we een verkoelend bad nemen dan realiseren we ons soms dat de zee meer is dan een oppervlak. Het lijkt wel een aquarium, met allerlei dieren in het water en op en in de zeebodem. Zelden realiseren we ons dat de zee, de oceaan een geheugen heeft: de oceanische ruimte is 4D!

Het is juist die verandering van 2D- naar 4D-denken, die de verkenning van die ruimte op onze eigen, blauwe planeet zo belangrijk en spectaculair maakt. Belangrijk omdat de oceanische ruimte de mens een reeks van diensten, ecosysteemdiensten, levert. De bekendste zijn die van de visserij, de winning van een groot aantal grondstoffen die onmisbaar zijn voor onze huidige manier van leven, voor ons welzijn. De andere is het gebruik ervan als afvalputje. Vervuiling van zijn leefomgeving is een van de meest opvallende kenmerken van onze menselijke activiteiten. We doen dat al duizenden jaren. Daarnaast heeft de zee voor miljoenen mensen en vele Vlamingen op een warme dag, ook een sociale functie. We gaan er heen om te werken, te ontspannen, weer op adem te komen, te ontdekken en te bruinen.


Menselijke invloed op oceanische ruimte

Negentien Amerikaanse wetenschappers onder leiding van Ben Halpern (Universiteit van Californië) hebben in 2008 voor het eerst een wereldkaart gemaakt van de menselijke invloed op de oceanische ruimte. Wat bleek? Meer dan veertig procent ervan is in hoge mate beïnvloed door menselijk activiteiten.

De ‘Global Map of Human Impact on Marine Ecosystems’, werd in februari 2008 gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Science. De onderzoekers ontwikkelden een model, waarin zeventien mondiale gegevensbestanden van menselijke impact op de ecologische verandering van twintig ecosystemen werden verwerkt. De conclusie is, dat er eigenlijk geen plek op aarde – óók niet in de oceanische ruimte – meer is waar de mens geen sporen heeft nagelaten.

De meest beïnvloede gebieden zijn o.a. de Noordzee, de Oostzee, de Zuid- en Oost-Chinese Zee, de Caribische Zee, de Amerikaanse oostkust, de Middellandse Zee, de Rode Zee, de Perzische Golf, de Beringszee en diverse regio’s in de Stille Oceaan. De minst beïnvloede gebieden zijn de poolgebieden. Ook komen er langs de noordkust van Australië minder beïnvloede gebieden voor en treffen we kleine, gefragmenteerde gebieden aan langs de kusten van Zuid-Amerika, Afrika, Indonesië en in de Stille Oceaan.


Meten is weten?

Dat is een opmerking die ik vaak hoorde van mijn als ingenieur geschoolde collega’s. Dat het doen van metingen belangrijk is. Daar twijfel ik geen moment aan. Eigenlijk is onze maatschappij doordrongen met allerlei al dan niet noodzakelijke of zinvolle metingen. Zo wordt de kijkdichtheid van TV-programma’s gemeten, kijken we naar de hoogte van de golven als het stormt, enz. Het eerste kan de populariteit van een politicus bepalen en daarmee zijn carrière; het tweede bepaalt de hoogte van de dijken die ons moeten beschermen tegen overstromingen. Dus meten is belangrijk. Maar weten ook. Het is de vraag of meten altijd tot weten leidt. Het verhaal achter het meten, de context waarin het gebeurt, is minstens even belangrijk.

In de door Halpern en zijn collega’s voorgestelde uitwerking van de wereldkaart over de invloed van de mens op de oceanische ruimte, zijn er een aantal zaken die we ons moeten realiseren. Zo richtte de indrukwekkende onderzoekgroep van 65 wetenschappers en communicatie-experts zich de afgelopen drie jaren uitsluitend op de Exclusieve Economische Zone. Een strook zee van ten hoogste 370 kilometer breed, waarbinnen 171 kustlanden het recht hebben grondstoffen te winnen, maar ook de plicht dit op een duurzame manier te doen. De EEZ omvat slechts een deel van de zee. Ook gaat de index uit van voor de mens belangrijke diensten die deze ruimte levert. Het is daarom een op de menselijke activiteit gerichte methodiek, die ook een indruk geeft van het gehele systeem. Maar ook niet meer dan dat.


Het laat dus eigenlijk zien hoe wij omspringen met de rijkdommen van de zee. Doen we dat op een duurzame manier of juist niet? Wat de visserij betreft is het antwoord duidelijk. We doen dat niet duurzaam. Het is dan ook vaak nog een lange weg naar duurzame visserij. Dat is in de index – ook in de Belgische – te zien door een laag getal in een rood gekleurd segment van de cirkel.


Dan even terug naar de OHI, waarin Polen, wat Europa betreft, het slechtste scoorde: 42 op 100. Goed voor een gedeelde plaats met Angola. Beide staan ze op 163ste plaats. Duitsland, met een score van 73, vormt de eenzame top binnen Europa. Dat lijkt op het eerste gezicht wat vreemd. Het is een hoog geïndustrialiseerd land, de economische motor van Europa. Samen met de Seychellen scoort het land 73 punten. Het verschil, alleen al wat het aantal inwoners betreft, is bijna een factor duizend. Dat is enorm. Maar de Duitse inzet op duurzaamheid werpt, gezien het resultaat in de OHI, wel zijn vruchten af.

Sensibilisering, een bitter noodzaak.

De OHI is een goede eerste stap om een duurzamer gebruik en beheer van de oceanische ruimte en vooral van de EEZ mogelijk te maken. Ben Halpern, een uitermate vriendelijke wetenschapper met oog voor wat er in de maatschappij speelt, en zijn team zijn heel vernieuwend bezig. Het valt immers niet mee om de drie duurzaamheidpijlers – economie, ecologie en maatschappij – geïntegreerd of holistisch aan te pakken. Alle lof, maar het is wel oppassen dat de juiste boodschap overkomt. Immers 60 op 100, 6 op 10 in Nederland en 12 op 20 in Vlaanderen is een voldoende. Het vervelende is dat dit juist niet zo is.

Het verhaal achter de cijfers moet ook duidelijk worden gemaakt. Daar is sensibilisering dringend voor nodig. Hoe kunnen we iets beschermen als we geen idee hebben waar we het eigenlijk over hebben. En beschermen is wat de oceanische ruimte betreft, een bittere noodzaak. Vooral voor de mens met een snel toenemende populatie en een nog snellere toenemende waaier van activiteiten. De boodschap dat het effect van de menselijke activiteiten in de oceanische ruimte aandacht vraagt is hierdoor meer dan urgent. Dat ondanks mooie cijfers van een nieuwe index.


Websites

http://www.oceanhealthindex.org/

http://www.whoi.edu/main/news-releases?tid=3622&cid=147429

http://www.guardian.co.uk/environment/2012/aug/15/tiny-pacific-island-ocean-health-index

 

Literatuur

De oceaan anders bekeken. ACCO, Jan H. Stel, juni 2012.

 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Rotterdam - Antwerpen: 1-1 of 1-0?

16. Juli 2012, 12:00

In de afgelopen dagen lieten de twee grootste havensteden van de Lage Landen weer eens van zich horen.

In Nederland reed een grote limousine met motorrijders door een dor en kaal landschap. Koningin Beatrix gaf het startsein voor de sluiting van de nieuwe dijk om de Tweede Maasvlakte. Nieuw land, inclusief een ‘getolereerd’ naaktstrand verborgen achter een rij containers, voor de haven van Rotterdam.

Een paar dagen eerder werd de eerste steen gelegd voor de lang verwachte heraanleg en zo noodzakelijke herinrichting van de Scheldekaaien in Antwerpen. Geen naaktstrand, wel een ondergrondse parkeergarage en speelplaatsen voor kinderen.

Opening Tweede Maasvlakte

Op YouTube circuleren er twee versies van de heroïsche sluiting van de Tweede Maasvlakte. Hiermee voegt Nederland weer een ‘ingedijkt stukje Noordzee’ aan het grondgebied toe. Dit onder het toeziend oog van de Koningin en een groot aantal buitenlandse gasten, allemaal potentiele klanten voor Nederland-Waterland.



De sluiting zelf vond op het moment van doodtij plaats. Dat is slim en het gemakkelijkst. Het ziet er uit als of die Nederlanders weer alles naar hun hand kunnen zetten. Blijkbaar ook het weer. Want het was een stralende dag. Ruim driehonderd gasten, gelaarsde gasten, met de koningin voorop. Samen bekeken ze een schitterende collage van de heroïsche strijd van Nederland tegen het water. Vanaf het speciaal aangelegde terras kijkt men vervolgens toe, hoe de ingenieurs de dijk sluiten. Uiteraard met de meest moderne en het meest duurzame materiaal.


Even terug naar YouTube. In de tweede versie drukt Hare Majesteit, na een nadrukkelijk verzoek van de gastheer Hans Smits, directeur Havenbedrijf Rotterdam, nog maar eens op die rode knop. En dan gaat het dus mis, goed mis. Iemand vloekt, wat natuurlijk niet hoort in een dergelijk gezelschap. Er vindt een enorme ontploffing plaats. Uit de luidspreker hoor je de geruststellende stem van Wim Sonneveld: ‘thuis heb ik nog een ansichtkaart’ klinkt het wat weemoedig. Hij zingt over het dorp, dat er niet meer is. Ondertussen raast een tsunami over de wereld en vernietigt steden als New York. Eigenlijk blijft er niets over van al die uitingen van menselijke activiteit waar we – terecht – zo trots op zijn.




Met een druk op de knop gaf Koningin Beatrix woensdagmiddag het startsein voor het sluiten van de laatste meters in een nieuwe elf kilometer lange dijk. Drie grote zuigers begonnen het sluitgat te vullen. Het werkje duurde ongeveer zes uur. Toen waren de gasten uiteraard al lang verdwenen.


Met de Tweede Maasvlakte wordt de haven van Rotterdam in een klap twintig procent groter. Die twintig procent is 12.000 hectare. Kosten: bijna 3 miljard euro. Knokken tegen de zee is populair in Nederland: bijna één miljoen mensen bekeken de reportage op de TV. Bijna even veel als er gemiddeld in Vlaanderen naar een aflevering van ‘De Kampioenen’ wordt gekeken.


Ook bij de zuiderburen werd er gekeken. CANVAS/TERZAKE bracht het niet verder dan te klagen over nog meer concurrentie. Het bredere plaatje zag men niet. In Vlaanderen werd de haven van Antwerpen, na een jarenlange discussie, eindelijk beter bereikbaar gemaakt. Toch knipperlichten de Nederlanders, onder aanvoering van staatssecretaris Henk Bleker, voort. Gaan we de Hedwigepolder nu wel of niet ontpolderen? Zijn we nu wel of niet een betrouwbare gesprekspartner? De Nederlander op zijn smalst. Jammer dat de horizon in de Lage Landen zo beperkt is. Jammer dat we niet verder kijken dan onze neus lang is.


Want, ondanks het hilarische karakter van de tweede versie van die opening, heeft ook dit filmpje een kern en een duidelijke boodschap. Al die menselijke activiteiten in kwetsbare gebieden zijn niet duurzaam en op termijn levensbedreigend. Duurzaam gebruik en beheer van de oceanische ruimte vereist samenwerking, vereist denken vanuit de zee in plaats vanaf het land. Ook bij de aanlag van havens, belangrijke havens voor Noordwest-Europa. Dus ontpolderen maar. Ook dan wordt de Nederlandse kustlijn immers weer langer, niet waar? Dat wil men blijkbaar graag. Bovendien blijkt diezelfde Nederlander dan wellicht toch nog betrouwbaar te zijn.




Scheldekaaien

Een paar dagen eerder was er een feestje in Antwerpen. Eindelijk werd er begonnen met de heraanleg van de Scheldekaaien. Al jaren knaagde de tand des tijds aan deze zo begerenswaardige plek van de mooie scheldestad. Zelfs de mooie blauwe steen begint af te brokkelen. Het plan werd al in 2009 goedgekeurd. De kosten werden in De Standaard van 20 oktober 2005 geraamd op 645 miljoen euro. Maar dat dan wel over een periode van vijftien jaar. Pas tegen 2020 zijn de kaaien, die onderdeel van het succesvolle Sigmaplan zijn, af.

In het interview wijst burgemeester Patrick Jansen er op dat die eerste steenlegging een belangrijk moment is voor Antwerpen. ‘Men kijkt er al jaren naar uit’, zegt hij opgewekt. ‘Het uitzicht op de rede zal drastisch gaan veranderen’. Dat klopt er zal in de komende jaren een mooie publieke ruimte langs de oever van de Schelde ontstaan. Oude loodsen, vervallen kademuren, troosteloze parkeerplaatsen en wat nog meer zal plaats maken voor een populaire wandelzone. Het zal een toeristische trekpleister van formaat zijn. Dat voor een stad die aan aandacht van toeristen toch al niet te klagen heeft. En dat is terecht. Antwerpen heeft allure, Antwerpen – één van de grootste havensteden van Europa - is een fijne, gezellige stad. Daar kan Rotterdam nog wel wat van leren.


Maar er is ook iets anders aan de hand. De veiligheid van de Scheldestad is in het geding. Hierover zegt Jansen in hetzelfde interview: ‘… maar nog belangrijker is dat de rijzende zeespiegel het zo belangrijk maakt ons te beschermen tegen mogelijke overstromingen’. Ik geef toe dat het wat flauw is, maar deze opmerking ging gepaard met een handgebaar waaruit je zou kunnen afleiden dat de burgervader een forse zeespiegelstijging verwacht. En hij heeft gelijk. Het is hoogtijd om de Schelde aan te passen aan de snel veranderende situatie. Dat, ondanks het uitermate innovatieve Sigmaplan met overstromingsgebieden toen onze noorderburen daar nog niet of nauwelijks van hadden gehoord. Het aanpakken van de Scheldekaaien is een mooi begin. Het in tijden van superstormen (
zie mijn eerder blogpost) en hoge nood kunnen afsluiten van de Schelde zou vermoedelijk een betere zijn.

Toch is ook Vlaanderen in actie gekomen. Men is zich wel degelijk bewust van de grote uitdagingen die klimaatverandering en het zich aanpassen aan het leven in een delta in de 21ste eeuw, vragen. In juni 2011 werd het geïntegreerde Masterplan Kustveiligheid door de Vlaamse Regering goedgekeurd. In oktober van datzelfde jaar was men al begonnen aan de strandsuppleties. Het plan speelt in op de Europese trend om het land te beschermen tegen zware stormen, die eens in de duizend jaar voorkomen. De kans op een dergelijke storm wordt door de klimaatverandering steeds groter. Het is dus belangrijk dat men zich daar nu, hopelijk ruim voor dat er werkelijk iets verkeerd gaat, op voorbereidt. En dan is er nog het schitterende project Vlaamse Baaien, dat in 2009 door een aantal gerenommeerde Vlaamse bedrijven werd gepresenteerd. Ook dit is een concept dat een vlaggenschip in de 21ste eeuw zou kunnen zijn.


Dus voor mij is het minstens 1-1 tussen Antwerpen en Rotterdam.


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


James Cameron: derde man op bodem diepzeetrog

27. Maart 2012, 12:09

“Net op de bodem van het diepste punt van de oceanische ruimte aangekomen. De bodem bereiken is nog nooit zo goed geweest. Sta te popelen om met jullie te delen wat ik zie”. Dat was een van de vele boodschappen die James Cameron twitterde tijdens zijn reis van zes uur met de Deepsea Challenger. Zo liet hij weten wat hij zo al beleefde op zijn anderhalf uur durende duik naar de bodem, zijn verblijf van maar liefst drie uur in het onwezenlijke landschap ervan en zijn terugreis. Zo werd zijn unieke trip een ervaring die hij met duizenden belangstellenden, vaak geïnteresseerde ingewijden, deelde. Dat is pas sensibilisering met hoofdletters!


Deepsea challenger zet de derde man op de bodem van de Marianentrog.

Afgelopen vrijdag stond ik in een mooi zaaltje in het gemeenschapscentrum De Ark in Puurs. Ik was ‘gestrikt ‘ door de KVLV-vrouwen om een verhaal te vertellen over de oceaan. Normaal noem ik dergelijke verhalen ‘Wandelingen in de Oceanische Ruimte’. Maar nadat deze titel door een belangrijke boekhandel als vaag en het begrip oceanische ruimte als nog vager werd bestempeld, hou ik het dan maar weer op de oceaan. Maar toch: oceanische ruimte geeft de verbondenheid, de vier dimensies en de relatie met de technologie – zoals in de ruimtevaart – wel heel mooi weer.

Wat dan ook: ik vertelde mijn toehoorders dat James Cameron voor het eerst sinds een halve eeuw met een high-tech duikboot, in zijn eentje, naar het diepste plekje op aarde zou afdalen: de Marianentrog, bijna elf kilometer diep. Hij zou de derde ‘man in de Marianentrog’ worden; dit terwijl er al twaalf mannen – vrouwen doen blijkbaar (nog) niet mee – op de maan zijn geweest. Ik wees ze erop dat ze er de komende dagen vast wel in de media over zouden horen. Dat is met dank aan de vele tv-uitzendingen en kranten in België en Nederland dan ook gebeurd. Zo werd de lezing toch nog een succes.






Rijk van de duisternis
De onvoorstelbaar grote, donkere en koude watermassa die diepzee heet, leek evenals de lege ruimte rondom onze planeet door het effect van de zwaartekracht volstrekt onbereikbaar. Eeuwenlang dacht men, dat het voor de mens nooit mogelijk zou zijn de aardse zwaartekracht te overwinnen. Het fragiele menselijke lichaam is, dacht men, niet bestand tegen de versnelling van elf kilometer per seconde, die nodig is om in de ruimte te komen. Daarheen zouden we hoogstens robots kunnen sturen. En dat hebben we dan ook gedaan in de afgelopen jaren.

Het zou, dacht men, voor de mens ook onmogelijk zijn in de diepzee af te dalen. Niets zou het menselijk lichaam kunnen beschermen tegen het gewicht van het water. Tegen de met één atmosfeer per tien meter oplopende druk. Stel je voor: hoe kun je een druk van meer dan 1000 atmosfeer op een diepte van meer dan tien kilometer overleven? Leven zou er onmogelijk zijn, niet waar? Ook dat beeld is in de afgelopen decennia drastisch veranderd. De diepzee barst van het leven. Ja, zelfs de bodem ervan zit vol leven.

Maar rondom het midden van de vorige eeuw bleken zowel de diepzee als de ruimte wel voor de mens toegankelijk. Op 23 januari 1960 daalden de in Brussel geboren Zwitser Jacques Piccard en de Amerikaan Don Walsh, in hun bathyscaaf Trieste, af tot 10.916 meter diepte in de Marianentrog. Ze bleven er twintig minuten. Cameron heeft dat record dus bijna tienmaal verlengd. Op 12 april 1961 maakte Joeri Gagarin, in het Russische ruimtevaartuig ‘Vostok 1’, de eerste volledige omwenteling om de aarde in de ruimte. De verkenning van de ruimte begon hierna pas echt.


Met de Bathyscaaf Trieste bereikte de mens in 1960 de bodem van de diepzee


Avonturiers en het brede publiek
De reis van James Cameron begon op zondag rond tien uur in de avond. Ruim zes uur later dook hij midden in de nacht, zou je bijna zeggen, weer op. Maar dan is er geen rekening gehouden met het tijdsverschil. In de Stille Oceaan was het bijna acht uur toen hij aan zijn duik in de donkere diepzee begon om voor een late lunch terug te keren. Cameron is een van de bekendste niet-wetenschappers, die een belangrijke rol spelen in het wekken van belangstelling voor het onderzoek van en in de oceanische ruimte. Hij heeft meer uren op de Titanic doorgebracht dan de ongelukkige kapitein Edward Smith.

Bob Ballard is dan weer een van die succesvolle wetenschappers die ook oog hebben voor het belang van voorlichting van het brede publiek over wat er zoal in de oceanische ruimte gebeurt. Op een hoogtechnologische manier deelt hij zijn fascinatie voor de wereld van de diepzee met schoolkinderen waarmee hij schitterende expedities organiseert. Immers het betrekken van de jeugd bij het onderzoek is de beste manier om de nieuwe generatie van nieuwsgierige onderzoekers te creëren. In Nederland hebben we dat binnen de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek ook gedaan tijdens het afgelopen Internationale Pooljaar. Het was een succes, maar ‘paste toch niet in de doelstelling van deze onderzoekorganisatie’. Een gemiste kans.

In België is er het Vlaams Instituut voor de Zee dat in Oostende is gehuisvest. Als één van de weinige instituten hebben ze ook de opdracht om het brede publiek te informeren over de resultaten en het belang van het onderzoek van de zee. In Nederland ontbreekt een dergelijk aanspreekpunt, hoewel er wel een mooie website is gemaakt.

Wel goed gelukt zijn de activiteiten van de Belgische avonturier Alain Hubert. Hij is met de hulp van een aantal wetenschappers, dan toch maar in staat geweest om België weer letterlijk op de kaart van Antarctica te zetten met het high tech Princess Elisabeth station. Ook hij weet, evenals James Cameron, dat het sensibiliseren van het brede publiek een belangrijke factor in het realiseren van zo’n mooi plan is. Ik ben benieuwd of de diepzeereis van James Cameron eindelijk echt zal leiden tot een gedegen verkenning van de oceanische ruimte. Of ligt diepzeetoerisme, zoals ook in De Standaard van afgelopen maandag staat te lezen, meer voor de hand?



Websites:
Jason project Bob Ballard
VLIZ
Nederlandse voorlichtingssite Zee in zicht



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Geloof, Hoop en Liefde in Antarctica

24. Februari 2012, 13:19

Geloof, Hoop en Liefde. Dat zijn drie van de vier namen van de containers, die gezamenlijk het Nederlandse onderzoeklaboratorium op het Antarctische Schiereiland – de Randstad van Antarctica – zullen vormen. Drie ervan werden een maand geleden door de Nederlandse staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) Halbe Zijlstra en de voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) Jos Engelen op transport gezet. De reis gaat via Engeland naar de Britse basis Rothera op Adelie-eiland in Antarctica.

De containers zijn gebouwd door JM Services in Dirksland op Goeree-Overflakkee. Het bedrijf is gespecialiseerd in koeltechniek. Het heeft een speciale ruimte gebouwd om de containers in een gepaste, koude omgeving in elkaar te zetten. Daarna zijn ze als gespecialiseerde laboratoria ingericht bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zee-onderzoek op Texel. Daar wonen en werken de experts als het gaat om het inrichten van dit soort containers. De vierde container die de Blijde Boodschap is genoemd, is nog niet klaar. Samen zullen ze in een soort ‘car- of containerport’ bij de Britse basis worden geplaatst. Het lab zelf is het Gerritzlaboratorium genoemd. Het zal van 2013 af operationeel zijn tot 2018. Wat er dan gaat gebeuren is nog niet bekend.


De Liefde gaat dit keer naar Antarctica. Vier eeuwen geleden verraste het Japan met een bezoek.

Volgens de projectcoördinator Liesbeth Noor van het NWO Gebiedsbestuur Aarde en Levenswetenschappen hebben de Nederlanders nu eindelijk een eigen plek op Antarctica. Maar dan wel op het Antarctische Schiereiland, de meest dichtbevolkte plek van Antarctica. De plek, waarvan de Nederlandse overheid tientallen jaren lang beweerde er geen eigen station te zullen bouwen. Vandaar dat het, volgens NWO, slechts één van de laboratoria bij dit knooppunt voor de indrukwekkende Britse onderzoekinspanning in Antarctica is. Daar is op zich helemaal niets mis mee.
Maar dan die namen: Geloof, Hoop en Liefde. Dat lijkt wel een tekst uit de Bijbel. Maar dat is natuurlijk niet zo. Ze komen echt niet rechtstreeks uit 1 Korintiërs 13, waar het over ‘de liefde’ gaat. Neen, het zijn de namen van vier van de vijf schepen, waarmee de Hollanders in 1598 naar de Molukken vertrokken. Het moet wel iets heel bijzonders zijn, dat je ruim vier eeuwen later een onderzoekstation of laboratorium naar die schepen noemt, niet waar? Wat was er toen aan de hand?

De cost gaet voor de baet uyt
Dat was in de Nederlandse Gouden Eeuw het motto van de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC), de eerste multinaltional ter wereld. Met Vlaamse kennis, kunde en kapitaal – van onder andere naar de Nederlanden gevluchte Antwerpenaren – kreeg Holland zijn plek in de wereldgeschiedenis.

In de laatste jaren van de zestiende eeuw begon de maritieme expansie. Allerlei voorcompagniën of voor één expeditie opgerichte bedrijven, zochten naar een nieuwe route naar de rijkdommen van Indië of Azië, in een door de Spanjaarden en Portugezen onderling verdeelde wereld. Binnen tien jaar organiseerde de zich verzelfstandigende Republiek een zevental ontdekkingsreizen om die route te vinden: drie via de Noordelijke IJszee, twee via Kaap de Goede Hoop en twee via de Straat Magellaen in het zuidelijkste puntje van de nieuwe wereld.

De zoektocht via de Noordelijke IJszee eindigde in de heroïsche – althans volgens de Nederlandse geschiedschrijvers – overwintering van Willem Barents op Nova Zembla en een glorieuze walvisvangst. De ontdekkingsreizen om Kaap de Goede Hoop bracht de latere VOC aanvankelijk veel winst en leidde tot de eeuwenlange kolonisatie van enorme overzeese gebieden en een bloeiende slavenhandel door de West Indische Compagnie.

Van de twee reizen via de Stille Oceaan stond de eerste, door de Rotterdamse of  Magelhaanse Compagnie georganiseerde expeditie, onder leiding van Jacques Mahu. Verslagen van dergelijke reizen waren vaak bestsellers. Daarom weten we dat deze expeditie een grote mislukking was. Ook was het een reis vol ontberingen en gevaren.


De vloot van Jacques Mahu en Simón de Cordes bij Goeree, juni 1598.

Op 27 juni vertrokken de vijf schepen van de rede van Goeree, waar nu de vier containers van het Antarctica laboratorium in het dorp Dirksland, zijn gemaakt. Admiraal Mahu vertrok met 494 man, van wie er uiteindelijk een handjevol terugkeerde. De meeste aan boord van het schip Geloof met Sebald van Weert als kapitein, anderen, zoals de pechvogel Dirck Gerritszoon Pomp, door een gevangenenruil, en een enkeling nadat Japan door de Liefde was bereikt en in beslag genomen.

Toen de Weert na twee jaar in de Republiek terugkwam, had hij uiteraard wel wat uit te leggen. Zijn verhaal is opgetekend door de Amsterdamse uitgever Zacharias Heys in het Wijdtloopigh verhael van tgene de vijf Schepen (die int jaer 1598, tot Rotterdam toegherust werden, om door de Straet Magellana handel te dryven). Het beschrijft de tocht tot 7 september 1599.

Het is een schitterend verhaal, dat laat zien hoe gevaarlijk en avontuurlijk dergelijke ontdekkingsreizen waren. Ze volgden per ongeluk twee Engelse schepen om die te kapen, omdat men dacht dat het Spaanse schepen waren. Ze ontmoetten naakte vrouwen in Afrika, reuzen – uiteraard ook naakt – in Patagonië en ze stierven aan koorts, scheurbuik of in een gevecht met indianen, die vermoedelijk dachten dat de Hollanders Spanjaarden waren.

Ook werden de schepen maandenlang door tegenwind opgehouden in het ijskoude weer in de Straat van Magellaen: ruim 130 mensen kwamen om. Vele stormen teisterden de schepen. Zo werd Dirck Gerritz, die na de dood van Mahu bij de Kaap Verdische Eilanden, kapitein van de Blijde Boodschap of het Vliegend Hart werd, door een storm tot bij de Shetland Eilanden geblazen.

Daarmee was hij, volgens de Nederlanders, de eerste Europeaan die Antarctica zag. Dirk Gerritz als gedoodverfde ontdekker van Antarctica. Prachtig toch? Niemand schenkt hieraan echter veel aandacht. Maar de Nederlanders wel, zoals blijkt uit de ongelukkige naamgeving van het onderzoeklaboratorium op Rothera. Ook is duidelijk dat deze claim in het niet valt bij die van de Polynesische zeevaarders onder Ui-te-rangiora, in de zevende eeuw, die aan de andere kant van de wereld Antarctica al lang hadden ontdekt.

Voor Dirk Gerritz liep deze reis slecht af. Uiteindelijk belandde hij in een Spaanse gevangenis. Gedreven door voedselgebrek voer hij de Spaanse haven van Valparaiso in het huidige Chili, binnen. Er woedde immers een tachtigjarige oorlog tussen de Republiek en Spanje. Het schip werd in beslag genomen en de bemanning ‘verhoord’. Uiteindelijk werd Dirck Gerritz in 1604 in een gevangenenruil vrij gelaten.

De Liefde bereikte als enige op 19 april 1600 Japan, met een bemanning van 24 mensen. Slechts zes waren nog min of meer ter been. Eén ervan was een Engelsman. Op zijn verhaal is het beroemde boek ‘Sh
?gun’ van James Clavell gebaseerd. En Nederland onderhield van die tijd af een bijzondere handelsrelatie met Japan. De cost ging hier inderdaad voor de baet uyt!

Nederlands Antarctisch onderzoek
In tegenstelling tot het Belgische Antarctisch onderzoek is het Nederlandse onderzoek in de poolgebieden, maar zeker in Antarctica, er één van meeliften met anderen. Dat was, toen ik het programma (ongeveer dertig jaar geleden) ontwikkelde, bewust de bedoeling van zowel de overheid als de betrokken onderzoekers en mijzelf. De overheid wilde vanwege de bescherming van het milieu niet nog eens een klein station –  meestal een paar containers zoals het Spaanse station in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw –  inrichten. Ook was er geen eigen logistiek. Met als wisselgeld de uitvoering van de eerste en enige Nederlandse Antarctische Expeditie in 1989/1990 werd Nederland stemhebbend lid van het Antarctisch Verdrag. Dat Verdrag verplicht onderzoek in het gebied. Ook nu.


Koninklijk bezoek aan het Britse station Rothera in februari 2009.

Het voert hier veel te ver het reilen en zijlen van het Nederlandse poolonderzoek te schetsen. Duidelijk is dat de inspanning van de deelname aan het Internationale Pooljaar (2007-2009) uiteindelijk weinig heeft opgeleverd. Dit ondanks een bezoek in februari 2009 van kroonprins Willem Alexander, prinses Máxima en oud-OCW-minister Ronald Plasterk. Wel duidelijk is dat het prettige bezoek van de hoge gasten een stimulans voor het Nederlandse poolonderzoek in de huidige, barre, economische tijden, is geweest!

Maar dan die namen. Geloof, Hoop, Liefde en Blijde Boodschap zijn de modulen, waarmee het Nederlandse laboratorium binnen het Britse station Rothera als lego-steentjes is opgebouwd. Samen vormen ze, met een stevige car- of containerport, de ruggengraat van het huidige Nederlandse onderzoek in Antarctica. Een eigen plek. Soms onder de zon.

Maar een naam uit een vervlogen tijd met een volstrekt ander wereldbeeld. Een beeld dat niet past in de geglobaliseerde 21ste eeuw. De enige ‘Blijde Boodschap’ die mij hierbij te binnen schiet, is goed en breed opgezet onderzoek van het ‘Systeem Antarctica’ met oog voor de maatschappelijke problemen en het betrekken van het brede publiek, inclusief de jeugd. Dat is de ‘outreach’, waaraan we tijdens het internationale pooljaar zo enthousiast zijn begonnen. Je hoort er niets meer van; geen kerntaak van NWO, blijkbaar.

In elk geval waren de Spanjaarden vier eeuwen geleden niet ingenomen met het verschijnen van de Blijde Boodschap – of juist wel, omdat ze het schip in beslag konden nemen. Hoe verzin je het, NWO?


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Superstormen en kustbescherming

20. Oktober 2011, 14:03

Dat was het onderwerp van een symposium, op 13 oktober, in de prestigieuze Casino-Kursaal in Oostende. “Water is altijd vriend én vijand van de mens geweest”, las ik op de website van het congres. Omdat ik me al enige tijd zorgen maak over de waterveiligheid van België en dan vooral Vlaanderen, heb ik me voor dit congres aangemeld. Het was de moeite waard.

Na een geduldige worsteling bij de balie, kreeg je een onleesbaar naamkaartje en geen enkele documentatie. Een gemiste kans om de belangstellende leek, ambtenaar, ondergetekende of wie dan ook te informeren over de plannen van de Vlaamse overheid en de aanwezige kennis en kunde in Vlaanderen.

Blonde zeemeermin

De zeemeermin van Paul DelvauxDe bijeenkomst vond plaats in de Delvaux-zaal, met zijn fraaie muurschilderingen. Een blonde zeemeermin sloeg de warme, zeer gastvrije ontvangst gade. De belangstelling was groot. Minister Hilde Crevits liet weten dat Kamervoorzitter Peumans er een vergadering voor had uitgesteld. Een aantal van deze dames en heren was dan ook aanwezig. Het programma zat goed in elkaar. De verschillende sessies werden afgewisseld met een oorverdovend, muzikaal intermezzo.

De opening begon met de film 'Storm in beeld'. Die toonde de vele gezichten van het gevecht van de mens tegen het water. Eerst beelden van de nu tot superstorm gedoopte, stormvloed die in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 grote delen van Nederland en Vlaanderen onder water zette. Erna volgden meer recente bedreigingen van orkanen tot tsunami’s. Niets over de uitdaging van ‘het leven met water, met de zee’.

Ray Nagin was de burgemeester van New Orleans toen Katrina toesloeg. Hij vertelt het verhaal van wat er gebeurt als een land investeren in de veiligheid van de kust te duur vindt. Een mening zoals die hier door De Standaard wordt verwoord. Op de zo kenmerkende, onderhoudende, Amerikaanse manier schetst hij de situatie: een zware orkaan midden in de Golf van Mexico, die voor een stormvloed van zeventien meter hoog zorgde, de evacuatie van bijna alle bewoners (1,2 miljoen; ruim tweemaal Antwerpen) binnen 24 uur, dijken die het begeven, de overstroming van 80% van de stad, alle infrastructuur weg, 1833 doden, Washington die afwezig was en het jaren wachten op het toegezegde federale geld.

Maar ook de heldendaden van de redders. Volgens hem brengt een overstroming het beste èn het slechtste in een mens naar boven. En dan de schade: 81 miljard dollar. De kosten van het opruimen van de schade is maar liefst een factor 3000 meer dan de kosten, die nodig zouden zijn geweest om de stad wel goed te beschermen. Dat zet je aan het denken. Of niet? Immers, de gemiddelde Belg vindt kustbescherming duur. Hier ligt een gerichte voorlichtingstaak voor de Vlaamse overheid, lijkt me.

Waterveiligheid in Nederland

De Nederlandse Deltacommissie, onder leiding van oud-minister Cees Veerman, heeft onderzocht op welke wijze Nederland zich aan de komende klimaatverandering kan aanpassen. De algemene conclusie, in 2008, was: ‘De dreiging is niet acuut, maar de wateropgave is wel dringend’. De commissie was breed samengesteld. Dat maakt een geïntegreerde aanpak van de complexe problematiek, mogelijk. Er zat slechts één ingenieur in de commissie.

De kust bij stijgend zeeniveauAllereerst adviseerde de Deltacommissie nieuwe stijl, zo snel mogelijk alle achterstanden in het waterveiligheidssysteem, weg te werken. Dat is het programma ‘Zwakke schakels’, waarin op een bescheiden schaal de door de Commissie Veerman bepleitte integrale aanpak wordt toegepast. Het was in 2003 al gebleken, dat op tien plaatsen langs de Noordzeekust de dijken niet meer aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen. Binnen de nieuwe integrale aanpak wordt nu zowel gekeken naar de versterking van de zeewering als de ruimtelijke ordeningsaspecten ervan.

Zo wordt ervaring opgedaan met de veel bredere, integrale aanpak van de Commissie Veerman. Hierin wordt de waterveiligheid verbeterd in combinatie met ontwikkelingen op andere terreinen als wonen, werken, natuur en energie. Om bijvoorbeeld de zoetwatervoorziening veilig te stellen moet de strategische functie van het IJsselmeer, als zoetwaterreservoir, worden versterkt. Wat de kustveiligheid betreft moeten zandsuppleties er voor zorgen dat de kust in de komende decennia kan blijven waar ze ligt.

Waterveiligheid en zoetwatervoorziening, maar ook klimaatbestendigheid, staan dus centraal in het Nederlandse beleid. Alle andere economische activiteiten zijn hiervan afgeleid. Zonder die veiligheid vallen ze immers, meestal letterlijk, in het water. Eigenlijk zijn investeringen in waterveiligheid een verzekeringspremie voor de menselijke activiteiten in het aldus beschermde gebied.

In Nederland is ondertussen een Deltawet aangenomen, een Deltafonds ingesteld en een deltacommissaris, Wim Kuijken, oud-secretaris-generaal van het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat, benoemd. Ook worden de veiligheidsnormen aangescherpt op basis van slachtofferrisico’s en de maatschappelijke en economische waarde van de te beschermen regio’s.

Het nieuwe Deltaprogramma bestaat uit drie deelprogramma’s op nationaal niveau en zes op regionaal niveau. De nationale programma’s gaan over veiligheid, zoetwater en nieuwbouw en herstructurering. De regionale programma’s betreffen de Rijnmond-Drechtsteden, de Zuidwestelijke Delta, het IJsselmeergebied, de rivieren, de kust en het waddengebied. De jaarlijks kosten worden geschat op 1000 miljoen euro per jaar. Dat in elk geval tot 2050.

Waterveiligheid in België versnipperd

In België ontbreekt een dergelijke aanpak nog. Hier mist – gezien de krantenkoppen – het brede, maatschappelijke draagvlak. Hier gaat men dan ook niet, zoals in Nederland, naar de kust. Men gaat naar de zee. Wellicht gaat achter dit taalgebruik een diepgeworteld verschil  tussen de Vlaming en de Nederlander schuil. Een verschil in de houding ten opzichte van de zee. Toch neemt de Vlaamse regering het initiatief met een innovatief Masterplan Kustveiligheid. En dan is er nog het al lang geactualiseerd Sigmaplan, het Deltaplan van de Vlamingen. Dat neemt niet weg dat er een geïntegreerde nationale visie nodig is. Een visie die een brug vormt tussen de Europese eisen en de regionale noden.

In mei 2009 presenteerden zes bedrijven het rapport Vlaamse Baaien. Veilig, natuurlijk, aantrekkelijk, duurzaam, ontwikkeld. In vergelijking met de Franse en de Nederlandse kustlijn springt de Vlaamse kust in. Eeuwen geleden lag deze dan ook enkele kilometers zeewaarts van de huidige kustlijn. De Vlaamse kustwateren zijn, vergeleken met die van Nederland en Frankrijk, ondiep. Daarom is er ruimte voor kustuitbreiding met eilandjes en ondieptes.

De Vlaamse overheid heeft het concept van de ‘Vlaamse Baaien’ omarmd. Het wordt nu uitgewerkt tot een vlaggenschip-project. Een project waarmee Vlaanderen ook internationaal de boer op kan. Het zal zeker een stimulans zijn voor het duurzame beheer en gebruik van de kust en de EEZ. Daarmee creëer je ook een waaier van nieuwe exportproducten. 

In juni 2011 werd het geïntegreerde Masterplan Kustveiligheid door de Vlaamse Regering goedgekeurd. In oktober begonnen de strandsuppleties al. Het plan speelt in op de Europese trend om het land te beschermen tegen zware stormen, die eens in de duizend jaar voorkomen. De kans op een dergelijke storm wordt door de klimaatverandering steeds groter. Het is dus belangrijk dat men zich daar nu, hopelijk ruim voor dat er werkelijk iets verkeerd gaat, op voorbereidt.

Op dit moment is één derde van de Vlaamse kust onvoldoende beschermd. Terecht wordt daar dan ook iets aan gedaan. Als er iets is wat de lange geschiedenis van stormvloeden in de Lage Landen ons heeft geleerd, dan is het wel dat het land kwetsbaar is en het geweld van de zee groot, zeer groot, kan zijn.

Het plan is op een moderne manier opgesteld, met inschakeling van de ‘stakeholders’ zoals de lokale bevolking, natuurorganisaties en belangenvertegenwoordigers. Het wordt dan ook gedragen door de zes kustgemeenten en vier kuststeden. De uitvoering ervan kost 60 miljoen euro per jaar. Het werk moet in 2015 af zijn. Dan is Vlaanderen veiliger. Maar een ramp kun je nooit voorkomen; wel kan men de kans erop beperken. Ter vergelijking: Nederland stopt 1000 miljoen euro per jaar in de veiligheid tegen overstromingen. De Vlaamse 60 miljoen steekt hier schril tegen af. Maar is wel zeer noodzakelijk.

De uitvoering van het aangepaste vlaggenschip project Vlaamse Baaien zal iets meer kosten. De huidige schatting is zo'n 1,3 miljard euro. Maar ook dat bedrag verbleekt bij de kosten van een eventuele overstroming door een superstorm.

 

Deze kaart geeft de impact weer van een stijgend zeeniveau voor onze kust.


Websites

http://www.kustveiligheid.be/

http://www.vlaamsebaaien.com/

http://www.deltacommissaris.nl/

http://flood.firetree.net/ (bron van bovenstaande kaart)



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Diepzeemijnbouw komt eraan

16. September 2011, 09:22

Ruim vijfhonderd jaar geleden dacht Columbus dat het goud voor het opscheppen lag aan de andere kant van de oceaan. De belangen van de lokale bevolking waren hieraan volstrekt ondergeschikt. Bovendien werden deze bevolking grotendeels uitgeroeid. Nu denken een groot aantal mijnbouw- en baggerbedrijven, dat er op de oceaanbodem een fortuin voor het opscheppen ligt: zeldzame aarden, mineralen, goud, metalen en wellicht grondstoffen voor nieuwe medicijnen.

De schatten liggen op een paar kilometer diepte op ons te wachten. Dat weten we sinds 13 maart 1874, maar vooral door het onderzoek van de diepzee in de afgelopen decennia. Op die dag haalde de bemanning van de HMS Challenger, ergens tussen Hawaï en Tahiti, een net binnen van een diepte van 5200 meter. In het net zaten mangaanknollen. Bijna twintig jaar later waren de stenen onderzocht. Het bleek dat ze bestonden uit mangaan en een aantal bijzondere en nu strategisch belangrijke, mineralen: kobalt, koper en nikkel.

Dergelijke knollen werden in de jaren zestig van de vorige eeuw overal op de bodem van de diepzee aangetroffen. De exploitatie ervan was, in het economisch klimaat van die tijd, niet haalbaar. Ook was de technologie er niet helemaal klaar voor. Dat is nu, een halve eeuw later, anders. De prijzen van metalen als koper en goud zijn hoog, evenals de vraag naar zeldzame aarden. De laatste, die we gebruiken in onze flatscreens en ipods, komen op land bijna uitsluitend (97%) in China voor.

Technologiekloof
Op 1 november 1967 hield Arvid Pardo, die de ambassadeur van Malta bij de Verenigde Naties was, zijn later beroemd geworden pleidooi voor het concept van het ‘gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid’. Hij nam deel aan de onderhandelingen over een nieuw internationaal zeerechtverdrag. Het verdrag werd in 1994 van kracht en geeft, op hoofdlijnen, een internationaal kader voor het gebruik van de zee door de mens. Pardo maakte zich – zoals later bleek, zeer terecht – zorgen over de groeiende kloof tussen landen met een hoog ontwikkelde technologie en landen, die daar niet over kunnen beschikken. Dat zijn dan gewoonlijk ontwikkelingslanden zoals Papoea Nieuw-Guines, ongeveer veertien maal zo groot als Nederland.

Pardo voorzag dat het gebruik van de oceanische ruimte alleen maar zou toenemen. Ook voorzag hij het gevaar van deze menselijke activiteiten: vervuiling van de oceanische ruimte, onrechtvaardige verdeling van de rijkdommen, ongelimiteerde mijnbouwactiviteiten, lozing en dumping van afval. Daarom pleitte hij voor een gezamenlijk beheer en gebruik van wat we nu vaak de ‘global commons’ noemen. Zijn concept omvat dan ook vier dimensies die betrekking hebben op de economie, ecologie, ethiek en vrede. Met deze holistische aanpak was Pardo zijn tijd ver vooruit.



In 2013 zal, als alle plannen doorgaan, het Canadese bedrijf Nautilus Minerals Inc, als eerste in de diepzee, polymetaal sulfiden winnen. Zeg maar koper, zilver en goud. Dat zal in de EEZ van Paoea Nieuw-Guinea, PNG, gebeuren. Solafare-1 is een mijnbouwgebied, ter grootte van een paar voetbalvelden, op een diepte van 1500 tot 2500 meter. Het ligt in de Bismarck Archipel, ruim dertig kilometer voor de kust van de eilanden New Ireland en New Britain. De metalen bevinden zich in een SMS-afzetting op de bodem van de diepzee. SMS betekent ‘Seafloor Massive Sulphide’ en wijst op de hoge concentratie van metalen in de afzetting. Ze ontstaan als heetwaterbronnen bezwijken onder hun eigen gewicht en ‘afvalheuvels’ vormen, die - in de loop van duizenden jaren - een gesteentelaag rijk aan metalen en mineralen oplevert.

Hier zullen machines van 150 ton met een enorme robotarm de kegels van de oude, uitgedoofde heetwaterbronnen omzagen. Daarna wordt het gesteente verpulverd en door een bulldozer naar een plek gebracht waar het gruis wordt opgezogen door een enorme ‘stofzuiger’. Zo belandt het uiteindelijk in een fabrieksschip aan het oppervlak. Het transport van de bodem naar het schip gebeurt met een riser, waarmee men bij een olieboring het boorgruis naar boven haalt. Nadat het erts eruit is gehaald en het water is gezuiverd, wordt dat laatste weer teruggevoerd de diepte in. Het erts wordt met grote schepen aan land gebracht, waar het verder zal worden verwerkt. Het is een kostbare operatie, waarvan slechts een klein deel in de staatskas van
Papoea Nieuw-Guines zal vloeien.



Vrees voor vervuiling
Nautilus is een beursgenoteerd bedrijf. Anglo American, Teck Resources en Metalloinvest, één van de grootste en snelst groeiende mijnbouw- en metallurgische Russische bedrijven, behoren tot de grootaandeelhouders. De website van Nautilus (www.nautikusminerals.com) ziet er prachtig uit. De milieueffectrapportage is indrukwekkend. Of het bedrijf werkelijk rekening houdt met het bijna volstrekt onbekende milieu van de diepzee, is zeer de vraag. Ook wordt er geen rekening gehouden met de wensen van de inheemse bevolking op de nabij gelegen eilanden, ver weg van de PNG-hoofdstad. Zij zijn bang voor vervuiling van de zee, waarvan ze al eeuwenlang afhankelijk zijn voor hun levensonderhoud. Ook is die zee een onlosmakelijk onderdeel van hun cultuur, hun identiteit en hun manier van leven. Hier leven mensen niet alleen van de zee; ze leven er al eeuwenlang met de zee. Hun leven is nauw verbonden met de cycli van de zee. De zee ‘bepaalt hun agenda’ en is hun kalender.

Dat diepzeemijnbouw een impact zal hebben op het ecosysteem is bijna onvermijdelijk. Over de ecologie van ecosystemen in de diepzee is nog zeer weinig bekend. Het zal waarschijnlijk niet eens mogelijk zijn op basis van de huidige kennis te bepalen of de gevolgen van deze menselijke activiteit wel of niet omkeerbaar, wel of niet blijvend, zullen zijn. Het idee van Nautilus om het gebied waar de ertsen gewonnen worden, later weer te laten herkoloniseren uit een nabij gelegen gebied, komt dan ook ongeloofwaardig over. Ook is het onbekend of er grote sedimentpluimen bij de winning zullen ontstaan, of de bij de winning wellicht vrijkomende giftige stoffen gevolgen hebben voor de visstand elders en of het terugpompen van het gezuiverde water tot algenbloeien gaat leiden.

Allemaal vragen waarop de mijnbouwgigant geen duidelijk antwoord geeft. En dan zijn er ook nog een reeks van technologische problemen. Wat gebeurt er als de riser verstopt raakt? Hoe gedraagt zo’n kilometerslange buis zich in het water? En dat, terwijl de mijnbouwindustrie op het land, helemaal geen goede reputatie heeft op milieugebied. Diepzeemijnbouw vereist een nieuwe aanpak, nieuwe instrumenten en nieuwe technologieën. Dat is iets anders dan de mix van bestaande technieken en technologieën uit de offshore olie- en gaswinning, de baggerindustrie en de mijnbouw in ondiepe kustgebieden, die Nautilus gaat toepassen om deze SMS-afzettingen te ontginnen.

Snelle groeiende markt
In 1965 verscheen het boek The mineral resources of the sea. Hierin wekte John L. Mero de indruk, dat er oneindige voorraden metalen in de aardappelachtige mangaanknollen op de diepzeebodem liggen. Dat leidde tot de actie van Arvid Pardo binnen de VN. Het gevolg was de instelling van de International Seabed Authority, ISA, binnen het huidige internationale zeerecht. ISA regelt de ontginning van grondstoffen buiten de EEZ. Het gaat hierbij uit van het door Pardo geformuleerd concept van de ‘Common Heritage for Mankind. Toen was de technologie voor de daadwerkelijke ontginning niet beschikbaar. Nu wel.

Inmiddels is de belangstelling voor de diepzeemijnbouw snel aan het toenemen. In de ISA werden onlangs de plannen van China en Rusland in het internationale deel van de oceanische ruimte goedgekeurd. Rusland in de Atlantische Oceaan; China in de Indische Oceaan. India schoot hierdoor in een versnelling en bouwt nu een groot onderzoekschip voor diepzee-onderzoek. Dit land werkt nu ook aan de noodzakelijke voorstellen en binnenlandse wetgeving voor de diepzeemijnbouw.

Nautilus en een aantal landen hebben een overeenkomst met een landen zoals PNG, Tonga, Fiji, Salomon Eilanden, maar ook Nieuw-Zeeland gesloten voor activiteiten in hun EEZs. En in de Lage Landen gaan Nederlandse en Belgische scheepsbouwers en baggeraars, zoals IHC Merwede en DEME, samenwerking om zich te positioneren op die nieuwe, naar men verwacht, snel ontwikkelende markt van de diepzeemijnbouw.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


La Niña en de hongerdood

25. Juli 2011, 13:55

Het zijn hartverscheurende beelden die ons in de media worden getoond. Er heerst weer een hongersnood in de Hoorn van Afrika: Ethiopië, Eritrea, Somalië, Djibouti, Kenia en Oeganda. Ruim tien miljoen mensen worden met de hongerdood bedreigd. Velen slaan op de vlucht naar door de VN ingerichte kampen in het noorden van Kenia.

Het is niet de eerste keer dat men de noodklok luidt. Uitgemergelde kinderen, karkassen van vee en wanhopige mensen op de vlucht, het zijn bekende beelden uit de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen er ook een enorme crisis was. Toen stierven in Ethiopië en Soedan ongeveer één miljoen mensen. Hulporganisaties werken al tientallen jaren in het gebied. Maar een oplossing van de problemen is nog steeds niet in zicht. In België en Nederland hebben de gezamenlijke hulporganisaties weer besloten tot nationale inzamelingsacties voor de slachtoffers van deze rampzalige hongersnood.


 Het zijn weer vooral kinderen die het slachtoffer zijn.

De oorzaak
Wetenschappers zijn het erover eens: de oorzaak van de deze droogte is La Niña. Dezelfde die eerder dit jaar (zie mijn eerdere blog) voor grote overstromingen zorgde in Queensland, Australië en Zuidoost-Azië. In de zomer van vorig jaar ontwikkelde La Niña zich in de Stille Oceaan. Op 11 oktober 2010 waarschuwde de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) in Genève al voor dit natuurverschijnsel. Men constateerde dat er in het oostelijke deel van de Stille Oceaan iets bijzonders aan de hand was. Er ontstond een sterke La Niña, de sterkste sinds vele jaren. Een geringe temperatuurdaling van circa 1,5 graden Celsius verandert de circulatiepatronen in de oceanische ruimte en de atmosfeer. Hoe dat precies gebeurt, is nog steeds niet helemaal duidelijk. Wel is duidelijk wat er gebeurt als het proces eenmaal begonnen is. Voor de Hoorn van Afrika betekent dit droogte.

Immers, het warme water in de tropische Stille Oceaan ten noorden van Australië zorgt ervoor dat de westelijke winden boven de Indische Oceaan in kracht toenemen. Het gevolg is dat de vochtige lucht boven Oost-Afrika wordt weggezogen naar de Filippijnen en Indonesië. Hier zorgt het voor stortbuien en overstromingen. De situatie verandert weer als er in de Stille Oceaan een warme El Niño-situatie ontstaat. Dan keren de regens terug in de Hoorn van Afrika.

In het nu door hongersnood bedreigde gebied, komen gewoonlijk twee regenseizoenen per jaar voor: tussen oktober en december en tussen maart en mei. April is de belangrijkste maand. Satellietbeelden laten zien dat de afgelopen drie regenseizoenen in de Hoorn van Afrika het lieten afweten. David Grimes van de Universiteit van Reading in Engeland zegt dat ‘er jaarlijks 120 tot 150 millimeter regen valt in april. Nu is dat maar 30 tot 40 millimeter’. De regenperiode aan het eind van 2010 was de kortste en droogste in dertig jaar. Het is dus zonder meer duidelijk dat La Niña de belangrijkste klimatologische oorzaak van deze ramp is. Maar er zijn andere oorzaken, zoals de hoge oppervlakte-temperatuur in de Indische Oceaan. Hoe dat precies zit, weet men nog niet. Ook is het effect van klimaatverandering op het El Niño/La Niña-systeem niet duidelijk. De grootste angst is echter dat de regens in het volgende regenseizoen ook uitblijven.

In de Stille Oceaan is deze La Niña inmiddels voorbij. Het systeem bevindt zich  in een neutrale of overgangsituatie. Hoe lang die gaat duren weet men niet. Maar de kans op een El Niño is, volgens het Amerikaanse Climate Prediction Center van de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA), voor de komende maanden uiterst klein. Voorlopig blijft het systeem in een kalm evenwicht. Het ziet er dus niet goed uit voor de herders in Somalië

Menselijke activiteiten
‘Herders moeten nu vijf geiten verkopen om een zak mais van negentig kilo te kunnen kopen,' zegt Stephanie Savariaud van het VN Wereld Voedsel Programma. ‘In januari waren dat er één of  twee.’ In Ethiopië, Somalië en Kenia leven naar schatting twintig miljoen herders. Ze trekken met hun kuddes door de droge gebieden. In principe zijn deze mensen beter dan wie ook voorbereid op droogteperiodes als de huidige. Hun levenswijze is duizenden jaren oud en ontwikkelde zich, tegelijkertijd met de opkomst van de landbouw, in de periode waarin we als jagers en verzamelaars rondtrokken. Pastoralisme is het hoeden van gedomesticeerde of deels gedomesticeerde dieren. Hierbij is men in hoge mate afhankelijk van de dieren, hun huiden, het vlees, de melkproducten en soms ook het bloed. Het grote verschil met de landbouwers, die geduldig wachten op de regen, is dat de herders meestal een nomadisch leven leiden. De kuddes worden voortdurend naar nieuwe plekken gedreven waar de regen voor vers voedsel heeft gezorgd. Of niet. Dan zijn juist zij de eerste slachtoffers.


 Somalische herders hebben te lijden onder de droogte.

Maar er is meer aan de hand. Van oudsher hebben deze nomaden zich aangepast aan extreme weersomstandigheden, legt Helen Jode uit in haar boek SOS Sahel (2009) uit. In de afgelopen decennia zijn de riviergebieden echter ingenomen door grootschalige commerciële landbouwbedrijven. Hierdoor wordt het gehele productiesysteem van de nomaden en herders, ondermijnd. Ook leidt het tot een lagere opbrengst aan melk en vlees.

In de Nederlandse krant Trouw kopt Ton van der Scheer op 18 juli ‘Afrikaanse herder is de dupe van ‘vooruitgang’’. Hij wijst er op dat ‘investeerders uit allerlei buitenlanden, geholpen door de Ethiopische regering, enorme suikerriet- en katoenplantages uit de grond stampen.’ Rondtrekkende nomaden zijn hiervan het slachtoffer, omdat ‘goede weidegronden, die eeuwenlang als vluchthaven dienden bij langere droogtes, niet meer bereikbaar zijn of zijn ingepikt’. Bovendien trekken dergelijke gebieden tienduizenden nieuwe bewoners aan; op zoek naar werk en geld. En voor de herders is geen plaats meer.

Humanitaire crisis
De misère kan niet op in de Hoorn van Afrika. Er heerst een crisis van ongekende omvang. Men is het erover eens dat La Niña de droogte heeft veroorzaakt. Dit ondanks vele waarschuwingen, soms maanden van te voren, dat er droogte op komst was. Het is duidelijk dat overheden en internationale organisaties hier nauwelijks op reageerden of konden reageren. Ondanks veelvuldige waarschuwingen van de FAO in Rome, zegt men, zijn er geen noodplannen opgesteld. En nu staan we volgens de VN voor de grootste hongersnood in zestig jaar. Veroorzaakt door aanhoudende droogte, torenhoge voedselprijzen en het conflict in Somalië. Kenia, Somalië en Ethiopië zijn zwaar getroffen. Maar de crisis speelt zich vooral af in Somalië, een politiek uitermate instabiel land. Een land van krijgsheren en piraten.

Hier leven de nomaden meestal in gebieden waar de militante islamitische groepering Al Shabab de scepter zwaait. Ze hebben trouw gezworen aan de terroristische organisatie Al-Qaeda. Het is een terreurgroep die dan weer wel en dan weer niet buitenlandse hulp toestaat. Bovendien beschouwen dergelijke organisaties hulpverlening vaak als een onderdeel van hun strategie en eist men beschermingsgeld en belasting. Of men pikt domweg een groot deel van de hulpgoederen in voor eigen gewin. De in Amsterdam wonende journaliste Linda Polman schets in haar boek De crisis karavaan (2010) een ontluisterend beeld van de hulpverlening in crisisgebieden. Een ‘industrie’ met 37.000 verschillende organisaties en een ‘omzet’ van een slordige 160 miljard US dollar per jaar.

Een permanente El Niño-situatie in de  toekomst?
Het ligt voor de hand, dat de situatie in de Hoorn van Afrika in de media wordt gezien als een gevolg van de door de mens veroorzaakte klimaatverandering. Deze conclusie is echter sneller  gemaakt dan bewezen. Er zijn nog veel lacunes in het onderzoek. Ook zijn onze waarnemingen van het El Niño/La Niña-systeem, ook wel El Niño Sourthern Oscillation, ENSO, genoemd, te kort om het juiste signaal te kunnen ontdekken.

 
 La Niña is de koude fase van de El Niño Southern Oscillation, ENSO. In Australië, de Filippijnen en Indonesië zorgde het voor overstromingen en in de Hoorn van Afrika voor droogte en hongersnood.

Tot voor kort dachten de meeste onderzoekers dat dit system in de geologische tijd niet of nauwelijks veranderde. Dat blijkt echter niet zo te zijn. Onderzoek aan boorkernen uit de tropische diepzee bij Indonesië en de Galapagos Eilanden geeft een ander beeld. Onderzoekers analyseerden honderden monsters van het International Ocean Drilling Program. In die monsters vindt men foraminiferen, die aan het oppervlak van de oceaan leefden. In hun kalkskeletjes legden ze de temperatuur van het zeewater vast.
Michael Wara van de University of California Santa Cruz heeft met zijn onderzoeksgroep op die manier de  oppervlakte-temperatuur van de tropische oceaan bepaald. Wat bleek? Van 5 tot 1,7 miljoen jaar geleden was de watertemperatuur hoger dan nu en leek het op een permanente El Niño-situatie. Volgens sommige wetenschappers zou dat de situatie kunnen zijn, die ons in de toekomst staat te wachten.

Op welke wijze de, door de menselijke activiteiten veroorzaakte klimaatverandering, werkelijk gaat uitpakken is nog met veel onzekerheden omgeven. Er zal dan ook nog veel onderzoek nodig zijn. Toch zijn er wetenschappers, die de huidige droogte en hongersnood in de Hoorn van Afrika toeschrijven aan de menselijke activiteiten. Volgens hen is de droogte het gevolg van de opwarming van de aarde. Die wordt dan weer veroorzaakt door de wereldwijde uitstoot van CO2. Het klimaat is dus van slag. De gevolgen ervan zien we in de Hoorn van Afrika. Hier treft het de nomaden, die niets aan deze opwarming kunnen doen.

Deze wetenschappers vinden dat het Westen moreel verplicht is de rondtrekkende herders te helpen aan werk en een beter leven. Noodhulp alleen is niet genoeg. Toch zullen het weer de hartverscheurende beelden van stervende kinderen zijn, die ons moeten bewegen de noodzakelijke eerste hulp te geven.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Zand, veel zand, heel veel zand voor een bedreigde kust

27. Mei 2011, 17:00

Het is 24 mei. De dag dat het college van burgemeester en schepenen van Knokke-Heist aankondigt, dat men liever drie eilanden voor de kust ziet dan één. Ook is het bijna twee jaar na de presentatie van het ambitieuze plan ‘Vlaamse Baaien’. In het Meeting- en Eventcentrum Staf Versluys in Bredene komen ruim 250 wetenschappers en vertegenwoordigers van de overheid, het bedrijfsleven en het publiek bijeen.

Zittend in de zon, vertelt één van de congresgangers mij dat Staf Versluys een Beroemde Vlaming was. Hij was scheepsbouwer, hield van zeilen en doorstond vele avonturen op zijn zeiltochten rondom de wereld. Een man met lef. Hij kwam om bij een verkeersongeval. Dat vond mijn sympathieke medecongresganger pas echt tragisch.

Het leven is onvoorspelbaar en dat was het onderwerp van deze dag eigenlijk ook. Vijf blokken van lezingen, vlot aan elkaar gepraat door de journalist Stefaan Kerger. Blokken, waarin afwisselend een Nederlandse en Vlaamse deskundige zijn of haar bijdrage levert aan een gevarieerd programma over een ingewikkeld, maar maatschappelijk belangrijk onderwerp.

Immers de zeespiegel stijgt en waarschijnlijk veel sneller dan men en het IPCC tot nu toe aannam of men op dit congres wilde aannemen. De Lage Landen zitten dus met een probleem. Hoe bescherm je de Vlaamse kust – met zijn zwakke schakels – en daarmee een groot deel van onze welvaart. Het goed bezochte congres was eigenlijk een door het VLIZ en Natuurpunt georganiseerde ‘stakeholders’-meeting. Dit, inclusief een vragenlijst om de mening van de aanwezigen te peilen.




‘Moet er nog zand zijn: een wetenschappelijke kijk op de kustlijn van morgen’ was het centrale thema. Die vraag kunnen we nu wel beantwoorden. Ja, er zal in de toekomst erg veel zand nodig zijn om de Vlaamse en Nederlandse kust te beschermen. Nederland loopt hierin ver voorop. Vlaanderen ligt achter en is aanzienlijk kwetsbaarder.

Als de orkaan Xynthia, die op 28 en 29 februari 2010 over Zuidwest en West-Europa trok en in Frankrijk 53 doden eiste, de Vlaamse kust had getroffen, zou dat rampzalige gevolgen hebben gehad. Immers de Vlaamse kust heeft zwakke plekken, die een dergelijke 1 op 100 storm niet aankunnen. (1 op 100 staat voor een zware storm of orkaan, die één keer in de honderd jaar voorkomt.)
Dit feit kwam aan de orde in de discussie over het verschil tussen de in Nederland gehanteerde veiligheidsnorm van 1 op 10.000 en die in België, die ‘maar’ 1 op 1.000 is. Wat op dit moment echter veel belangrijker is, vindt men, is dat de Vlaamse kust niet veilig is, dat er nog steeds geen geïntegreerd plan is en dat er eigenlijk ook geen geïntegreerde visie op de toekomst is. En dat, terwijl de Schelde is uitgediept, waardoor de economie zal aantrekken, maar waardoor stroomopwaarts ook het achterland kwetsbaarder is geworden. Zeker in een toekomst waarin de zeespiegel stijgt, het aantal stormen toeneemt en het water verder het land zal binnendringen. Noordzee-water, keurig gevangen in het keurslijf van de in Nederland verhoogde dijken.

Zand
De eerste presentatie ging over de bodem van de relatief kleine, Belgische, Exclusieve Economische Zone, EEZ. Er is voldoende zand aanwezig, maar het is wel ander zand dan dat van het strand. Later op de dag blijkt dat nu juist het grote probleem te zijn. Ook blijkt het transport van zand in België vele malen duurder te zijn dan in Nederland. De ene zag hier direct een interessante handel in. De ander was met stomheid geslagen. Hoe kan dat nu weer? Jan Mulders van het Nederlandse kennisinstituut Deltares, vindt vervolgens dat men in Nederland veel te veel vanuit het ‘water’ denkt. Hij geeft vele voorbeelden. Volgens hem moet het woordje ‘water’ in de vele plannen vervangen worden door die van ‘zand’. Denken vanuit zand, dat was de boodschap.

Maar dat is wel heel kort door de bocht. Immers het water van het smeltende landijs op bijvoorbeeld Groenland zorgt voor de zeespiegelstijging en draagt bij aan de verandering van het klimaat. Voor het bedenken van tegenmaatregelen biedt zand, dat in de Nederlandse EEZ ruimschoots aanwezig is, wel soelaas. En het is dus, relatief gezien, goedkoop. Harde oplossingen zoals dijken, zijn dure oplossingen en vragen duur en langdurig, onderhoud.

Daarna komen de beestjes en plantjes aan de beurt. In België weet men erg veel van wat er zoal leeft in de zee, de zeebodem en het strand. Alles is op een zeer efficiënte en een wetenschappelijk innovatieve manier onderzocht en in kaart gebracht door professor Magda Vincx en haar groep aan de Gentse Universiteit.

Daarna had men het over het verzilten van het Vlaamse land en de Nederlandse Zuidwestelijks Delta. We weten nu officieel dat deze lente de warmste ooit is. Dat heeft gevolgen voor de verzilting. Situaties die zich in Nederland anders slechts voordoen bij zware novemberstormen komen nu voor, omdat de rivierafvoer te laag is.

Het gevolg? Zoutwater dringt via de niet afgesloten Waterweg de rivieren in en bedreigt de plaatsen waar men zoetwater aftapt. Dat water is weer nodig om het zoute grondwater in landbouwgebieden weg te spoelen. Omdat hierbij gebruik wordt gemaakt van dezelfde eeuwenoude infrastructuur, die is aangelegd om van het water af te komen, is het tegenwoordig niet eenvoudig om dit te doen.

Bovendien is het een uitermate inefficiënt proces. Men heeft bijna honderd liter water nodig voor het wegspoelen van het zoute water, om voor de landbouw vijf liter bruikbaar zoetwater over te houden. Dit zal in de toekomst anders moeten. En dat kost geld, veel geld.

Na een boeiende presentatie over de gevolgen van schadelijke algenbloeien, die meestal het gevolg zijn van menselijke activiteiten op het land, vraagt men zich af of er nog wel ruimte is voor zilte natuur. Patrick Meire, hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen, maakt vlot duidelijk dat er eigenlijk geen sprake meer is van zilte natuur. Honderden jaren noeste arbeid van de ‘Lage Landers’, heeft daar met het aanleggen van dijken en het maken van vele polders, voor gezorgd. En, ontpolderen, dat is vloeken in de kerk.

Ook hebben beleidsmakers en politici pas sinds kort oog voor de diensten, die het mariene ecosysteem ons biedt. ‘Anders denken’, waarbij ecosysteemdiensten en het welzijn van de mens gekoppeld worden, kan en moet leiden tot meer zilte natuur, is de conclusie.

In de laatste presentatie kwamen de meest recente plannen in Nederland aan bod. Hoewel bezuinigen daar de boodschap zijn, worden er toch nog enige experimenten uitgevoerd. Zou men dan toch de houding uit de tijd van de veel geprezen Verenigde Oost Indische Compagnie, waarbij werd gesteld ‘de cost gaet voor de baet uyt’ hebben herontdekt? Ik vrees van niet.

Nederland kijkt niet naar de zee en Vlaanderen doet dat eigenlijk nog minder. Hoewel: het VLIZ met zijn internationale allures, een uitermate actieve en innovatieve baggersector, een nieuw onderzoeksschip, daar kunnen onze noorderburen wellicht nog wat van leren. En in Nederland zijn er: de aanleg van de Tweede Maasvlakte met de erbij behorende natuurcompensatie, het prestigieuze Zandmotor-experiment voor de kust van Zuid-Holland en het grootschalige onderzoekproject over het idee van ‘Bouwen met de Natuur’. Die initiatieven zullen de Nederlandse positie op deze kennismarkt zeker versterken. Bovendien is de kustzone in trek. Meer dan de helft van de mensen leven er.

Verdeeldheid
De dag werd afgesloten met een gesprek op de bank. Eigenlijk geen succes omdat het publiek er weinig bij werd betrokken. De twee Nederlandse deelnemers zaten keurig op de linker bank; de twee Vlaamse op de rechter. En dat, terwijl men voor meer samenwerking pleit. Er zal nog heel wat water door de Schelde stromen, vrees ik, voor dat dit werkelijk van de grond komt.

Interne verdeeldheid aan Vlaamse kant draagt hier zeker toe bij. Toch zou het goed zijn als men, met oog voor elkaars culturele verschillen, nauwer zou samenwerken. Immers als dat kan voor de havens van Rotterdam en Antwerpen ten aanzien van het achterland, als het kan op het gebied van een (bezuinigende) krijgsmacht, enz. Waarom zou dat dan niet kunnen op het terrein van een duurzaam gebruik en beheer van de EEZ? Of is het toch weer de politiek, die hier verstek laat gaan door het noodzakelijke steuntje in de rug niet te geven?

Eilanden in de Noordzee, eilanden voor de kust. In Nederland is men er al tientallen jaren mee bezig. Plannen en nog eens plannen. Er is er tot nu toe nog nooit één gebouwd. Wel in andere landen, maar niet voor onze kust.


 De Zandmotor in Nederland.


Zelfs de zandmotor in Nederland is net geen eiland geworden. Het is een schiereiland, een mega zandsuppletie, die in de komende decennia door de natuur langs en op de Nederlandse kust zal worden gelegd. Bouwen met de Natuur in uitvoering.

De ambitieuze plannen van de ‘Vlaamse Baaien’ verdienen meer politieke aandacht. Geef de Vlaamse baggeraars, de grootste van de wereld, een kans! In elk geval hebben ze het gemeentebestuur van Knokke-Heist verleid tot de gok van een combinatie van eilanden voor de natuur en een casino-eiland – Macao in de Noordzee – om te gokken, te golven te recreëren, enz. Nu is het nog wachten op de Vlaamse en Belgische politiek. Zouden ze het aandurven? Al dan niet samen met Nederland?

Vlaamse baaien

Wat er ook uit komt, wat het ook wordt, er zal in de toekomst zand, veel zand, heel veel zand nodig zijn om ons te beschermen tegen de gevolgen van de door de mens mede veroorzaakte klimaatverandering. Dat zand is er. Maar het Nederlandse blijkt wel drie- tot viermaal goedkoper te zijn dan het Belgische.


Geschreven in Wetenschap | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Japan en het Anthropoceen

19. April 2011, 10:00

Het is een jaar geleden dat één vulkaan, met de bijna niet uit te spreken naam Eyjafjallajökull, op IJsland weer tot leven kwam. Dat zoiets gebeurt, is op zich niets bijzonders. Immers, IJsland is het zichtbare resultaat van plaattektonische bewegingen in de bodem van de Atlantische Oceaan. Aan aardbevingen en vulkanen dus geen gebrek. De economische gevolgen van deze, op zich kortdurende vulkaanuitbarsting waren groot. De vulkaan braakte as uit, dat zich als een gigantische wolk naar Europa verplaatste. Daar werd het vliegverkeer ernstig gehinderd, doordat het luchtruim van een aantal landen een kleine week op slot moest. Alleen al in België leed de reiswereld een verlies van 25 miljoen euro. Op mondiaal niveau was dat, door het afzeggen van maar liefst 100.000 vluchten, bijna 1,3 miljard euro.

Anthropoceen
De meeste mensen zullen er niet van wakker liggen, dat er in wetenschappelijke kringen een discussie gaande is over het al dan niet erkennen van een nieuw geologisch tijdperk: het Anthropoceen. Een idee van de Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen. Ruim tien jaar geleden lanceerde hij dit idee. omdat hij zich – evenals vele anderen – realiseerde dat de invloed van de menselijke activiteiten op de omgeving waarin we leven, wel erg groot is. Sinds het begin van de Industriële Revolutie is, zowel ons aantal als de omvang van onze activiteiten inderdaad enorm toegenomen. Zo leidt het intensieve gebruik van fossiele brandstoffen niet alleen tot snel toenemende concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer, maar ook tot een verzuring van de oceanische ruimte. De gevolgen hiervan zijn niet te overzien. De mens als geologische kracht. Het gebruik van het begrip werd dit keer snel opgepakt. Het is in. Je hoort erbij als je het gebruikt.

Vele experts zijn van mening, dat de menselijke activiteiten de aarde nu zodanig hebben aangetast, dat de gevolgen daarvan nog miljoenen jaren te merken zullen zijn. Het is zelfs mogelijk dat vervuiling, overbevolking, verstedelijking en uitputting van de fossiele brandstoffen tot een nieuwe - de zesde - massa-extinctie gaat leiden. Het was een meteoriet, die een eind maakte aan het tijdperk van de dinosauriërs; doet de mens nu hetzelfde? In een dergelijk beeld is het Antropoceen een nieuwe fase in de geschiedenis van zowel de mens als de aarde. Het is een tijd waarin natuurlijke krachten en menselijke krachten verweven raken, zodat het lot van de één het lot van de andere bepaalt. Maar is dat wel zo?

De aarde beefde even
De ‘Ring van Vuur’ wordt het gebied rondom de Stille Oceaan wel genoemd. Dat heeft te maken met de plaattektonische setting ervan. Het gevolg is dat hier vaak vulkaanuitbarstingen en aardbevingen, zoals als die in Nieuw-Zeeland en Japan, voorkomen. De Japanners zijn er aan gewend en hebben hun menselijke activiteiten er deels aan aangepast. Gebouwen in Japan zijn aardbevingsbestendig tot een kracht van ruim 7 op de Schaal van Richter. Maar 9,0, zoals op 11 maart, dat is wel heel veel. De flatgebouwen in Tokyo wuifden als rietstengels heen en weer, maar braken niet. Wel leverde dat indrukwekkende beelden op. Maar de gebouwen aan de kust zijn niet tsunami-bestendig, als dat al technisch mogelijk zou zijn.

Dankzij de moderne media kan iedereen zien wat het gevolg is van een dergelijke, zware aardbeving. En de er op volgende tsunami, die in korte tijd het aanzien van vele kustgebieden in Japan deed veranderen in een grote puinhoop. Zo maakte een enorme, metershoge muur van water de havenstad Sendai, die 130 km ten westen het epicentrum van de beving ligt, in enkele minuten grotendeels met de grond gelijk. Ook de kerncentrale in Fukushima bleek uiteindelijk niet tegen een tsunami te kunnen. Ondanks optimistische verhalen van de verschillende experts, liep het toch mis en belandde de ramp in de hoogst mogelijke categorie. De economische schade voor Japan – tenminste 250 miljard euro –  is enorm. De aardbeving en de er op volgende tsunami hebben Japan in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog gestort. Maar de gevolgen beperken zich niet alleen tot Japan.

Japans puin drijft tot bij Californië

Onderzoekers van de Universiteit van Hawaï hebben berekend dat het puin van de getroffen Japanse kuststeden zal worden opgepikt door de zeestromingen in de Stille Oceaan. Met behulp van drijvende boeien hebben Jan Hafner en Nikolai Maximenko van het ‘International Pacific Research Center’, hiervoor een mathematisch model ontwikkeld. Aldus kunnen ze laten zien wat er in de komende jaren met dit afval gaat gebeuren.


Jan Hafner en Nikolai Maximenko

Voorspellingen van het transport van het afval van de tsunami op 11 maart.


De kilometerslange slierten puin worden eerst, door de stroming langs de kust, naar het oosten getransporteerd. Daarna worden ze opgenomen in de North Pacific Gyre, een grote ringvormige stroming in het noorden van de Stille Oceaan. Over een jaar zullen de eerste brokstukken aankomen in het grootste natuurpark van de VS: het ‘Papahãnaumokuãkea Marine National Monument’ met een oppervlakte van circa 360.00 vierkante kilometer. Het is een gebied met schitterende ondiepe waterriffen. Twee jaar later zullen de restanten aanspoelen op de westkust van Noord-Amerika: van Alaska tot de Baai van Californië.

Maar hiermee is het niet afgelopen. Het niet aangespoelde afval zal vervolgens, ergens in 2016, worden opgenomen in de drijvende vuilnisbelt of plastic soep in het noorden van de Stille Oceaan. Het is de bedoeling deze
ontwikkelingen met behulp van satellieten te volgen. Het is immers niet duidelijk of, en hoeveel, toxische of radio-actieve stoffen in dit puin aanwezig zijn.
 
De ramp met de kerncentrale in Fukushima neemt ondertussen ook steeds grotere proporties aan. Er wordt radio-
actief afval in de zee geloosd om erger op het land te voorkomen. Een deel ervan zal in het water oplossen. Een deel niet en dat zal vermoedelijk neerslaan in de sedimenten voor de kust. Het kan dus geen kwaad, zegt men.

Maar het getroffen kustgebied ligt net boven de grens van de Kuroshio Stroom, het Japanse broertje van de Warme Golfstroom. Het gevolg is dat de kustwateren bij Sendai aanzienlijk kouder en voedselrijker zijn dan die van het maar 400 kilometer naar het zuiden liggende Baai van Tokyo. Het radio-actieve afval kan volgens het Japanse ‘Nuclear and Industrial Safety Agency’, het Franse ISNR  en Greenpeace wel degelijk gevaar op leveren voor de visserij. En dat in een land waar men, na China, de meeste vis ter wereld eet.

Japan en het Anthropoceen
Het is zeker juist dat de activiteiten van een kleine zeven miljard mensen, die dan ook nog vooral aan de kust wonen en in snelgroeiende steden, van grote invloed is op de natuur, op de planeet Aarde. Onderzoek naar de planetaire grenzen van de menselijke activiteiten, evenals van het Systeem Aarde en de manier waarop wij duurzaam met onze omgeving kunnen omgaan, is zonder meer noodzakelijk. Ook, of beter juist, in economisch minder goede tijden. Het begrip Anthropoceen is op zich niet verkeerd. Het kan echter de indruk geven dat de mens en de natuur gelijksoortige krachten zijn. Dat zijn ze echter niet. Immers de uitbarsting van één vulkaan met een onmogelijke naam op IJsland en de gevolgen van slechts één zware aardbeving in Japan, met honderden naschokken, laten toch duidelijk zien dat de mens met zijn activiteiten kwetsbaar is. Kwetsbaarder dan de planeet waarop we leven en waarvan er maar een is. Wat meer bescheidenheid zou daarom op zijn plaats zijn.


Geschreven in Wetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Tsunami: Japan was voorbereid, maar zijn wij dat wel?

11. Maart 2011, 16:11

Japan beleeft op dit moment de gevolgen en naschokken van de zwaarste aardschok in 140 jaar. Er volgt onmiddellijk een tsunami-alarm voor alle landen aan de Stille Oceaan. Nu wordt het nieuws gedomineerd door de effecten van een aardbeving - één van de vele - in de diepzeebodem rond de Stille Oceaan. Even is de aandacht voor het menselijk leed dat door het conflict tussen de inwoners van Libië, die de onderdrukking van Kadafi beu zijn, naar de achtergrond verdreven.



Het is weer een heel gewoon natuurverschijnsel – een zware aardbeving met een kracht van 8,9 op de schaal van Richter – dat dood en verderf zaait in Japan. Met de snelheid van een Boeing verspreidt zich een tsunami over het oppervlak van de Stille Oceaan. Onheilspellend. Ze bedreigt de laag gelegen kustgebieden, waar meer dan de helft van de mensen op aarde wonen. Het grote verschil met de nog vers in het geheugen liggende tsunami op 26 december 2004 is vooral dat de mensen nu wel of veel beter begrijpen wat een tsunami is. Men zal niet meer, zoals die politie-agent in Thailand zes jaar geleden, uit nieuwsgierigheid een kijkje gaan nemen. Hij verdronk voor de ogen van de tv-kijker. Er is nu tijd genoeg om maatregelen te nemen en vooral bescherming te zoeken. De economische schade zal er wel niet minder om zijn. Hopelijk zullen wel veel mensenlevens worden gered door te luisteren naar de waarschuwingen. Ook al is de tijd om te reageren heel wat korter dan bij een wervelstorm zoals Katrina in 2005 of een zware herfststorm op de Noordzee. Zo vluchten de inwoners van het Indonesische eiland Halmahere nu weg van de kust het hoger gelegen binnenland in. Daar wachten ze de komende tsunami in veiligheid af. Aan de andere kant van de oceaan bereiken ondertussen de eerste torenhoge golven de kust van Rusland. Ook hier is men gewaarschuwd.

Marien informatiesysteem voor de oceanische ruimte
De kwetsbaarheid en gevoeligheid van het oceaanmilieu en het tekort aan kennis werden erkend op de grote conferentie over milieu en ontwikkeling van de Verenigde Naties, die in 1992 in Rio de Janeiro werd gehouden. In ‘Agenda 21’, het actieprogramma van deze bijeenkomst van 30.000 politici, beleidsmakers en actievoerders, werd erop gewezen dat de oceanische ruimte speciale aandacht verdient wanneer we het over het milieu en duurzaamheid hebben. Immers, de oceanische ruimte hebben we nodig voor de lucht die we inademen, het water dat we drinken, het voedsel dat we eten en het klimaat waarin we leven. Er is dan ook een speciaal hoofdstuk aan deze problematiek gewijd: ‘Het mariene milieu – met inbegrip van de oceanen en alle zeeën en aangrenzende kustgebieden – vormt een samenhangend geheel, dat een wezenlijk deel uitmaakt van het mondiale systeem dat het leven in stand houdt en een waardevol goed is, dat mogelijkheden biedt voor duurzame ontwikkeling.'

Ook wordt in de vastgestelde 'Agenda 21' gezegd dat ‘het rationele gebruik en de ontwikkeling van kustgebieden, van alle natuurlijke rijkdommen van de zeeën en het behoud van het marine milieu, de mogelijkheid vereist de huidige staat van deze systemen te bepalen en toekomstige ontwikkelingen te voorspellen. De grote mate van onzekerheid in de nu beschikbare informatie sluit effectief beheer uit en beperkt de mogelijkheid voorspellingen te doen en milieuveranderingen in te schatten. Systematische vergaring van oceanografische gegevens is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak van het beheer en om de effecten te voorspellen van wereldwijde klimaatverandering en van atmosferische verschijnselen als de aantasting van de ozonlaag, van de natuurlijke rijkdommen van de zee en van het oceanische milieu.’

Dit heeft de internationale politieke basis gelegd voor de ontwikkeling van het Global Oceaan Observing System, GOOS, een waarnemingssysteem voor de oceanische ruimte. Nu, bijna twintig jaar later, is dit systeem grotendeels gerealiseerd, hoewel je – één jaar voor Rio+20 – even goed zou kunnen zeggen dat het er nog steeds niet is. Vaak was er een ramp zoals de tsunami in de Indische Oceaan nodig om een belangrijke stap in de realisatie van dit mondiale mariene informatie systeem te zetten. Het tsunami-waarnemingssysteem is er nu ook voor dit deel van de oceanische ruimte. Een goed marien informatiesysteem voor de Europese Exclusieve Economische Zone of een gebied als de Noordzee ontbreekt echter. De Nederlandse overheid neemt water alleen serieus als het om de binnenwateren gaat of als er op korte termijn iets te verdienen valt. Ook bij de Belgische politici staat een geïntegreerd waarnemingssysteem voor de Noordzee niet op het netvlies. Het ontbreken van dit soort systemen kost op termijn mensenlevens, leidt tot economische- en milieuschade en men mist kansen voor het bedrijfsleven en de kennisinstituten; voor het land dus.

Anthropoceen – men stelt de verkeerde vragen
Ongeveer tien jaar gelden introduceerden de Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen en Eugene F. Stoermer het idee van een nieuw geologisch tijdperk: het Anthropoceen. Ze kwamen hiermee omdat vanaf het begin van de industriële revolutie de mens in toenemende mate zijn omgeving beïnvloedt en nu zelfs op mondiale schaal verandert. Hierdoor dreigen er, wat we in de media ook vaak lezen, allerlei rampen waarvan het uitsterven van vele diersoorten er één is. Hoewel het wellicht een interessante gedachte is, denk ik dat het de invloed van de mens schromelijk overschat. Het is waar dat de steeds maar toenemende menselijke activiteiten gekoppeld aan de toenemende bevolkingsgroei voor vele problemen - tot klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, plastiek eilanden, overbevissing, enz. toe – zorgt. Maar het leidt ook tot het stellen van de in mijn ogen verkeerde vragen.

In de uitzending van Terzake van 9 maart 2011 over het watergebruik in de Lage Landen was de informatie op dit lokale niveau juist en interessant. Wat ontbrak was de context waarin deze veranderingen allemaal gebeuren. Dat heeft immers te maken met de manier waarop de menselijke activiteiten zich, op mondiaal en regionaal niveau, op een niet-duurzame manier in de afgelopen twintig jaar hebben ontwikkeld. Uit het interview bleek een zeer optimistisch ‘geloof’ in technologische oplossingen in de komende tien tot vijftien jaar. Maar terecht concludeerde de interviewster dat er toch wel sprake is van een gebrek aan langetermijnvisie, ook bij de Belgische (en Nederlandse) politici. Het is overigens ook zeer de vraag of we die tien tot vijftien jaar nog wel hebben.

Elke dag neemt het aantal mensen toe. Elke dag moeten er meer monden worden gevoed. Elke dag wil een groeiend aantal mensen in landen als China en India een hogere welvaart. Dat alles leidt niet tot een duurzaam gebruik van de eindige grondstoffen van de planeet waarop wij met vele miljarden andere organismen leven. Vaak hoort men in de media de vraag stellen: kunnen wij de aarde redden? Een dergelijke vraag is onzin. De aarde heeft ons niet nodig en redt zichzelf prima zonder ons. Bovendien, het was slechts één vulkaan op IJsland die het vliegverkeer in Europa stillegde; het is slechts een zware aardbeving in de diepzee bij Japan die dood en verderf zaait. Als de aarde schudt blijven we nergens met onze menselijke activiteiten. Ook in het Anthropoceen niet. De juiste vraag is mijns inziens: zijn wij bereid en in staat om op een duurzame manier op deze planeet, de enige die we hebben, te leven. Wellicht geeft Rio+20 daar het volgend jaar een duidelijk, politiek, antwoord op.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


La Niña bedreigt 'Sunshine State' in Australië

13. Januari 2011, 09:06

‘Watersnood bedreigt miljoenenstad’ kopte De Standaard gisteren. Luisterend naar Klara vertelt de nieuwslezer dat er zowaar ook in de Filippijnen watersnood en modderstromen dreigen. Er klinkt enige verwondering in haar stem door. De toogfilosofen op de Belgische TV verbazen zich dan weer over de watersnood in de Waalse Ardennen. En dat enige maanden na de zondvloed van de nieuwslezers in Vlaanderen. Het taalgebruik van de media en de al dan niet terechte verbazing, doet vermoeden dat de verbanden niet of nauwelijks worden gelegd. Immers de rampen van nu zijn, als zo vaak het geval is, expressies van een mondiaal natuurverschijnsel. In dit geval La Niña in de Stille Oceaan. La Niña, het kleine meisje; het zusje van El Niño, het kerstkindje. Wat is er aan de hand?

Broer en zus
El Niño en La Niña veranderen alles: het weer, de visvangst, de moesson, de oogst, het aantal malaria patiënten, de winter in West-Europa. Het kan zelfs het leven in het noordoosten van Australië, zoals we nu weer zien, op zijn kop zetten. Naast de jaarlijkse verandering van de seizoenen vormen de onregelmatige afwisselingen van een warme El Niño’s en een koude La Niña’s, in de equatoriale, tropische Stille Oceaan, de belangrijkste mondiale natuurverschijnselen op aarde. Aan de seizoenen zijn we ondertussen wel gewend. Aan de effecten van El Niño en La Niña nog niet. Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, de inwoners van de Lage Landen en die van het nu zo bedreigde Brisbane zijn het slachtoffer van een ongewoon sterke La Niña in de Stille Oceaan.

Op 11 oktober 2010 waarschuwde de Wereld Meteorologische Organisatie in Genève, al voor dit natuurverschijnsel. Men constateerde dat er zich in het oostelijk deel van de Stille Oceaan, een La Nina in de categorie van ‘gemiddeld’ tot ‘sterk’ ontwikkelde. Hoe dat precies gebeurt, is nog altijd niet helemaal duidelijk. Maar wel is duidelijk wat er gebeurt als het proces eenmaal begonnen is. Zo verwachtte men dat de gevolgen van deze La Niña vooral in het eerste kwartaal van 2011 zichtbaar zouden zijn. Het Australische Meteorologische Bureau laat op haar website weten dat de ellende nog wel even zal duren: “Long-range forecast models surveyed by the Bureau suggest that the La Niña is likely to persist into the southern hemisphere autumn”. Dus tot in onze lente!

El Niño’s, waarvan er geen twee gelijk zijn, is een heel oud verschijnsel zoals uit ijskernen en andere gegevens blijkt. Vermoedelijk bestaat het al wel 130.000 jaar. In gewone jaren stijgt de lucht in een zone met lage druk boven het noorden van Australië op, stroomt vervolgens op grote hoogte over de Stille Oceaan naar het oosten en zakt weer omlaag in een hogedrukzone voor Zuid-Amerika. Over het enorme waterbassin van de Stille Oceaan vloeit deze lucht dan weer terug naar het westen. Ze versterken de passaten, die opgewarmd oppervlaktewater als een krachtige zeestroming naar het westen van de oceaan drijven. Hierdoor is het zeeoppervlak in het westelijk deel van de Stille Oceaan ongeveer een halve meter hoger.

Tussen dit atmosferische systeem en de oceaan bestaat een belangrijke wisselwerking. Het oppervlaktewater voor de westkust van Zuid-Amerika, dat circa 25 graden Celsius warm is, wordt weggedrukt naar het oosten. Daardoor komt er plaats voor het zo'n vijf graden koudere, zeer voedselrijke water in de diepzee, dat afkomstig is uit de Antarctische Oceaan (de Humboldtstroom). Dat verschijnsel heet opwelling. De voedselrijkdom van het water heeft een uitbundige ontwikkeling van leven tot gevolg. De voedselketen explodeert. Het plankton gedijt weelderig. Vis wervelt in immense scholen door de oppervlaktelaag. De vogelrijkdom is indrukwekkend. Zeeleeuwen en andere zeezoogdieren zijn er in overvloed.

El Niño is een verstoring van deze interactie, die de 'Walkercirculatie' wordt genoemd. In een 'El Niño-jaar' warmt het zeewater aan de oostkust van Zuid-Amerika op. Er ontstaat een krachtige wind van west naar oost, die de zuidoost- en noordoost-passaat tegenwerkt en afremt of zelf helemaal omdraait. In het westen stroomt het opgewarmd water snel naar het oosten en verspreid zich naar het noorden en het zuiden langs de kusten van Amerika. De naar het oosten stromende warmwatermassa strekt zich als een lange tong uit rondom de evenaar over de daar ruim zestienduizend kilometer brede oceaan. Omdat dit warme water vaak rond de kersttijd komt, is het door de Peruaanse vissers El Niño of 'het Kerstkind' gedoopt.

Het koude diepzeewater van de Humboldtstroom kan nu niet naar de oppervlakte stijgen, niet opwellen. De voedingsstoffen uit de diepte blijven weg, de planktonproductie neemt sterk af, de vissen, de vogels en de zeezoogdieren verhongeren. Het tot wel acht graden Celsius warmere water veroorzaakt een grotere verdamping aan de Amerikaanse westkust. Dat leidt tot enorme stortbuien aan de kusten, bijvoorbeeld in Peru waar normaal een bar woestijnklimaat heerst. Er ontstaan overstromingsrampen en aardverschuivingen, die vele miljarden euro’s schade veroorzaken en de bewoners van deze gebieden bedreigen. Er ontstaan meer zware, tropische wervelstormen (tayfoon). De op zes tot tien kilometer hoogte, met zo'n vierhonderd kilometer per uur in westelijke richting voortrazende straalstroom verplaatst zich ook. En dat geeft weer effecten in Azië, Australië, de VS en Canada en op de Atlantische Oceaan, wat El Niño maakt tot een wereldwijd klimaatsfenomeen.

Een El Niño treedt om de vijf à zeven jaar op in de Stille Oceaan en duurt 12 tot 18 maanden. Het wordt vaak gevolgd door een La Niña ("het meisje") die juist door de omgekeerde situatie wordt gekarakteriseerd: sterkere passaatwinden en nog kouder zeewater dan normaal voor de kust van Peru en Equador. Eigenlijk vormen El Niño en La Niña de extremen van hetzelfde proces in de bovenste, dunne, waterlaag langs de evenaar in de Stille Oceaan. Gedurende de helft van de tijd verkeert het systeem in een neutrale situatie.

La Niña en Europa
Op 17 september 2010 voorspelde MeteoVista in het Nederlandse Zeist, dat we de komende winter rekening moeten houden met veel neerslag in de vorm van heel veel sneeuw of juist heel veel regen. Deze verwachting was gebaseerd op de waargenomen en verwachte ontwikkeling van La Niña. Of het een winter met min of meer normale temperaturen en veel sneeuw zou worden of juist één met veel regen dat hangt af van de koers van de Atlantische depressies boven Europa. MeteoVitsa nam hiermee wel een risico, dat de meeste andere meteorologische diensten nog niet nemen. Immers langetermijnweersvoorspellingen zijn nog steeds erg onzeker. Maar toch: sneeuw hebben we genoeg gehad en over regenwater – overstromingen en ‘zondvloeden‘ - mogen we ook niet klagen.



Sinds de extreme winter van 2007/2008, waarbij Engeland veel last had van overstromingen, is duidelijk geworden dat dit afhangt van de kracht van de noordelijke straalstroom, wat weer samenhangt met de sterkte van een La Niña in de Stille Oceaan. Zo heeft een zwakke La Niña geen of nauwelijks effect op het weer boven de Atlantische Oceaan. Wanneer het verschijnsel echter krachtiger – wat nu het geval is - is of langer duurt, voedt dit in het noordelijk deel van de Stille Oceaan een reusachtig hogedrukgebied. Dit luchtdrukgebied beïnvloedt vervolgens de noordelijke straalstroom, een continue westenwind, hoog in de atmosfeer. Het gevolg is: meer depressies, die het Europese vasteland bereiken en dus meer neerslag. ?

La Niña en Australië
Het effect van het zusje van de vaak zo gevreesde El Niño, die op grote schaal bosbranden kan veroorzaken, is hier al lang bekend. Immers het warme water dat zich langs de evenaar in de Stille Oceaan naar het westen verplaatst, hoopt zich op boven het continent in ruwweg het zeegebied van Indonesië. Het verstoort dan ook de Indische moesson en beïnvloedt het weer in de gehele regio: regen en nog eens regen. Onderzoek van het Bureau of Meteorology, BOM, toont aan dat het effect - koeler en natter dan normaal - van La Niña vooral merkbaar is in het noordelijke en centrale deel van het land. Het effect van El Niño is in dat gebied juist weer minder dan elders in het land. Eén van de sterkste La Niña’s was die van 1973/1974, die nu vaak in de media wordt genoemd. Het ziet er naar uit dat de huidige nog erger is. Dat voedt dan weet de speculaties over de gevolgen van de klimaatverandering op dit systeem langs de evenaar in de Stille Oceaan.

Het voorspellen van deze natuurverschijnselen is nog steeds geen eenvoudige zaak. Wel is er, in internationaal verband, veel vooruitgang geboekt door het Global Climate Observing System en het Global Ocean Observing System. Hoewel dit de schade en het leed niet vermindert, zou een stevige investering in mariene informatiesystemen een goede zaak zijn. Een zaak waaraan de Nederlandse en Belgische overheid echter weinig aandacht geeft en zeker geen prioriteit.


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Onbemande robot onderweg van de VS naar Spanje

01. December 2009, 10:45

Onlangs kreeg ik een uitnodiging van mijn Spaanse collega Enrique Alvarez om in de haven van het schilderachtige vissersdorpje Bayona in Noord-Spanje de aankomst van de eerste onderwaterrobot te vieren die de Atlantische Oceaan is overgestoken. De oversteek wordt uitgevoerd binnen het Integrated Ocean Observing Systeem (IOOS) van de National Oceanic and Atmospheric Administration, NOAA, en de Rutgers Universiteit. Aan de Europese kant werkten onder andere de universiteiten van de Azoren en Las Palmas aan het unieke project mee.

De robot werd op 27 april voor de kust van New Jersey in de VS te water gelaten. Zdenka Willis de directeur van IOOS, doopte hem Scarlet Knight. Studenten van het Coastal Ocean Observation Lab van de Rutgers Universiteit loodsen vanaf die dag de in het water zwevende robot of ‘glider’ dagelijks naar de andere kant van de oceaan. Op animaties is te zien hoe een glider ook de contouren van het onderzoeksgebied volgt. Een beetje zoals een Tomahawk-kruisraket, een soort onbemand vliegtuigje of robot die de contouren van het landschap volgt en zo vaak ongezien zijn doel kan bereiken.

Gliders veroveren de oceanische ruimte
De ontwikkeling van zelfstandig opererende onderwatervaartuigen (AUVs) voor het doen van onderzoek begon in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Vaak gebeurde dit in de laboratoria of spinn off bedrijven van grote onderzoek instituten zoals het beroemde Woods Hole Oceanographic Research Institution (WHOI) aan de Atlantische kust in de buurt van New York en Scripps Institution of Oceanography in La Jolla, Califonie. De glider werd ontwikkeld door een oud werknemer van WHOI, ingenieur Douglas Webb’ die nu een bedrijf met dezelfde naam heeft. Behalve wetenschappers is ook de Amerikaanse marine geïnteresseerd in deze intelligente ‘kruisraketten van de oceaan’.



Gliders hebben geen propellers zoals onderzeeërs en de meeste andere onderwatervaartuigen. Ook is het gebruik van batterijen vanwege hun korte levensduur geen oplossing voor de voortstuwing. Voor de aandrijving wordt op een slimme manier gebruik gemaakt van het drijfvermogen van de glider. Hierbij wordt het vaartuigje zwaarder of lichter gemaakt dan het water waarin deze zich bevindt. De hoeveelheid water van een theekopje is hiervoor genoeg. Hierdoor daalt of stijgt de glider in de waterkolom. Door er vleugels aan te bevestigen wordt de verticale beweging omgezet in een voorwaartse horizontale beweging. Het gevolg is dat de glider zich in een zaagtand patroon door het water beweegt. Voorzien van een staartvinroer is de torpedovormige glider in staat om een reeks van waarnemingen te doen tot op een van te voren bepaalde diepte. De verzamelde gegevens worden zo gauw de glider aan het oppervlak komt per satelliet naar het grondstation gestuurd waar ze worden verwerkt. Ook krijgt de glider per kerende post instructies voor de volgende duik.

Hiermee is de droom van één van de beroemdste Amerikaanse oceanografen van de vorige eeuw werkelijkheid geworden. In 1989 schreef Henry Stommel in het pas opgerichte populaire vakblad ‘Oceanography’ een sciencefictionachtig essay over een vloot van duizend onderwatervaartuigen: de Slocum gliders. Ze werden aangestuurd vanuit een Slocum Mission Controle Centrum op een eilandje voor de kust van het Woods Hole Oceanographic Institution, waar hij werkte. Zoals zo vaak in de wetenschap wilde hij zijn visionaire droom met gepaste voorzichtigheid bekend maken. Nu, slechts twintig jaar later, verkennen ruim 3000 Argo floats dagelijks de bovenste twee kilometer van de oceaan om ons te helpen bij het doen van klimaatvoorspellingen, zijn glider missies bijna dagelijkse kost en worden er allerlei nieuwe AUVs voor speciale toepassingen ontwikkeld. Stommel noemde zijn gliders naar Joshua Slocum, die in 1895 op 24 april in zijn eentje met zijn sloep Spray uit Boston vertrok voor een reis van ruim drie jaar rond de wereld.

Scarlet Knight steekt de Atlantische Oceaan over

Gezien de uitnodiging van mijn Spaanse collega ga ik er van uit dat deze oversteek van een Slocum glider wel lukt. Een eerdere poging met de RU 17 was mislukt; bij de Azoren verloor men het vaartuigje door vermoedelijk een botsing met een vis, uit het oog. Uiteindelijk lijkt een glider van nog geen twee meter zonder een goed functionerend GPS systeem, toch weer snel op de spreekwoordelijke speld in de hooiberg. De informatie die toen werd verzameld heeft goed geholpen om de poging van de huidige transatlantische glider RU 27, tot een succes te maken. Met een snelheid van ongeveer een kilometer per uur kan de RU 27 de hemelsbrede afstand van 5.323 kilometer tussen Amerikaanse Tuckerton in New Jersey en Cape Tourinan, de meest westelijke kaap van Galicië in Spanje, in ongeveer 240 dagen afleggen. Oceaanstromingen zoals de Golfstroom hebben hier echter een grote invloed op. Het is de kunst om handig gebruik te maken van deze stromingen om zo snel mogelijk aan de andere kant van de oceaan te komen of zoveel mogelijk gegevens te verzamelen tijdens de oversteek.

Het navigeren van de Scarlet Knight lijkt dus in dit opzicht op het navigeren van Columbus toen hij op pad ging om Amerika te ontdekken. Het grote verschil is dat de navigators nu thuis zitten en gebruik maken van satellietopnamen en computermodellen om de koers te bepalen. Het verloop van de tocht is op het web te volgen: op 25 augustus werd Scarlet Knight bij de Azoren door duikers begroet en op dag 201 bereikte deze ridder de Spaanse wateren.


Studenten bespreken de plannen en volgen de glider Scarlet Knight in het ‘mission control center’ van het onderzoekinstituut van de Rutger Universiteit in de VS. Foto credits: Rutgers Universiteit.


Onderwaterrobots hebben de toekomst
Hoewel er natuurlijk meer universitaire operationele centra zijn voor het inzetten van gliders is het Coastal Ocean Obeservation Lab van de Rutgers Universiteit wel een mooi voorbeeld. Op hun website kan men de verschillende gliders die zijn ingezet volgen. Door de bloggende studenten en jonge onderzoekers is dit een attractieve interface met het innovatieve en moderne oceanografische onderzoek van de 21ste eeuw. De avonturen van een glider in Antarctica of de Middellandse Zee laten zich lezen als een jongensboek. Op dit moment worden er vier missies uitgevoerd in het Caribische gebied, bij Longyearbyen op Spitsbergen, bij het Amerikaanse onderzoekstation Palmer op het Antarctisch Schiereiland en de Trans Atlantische oversteek van Scarlet Knight. De laatste heeft op 30 november een afstand van 7.360,62 kilometer afgelegd in 217 dagen. Nog ruim 128 kilometer en hij zal worden opgepikt.

Gliders worden in de operationele oceanografie gebruikt om mariene informatie te verzamelen over het ‘weer in de oceaan’. Als je het vergelijkt met de inzet van onderzoekschepen is het een goedkope en betrouwbare manier om onder alle weersomstandigheden informatie over de oceaan te verzamelen. Ook wordt er stevig geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe onderwaterrobots, die voor speciale taken zullen worden ingezet. Hierbij kun je denken aan het monitoren van het ontstaan van gevaarlijke algenbloeien waardoor vissen kunnen sterven en het in kaart brengen van de vorm van ijsbergen en ijs-shelfs om een indruk te krijgen van de snelheid waarmee deze verdwijnen door de klimaatverandering. Zo investeerde de National Science Foundation onlangs ruim een miljoen US$ in de ontwikkeling van nieuwe zwermen van onderwaterrobots ter grootte van een voetbal, voor het monitoren van ondiepe zeeën zoals de Noordzee. Waar blijven de door klimaatverandering zo bedreigde ‘Lage Landen’ in dit geheel, vraag ik me dan maar weer eens af? In Nederland en in mindere mate België is de politieke moed ver te zoeken voor gerichte investeringen in een marien informatiesysteem over de Noordzee. Men wacht tot Europa dit voorschrijft.

Baiona: landingsplaats van Scarlet Knight
In de uitnodigingsbrief wees Enrique Alvarez er op dat Baiona de plek is waar ‘Europa voor het eerst over het bestaan van Amerika vernam’. Enrique komt uit Noord-Spanje. Eens vertelde ik hem dat ik Barrios de Luna, een onmogelijk dorp in het Cantabrische gebergte in Noord-Spanje, goed kende omdat ik daar mijn veldwerk als geologie student deed. Hij schoot in de lach en liet me een prachtig plaatje van zijn geboortedorp Barrios de Luna, zien Hoewel hij nu in Madrid leeft, klopt zijn hart nog in Noord-Spanje.

Baiona is inderdaad de plek waar Martin Alonso Pinzon (1441 – 1493) die als kapitein eigenaar van de Pinto met Columbus naar Amerika was vertrokken, in maart 1493 landde. Hij was voor Columbus een lastige en ongehoorzame expeditie deelnemer, die vaak zijn eigen gang ging. Op de terugweg nam hij bij de Azoren de benen om als eerste in Spanje aan te komen en de eer voor zichzelf op te eisen. Dat lukte niet omdat de Spaanse koning hem niet wilde ontvangen. Vlak daarna stierf hij aan een geslachtsziekte.

 

Websites bij dit Planeet Oceaan blog:

UPDATE: Scarlet Knight aangekomen in Spanje (10/12/2009 op eosmagazine.eu)

rucool.marine.rutgers.edu/

rucool.marine.rutgers.edu/atlantic/

www.webbresearch.com/Default.aspx

www.nsf.gov/news/news_summ.jsp?cntn_id=115887

www.whoi.edu/page.do?pid=7016



Geschreven in Wetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Botsingen en de gevolgen voor de mens

03. November 2009, 09:39

In de afgelopen maanden stonden de kranten vol van botsingen in de aardkorst die voor veel ellende zorgden en zowaar een botsing met een steen uit de ruimte. Deze spatte op 13 oktober rond zeven uur ‘s avonds in de atmosfeer uit elkaar. Dat laatste gebeurde boven de Nederlandse provincie Groningen, de plek waar ik mijn jeugd doorbracht en geologie studeerde. Er was geen schade.



De botsingen in de aardkorst vonden vooral plaats in de buurt van Indonesië en bij Samoa een eilandengroep in de Stille Oceaan. Een aardbeving met een kracht van 8,0 op de Schaal van Richter, veroorzaakte bij deze eilandengroep op 30 september een vloedgolf van ruim zeven meter. Hoewel er snel een tsunami-waarschuwing was afgegeven, was de tijd te kort om het hoger gelegen binnenland in te vluchten. Na een paar minuten rolde de vloedgolf het eiland op, doodde ongeveer 190 mensen en richtte tot soms 1,5 kilometer landinwaarts grote schade aan.

Een paar uur later vond er voor de kust van het Indonesische eiland Sumatra ook een zware aardbeving plaats. Met een kracht van 7,2 op de Schaal van Richter, was men even bang dat er ook hier een tsunami zou ontstaan. De angst voor een tsunami zoals op de Tweede Kerstdag van 2004, zit er nog diep in. Voor de kust van Indonesië werd snel een alarm afgegeven dat na een uurtje al weer kon worden ingetrokken. In de omgeving van de havenstad Padang stortten vooral huizen en bruggen in en werden soms hele dorpen onder modderstromen bedolven.

Voor de kust van Indonesië komen vaker zware aardbevingen voor. Deze zijn het gevolg van het verdwijnen van de Indisch-Australische plaat onder de Euraziatische. Dat gebeurt met een snelheid van ongeveer zes centimeter per jaar, wat grote spanningen in de ondergrond geeft. Die komen tot expressie in wat wij aardbevingen en vulkaanuitbarstingen noemen.

Platentektoniek

De aarde is opgebouwd uit een aantal schillen zoals de kern, mantel en aardkorst. De laatste is de flinterdunne buitenste laag, die bestaat uit negen grote en twaalf kleinere platen. Volgens de theorie van de platentektoniek, bewegen deze zich aan de plaatgrenzen ten opzichte van elkaar met een gemiddelde snelheid van 0,5 tot 8,5 centimeter per jaar. De zes continenten liggen op evenzoveel platen. Dat zijn de continentale platen. Een bekend voorbeeld van een plaatgrens die uit elkaar gaat is de Mid-Atlantische Rug. Hier zijn Afrika en Zuid-Amerika en Europa en Noord-Amerika, in de loop van miljoenen jaren uit elkaar gedreven omdat er steeds gesteente vanuit de mantel tussen de twee continenten wordt gedrukt.

De platen van de aardkorst hebben een verschillende dikte. De oceanische zijn zwaarder dan de continentale, die uit een mix van gesteenten bestaan. De oceanische platen zijn ook relatief jong. Ze zijn niet ouder dan 180 miljoen jaar. De continentale platen kunnen wel 4 miljard jaar oud zijn. Omdat ze lichter zijn drijven ze vaak op de oceanische platen. De beweging van de verschillende platen wordt veroorzaakt door convectiestromingen in de mantel. Hierdoor wordt nieuwe korst toegevoegd in de gebieden waar de platen uit elkaar gaan bij de Mid-Oceanische Ruggen, en verdwijnt het weer waar convectiestromingen weer in de mantel terug duiken. De energie hiervoor wordt geleverd door het verval van radioactieve elementen zoals uranium en thorium, in het binnenste van de aarde. De Mid-Oceanische Ruggen vormen een gigantische bergketen van 65.000 kilometer. Door de warmte van het omhoogkomende gesteente ontstaat een bergrug van 2000 kilometer breed, die zich 3000 meter boven het oppervlak van de oceaanbodem verheft. Bij de afkoeling zakken de plakken lava dieper weg en wordt de oceaan ook dieper.



Op plaatsen waar de zwaardere oceanische onder de lichtere continentale korst duikt, ontstaan in oceaan vaak tot twaalf kilometer diepe troggen zoals de Marianne Trog. De plaatsen waar dit gebeurt, worden subductie-zones genoemd. Hier ontstaan veel aardbevingen door het schoksgewijs verschuiven van de plaatgrenzen. De ‘Ring van Vuur’ markeert een reeks van subductie-zones rondom de Stille Oceaan, waar de grote Pacifische plaat onder andere platen wegduikt. Ook wordt er allerlei materiaal van de ene plaat afgeschraapt. Op een diepte van 100 tot 150 kilometer wordt het water in het gesteente zo verhit dat magmavorming plaatsvindt. Dat leidt dan weer tot het ontstaan van vulkanen aan het aardoppervlak en eilandenbogen zoals de Indonessiche archipel, langs de wegduikend plaatranden.


De 65.000 kilometer lange bergrug in de oceaan.

Vliegende stenen
Brokstukken ruimtepuin die vanuit de ruimte de atmosfeer van de aarde binnendringen, verbranden meestal. Dit leidt, vooral ‘s nachts, tot schitterende verschijnselen waarbij meteoren als vallende sterren en sterrenregens zijn te zien. Soms verbrandt het puin niet en slaat het restant als een meteoriet in. Bij het passeren van de dampkring ontstaat dan een vuurbol, een indrukwekkend verschijnsel dat ook bij daglicht zichtbaar kan zijn. De steenmeteoriet van ongeveer een kilo die op 7 april 1990 bij Glanerbrug in Nederland insloeg, veroorzaakte een dergelijke vuurbol. Hierdoor was het grootste deel van deze meteoriet al in de atmosfeer verbrand. Na het afremmen en uitdoven maakt een meteoor nog een vrije val van enkele minuten, waarbij hij afkoelt. Aan de hand van de samenstelling van de meteorieten kan worden nagegaan waar deze vandaan komen. Soms is dat van de maan, maar meestal zijn ze afkomstig uit een planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter.

De snelheid waarmee meteoren de atmosfeer binnendringen varieert van 35.000 tot 250.000 kilometer per uur. Het zijn alleen de zeldzamere, zeer grote meteoren die weinig hinder ondervinden van de dampkring en bij inslag een grote krater veroorzaken. Zeer bekend is de inslag die 65 miljoen jaar geleden plaatsvond aan de grens van het Krijt en het Tertiair, waarbij de Chicxulub krater op het Mexicaanse schiereiland Yucatan ontstond en de dinosauriërs uitstierven. Rond die tijd sloeg er ook dichter bij huis een meteoriet in: de onlangs door de Britse geologen Simon A. Stewart en Philip J. Allen ontdekte Silverpit krater in de Noordzeebodem. De centrale krater heeft een diameter van ongeveer drie kilometer. Om het kratergat liggen tot op een afstand van tien kilometer ringen van dalen en heuvelruggen die soms vijftig meter hoog zijn.

Inslagen hebben ook effect gehad op de mens. Zo was een komeet die boven Noord-Amerika in meerdere stukken uiteenviel, mogelijk de oorzaak van de temperatuurdaling aan het begin van de Jonge Dryas, een koude periode van 12.800-11.600 jaar geleden. In Noord-Amerika stierf bij het begin van deze periode de megafauna met sabeltandtijgers, reuzenluiaards, mastodonten en mammoeten uit. In totaal legden 35 zoogdier- en 19 vogelgeslachten het loodje in Noord-Amerika. Ook verdween de Noord-Amerikaanse Clovis-cultuur die uit prehistorische jagers bestond. Interessant is dat er ook in België sporen zijn aangetroffen van de temperatuurdaling aan het begin van de Jonge Dryas. In Lommel zijn in dekzanden sedimenten aangetroffen met dezelfde buitenaardse samenstelling als in Noord-Amerika.

De meteorietkrater bij Jabal Waqf as Swann in Jordanië die tussen de 7500 tot 10.000 jaar oud is, wijst op een catastrofe die zich voordeed tijdens het begin van onze beschaving. De inslag had een kracht van 5000 atoombommen van het Hiroshima-type. Zo’n inslag moet grote verwoestingen hebben aangericht in het gebied dat we nu Jordanië, Irak, Syrië, Libanon, Palestina en noordelijk deel van Saoedi Arabië noemen.

Slachtoffer
Aardbevingen en tsunami’s maken tegenwoordig vaak veel slachtoffers. De economische en maatschappelijke schade is vaak erg groot omdat de meeste menselijke activiteiten in deze gebieden plaatsvinden. Dit zal ondanks de tsunami-waarschuwingsystemen, niet zoveel veranderen omdat onze activiteiten zich in toenemende mate in de kuststrook concentreren.

De kans dat je geraakt wordt door een meteoriet is uitzonderlijk klein: één op honderd miljoen. Toch overkwam dit de veertienjarige, Duitse schooljongen Gerrit Blank op 10 juni. Het gevolg was een tien centimeter lange brandwond op zijn linkerhand door een meteoor met de afmetingen van een erwt. In 1954 vloog een meteoor ter grootte van een honkbal door het dak van een huis in Arizona, USA en verwonde Ann Hodges in haar middagslaapje. Zij had een flinke wond op haar heup. Op 25 september sloeg om negen uur ‘s avonds, een meteoriet ter grootte golfbal een gat in de Nissan Pathfinder van Yvonne Garchinsk in Ontario, Canada. In Groningen waren er geen gewonden; wel werden er prachtige foto’s gemaakt van deze botsing tussen ruimtepuin en de aarde.


Websites

http://www.spacepage.be

http://nl.wikipedia.org/wiki/Aardbeving

http://en.wikipedia.org/wiki/Tsunami

http://www.natuurinformatie.nl

http://www.prh.noaa.gov/ptwc/



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Botsingen tussen mens en zee

28. September 2009, 10:29

Als walvis zit het je in deze tijd van rampenfilms over het klimaat ook niet mee. Vandaag spoelde volgens een Nederlandse krant een walvis aan in Antwerpen. De beter geïnformeerde Belgische kranten berichten over weer een dodelijk treffen tussen deze zeezoogdieren en de mens. De kapitein van de Summer flower had er blijkbaar geen idee van dat hij een walvis, de gewone vinvis, had aangevaren en via de nog steeds niet uitgediepte Schelde, meenam naar de Antwerpse haven. Het is niet de eerste keer dat de Summer flower voor verassingen zorgt. In 2003 zat er volgens een rapport van de Internationale Maritieme Organisatie IMO, een Colombiaanse verstekeling tussen de bananen. Hij had wel een partij hard drugs bij zich.

The Age of Stupid The Age of Stupid - screenshot

En dan de rampenfilms. Had de documentaire van Al Gore nog enige zin omdat hij eindelijk de politiek in de Lage Landen wakker schudde, de heisa rondom de Brits docudrama The Age of Stupid komt op mij over als een ‘hel en verdoemenis’ preek uit het begin van de negentiende eeuw. Waag het niet er een andere, wellicht wat genuanceerdere mening op na te houden. Immers, ‘we hebben maar drie maanden meer’ zegt de gedreven en inventieve, Britse producer Franny Armstrong in het actualiteiten programma Netwerk. Drie maanden tot de klimaatconferentie in Kopenhagen. Drie maanden om de planeet te redden. Van wat vraag ik me dan af. Wij hoeven de planeet immers niet te redden. De planeet zorgt wel voor zich zelf en dat doet ze al vierenhalf miljard jaar. De menselijke activiteiten zijn sinds het midden van de vorige eeuw wel aardig uit de hand aan het lopen. Daar moeten we inderdaad iets aan doen. Maar asjeblieft niet aan de planeet. Laten we niet de ambitie hebben de sloot te redden in plaats van de drenkeling.

De oceaan binnen het Systeem Aarde

Vanuit de ruimte werd duidelijk dat de naam van  onze blauwe planeet niet goed is gekozen: water overheerst, niet land. Toen we deze naam lang geleden verzonnen, was ons beeld als typische landbewoner, gekleurd door onze directe omgeving. Immers we zijn geen vissen, maar rechtoplopende, zeer intelligente en inventieve landzoogdieren, nauw verwant aan chimpansees en bonobo’s. Met behulp van de technologie hebben we onze stempel gedrukt op onze omgeving. Die technologische ontwikkelingen, een snelle bevolkingsgroei en een hoge levensstandaard dragen nu vooral bij aan de huidige milieuproblemen waaronder de klimaatproblematiek en de stijging van de zeespiegel.

Bill AndersDe foto van de ‘Opkomende Aarde’ die de astronaut Bill Anders in de kerstnacht van 1968 maakte, heeft onze kijk op de planeet veranderd. Als een prachtige blauw-witte parel met een flinterdunne, beschermende atmosfeer schittert de Aarde die wij met miljarden andere organismen delen, aan het firmament. Wetenschappers spreken tegenwoordig van het Systeem Aarde, techneuten van het Ruimteschip Aarde en de milieubeweging soms van Moeder Aarde. Hoe het ook zij; de naam doet geen eer aan de gigantische waterplas van  iets meer dan 361.000.000 km2 die 70,9 procent van het oppervlakte van onze planeet bedekt. De foto van Bill Anders leidde – volgens Al Gore in zijn documentaire en boek ‘Een Ongemakkelijke Waarheid’ – ook tot de moderne milieubeweging en vele milieuwetten.

Binnen het Systeem Aarde onderscheiden we een paar grote deelsystemen of ‘sferen’ als de atmosfeer, hydrosfeer, biosfeer en lithosfeer, die ruwweg alle gassen, al het water, al het leven en alle gesteenten omvatten. De Atmosfeer is een dunne beschermende gasvormige laag van 800 km dik rondom de Aarde. De meeste massa en wel 75 procent bevindt zich in de onderste twaalf kilometer. Hier speelt zich het weer zich af. Het is deze flinterdunne laag die leven mogelijk maakt en ons beschermd. Op de maan ontbreekt die beschermende laag evenals op de meeste planeten in ons zonnestelsel. Daar is geen leven zoals wij dat kennen. Als landbewoner leven wij op onze planeet op de bodem van een ‘oceaan’ van lucht.

Bron: website Universiteit van Bristol; http://www.gly.bris.ac.uk/www/ESS/
  Bron: website Universiteit van Bristol; http://www.gly.bris.ac.uk/www/ESS/

De oceaan is ons onderwerp. Een ‘bak met water’ van 1.300.000.000 km3, waarvan we nauwelijks weten wat er allemaal in zit en welke processen er in plaats vinden. De diepste plek is de Marianatrog bij het eiland Guam. Hier werd op 23 januari 1960 aan boord van de Trieste een diepte van 11.521 meter gemeten door de aquanauten Jacques Piccard en Dan Walsh. Zij zijn de enige twee mensen die ooit het diepste punt van de oceaan hebben verkend; heel wat minder dan de  twaalf astronauten die op de maan zijn geweest. Wat het diepste punt betreft varieert de maximale gemeten diepte overigens rond de 10.923 meter. De mens heeft de  oceaan onderverdeeld in een viertal oceanen: de Stille, Atlantische, Arctische en Indische Oceaan. In 2000 is hier de Zuidelijke Oceaan aan toegevoegd. De gemiddeld diepte van de oceaan is 3.790 meter. De massa van de oceaan is slechts 0,023 procent van de totale massa van de Aarde. Slechts drie procent van het water is zoetwater.

De zee en de mens

De oceaan vangt het zonlicht op en verdeelt het over de Aarde. Daarmee vormt de oceaan het vliegwiel van het klimaat met de poolgebieden als gigantische koeltorens. Er zijn diffuse grenzen met de lithosfeer en de bewegende ‘platen’ die de bodem van de diepzee vormen, met de atmosfeer en met de hydrosfeer. Hierdoor is regen eigenlijk water dat tijdelijk is geleend van de oceaan en er in een eeuwigdurende cyclus in terugkeert. Het leven op aarde is ontstaan uit de oceanen en overleeft binnen smalle fysische en chemische marges. Na de tijd van de dino’s is het nu die van de zoogdieren. Maar het zijn de activiteiten van één diersoort, de huidige mens, die zichzelf en andere diersoorten met uitsterven bedreigd.

Na ruim dertig jaar werken voor en met wetenschappers, is het me duidelijk dat die het zelden of nooit eens zijn. Bovendien zijn het ook maar mensen en vertonen ze de meest belabberde menselijke trekjes. Dat neemt niet weg dat de meeste onderzoekers het er over eens zijn dat er iets met het klimaat aan de hand is, dat de menselijke activiteiten daarbij een belangrijke rol spelen en dat honderden miljoenen mensen op de verkeerde plek wonen: de kust. Daarom is het goed dat de politiek, ook in Nederland waar men geen oog heeft voor de zee, en brede publiek die de politici benoemd, wakker worden geschud en in actie komen. Daarom zal ik The Age of Stupid
of zoals de Standaard van 22 september kopte De eeuw van de onozele kinderen of de Terugblik op een stom tijdperk van de Volkskrant, met kritische blik bekijken.


Clips over dit onderwerp:

Earth System Science: http://www.youtube.com/watch?v=ciV6Uaeobxk

How our planet Works: http://www.youtube.com/watch?v=IE6zhevWBBo&feature=related

Premiere van The Age of Stupid:

http://news.bbc.co.uk/2/hi/entertainment/7945283.stm

http://www.youtube.com/watch?v=G5RCHXLW93E



Geschreven in Wetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken