SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Dag 6: Walvissen en een vulkaankrater

19. Februari 2009, 12:24




Noorderzon. Na een woelige, nachtelijk oversteek van de Bransfield-straat – het schip rolt voortdurend en je begrijpt waarom je in een ‘beddenbak’ slaapt – leggen we aan voor Half Moon-eilland, waar de kleine Argentijnse marinebasis Camara is gevestigd. De zon schijnt volop en voor het eerst in zes dagen bevinden we ons in rustig water. De 12 militairen verwelkomen ons met koffie en koekjes, allicht blij om enkele minder vertrouwde gezichten te zien, ook al is er geen tijd om uitgebreid kennis te maken. Aan de rand van het eiland aan de overkant schuift af en toe een stuk gletsjer in het water. Eerst zie je de sneeuwmassa afbreken, enkele tellen later volgt een dondergeluid in de verte. Zelden biedt een militaire basis zo’n vredige aanblik.

Na het middageten kruist de Polar Star naar Deception-eiland (foto). Het kratereiland werd ontdekt door de Amerikaan Nathaniel Palmer in 1820, die in zijn dagboek optekende dat hij ‘stood over to deception’. Vanuit volle zee lijkt het een gewoon eiland, maar door een nauwe doorgang van enkele honderden meters komt men in de volgelopen caldera van de vulkaan. Het eiland heeft de vorm van een enorme ring, die aan een kant gebroken is. Deception-eiland was in de eerste helft van de twintigste eeuw het wereldcentrum van de walvisvangst. Walvissen werden bejaagd voor hun olie (verlichting en verwarming) en voor hun balein, waarvan men in de preplasticperiode speelgoed, borstels, korsetten en andere gebruiksvoorwerpen maakte. Uit balein kon men bepaalde figuren uitsnijden die na verhitting hun vorm behielden, vandaar. In 1878 was een echte walvis 5.000 dollar waard, een som die de kost van een volledige expeditie dekte.

Walvisjagers kwamen in de 19de eeuw naar Antarctica, na de ontdekkingsreizigers en de robbenjagers. In meer noordelijke wateren waren de echte walvissen (‘right whales’) zo goed als verdwenen, waardoor ze hun geluk zuidelijker beproefden. Hier trof men echter vooral veel snellere vinvissen aan, die in tegenstelling tot de echte walvissen naar de bodem zonken als ze dood waren. Met het reële gevaar dat de kolossen de schepen mee in het diepe sleurden. Tegen het einde van de 19de eeuw brachten nieuwe technieken de oplossing. De schepen werden sneller, snel genoeg om de vinvissen bij te houden, en de harpoenen werden krachtiger. Tegen het zinken van de vinvis vonden de walvisjagers ook een truc: met grote naalden spoten ze lucht in het dier, waardoor het bleef drijven.

Whalers BayTussen 1906 en 1933 heerste er grote bedrijvigheid op het strand van Deception-eiland. Op Whalers Bay (foto) verrees een echte walvisfabriek waar meer dan duizend mensen aan het werk waren. In de jaren 1930 daalde walvisolieprijs en kon men alle nodige activiteiten aan boord aan, waardoor de basis overbodig werd. De walvisfabriek maakte plaats voor wetenschappelijk stations, tot eind jaren 1960 twee uitbarstingen de hele site onder een twee meter dikke laag modder bedekte. Vandaag vinden we er nog wat ruïnes, die uit de bruine smurrie steken. Enkele reusachtige ronde reservoirs, roestig en scheefgezakt, domineren de desolate baai. Ze doen wat aan het Guggenheim-museum van Bilbao denken, Ghery kon ze niet beter neergepoot hebben

Wat verder in de caldera ligt Pendulum Cove, dat we niet bezoeken. Jammer, want hier ging de eerste wetenschapper op Antarctica aan de slag. Dr. Webster, lid van het Britse expeditieteam van kapitein Foster, trachtte er met een grote slinger de vorm en de dikte van de aarde te bepalen.

’s Avonds lichten we het anker en steken we voor de derde keer de Bransfield-straat over. Nog steeds een beproeving. Morgen wordt een Belgische dag, we varen dan de Gerlache-straat in en zullen bij dageraad op Gent landen.

Foto's: Yan Verschueren


Geschreven in Zuidpool | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dag 5: Hope Bay en Gourdin

18. Februari 2009, 12:11




Wachten. Deze ochtend stond een landing in Brown Bluff op het programma, maar stormweer besliste daar anders over. Bij windkracht 10 varen de zodiacs niet uit, de veiligheid primeert op de sensatie van onze eerste voet op het Antarctische vasteland – de vorige dagen deden we enkel eilanden aan.

Dan maar enkele mijlen doorvaren naar Hope Bay, waar het Argentijnse onderzoeksstation annex militaire basis Esperanza (foto) is gevestigd. Maar ook hier is het noppes, geen bezoek aan de permanent bewoonde basis die over de jaren uitgroeide tot een bescheiden dorp, met een kerk, een lagere school, een bank en een kerkhof. Zowat alles wat een kleine gemeenschap nodig heeft. De nederzetting kadert in de territoriale claims van Argentinië op het Antarctisch schiereiland. Ze dateert van 1951, maar kende vooral op het einde van de jaren zeventig een belangrijke uitbreiding. De Argentijnen vlogen zelfs een hoogzwangere vrouw over vanuit Buenos Aires om de eerste geboorte van een mens op Antarctica op hun conto te schrijven. Puur symbolisch, maar wel tekenend voor de plaatselijke geopolitiek toestand. Want hoewel Antarctica door het Antarctisch Verdrag officieel van niemand is, en enkel toegankelijk is voor wetenschappers en (streng gecontroleerde) toeristen, waren er de voorbije vijftig jaar toch een pak conflicten en schermutselingen, vooral tussen Argentinië, Chili en Groot-Brittannië.

Geen Brown Bluff en geen Esperanza vandaag. De Polar Star zet door de Antarctic Sound verder koers naar het noorden. De doorsteek wordt ook wel Iceberg Alley genoemd, en we kruisen inderdaad fraaie exemplaren. IJs is in principe wit, maar het snel wisselende licht drenkt de ijsbergen in alle tinten. Sommige kleuren van binnenuit zelfs groen, blauw of bruin. Als het ijs zeer weinig lucht bevat, krijgen ze een mooi blauwe tint, terwijl algen voor groene schakeringen zorgen. Bruin gekleurde ijsbergen bevatten aarde die ze bij het afscheuren van landijs meenamen. IJsbergen zijn er in alle vormen, de meest spectaculaire zijn de tafelvormige exemplaren. Maar schijn bedriegt: sommige ijsbergen met grillige vormen zijn gekantelde tafelbergen.‘Every iceberg tells a story’, is de conclusie van de Canadese geoloog Joe Koch.

’s Avonds ging de wind wat luwen, waardoor een landing alsnog mogelijk werd. Uitverkoren plek was Gourdin-eiland, een van de eilanden die in 1838 door de Franse ontdekkingsreiziger Dumont d’Urville werden ontdekt. Voor de petite histoire: Dumont d’Urville voer jaren voordien in de Middellandse Zee en zag op het eiland Milo een uitzonderlijk beeld, dat daar net opgegraven was. Dankzij de schetsen die hij maakt en zijn aandringen bij de Franse overheid om het beeld te kopen, bevindt de Venus van Milo zich vandaag in het Louvre.

De avond valt en we banen ons door de kolonies ezels- en adéliepinguïns (foto, de laatste genoemd naar Dumont d’Urvilles vrouw) een weg naar de top van Gourdin-eiland, net op tijd voor een onwezenlijke zonsondergang. Of hoe een eerder lome dag aan boord nog een schitterend sluitstuk kreeg. Morgen steken we de Bransfield-straat weer over richting Deception-eiland, eens de thuisbasis van walvisjagers. Hopelijk zijn de winden ons dan gunstiger gezind.

Foto's: Yan Verschueren


Geschreven in Zuidpool | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dag 4: Weddell-zee

17. Februari 2009, 19:44


Weddell. Over de man James Weddell, geboren maar niet getogen in de koningin der badsteden, wil ik het hier niet hebben. Wel over de naar hem genoemde Weddellzee, die deze Antarctische zomer uitzonderlijk goed bevaarbaar is. Het pakijs bleef voor een keer honderden kilometers verder zuidwaarts liggen. Ideaal moment dus om enkele eilanden voor de oostkust van het Antarctische schiereiland te bezoeken.

Dit gebied werd in het begin van de vorige eeuw voor het eerst geëxploreerd door de Zweedse geoloog Otto Nordenskjöld. Zijn expeditie zou legendarisch worden. Op het einde van de Antarctische zomer van 1902 wachtte Nordenskjöld, die met vijf expeditieleden (zoals voorzien) al een winter op Snowhill-eiland had doorgebracht, op het schip dat hen zou terugbrengen. Dat schip, de Antarctic met de Noor Larsen als kapitein, raakte echter niet door de passage van de Bransfield-straat naar de Weddelzee (wat nu naar het schip de Antarctic Sound wordt genoemd). Hij zette er drie Zweedse bemanningsleden af, met de opdracht Nordenskjöld op te zoeken en op de hoogte te brengen van de verwikkelingen. De drie slaagden daar niet in en waren verplicht om te overwinteren op de plek die nu Hope Bay wordt genoemd. De Antarctica zette koers naar de Weddellzee via Joinville-eiland, maar werd door het pakijs verpletterd. Larsen en zijn negentien bemanningsleden legden over het ijs een afstand van 40 kilometer af naar het eerste eiland, Paulet-eiland waar ze in een zelf gebouwde hut overwinterden. In de winter van 1902 zaten dus drie Zweedse teams vast op amper enkele honderden kilometers van elkaar: Nordenskjöld en vijf anderen op Snowhill-eiland, drie Zweden in Hope Bay en de ploeg van Larsen op Paulet-eiland. Toen het zomer werd, kwam alles goed. De drie uit Hope Bay en Nordenskjöld ontmoetten elkaar als bij wonder, en ook Larsen en zijn team werden gered. Van zoveel geluk en toeval dat alleen echte helden is toebedeeld, zou een mens lyrisch worden, maar een bezoek aan de getuigen van hun wedervaren plaatsen het hele verhaal in het juiste perspectief. Het was hard.

Dinsdagochtend zetten we voet aan wal in Paulet-eiland (foto). Het is een mooie, maar zeker geen idyllische plaats. Stel je er niet te veel van voor. Van de stenen hut van Larsen, zowat zes bij zes meter, blijven vandaag enkel de onderste lagen over, maar veel fantasie heeft men niet nodig om de barre omstandigheden van een lang verblijf in de poolnacht voor te stellen. Paulet-eiland heeft een meertje, een ‘strand’ en vooral veel pinguïns en robben. Die waren de voornaamste voedselbron van de twintig verstekelingen, maar hun vet werd ook gebruikt om de hut te verwarmen en te verlichten. Het moet een kleine hel geweest zijn, alleen al om de stank van de pinguïns te trotseren, want het moet gezegd: ze verspreiden een penetrante geur.

Later op de dag landden we op Snowhill-eiland, na een vijf uur durende slalomtocht van de Polar Star tussen de ijsbergen en -schotsen. Een snijdende wind, sneeuwvlagen en ijskoude temperaturen deden vergeten dat het hier eigenlijk zomer is. Men kan op Snowhill-eiland de hut van Nordenskjöld bezoeken. Ze werd nauwgezet gerestaureerd, en geeft een goed beeld van hoe het expeditieteam daar leefde. Voor de eerste winter hadden de Zweden (en één Argentijn; zijn aanwezigheid zou van goudwaarde blijken, want een Argentijnse expeditie bracht uiteindelijk de redding) genoeg proviand en brandstof gezorgd, maar de tweede, onvoorziene winter was het improviseren geblazen. Ook deze ploeg diende massaal pinguïns en robben te doden om te overleven. Morgen zullen we Esperanza bezoeken, het vroegere Hope Bay waar het derde team overwinterde en dat nu een Argentijnse basis herbergt.

Tot slot nog dit: het onwaarschijnlijke verhaal van Nordenskjöld en zijn team stelt al te vaak zijn baanbrekend wetenschappelijk werk inzake botanica, geologie, glaciologie en hydrografie in de schaduw.


Foto's: Yan Verschueren



Geschreven in Zuidpool | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dag 3: Land

16. Februari 2009, 07:30


Land. Rond 16.00 uur zien we in de verte land, meer bepaald King George Island (Zuid-Shetland-eilanden, foto), dat acht onderzoeksstations telt. Het ligt niet alleen het dichtst bij de ‘bewoonde’ wereld, maar is ook grotendeels ijsvrij, waardoor de stations het hele jaar door bemand kunnen worden. De immer woelige Drake Passage ligt achter de rug, en vandaag staat een eerste ‘landing’ op het programma. Hoe gaat dat in zijn werk? Je neemt met een tiental mensen plaats in een rubberen zodiac-boot, die je naar een geschikte aanlegplek voert. Er zijn uiteraard geen steigers of pontons, waardoor elke landing nat is, met de (gelaarsde) voeten in het water dus. De eerste stopplaats is Pinguïn-eiland, een klein vulkanisch eiland, waarvan het strand bezaaid is met oude walvisbeenderen en recentere karkassen van pinguïns en robben. Er zijn ook levende exemplaren te bewonderen, kinbandpinguïns, broedende zeestormvogels, zeeolifanten en pelsrobben. Deze laatste dieren kunnen vrij agressief zijn, en versperren onze weg naar de top van de vulkaan (Deacon Peak). Door de vulkanische activiteit is dit eiland, net als vele Zuid-Shetland-eilanden ijsvrij. Hier vind je de grootste biodiversiteit van het Antarctische schiereiland.

Bijna was het lot van de pelsrob bezegeld. Toen Antarctische zeevaarders in de 18de eeuw gewag maakten van grote hoeveelheden pelsrobben, kwam een ware pelsrobbenjacht op gang. Tussen 1780 en 1892 deden meer dan duizend schepen het Antarctisch schiereiland aan en het bericht van de Engelse koopman William Smith dat hij in de Zuid-Shetland-eilanden ‘fur seals stored in bulk’ aantrof, zette een ware genocide in gang. De methodes van de pelsrobbenjagers waren rudimentair: elk exemplaar (jong, oud, wijfje, mannetje) dat op je weg komt doodknuppelen of neerschieten en van zijn pels ontdoen. Die pels – in het westen goed voor 7 à 8 dollar het stuk – werd gezouten, gedroogd en aan boord gebracht. Vele dieren bleven halflevend achter op het met bloed besmeurde ijs. Tegen 1822 waren de pelsrobben zo goed als uitgeroeid. Vandaag doet de diersoort het met ongeveer 2 miljoen exemplaren weer goed in Antarctica, zozeer zelfs dat ze op sommige plaatsen de biodiversiteit in gevaar brengen. De kans dat men de jacht op pelsrobben weer zal openen, is echter klein.

Vannacht varen we Straat van Bransfield door, richting de Antarctic Sound. Dat is de doorsteek naar de Weddell-zee. Als alles goed gaat, treden we daar in de sporen van de Zweedse expeditie van geoloog Otto Nordenskjöld.



Foto's: Yan Verschueren



Geschreven in Zuidpool | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dag 2: Drake Passage: in het spoor van de Belgica

15. Februari 2009, 09:13




Drake Passage. Om vanuit Vuurland Antarctica te bereiken moet je door de Drake Passage, door reizigers al snel familiair ‘de Drake’ genoemd. De duizend kilometer lange zeestraat is al even berucht als zijn naamgever, de ontdekkingsreiziger Francis Drake, die in opdracht van Elisabeth I op zoek ging naar nieuwe landen in de Zuidzee. Een nieuw continent vond hij niet, wel een tweede doorgang, naast de Straat van Magelaan, naar de Stille Oceaan.

De Drake Passage (klik op de 'B' in Google Maps-kaart hierboven) is een van de woeligste zeeën ter wereld. Hier in de zuidelijke oceaan zijn er geen landmassa’s die de lage drukgebieden verhinderen rondjes te draaien rond Antartica. Het gevolg is dat westenwinden hier vrij spel krijgen, met grote kans op erg woelige wateren. Een overvaart duurt afhankelijk van weer en wind tussen 36 en 50 uur. Ons schip, de Polar Star, vaart 13 knopen (20 km/h) en zal ongeveer achtenveertig uur nodig hebben. De kapitein vaart bewust enkele knopen minder snel om brandstof te besparen, wat goed zou zijn voor zo’n 9 ton per dag. Zijn bijdrage om de uitstoot van CO2 te verminderen. De zware dieselmotoren blijven wel de hele tijd hoorbaar. Ter vergelijking: de Belgica van Adrien de Gerlache had – als zeilboot uiteraard – een motor van amper 35 pk aan boord. Dat is minder dan het vermogen van een zodiac, de rubberboot waarmee we in Antarctica aan land zullen gaan.
 
Tijdens onze overtocht valt de Drake wel mee, verzekert men mij, al ben ik vrij zeker dat de geest van de onverschrokken zeevaarder-piraat hier nog rondhangt. De Polar Star wordt in de zeestraat begeleid door peale’s dolfijnen, Magelhaen-pinguïns en albatrossen, die achteraan het schip zich tegoed doen aan al het lekkers dat de schroeven bovenwoelen. Albatrossen zullen we in Antarctica zelf niet meer tegenkomen, hun territorium zijn de eilanden in de zuidelijke wateren, en vooral de oceaan zelf. In de Drake Passage overschrijden we ook de zogenaamde Antarctische Convergentie. Noordelijke en zuidelijke wateren, die sterk verschillen in zoutgehalte en vooral temperatuur, komen hier samen, het koudere poolwater schuift onder het warmere. Daardoor worden heel wat voedingsstoffen van de zeebodem naar boven gestuwd, wat het gebied een broedplaats maakt voor algen, krill en andere kleine zeediertjes die cruciaal zijn in de Antarctische voedselketen. Als passagier aan boord zie je daar uiteraard weinig van. Je voelt hooguit dat het ook op het dek langzaam kouder wordt.
 
Maandag 16 februari zullen we na de middag voor het eerst in twee dagen weer land zien, de Zuid-Shetlandeilanden. We zullen dan de zogenaamde Drake tax betaald hebben, de prijs – beproeving voor sommigen – die je voor de tocht naar Antartica moet afleggen.

Foto's: Yan Verschueren


Geschreven in Zuidpool | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dag 1: het 'gat' Ushuaia

14. Februari 2009, 12:58


Grotere kaart weergeven

Ushuaia. De meest zuidelijk gelegen stad ter wereld - zo'n 60.000 inwoners - noemt zich graag Fin del Mundo. En wat voor andere plekken een scheldnaam (het einde van de wereld, een 'gat') zou zijn, draagt Ushuaia als een eretitel.

In het Scandinavisch aandoend stadje, met zijn vele kleurrijke barakhuizen, lijkt de wereld inderdaad op te houden. Ushuaia is voor Argentinië een belangrijke militaire basis - het is altijd goed om in de buurt van Antarctica sterk aanwezig te zijn, het land heeft er wat claims lopen. De Falklands liggen hier niet zo ver vandaan, om maar iets te zeggen. Maar Ushuaia leeft vooral van het toerisme en de haven. Zowat 90 procent van de cruises naar Antarctica vertrekt van hieruit. Ook wij zullen hier weldra aan boord gaan van een ijsbreker die ons samen met een honderdtal Belgen in het spoor van de Belgica naar het Antarctische schiereiland zal brengen.

Standbeeld Adrien de GerlacheDe naam is gevallen. Ushuaia heeft een band met België. Ushuaia was nog maar enkele jaren gesticht toen het expeditieschip van Adrien de Gerlache hier passeerde. Het verhaal van de Belgica is bekend. De Gerlache, een jonge zeemachtofficier, neemt de internationale oproep om het Antarctische schiereiland wetenschappelijk te exploreren ernstig, en begint vanaf 1894 met wisselend succes te lobbyen voor zijn missie. Na jaren voorbereiding kon hij eindelijk met een mooi team van wetenschappers - allen jonge mannen, van wie sommigen later nog beroemd (Amundsen) en/of berucht (Frederick Cook) zouden worden - naar het witte continent vertrekken. De Belgica was vrij laat op het seizoen vertrokken (14 december 1897), waardoor de expeditie niet zonder risico was. De Belgica liep inderdaad vast, en het team van de Gerlache was het eerste in zijn soort dat in Antarctica overwinterde. De jonge wetenschappers deden er heel wat expertise op, en de Gerlache oogstte roem en eer. Sinds vorig jaar prijkt een borstbeeld van de Gerlache op de promenade van Ushuaia (foto: omringd door zijn familie). Het stond er lange tijd wat eenzaam, maar kreeg intussen gezelschap van drie Argentijnse collega-Antarcticavaarders.

Enkele dagen geleden werd de tweehonderdste geboortedag van Charles Darwin gevierd. Ook met deze afgelegen regio heeft de man een band. Ushuaia ligt aan het Beagle-kanaal en het was het beroemde schip van Darwin dat dit kanaal - een doorsteek tussen de Stille en de Atlantische Oceaan - als eerste doorvoer. In 1830 was de Engelse kapitein Fitz Roy er met de Beagle geweest, toen nog zonder Darwin. Hij 'ontvoerde' vier jonge mannen van de Yamana-stam uit Patagonië (of Vuurland) en nam hen mee naar Engeland, om ze de Engelse taal en de cultuur te leren. Zo konden ze voor hem tolken en contacten leggen met de inheemse bevolking bij zijn terugkeer enkele jaren later. In 1833 waren niet alleen de drie Yamanas - eentje had zijn verblijf in Engeland niet overleefd -, maar ook Charles Darwin aan boord. Hij liet zich nogal laatdunkend uit over de Yamanas, die hij als 'infrahuman beings' zou hebben bestempeld.


Trossen los. De Polar Star stoomt richting Drake Passage.

Foto's: Yan Verschueren



Geschreven in Zuidpool | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


«Vorige   1 2 3