SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Academisch speurwerk

17. Februari 2012, 08:48

De literatuurwetenschap is ook een wetenschap, hoewel onze discipline in het buitenland soms “literary criticism” of “critique” wordt genoemd. Net als onze collega’s in andere faculteiten en, volgens Aristoteles alle filosofen, begint bij ons alles met een gevoel van verwondering. Iets in de wereld, in ons geval meestal in een tekst, valt ons op en wordt niet onmiddellijk begrepen. Dan begint iets anders: nieuwsgierigheid, want dat hebben we gemeen met goede journalisten, waarvan Bart De Wever vindt dat ze curieuzeneuzemosterdpotten zijn.

Maar goede curieuzeneuzemosterdpotten gaan op de eerste plaats op zoek naar een verklaring bij andere curieuzeneuzemosterdpotten. Ik neem aan de journalisten vandaag niet langer in het archief duiken, maar snel en eenvoudigweg Mediargus raadplegen, een digitaal archief met meer dan 26 miljoen krantenartikelen.

Wetenschappers hebben niet één website en als ze die wel hadden, dan is het niet genoeg om terug te gaan tot het jaar 1988 (het begin van Mediargus), want toen was Aristoteles, bijvoorbeeld, al heel lang opgehouden met publiceren. In de tijd toen we onze wetenswaardigheden nog niet allemaal digitaal voor de wereld beschikbaar konden maken, waren nieuwsgierige wetenschappers wel verplicht om in “de literatuur” te duiken, dit wil niet zeggen dat ze dan romans en gedichten moesten lezen, maar datgene wat er al over een bepaald onderwerp was gezegd en geschreven. In de meeste wetenschappen had je standaardwerken met alles wat er over iets gezegd was. Daarnaast moest je natuurlijk ook in de lopende tijdschriften op zoek naar recenter werk over je onderwerp.

In de literatuurwetenschap doen we niets anders. We merken een probleem op, gaan dan op zoek wat andere literatuurwetenschappers over dit probleem te zeggen hebben en als dat genoeg is, houdt het verhaal daar op. Maar soms vinden we helemaal geen goed antwoord en dan gaan we zelf op zoek, desnoods jarenlang, tientallen jaren, in mijn geval.

Hölderlin
Dertig jaar geleden nam ik aan de Universiteit van Toronto deel aan een seminarie door Cyrus Hamlin, een van de beste literatuurprofs die ik ooit heb gehad. Hij was een man van de oude slag. Professor Hamlin kwam uit een Amerikaanse aristocratische familie die nog op de Mayflower naar de kolonies was gevaren, een voorvader was vice-president in het midden van de negentiende eeuw en om beurten heette de oudste van de familie Cyrus of Hannibal (zijn zoon is nu zelf ook prof). Ik heb nooit geweten waarom de familie juist deze namen van de grootste vijanden van de Grieken en Romeinen had gekozen, want Cyrus Hamlin kende de hele Latijnse en Griekse literatuur door en door. Van hem was geweten dat je hem naar een leslokaal met tweehonderd eerstejaarsstudenten kon brengen en hem aan de deur kon vertellen: Faust, Oedipus Rex, Ulysses, Divina Commedia of Hamlet. Professor Hamlin gaf dan een briljante lezing (met citaten). Je moest hem alleen wel zeggen of hij één dan wel twee uur ter beschikking had.    

Ik deed bij hem mee aan een seminarie vergelijkende literatuurwetenschap over het werk van Friedrich Hölderlin, waarover hij ook gepubliceerd had en die hij door en door kende. Deze Duitse dichter schreef één romantische roman over een Griekse verzetsheld en deze Hyperion heeft een Latijns motto: “Non coerceri maximo, contineri minimo, divinum est.” Dit betekent zoveel als “niet begrensd zijn door het grootste, maar omvat worden door het kleinste, dat is het goddelijke.” Van deze woorden wist men wel al (uit een manuscript van Hölderlin waar de twee laatste woorden ontbreken) dat ze een deel zijn van een later grafschrift van Ignatius Loyola, de stichter van de jezuïetenorde, geschreven door drie Antwerpse jezuïeten, wat deze Antwerpenaar natuurlijk wel leuk vond.

Maar mijn verwondering had vooral te maken met iets anders. Hölderlin was naar een streng-piëtistisch seminarie geweest want zijn ouders wilden dat hij protestants predikant zou worden. Waarom zou iemand als hij een geschiedenis van de katholieke jezuïetenorde in Vlaanderen lezen? Deze vraag hield me dertig jaar lang bezig. Gelukkig niet de hele tijd, maar als ik de kans kreeg, vroeg ik het aan germanisten of Hölderlinspecialisten maar konden me nooit aan een goede verklaring helpen. We weten dat Hölderlin sympathie had voor de ideeën van de verlichting en voor Spinoza, dus ik vermoedde dat het citaat misschien wel iets te maken kon hebben met het pantheïsme van de Nederlandse filosoof en misschien wel geciteerd werd door één van de achttiende-eeuwse spinozisten. Dus las ik obscure traktaten uit de achttiende eeuw. Maar dat hielp niet.

Ondertussen werd in de literatuur voortdurend verwezen naar dat citaat, dat niet toevallig ook nog eens een interessante paradox over God omvat, die doet denken aan een even mooi citaat van de Duitse kardinaal Nicholaas Cusanus uit de vijftiende eeuw die had geschreven over de schepping: “sphaera cuius centrum ubique, circumferentia nusquam,” een bol waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is.

Dit lijkt eenvoudig het soort paradox waarin vooral mystieke schrijvers goed zijn (en mensen die over moderne kunst publiceren), maar Nicholaas Krebs uit het dorpje Kues (aan de Moezel) was meer dan een simpele kardinaal: hij was ook een wetenschapper en een filosoof. En een wiskundige die dacht dat hij de kwadratuur van de cirkel had opgelost, dus over het middelpunt en de omtrek van een cirkel wist hij wel het een en ander.

Google Books
Maar ik bleef dus met mijn nieuwsgierigheid zitten en met dat ene idee dat er misschien een verband was tussen de paradox van Cusanus over de wereld en die van de Antwerpse jezuïet over god en dat het meest voor de hand liggende verband dan het pantheïsme want dan zin god en wereld gewoon hetzelfde ding.

Dank zij eerst het internet en later Google Books kon ik een paar jaar geleden dan op zoek naar mijn citaat, maar telkens ik vol hoop de relevante woorden intikte kwam ik terecht bij Hölderlin zelf of bij zijn vaak erg mystieke lezers en commentatoren. Tot een paar weken geleden: toen vond ik bij Google Books plots een relevant werk, uit de juiste periode. Een Allgemeine Geschichte der Jesuiten von dem Ursprunge ihres Ordens bis auf gegenwärtige Zeiten. Dit boek werd gepubliceerd in 1789 in Zürich en kan dus door de dichter zijn gelezen.

Het boek werd toen anoniem uitgegeven: er is wel een inleiding, maar die is ondertekend door “de schrijver”. Ons citaat verschijnt op het einde van het vierde hoofdstuk, op bladzijde 215:



Daar maakt het citaat gewoon deel uit van een lang citaat van het beroemde grafschrift van Loyola, geschreven door wat deze auteur “Nederlandse” broeders noemt. Het valt op omdat het vrij geïsoleerd bijna bovenaan de pagina staat.

Eindelijk (!) had ik dus de bron van Hölderlins citaat, want we weten dat de dichter contacten had met Zwitserland (zijn goede vriend Hegel had er gewoond). Dit boek dat heel kritisch is voor de jezuïeten, past ook in de interesse van de dichter voor de Franse revolutie, dus het hele plaatje klopte. Ik dacht dan ook dat ik eindelijk mijn artikel kon schrijven. Tot ik de titel van het boek door Google joeg en er een festschrift bleek te bestaan uit 1971 met een artikel waarin mijn bron al uitgebreid werd besproken. Geen artikel, geen eeuwige roem. Zo gaat dat in de wetenschap. Sic transit gloria mundi, zou Bart De Wever zeggen.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Boeken te koop

01. Augustus 2011, 11:40

De kranten hadden het vorige week over hoe slecht het gaat met de Vlaamse boekhandel. In de meeste steden zijn de boekenwinkels verdwenen: mensen van buiten Antwerpen benijden mij omdat ik een stad woon waar we naast Fnac en een behoorlijk aantal Standaardfilialen ook nog de onafhankelijke boekhandel de Groene Waterman hebben. Maar ik heb nog de tijd gekend dat er in de stad tientallen boekhandels waren, dat je nog Spaanse, Italiaanse en Duitse boeken kon kopen en dat een boekenwinkel niet vol gepropt was met kookboeken of ander BV-voer. Dit is geen louter Belgisch fenomeen: ook in Nederland en overal in de wereld heeft de boekhandel het moeilijk. Zelfs de grote Amerikaanse boekenketen Borders heeft het faillissement aangevraagd. Ironisch, want de onafhankelijke boekhandels gaven Borders de schuld van het verdwijnen van de kleinere winkels.



De handel in tweedehandboeken is op sterven na dood. In ieder geval zijn de rommelige winkeltjes bijna helemaal uitgestorven. Er zijn er nog een paar, maar ze verdwijnen snel, niet alleen bij ons, maar overal. Een kwarteeuw geleden kon ik in Boston in de buurt van Harvard University gemakkelijk een paar dagen doorbrengen in een tiental antiquariaten. Tien jaar geleden bleven er nog twee of drie over: “Studenten lezen niet meer, mijnheer, en boeken kopen doen ze al helemaal niet.”

Van een bevriende verkoper in Antwerpen hoor ik dat het allemaal de schuld is van het internet: via ebay en andere verkoopsites kan iedereen een eigen boekhandeltje beginnen, zonder huishuur en belastingen. Om te kunnen overleven is hij dan zelf maar (ook) digitaal gaan verkopen: www.joyce-royce.com

Om heel eerlijk te zijn: het is allemaal ook een beetje mijn schuld. Al heel mijn leven geef ik veel te veel geld uit aan boeken, maar de laatste tijd kom ik nauwelijks nog in een boekhandel. Als lid van een leesclubje koop ik elke vier of vijf maanden nog eens een boek in de winkel en ook in het buitenland zoek ik nog altijd de boekenwinkels op, maar meestal koop ik mijn boeken via het internet. Liefst dan nog tweedehands, want de specialistische boeken die ik voor mijn werk nodig heb zijn vaak ofwel heel duur, of anders, bij oudere boeken, al jaren niet meer in stock.

Natuurlijk is de wereld van teksten veranderd met het internet. Jonge mensen hebben niet langer een krant nodig om het nieuws te volgen. Mijn zoon leest zijn krant op zijn Ipad en als hij boeken koopt, dan leest hij die op datzelfde apparaat. Encyclopedieën zijn bijna helemaal verdwenen: wie heeft er boeken nodig met informatie die meestal minstens tien jaar oud is als je het onmiddellijk op Wikepedia kan vinden? In 2009 hoorde ik op het middagnieuws de naam van de nieuwe Nobelprijswinnaar literatuur die net daarvoor was bekend gemaakt. Ik typte de naam “Herta Muller” in Google en op de Wikepedia-pagina stond al netjes vermeld dat zij de prijs gewonnen had. Zelfs een krant kan daar niet tegen op. Op dezelfde manier kan je veel informatie waarvoor je vroeger boeken nodig had, vandaag veel sneller digitaal vinden.

Ook voor schrijvers is het een rare wereld geworden, zoals ik onlangs zelf ondervond. In 1985 kreeg Stefan Schütz de Alfred Döblinprijs voor zijn “prozawerk” Medusa, een boek dat toen nog niet eens gedrukt was. Aan de vuistdikke roman was de auteur beginnen schrijven op de dag nadat hij uit Oost-Duitsland in het Westen was ontsnapt. Het is een hard en niet gemakkelijk te lezen boek over totalitarisme, de relatie tussen mannen en vrouwen, de hele wereld. Omdat de roman wel wat met James Joyce te maken had schreef ik er een artikel over en daardoor kwam ik in het adressenbestand terecht van een goede vriend van de schrijver. Die liet me een paar weken geleden weten dat de auteur een nieuw boek had geschreven. Maar dit nieuwe boek is in eigen beheer uitgeven: ik vermoed dat er voor zijn minder toegankelijke boeken geen reguliere uitgever meer te vinden is. Blijkbaar vindt de ex-marxist dat schrijvers, net als het proletariaat, ook maar de middelen van productie in eigen handen moeten nemen. Ik ga het boek nu snel lezen en binnenkort kan ook u het kopen. Bijvoorbeeld via Amazon.de.




Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Digitaal tijdschrift voor ongelezen boeken

03. Februari 2011, 10:43

Ik had het hier al een paar keer over het gelukkige huwelijk tussen filologie, de studie van oude teksten, en het internet. En vandaag opnieuw: een paar maanden geleden vierden we de verjaardag van een prachtig initiatief, een digitaal recensietijdschrift: de Bryn Mawr Classical Review.

Bryn Mawr College is een van de vier zusters, Amerikaanse universiteiten waar nog altijd alleen vrouwen mogen studeren. 125 jaar geleden gesticht door Quakers, werd het op het einde van de negentiende eeuw religieus neutraal; het was de eerste universiteit in de Verenigde Staten waar vrouwen ook een MA en een doctoraat konden behalen.

Hun departement “Greek, Latin and Classical Studies” is helemaal niet groot en staat zoals al deze departementen waarschijnlijk onder grote druk, maar twintig jaar geleden begon een prof Grieks samen met een paar collega’s aan een nieuw soort digitaal tijdschrift. Voor het volledige gebied van de klassieke studies worden in de Bryn Mawr Classical Review zo veel mogelijk boeken besproken en de zorgvuldig nagekeken recensies worden dan met een heel grote regelmaat gratis naar alle geïnteresseerden gestuurd. Iedere maand krijgt elke abonnee ook een lijst met boeken waarvoor nog recensenten worden gezocht.



Het resultaat is ondertussen een archief met de oogst van twintig jaar intelligente besprekingen door specialisten die schrijven over een enorme variëteit gespecialiseerde boeken en studies die anders helemaal niet of hoogstens in heel gespecialiseerde tijdschriften besproken worden. Net zoals alle andere wetenschapsgebieden bestaat het oude “klassieke filologie” uit een wildgroei aan disciplines en subdisciplines die steeds kleiner worden en daardoor steeds minder over elkaars werk te weten komen. Dank zij dit initiatief kan dat nu wel. Bijvoorbeeld: dit zijn de laatste tien recensies die online werden gezet: een commentaar bij epigrammen van de Pseudo-Seneca, een boek over de hellenistisch democratieën, een ander over de mythologie van het koningschap in Neo-Assyrische kunst, over stijlfiguren bij de vroege stoïsche filosofen, eentje over het langste Etruskische manuscript, over koninklijke intredes van het Oosten tot Byzantium, over de Latijnse poëzie van de humanist Jacopo Sannazaro, de invloed van Xenophon en zijn anabasis in de Amerikaanse militaire politiek en tot slot eentje over waarzeggerstechnieken in de oudheid. Elke maand verschijnen er een vijftigtal recensies en dan zijn er dit keer toevallig geen boeken bij over het vroege christendom of over archeologie. Dit zijn de grote deelgebieden die gevolgd worden: filosofie, Griekse literatuur en Griekse geschiedenis, Latijnse literatuur en geschiedenis, de manier waarop de klassieke oudheid doorwerkt in de cultuur, het vroege christendom, archeologie en religie.

In elk van die gevallen wordt het boek besproken door iemand uit hetzelfde onderzoeksgebied, maar die uitdrukkelijk de opdracht heeft om een korte recensie te schrijven (niet meer dan 2000 woorden) voor mensen die niet tot dat onderzoeksgebied behoren. Er zijn publicaties zoals verzamel- en congresbundels die anders nooit helemaal gerecenseerd worden, maar hier wordt van iedere bijdrage een korte inhoud gegeven. In gespecialiseerde tijdschriften krijg je vaak in recensies niet veel meer dan pedante prietpraat, hier worden zoveel mogelijk feiten over het boek gegeven, inclusief de inhoudsopgave en als die bestaan, links naar stukken uit het boek die digitaal te lezen zijn via Google Books of elders.

Met wat hulp van het internet wordt hier zowel aan onderzoekers als aan amateurs (in de oorspronkelijke betekenis van dat woord) op een efficiënte manier informatie aangeboden waarvoor je anders een paar weken in een van de tien beste universiteitsbibliotheken moet doorbrengen. Jonge onderzoekers worden nu al bij het begin van hun carrière onder druk gezet om alleen nog in een paar tijdschriften te publiceren over onderwerpen die steeds maar meer gespecialiseerd moeten zijn. Tegelijkertijd wordt dan weer van hen verwacht dat ze innoverend zijn en vooral dat ze interdisciplinair leren werken, maar hoe kan je op een nuttige manier met collega’s uit andere disciplines samenwerken als je niets eens goed weet wat er allemaal in je eigen discipline gebeurt. Het publish or perish principe is nu zo allesoverheersend dat ik me afvraag hoeveel mensen er nog zijn die tijd hebben om al die boeken en artikelen ook nog eens te lezen.

De Bryn Mawr Classical Review is een lovenswaardige poging om iets aan die versnippering te doen en misschien kan hun archief op zichzelf een studieobject worden, bijvoorbeeld voor mensen die zich afvragen hoe de klassieke oudheid op dit ogenblik bestudeerd wordt. De cultuurpessimist die ik ben, wou hier bijna aan toevoegen: “zolang dat nog duurt.” Maar gelukkig zijn we nog niet zo ver. Voorlopig.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Welke schrijfsels wilt u bewaren?

22. December 2010, 12:03

Als we schrijven, zelfs maar enkele regels, zouden we ons eigenlijk voortdurend moeten afvragen, of we nu net met deze reeks woorden de eeuwigheid in wil gaan. Neem nu dat een heel land, een hele beschaving, de hele planeet vernietigd wordt en dat alleen jouw tekstje bewaard blijft.

Een half jaar geleden schreef ik hier over de vondsten in de buurt van Oxyrynchus, maar in Egypte werden wel meer archieven gevonden en dan nog ongeveer in dezelfde periode, op het einde van de negentiende eeuw. Dit keer ging het niet om hellenistisch-Griekse teksten, maar om joodse manuscripten en men heeft er niet eens voor moeten graven. De vondst werd gedaan in de synagoge van een van de joodse gemeenschappen in Caïro.


Uit 'Life of Brian'. Steniging wegens het uitspreken van 'YHWH'.

Zoals geweten mogen joden de naam van YHWH niet uitspreken. Maar de naam van de joodse god staat natuurlijk wel in de joodse bijbel, en dus ook in de bijbelcommentaren. Wat moet je dan doen met een oud of beschadigd exemplaar van de bijbel of van een ander boek waarin de Naam kan voorkomen? Die tekenen van god zelf mogen natuurlijk niet verkocht of vernietigd en traditioneel worden ze dan ook begraven, in een kerkhof, liefst in de buurt van het graf van een grote Bijbelgeleerde. Na verloop van tijd ging men dit respect voor bijbelse manuscripten uitbreiden tot alle teksten, met of zonder naam van god, zelfs teksten in andere dan de bijbelse talen. Daardoor werden op de duur hele archieven naar het kerkhof gedragen en toen dat teveel werk werd, kwam iemand op het idee om een kamer in het gebouw voor dit doel te gebruiken, de zogenaamde geniza.

Ondanks het feit dat gelovige joden uitdrukkelijk niet in Egypte mogen wonen (Mozes had hen toch niet voor niets uit het land van de farao gehaald), waren er eeuwenlang in Caïro verschillende joodse gemeenschappen. Een van deze groepen had een bijna bodemloze geniza in hun synagoog waarvan op het einde van de negentiende eeuw plots begreep dat de inhoud veel geld waard was en op die manier kwam de heel voorraad manuscripten in het Westen, voornamelijk in Engeland terecht.


Daar deden de onderzoekers de ene ontdekking na de andere. Solomon Schechter, een prof in Cambridge, kreeg een manuscript in handen waarin hij het bijbelse boek “Ecclesiasticus” herkende, een tekst die wel in het katholieke Oude Testament voorkomt, maar die door joden en protestanten niet werd erkend, onder meer omdat er geen hebreeuws origineel van bestond. Tot in 1896 dus, want toen vond Schechter een exemplaar van dat Hebreeuwse origineel in de stapel geniza papieren die in Cambridge waren terechtgekomen.

Ecclesiasticus, hebrew orginal
Hebreeuws orgineel van Ecclesiasticus.

En dat was nog maar een begin: in de stapel versleten documenten zaten niet alleen bijbelmanuscripten, maar ook stukken uit de Talmoed, in versies die niet overeenkomen met de tekst zoals we die vandaag hebben. Maar daarnaast ook filosofische teksten, zakelijke correspondentie, liefdesbrieven, en zowat alle vormen van wijsheid en dwaasheid die mensen in de loop der tijden belangrijk genoeg vonden om op papier of papyrus te zetten. Er waren zelf eigenhandig geschreven brieven bij van de grootste joodse filosoof uit de middeleeuwen, Mozes Maimonides, en een brief aan hem van zijn broer, waarschijnlijk zelf diens laatste brief.

Sinds enige tijd is er een internationaal team bezig om al deze materialen te digitaliseren, te catalogiseren en te onderzoeken. Dit werk is noodzakelijk omdat de vaak heel kleine fragmenten soms in verschillende bibliotheken en verzamelingen terechtkwamen en nu pas digitaal terug bij elkaar kunnen worden gebracht. De rijkdom van dit materiaal wordt duidelijk als je de website van het project bezoekt, waar elke maand een ander fragment wordt voorgesteld.

In de stapel papieren in een donker hok in Caïro zat een hele beschaving verborgen waarvan weinig mensen nog wisten dat ze ooit bestaan had. Maar vooral: dit is een beschaving die eigenlijk niet kon bestaan. Volgens de nationale mythe van Israël werden de joden op het einde van de eerste eeuw van onze jaartelling uit hun land gezet en in ballingschap gestuurd waar ze dan twintig eeuwen lang wegkwijnden tot ze terug naar huis konden. Daarbij vergat men dan dat er meer dan tien eeuwen lang in de hoofdstad van Egypte joden woonden die niet alleen Arabisch spraken en schreven, maar die er ook niet aan dachten om naar een of ander beloofd land te gaan. Zij beschouwden zich wel als joden, maar hadden andere gebeden, andere basisteksten en andere gewoonten, dan wat de meest orthodoxe joden vandaag als een deel van hun eeuwenoude traditie beschouwen.

Het probleem van conservatieve mensen is vaak dat zij iets willen bewaren dat helemaal niet zo oud is als ze beweren. En dus als u nog eens iets schrijft, op papier of digitaal, denk dan eerst even na. Misschien is dit wel alles wat er later van ons overblijft. Ik mag er niet aan denken.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Digitale bijbel is een tijdscapsule

01. December 2010, 11:34

De studie van de oudste teksten in het Latijn en het Grieks is sinds de renaissance een van de hoofdtaken van de universiteit geweest. Ook nog in het Duitse model van de nieuwe onderzoeksuniversiteit speelde de studie van de klassieke oudheid een belangrijke rol en via die weg kregen ook de grote Amerikaanse universiteiten een curriculum waarin de Griekse en Latijnse klassieke auteurs centraal stonden, al was het maar in de vorm van een verplicht college “Grote Boeken” in het eerste jaar.

Vandaag blijft daar niet veel meer van over. Om te overleven moeten de klassieke filologen allianties aangaan met andere departementen (vergelijkende literatuur, moderne talen of geschiedenis). Tegelijkertijd komen deze magere jaren juist op een ogenblik dat de digitale revolutie de studie van de klassieke oudheid in een stroomversnelling heeft gebracht. Zowel de Griekse als de Latijnse literatuur zijn eindige verzamelingen teksten, ondanks het feit dat er nog steeds nu en dan papyrus fragmenten worden gevonden in het Egyptische zand of in de duistere hoeken van bibliotheken en musea.

Het grootste deel van de belangrijke literaire, filosofische en religieuze teksten is ondertussen in boekvorm gepubliceerd en heel wat van deze teksten worden ondertussen ook in digitale vorm aangeboden. De reden waarom dit gemakkelijker gaat met Griekse en Latijnse werken ligt voor de hand: er is geen copyright. Maar er is heel wat meer dan digitale versies van de standaardteksten: meer en meer worden ook digitale versies van individuele manuscripten op het internet gezet. Onlangs verscheen het grote manuscript van de Griekse bijbel, de Codex Sinaiticus, integraal op het internet.

Deze codex is een van de oudste pandecten (met zowel het Oude als het Nieuwe Testament in één band), een manuscriptboek dat ooit het bezit was van de monniken van het Grieks-orthodoxe klooster Sint Catharina in de Sinaï woestijn (vandaar de naam) maar dat via onduidelijke zwerftochten in stukken terecht kwam in Rusland, Duitsland en de British Library. Voor de eerste keer in meer dan anderhalve eeuw bevinden alle stukken zich op één plek, al was het maar virtueel in cyberspace. Op iedere plaats in de wereld kan iedereen dit dat wil iedere pagina van dit mooie manuscript bekijken en bestuderen.

Dit is niet zozeer belangrijk omdat we op deze manier nog maar eens de zoveelste versie van de Bijbeltekst krijgen, maar omdat dit een levende tekst is, een versie die eeuwenlang effectief gebruikt werd en daar ook de sporen van draagt. Op die manier heb je in één document een aantal dingen tegelijkertijd. Op de eerste plaats krijg je in de oudste laag een versie van de tekst zoals die op een bepaald ogenblik bestond. Dit is op zich al belangrijk omdat we uit deze periode alleen maar fragmenten hebben uit Egypte. Hier hebben we een document dat dateert uit het midden van de vierde eeuw en dat door vier minstens verschillende kopiisten werd gemaakt.



We weten nu ook bijvoorbeeld dat in deze versie het evangelie waarvan we nu denken dat het waarschijnlijk het eerste was, het evangelie van Markus, eindigde met vers 8 van hoofdstuk 16: onmiddellijk na dit vers begint het evangelie van Lukas. Volgens Markus in deze versie sterft Jezus en in zijn lege graf ontmoeten zijn vrouwelijke volgelingen een jongeman die hen opdraagt om zijn leerlingen te vertellen dat hun Heer uit de doden is opgestaan en dat ze naar Galilea moeten reizen. Bang lopen de vrouwen uit het graf en ze vertellen niemand iets: “want zij waren bang”. De rest van het evangelie is dus blijkbaar een late toevoeging.

Maar er is meer. Omdat dit manuscript eeuwenlang gebruikt werd, zijn er ook veel sporen van latere correcties en ieder van deze correcties kan ons iets vertellen over de veranderende leer van de kerk en ook de afwezigheid van een correctie kan relevant zijn. Waarom is niemand in de volgende tien eeuwen op het idee gekomen om de latere helft van hoofdstuk zestien toe te voegen?

Het overgrote deel van de correcties heeft te maken met letters of woorden die verkeerd gespeld of omgewisseld werden en vaak werden de correcties al heel vlug aangebracht door één van de kopiisten. Maar er zijn ook latere middeleeuwse handschriften geïdentificeerd en er werden ook notities aangebracht, waarvan sommige in het Arabisch zijn geschreven (door minstens twee verschillende commentatoren). Zoals veel oudere manuscripten is de Codex Sinaiticus een tijdscapsule en het is dank zij de digitale revolutie dat het manuscript ook op die manier kan voorgesteld en bestudeerd worden. Zoals dat bij goede digitale edities de gewoonte is, kan je bepaalde vormen van informatie aan of afzetten, om op die manier de tekst alleen vanuit één bepaald perspectief te bekijken. Maar alle informatie is wel heel de tijd aanwezig.

De nieuwste technologieën worden gebruikt om de oudste teksten van de mensheid gratis aan iedereen ter beschikking te stellen. Dat was oorspronkelijk één van de redenen waarvoor het internet moest worden uitgevonden, geloof ik.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Woordvoerders van het Woord

15. September 2010, 09:50

Wie eenmaal gelooft dat God een boodschap aan de mensheid heeft gegeven in de vorm van een oud boek, kan met grote zekerheid uitspraken doen over wat die God van ons wil. Maar ook dan nog moeten die mensen wel eerst lezen wat er staat.



Enkele maanden geleden was er een rabbi in Israël die problemen kreeg omdat hij in een boek had geschreven dat het niet noodzakelijk erg is als je niet-Joden vermoordt. Vorige week was er een dominee in de Verenigde Staten die het zijn christelijke taak vond om korans in brand te steken, vandaag lees ik een opiniestuk in een Vlaamse krant van een van de blijkbaar tientallen kerkelijke ex-woordvoerders die het zwijgen van de bisschoppen moeten verdoezelen.


Mark Van de Voorde (ex-spindokter van de bisschop van Brugge) vindt dat de kerk niet van de wereld moet zijn, maar meer evangelisch moet worden en dus, volgens hem, minder vergevingsgezind tegen bisschoppen die stoute dingen doen: die moet je gewoon met een molensteen om de hals in de zee kieperen.


Allemaal zijn het gelovige mensen die, mogen we toch veronderstellen, naar eer en geweten vinden dat hun opvattingen gebaseerd zijn op hun lectuur van wat uiteindelijk hetzelfde boek is, de bijbel. Maar er zijn grote verschillen. Het meest voor de hand liggend is het feit dat de rabbi het alleen heeft over de Joodse bijbel en de dominee eveneens (hoewel hij nu en dan wel eens een evangelie zal lezen). Mark Van de Voorde lijkt het dan weer  alleen over het christelijke tweede deel van de bijbel, het Nieuwe Testament.


Maar het belangrijkste verschil is het recht van spreken van deze drie heren en natuurlijk is het geen toeval dat het om drie heren gaat. Rabbi Yitschak Shapiro staat aan het hoofd van een bijbelschool op de Westelijke Jordaanoever en hij vindt dat iedere goy of niet-Jood die Israël in gevaar brengt moet worden omgebracht, vrouwen en kinderen inbegrepen, zelfs als ze niet onmiddellijk verantwoordelijk zijn voor dat gevaar. 


Dominee Terry Jones, die zich ten onrechte Dr. Jones laat noemen, is een protestant en zoals alle protestanten steunt hij volledig op de Schrift: sola scriptura, de schrift en niets dan de schrift, zoals Martin Luther het zo mooi uitdrukte. Luther kreeg er later spijt van, maar oorspronkelijk vond hij dat de bijbel zo helder en duidelijk was dat alleen een blinde idioot het boek verkeerd zou lezen.


Alleen Mark Van de Voorde heeft geen recht van spreken. Echte katholieken laten het lezen van de bijbel over aan de kerk. Zoals theologen vanaf de zestiende eeuw telkens opnieuw lieten zien, is de bijbel namelijk niet te lezen door leken: kijk maar naar de protestanten die nog tijdens het leven van Luther met zijn allen vechtend over de grond rolden over de juiste interpretatie. Laat die moeilijke materie maar over aan mensen die er wel verstand van hebben: de bisschoppen en kardinalen die hun leergezag rechtstreeks van Petrus en zijn opvolgers kregen. De ex-woordvoerder heeft zich dus van godsdienst vergist.


De huidige raadgever van premier Leterme laat overigens overtuigend zien waarom de bijbel voer is voor specialisten en waarom je er zeker geen morele boodschappen moet in zoeken. Terry Jones en Yitschak Shapiro steunen hun opvattingen op de God van het Oude Testament die van zichzelf terecht zegt dat hij een jaloerse God is. Hij is een geweldenaar die geen andere goden naast zich duldt en zijn uitverkoren volk tegen alle andere volkeren verdedigt, te vuur en te zwaard. Als er al een moraal in de bijbel zit, dan is die voor de meeste gezonde mensen totaal verwerpelijk.


Sommige progressieve christenen en vooral katholieken worden heel nerveus als je iets teveel de nadruk legt op het joodse deel van de bijbel, want dat zou door Jezus zijn afgeschaft en vervangen door de boodschap van liefde die het evangelie en het Nieuwe Testament is. Dat klopt helemaal niet: Jezus zegt zelf dat hij niet gekomen is om de Wet af te schaffen of te vervangen: nog eerder zullen hemel en aarde verdwijnen voor er het kleinste deel van een letter van de Wet wordt afgenomen, zo staat er in het evangelie.


Wat me enorm stoort in de woede van de katholieke intellectuelen die de Brugse bisschop naar Angola verwensen is de hypocrisie. De vergevingsgezinde Jezus à la bisschop Tutu laat dan plots zijn ware Oud-testamentaire gelaat zien. En het is daarmee dat Van de Voorde plots weer heel erg van de wereld is.


Want dat is het punt dat alle gelovigen in een schriftelijke openbaring nu maar eens in hun oren moeten knopen: ook niet-joden, niet-christenen en niet-moslims kunnen lezen. We weten ondertussen dat er alleen al in het christendom veertienduizend verschillende kerken en sekten bestaan, die allemaal denken dat zij de juiste interpretatie van dat ene boek hebben. 


Beste Mark Van de Voorde: laat het evangelie er buiten. Een liefdevolle Jezus op hippiesandalen deed tenminste niemand kwaad. Dat kan niet gezegd worden van de meer wraakzuchtige incarnaties die u nu oproept. En zei Jezus ook niet ergens dat de eerste steen moest geworpen worden door iemand die zonder zonde is. Dat is dan zeker niet de ex-woordvoerder van de bisschop van Brugge.


 



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Intellectuele vechtpartijen

14. Mei 2010, 09:54

Het gebeurt minder vaak dan in de gouden jaren, maar nog altijd houden de Franse intellectuelen van een lekkere rel. Meestal schrijft één BIF (Bekende Intellectuele Fransman) een boek, dat dan door een andere BIF wordt aangevallen, waarop plots alle kranten en tijdschriften gedurende een week of wat vol staan met lezersbrieven, commentaren, dossiers, analyses. Je weet pas dat het helemaal gedaan is, als er een boek verschijnt waarin beide partijen uitgebreid aan het woord komen: alles kabbelt dan nog een paar maanden gezapig verder en dan houdt het allemaal op.

Vroeger vond je dergelijke schermutselingen voornamelijk in de Parijse kranten en tijdschriften, later gingen de radio en de televisie zich ermee bemoeien en tegenwoordig gebeurt er ook heel wat op het web. Maar het medium is hier minder belangrijk dan de inhoud: soms is dat politiek, maar meestal gaat het over de reputatie van een belangrijk denker. De meest invloedrijke filosoof in Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog was tot voor kort waarschijnlijk Martin Heidegger, die zijn stempel zette op het existentialisme van Sartre én op het post-structuralisme van Lacan, Foucault en Derrida. Minstens drie keer hebben de Franse media tot hun ontzetting ontdekt dat de Duitse filosoof eigenlijk een nazi was en minstens twee keer waren ze dat na een tiental jaar weer helemaal vergeten, zodat het hele circus opnieuw kon beginnen.

Als je deze regelmatige rellen vergelijkt dan heeft een en ander natuurlijk meestal te maken met persoonlijkheden. Intellectuelen waren in Frankrijk tot voor kort mediasterren en een schrijver als Bernard-Henri Lévy is nog altijd een superster, een soort Franse Rik Torfs die over alles een standpunt moet hebben, die het goed kan uitleggen en die dan ook voortdurend overal moeten opdraven. In de Verenigde Staten noemt men hen “publieke intellectuelen,” wat mij iets te veel aan de ouderwetse term publieke vrouwen doet denken, maar in Frankrijk heten ze, sinds Zola, eenvoudigweg intellectuelen of “les intellos”.

Bernard-Henri LévyBernard-Henri Lévy, met veel haar en een wit hemd dat altijd drie knoppen open staat, is de Franse superintello: een spraakwaterval die sneller praat dan hij denkt en die als ultiem compliment bekend staat onder zijn initialen BHL. Natuurlijk maak je met deze alomtegenwoordigheid niet alleen vrienden, zeker niet als je dan ook nog eens trouwt met een actrice: hij is voor velen in Frankrijk the man you love to hate. Niemand is zo controversieel als BHL en er bestaan waarschijnlijk geen Fransen die niet met hem ruzie hebben gemaakt.

En hij zoekt dat natuurlijk zelf door veel te snel zijn mening te geven. Daarom heeft niemand een traan gelaten toen een paar maanden geleden bleek dat BHL zich goed had laten beetnemen. Lévy had in een nieuw boek over de oorlog in de filosofie de Duitse filosoof Kant aangevallen en daarbij een zekere Jean-Baptiste Botul geciteerd. Die had in een reeks lezingen na de Tweede Wereldoorlog bewezen dat Kant een abstracte vervalsing was, “een pure geest van pure verschijning.” Jammer genoeg is er helemaal geen filosoof die Botul heet: hij werd uitgevonden door een journalist die van hem de uitvinder van het “botulisme” maakte en die een grappig boek had geschreven over Het Sexuele Leven van Immanuel Kant. In zijn verdediging zei BHL dat de journalist het boek misschien als grap had geschreven, maar dat hij diepe, waardevolle en nuttige dingen over Kant had geschreven, wellicht zonder het zelf te beseffen!

Deze week is er al een nieuw schandaal: een andere Franse filosoof, Michel Onfray, die met zijn boek Atheologie een beststeller schreef tegen de drie monotheïstische godsdiensten, werd aangevallen door Elisabeth Roudinesco, grootmoeder van de Franse Freudianen. In een boek dat nog niet eens was verschenen, had Onfray het lef om kritiek te hebben op Sigmund Freud en dat is in Frankijk heel erg: alleen bij onze zuiderburen wordt de psychoanalyse nog altijd als een wetenschap beschouwd. In wat men in militaire kringen een “pre-emptive strike” noemt, belaadde Roudinesco haar tegenstander met alle zonden van Israël: foute data, veralgemeningen, enzovoort. Voor het grootste deel is die kritiek zelfs niet onterecht: net als BHL schrijft Onfray te veel en te snel. Maar dan moet Roudinesco ook nog eens uitleggen waarom Onfray zijn boek heeft geschreven, waarbij ze natuurlijk tot de voor de hand liggende conclusie komt dat Onfray in Freud zijn vader wil vermoorden omdat hij zijn moeder haat.

Ik kan niet geloven dat Freudianen zo naïef zijn dat ze niet beseffen hoe beledigend en zwak een dergelijk argument is: als elke kritiek op Freud alleen maar bewijst dat de criticus volgens de theorieën van Freud een ziek mens is (waardoor hij de theorie zonder het te willen bevestigt), hoe kan de psychoanalyse dan doen alsof ze een echte wetenschap is?





Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Woorden onder het zand

05. Mei 2010, 17:11

Verba volant, woorden waaien weg, maar gelukkig ook scripta manent, het geschreven woord blijft bestaan, desnoods op de merkwaardigste plaatsen. De belangrijkste vindplaats van teksten op papyrus is Oxyrhynchus, een plaatsje in Opper-Egypte dat vooral in de Hellenistische periode een vrij belangrijk provinciaal centrum was geweest en waar een enorme schat aan Griekse teksten bewaard bleef. Duizend jaar lang brachten de inwoners hun papyrusafval naar de mestvaalt, maar toen droogden de kanalen van de Nijl op, de waterspiegel daalde, de mestvaalt werd bedekt met zand. Door de droogte werd op die manier de papyrus bewaard die elders in Egypte door regen of door de jaarlijkse overstromingen van de Nijl verdween.    

De vondsten die in 1896 op die ene plek werden gedaan door de Oxford profs Bernard Grenfell en Arthur Hunt zorgden voor een revolutie: zeventig procent van de literaire teksten die we op papyrus hebben, komen uit die ene mesthoop. Papyrus vinden was daar niet moeilijk: vaak kon je met je schoen nieuwe lagen blootleggen, maar er was zoveel materiaal dat Hunt en Grenfell niet alles tijdens de zomer konden verwerken en uitgeven. Omdat ze heel wat geld nodig hadden voor hun winterse expedities, zorgden ze ervoor dat de meest spectaculaire vondsten eerst werden gepubliceerd, zoals een stukje Euclides, met diagram.

Euclides

Natuurlijk waren de twee archeologen op de eerste plaats geïnteresseerd in literaire teksten en al vrij snel vonden ze nieuwe werken van Sophocles, maar ook een christelijke bijbeltekst die niemand kende. Het waren vooral de christelijke teksten die het snelst resultaten opleverden: dit was ook het ogenblik dat in het Midden-Oosten de eerste grote opgravingen werden georganiseerd om de historische achtergrond van de bijbel in kaart te brengen. En christelijke Victorianen wilden maar wat graag onomstotelijk bewezen zien dat de bijbel wél historisch accuraat was.

Maar daarmee zorgden Grenfell en Hunt voor een belangrijk misverstand. Vooral de religieuze relevantie zorgde voor problemen: een deel van de teksten bevatte uitdrukkelijk christelijke teksten, vaak in versies die stukken ouder waren dan onze oudste middeleeuwse kopieën.  

Door al de aandacht voor christelijke teksten ging men hun belang erg overdrijven: in werkelijkheid hebben slechts één op tien teksten iets met religie of literatuur te maken. Het gros van deze vondsten zijn brieven, archieven, zakenpapieren die vaak meer vertellen over het dagelijkse leven van de Oxyhynchiaan dan een paar woorden uit de epistels of de kerkvaders.

Daarbij komt nog dat de datering van de teksten alleen bij benadering klopt en dat men daardoor lang een vertekend beeld had van de aanwezigheid van het christendom in Egypte. Op dit ogenblik denkt men dat er pas tegen het einde van de tweede eeuw een min of meer georganiseerde kerk was in Alexandrië en nog later in de rest van Egypte, terwijl de latere kerkhistoricus Eusebius beweerde dat de evangelist Marcus naar Alexandria was getrokken.

Dit is vooral belangrijk omdat het dateren van deze tekstfragmenten van het grootste belang is voor een van de belangrijkste revoluties op het gebied van communicatietechnologie: de overgang van de boekrol naar de codex, het boek zoals we dat voorlopig nog altijd kennen. Door de papyrus en later perkamenten bladen op elkaar te leggen en aan elkaar te plakken of te naaien, kon men het nuttige oppervlak in één keer verdubbelen, want de achterkant van een boekrol bleef altijd leeg. En daardoor kunnen we ook zelfs bij kleinere fragmenten snel zien of ze oorspronkelijk uit een rol of een codex komen: alleen in het laatste geval staan er letters aan beide kanten.

Volgens de belangrijkste historici waren het de christenen die de codex systematisch gingen gebruiken, als reactie tegen hun religieuze joodse concurrenten, die de boekrol prefereerden. Het probleem is echter dat dit soort van veralgemeningen veelvuldig doorgegeven worden, maar slechts zelden gecontroleerd. Tot nu. De Amerikaanse papyroloog, Roger S. Bagnall, vertegenwoordiger van een ras dat met uitsterven is bedreigd, heeft in een kort boekje al het bewijsmateriaal bij elkaar gebracht en hij komt tot de conclusie dat het niet zo eenvoudig is. Christenen waren inderdaad eerder geneigd om de codex te gebruiken, maar dan alleen als het ging om bijbelse teksten die in de liturgie werden gebruikt, niet voor andere teksten.

De reden hiervoor is minder duidelijk: gewoonlijk zegt men dat de codex beter was om de vier evangelies (of anders de brieven van Paulus) samen in één volume te hebben, maar dat kon net zo goed met een boekrol. Bagnall maakt een vergelijking met de werken over magie die ongeveer uit dezelfde periode dateren en waarin we een gelijkaardige evolutie in de richting van de codex merken. De conclusie is dan ook dat de christenen, net als andere groepen die niet tot de traditionele Griekse elite behoorden, gebruik maakten van een nieuwe Romeinse technologie. Misschien niet alle wegen, maar deze weg leidde dus wel degelijk naar Rome.


Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Groeten uit Afrika

04. Februari 2010, 09:56

Ondanks de SPAM-beveiliging van de universiteit bereikt mij bijna iedere dag minstens een dringend verzoek om grote sommen geld te aanvaarden. Ofwel heb ik een wedstrijd gewonnen waaraan ik niet heb deelgenomen, ofwel wil Bill Gates of een andere miljonair zijn fortuin met mij delen, maar vaker nog smeekt de zoon of dochter van één of andere overleden Afrikaanse dictator of corrupte zakenman om hulp om de vele tientallen miljoenen vrij te krijgen die ergens in een bankkluis op mijn handtekening liggen te wachten. Meestal is de Heer God zelf, Zijn Moeder of Allah op een of andere manier bij de zaak betrokken en in ieder geval zullen alle betrokken partijen mij eeuwig dankbaar zijn voor mijn Zeer Gewaardeerde Hulp en krijg ik voor mijn inzet een deel van de poen zodat ik die naar eigen inzicht kan verdelen onder de armen in mijn land.

Dit is een van de oudste vormen van internetfraude en de enige bedoeling is om u zover te krijgen dat u zoveel mogelijk echt geld geeft om de onbestaande grotere sommen die u voorgespiegeld krijgt in handen te krijgen. Het is mooi om te zien dat deze kunstvorm in de loop der jaren heel wat aan efficiëntie heeft gewonnen, maar dat in de oersoep van het internet toch ook nog heel primitieve vormen overleven.



Screenshot spam


Hoe weten we dat het hierbij om vervalsingen gaan? Dat kunnen we nooit zeker weten en net op die twijfel is heel die handel gebaseerd: neem nu dat er tussen al die oproepen toch enkele zitten die echt afkomstig zijn van de wanhopige weduwen of wezen van rijke maar dode dictators, dan zouden we toch wel gek zijn om deze kans niet te grijpen? Als er mogelijk winst te halen valt, verliezen mensen vaak het laatste greintje gezond verstand en als je eenmaal die eerste stap zet, dan ben je definitief vertrokken.

Maar veel belangrijker is de vraag hoe we ons tegen deze fraude kunnen wapenen en dat kan alleen maar met een flinke dosis gezond verstand. Deze brieven zijn digitale leugens en net als alle leugens zijn zij de prijs die wij betalen voor het enorm rijke en nuttige hulpmiddel dat taal is. Juist omdat mensen kunnen zeggen wat ze denken, kunnen ze ook liegen over wat ze echt denken en als u Liar Liar
met Jim Carrey hebt gezien, weet u dat het nagenoeg onmogelijk is om in de dagelijkse omgang in alle omstandigheden alleen maar de waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

Liegen op papier is trouwens veel gemakkelijker dan dat je je potentiële slachtoffer in de ogen kijkt. Veel van de vermoedelijk Afrikaanse internetfraudeurs zijn wel heel lui, want veel moeite wordt er meestal niet gedaan om dan toch een beetje professioneel te liegen. Vaak slagen de weduwen en dochters van dode dictators er niet eens in om een foutloze zin te schrijven, welke taal ze ook gebruiken. De smoezen zijn al net zo doorzichtig als die mensen die je in het station aanspreken omdat ze net vijf of tien euro nodig hebben voor een treinticket naar huis.

In de meeste gevallen lees ik die berichtjes niet eens meer en gaan ze zo de prullenmand in. Maar soms aarzel ik, zoals vorige week, toen ik plots een bericht kreeg van een zekere “court of justice” die door onze server al wel gevlagd was als spam, maar je weet maar nooit in welk land je onlangs je auto verkeerd parkeerde. Dat de hele mail in hoofdletters is geschreven, is niet echt een goed teken, en ook niet dat de mail mij alleen maar als “belanghebbende” aanspreekt. Maar als je een bericht krijgt van het internationaal gerechtshof in Den Haag, dan lees je verder, zeker als al onmiddellijk is dat het juist over e-mailfraude gaat.

Wat blijkt: het internationaal gerechtshof, samen met de presidenten van alle Afrikaanse staten, in een bijeenkomst in het kader van de Verenigde Naties, stellen vast dat het hele Afrikaanse continent een slechte naam krijgt door de voortdurende pogingen van Afrikaanse fraudeurs om mensen over heel de wereld te bedriegen. De democratische regeringen van Afrika zijn zich bewust van het feit dat deze praktijken het hele continent in een slecht daglicht stellen en drukken de wens uit om voortaan paal en perk te stellen aan alle vormen van internetfraude. Daartoe beloven zij alle nodige middelen in te zetten in het kader van wat ze zelf een meedogenloze oorlog tegen internetfraude noemen.

Om zich te verontschuldigen voor de geleden schade en als bewijs dat de zaak dit keer ernstig wordt genomen, zijn het internationaal gerechtshof, samen met alle Afrikaanse staatshoofden, bereid om mij een grote som geld ter beschikking stellen. Of ik dus zo vlug mogelijk contact kan opnemen via het volgende telefoonnummer?



Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dialecten met een leger en een marine (II)

25. Januari 2010, 11:42

Dankzij de bijbelvertalingen kregen de meeste grote taalgebieden een standaardtaal (zie Deel I) die door de enorme bloei van de boekdrukkunst vrij snel voor een nieuwe standaard zorgde: woorden werden vaak niet langer op zeven verschillende manieren geschreven, maar kregen een vaste vorm, die dan nog vaak in de eerste woordenboeken en grammatica’s werd neergeschreven. Stilaan ging men niet langer alleen het Latijn in de universiteiten gebruiken, maar de landstaal, met als jammerlijk gevolg dat studenten niet altijd even gemakkelijk in Italië, Spanje, Duitsland of Spanje konden gaan studeren.

Een eerste probleem met die eerste standaardtalen was dat men nu op papier wel één taal had, maar die vorm van de taal in vele gevallen een compromis was en in andere één regionale vorm. Het was dus niet noodzakelijk zo dat men in andere delen van het land die bepaalde variant helemaal kon begrijpen. We denken nu dat alle Italianen een zelfde taal spreken, maar dat is een vrij recente ontwikkeling: Italië bestond uit ontelbare rijken en rijkjes met elk hun eigen taal. In het Zuid-Italië en Sicilië werd er zelfs nog Grieks gesproken en als in de negentiende eeuw in Napels Italiaans sprak, dan dachten ze dat je uit Frankrijk of Duitsland kwam.

Toen men in dezelfde negentiende eeuw van taal een belangrijk deel van de nationale identiteit maakte, werd het plots cruciaal om deze taal aan te leren aan die scholen: de nieuwe industrie en de centrale administratie hadden steeds meer opgeleide mensen nodig die liefst allemaal een zelfde taal gebruikten. Maar die taal was op de eerste plaats nog altijd een geschreven
taal: het was pas bij de ontwikkeling van de telefoon en de radio dat de standaardtaal ook echt een bepaalde uitspraak kreeg.

Beschaafd Nederlands, marginaal dialect
Uiteraard probeerde men vanaf het begin één bepaalde uitspraak in het hele taalgebied op te leggen en dat was in de meeste gevallen de uitspraak van het cultureel of politiek meest dominante groep: in Nederland is dat niet de uitspraak van Breda, Maastricht of Leeuwarden, maar die van Den Haag en Amsterdam. In Vlaanderen dacht men aanvankelijk dat men het probleem kon oplossen door ook het Noord-Nederlandse accent van de Randstad te kiezen als norm en het is die vorm die door de nationale Radio en later Televisie verspreid werd. Zoals de toenmalige naam van die taalvorm al aangaf (Algemeen Beschaafd
Nederlands), werd uitspraak een manier om mensen sociaal van elkaar te onderscheiden. Beschaafde mensen zoals u en ik spreken wat nu verbloemend Algemeen Nederlands hee, het marginale klootjesvolk mompelt in het dialect.

Natuurlijk is dat altijd zo geweest, alleen sprak de adel en de burgerij in Vlaanderen vroeger gewoon Frans om zich te onderscheiden.
En dat is niet alleen bij ons zo: twee Britten moeten maar een paar woorden tegen elkaar zeggen voor ze exact van elkaar weten tot welke klasse (en subklasse) hun gesprekspartner behoort. Een dergelijk snobisme zorgde zelfs voor taalveranderingen. In het Engels verdween de rollende ‘r’ toen de burgerij die vulgair begon te vinden. En op dezelfde manier heeft men in Mechelen een lange aa die heel dicht aansluit bij die van het standaard-Nederlands maar die de maneblussers ontwikkelden om zich af te zetten tegen de boeren van het platteland (en alle andere Brabanders van Brussel en Dordrecht).

Antwerps werd Algemeen Vlaams
In Vlaanderen strooide dan de komst van de commerciële televisie roet in het eten. Waar de jongens van de vrije radio nog het opgewonden Hollands van Radio Veronica hadden geïmiteerd, ging men in Vilvoorde en omstreken meer en meer een tussentaal spreken met algemeen-Antwerpse klanken en al vlug volgde de VRT en in haar spoor ook politici en andere mensen die het regelmatig mogen komen uitleggen. Het is die taalvariant die ondertussen Algemeen Vlaams is geworden. Vlamingen kijken niet meer naar de Nederlandse televisie (wij maken nu onze eigen rommel) en wij luisteren niet naar de Nederlandse radio. Geen wonder dat we Nederlandse programma’s moeten ondertitelen. Binnenkort zal men bij de onderhandelingen over het verdiepen van de Schelde tolken moeten gebruiken.

Goegel, Antwerpse versie van Google zoekrobot.

Ondertussen blijft taal een machtig wapen in de klassenstrijd, maar de vraag is hoelang dit nog zal duren. Op de universiteit wordt steeds meer dialect gesproken en we hebben zelfs in de letteren studenten die geen Algemeen Nederlands meer kunnen spreken omdat ze ook op de lagere en de middelbare school aan Beschaafd Antwerps genoeg hadden. Vorig jaar had ik twee studenten die hun mondeling examen in het Antwerps aflegden en die onafhankelijk van elkaar het excuus gaven dat ze zich jammer genoeg voor de middagdut niet genoeg konden concentreren om ook nog eens op hun taal te letten. En toen een collega (niet in de letteren, dit keer) een student tijdens een mondeling examen vroeg om verder toch maar Nederlands te spreken was het oprecht verbaasde antwoord: ‘En wa sprejkekik dan? Chinees, of wa?’ Die jongen zal het ver brengen. In Groot-Antwerpen.



Geschreven in Algemeen | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


In die dagen

24. December 2009, 22:04

Het is natuurlijk weer de tijd van het jaar, maar het kerstverhaal is overal. Vandaag bericht mijn krant dat er in Nazareth een huis is opgegraven uit de tijd van Jezus en in het blad van de ziekteverzekering wordt het kerstverhaal een protestsong genoemd. Mensen mogen zich van mij laten inspireren door wat voor verhaal dan ook, maar waarom zijn er niet meer intelligente christenen die durven zeggen dat het kerstverhaal niet meer is dan dat, een verhaaltje?

De waarheid is dat we eigenlijk zo goed als niets weten over de jeugd van Jezus en al helemaal niets over zijn geboorte. Jezus is in elk geval niet op 25 december geboren: zijn verjaardag werd pas veel later, vanaf het midden van de vierde eeuw, op deze dag gevierd, waarschijnlijk omdat op die dag al een groot Romeins heidens festival werd gehouden.

Het is niet anders met al de andere vaste ingrediënten van het feest: de sneeuw, de herdertjes bij nachte, Bethlehem, de sterre die stille bleef staan, geen plaats in de herberg, de drie koningen, de onnozele kinderen, de vlucht naar Egypte. Voor de meeste mensen is de geboorte van Jezus een mooi en coherent verhaal, maar zoals gewoonlijk is het allemaal net iets ingewikkelder.

De oudste historische bronnen over Jezus van Nazareth zijn de evangelies, Markus, Matteüs, Lukas en Johannes. Van deze vier horen de eerste drie bij elkaar omdat ze ongeveer hetzelfde verhaal vertellen, wat niet zo moeilijk is omdat zowel Matteüs als Lukas gebruik maakten van het evangelie van Markus dat als het oudste wordt beschouwd: dat van Johannes heeft niet alleen een heel andere theologie, ook de chronologie is helemaal anders en je kan die versie alleen maar met heel veel gepruts tot één verhaal maken.

De jeugd van Jezus ontbreekt in het oudste verhaal van de eerste evangelist Markus: die begint met de doop van Jezus door Johannes. Waar Matteus en Lukas haalden hun informatie is minder belangrijk dan dat ze in de geboorte en de jeugd van Jezus bevestiging zochten voor het feit dat hij de aangekondigde verlosser was, een koning, gezalfde, die als nakomeling van David de Joden zou bevrijden van de Romeinse overheersing. Daarom was het belangrijk dat hij in Bethlehem geboren moest worden.

Maar we weten uit het bijbelboek over de Handelingen van de Apostelen dat de christenen Nazareërs werden genoemd en het is heel goed mogelijk dat men daar achteraf van gemaakt heeft dat Jezus dan wel uit dat dorp moest komen. Voor Matteüs werd Jezus geboren in Bethlehem en na de vlucht van Egypte trekt Jozef zich met zijn jonge gezin terug in Nazareth omdat hij daar veilig meent te zijn. Maar volgens Lukas zijn Jozef en Maria allebei in Nazareth geboren en komen ze door de volkstelling in Bethlehem terecht. Minstens één van de twee evangelisten vergist zich dus.

Een van de mensen die tot de vaststelling kwam dat er een groot verschil was tussen wat de kerk zei en wat er twee millennia echt in Palestina gebeurde, was de Franse priester Alfred Loisy: het werd hem aan het begin van de twintigste eeuw niet in dank aangenomen. De kerk excommuniceerde hem en verbood alle gelovigen zijn geschriften te lezen en zelfs met hem te spreken. Katholieke intellectuelen die meer wilden dan blind geloven werden als ‘modernisten’ uitgeroepen tot de allerergste ketters; tot in de jaren zestig moesten alle priesters een anti-modernisme eed zweren. En het is die kerk die men in Rome en in Luik terug wil invoeren. Maar het bericht in mijn krant zegt ook iets over de bijbelse archeologie. Nergens ter wereld is de archeologie zo intensief beoefend als in wat christenen en joden het Heilige Land noemen. De reden is duidelijk: christelijke organisaties hebben er al anderhalve eeuw miljoenen voor over om mensen aan het werk te zetten die kunnen bevestigen wat er in de bijbel staat. Deze wetenschappers zorgen er dan voor dat ze op belangrijke ogenblikken van de kerkelijke kalender met ‘nieuwe’ vondsten komen die hun broodheren kunnen overtuigen om nog maar eens een paar miljoen dollar vrij te maken.

Dit is vandaag ook het geval met het huis in Nazareth uit de tijd van Jezus. Sommige kranten en tijdschriften vermelden dat de opgravingen gebeuren met steun van een Franse katholieke organisatie en het is wel duidelijk dat deze vondst een belangrijke bijdrage kan leveren aan het religieuze toerisme in Israël. Maar met archeologie of met kritische wetenschap heeft dit alles heel weinig te maken. De verantwoordelijke archeologe die in alle stukken wordt geciteerd heeft niet bepaald een goede naam, ze heeft zelfs helemaal geen naam. Een eenvoudige zoektocht via Google toont aan dat deze Israëlische archeologe blijkbaar alleen bestaat in de krantenstukjes over deze vondst: zij heeft nooit iets gepubliceerd en geen enkel spoor achtergelaten. Een beetje zoals Jezus zelf.



Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dialecten met een leger en een marine (I)

11. December 2009, 17:50

Zoals bekend zijn talen niets anders dan dialecten met een leger en een marine. Wie macht heeft, of geld, kan zijn taal en zijn manier van spreken opleggen aan wie geen geld of geen macht heeft: dat is altijd al zo geweest, niet alleen in onze eigen vaderlandse geschiedenis.

Maar als we die geschiedenis een beetje terugspoelen, duurt het niet lang voor we in een tijd terechtkomen dat er geen enkele behoefte was aan één enkele taal. Die is pas nodig als één centrale administratie een grote en dus heterogene groep mensen moet bereiken. Zolang mensen gewoon thuis blijven, spreekt iedereen zijn eigen taal en je kunt je heel goed voorstellen dat je nog niet zolang geleden van bijvoorbeeld Oostende naar Berlijn kon reizen en telkens in ieder dorp dat je tegenkwam mensen aantrof die geen enkel probleem hadden om hun buren in het oosten of het westen te begrijpen, maar toch veranderde die taal voor de reiziger van Vlaams naar Brabants en Limburgs en daarna een zelfde gamma van Duitse dialecten die zo verschillend zijn dat je iemand van vijftien dorpen verder nog nauwelijks kan begrijpen.

Wat is dat trouwens, een Duits dialect? Zijn het Oostenrijks of het Zwitsers dialecten van het Duits? De Zwitsers hebben dan wel geen marine en hun leger lijkt soms meer op een groepje jagers, maar je kunt niet zeggen dat ze geen eigen taal hebben. Overigens is er natuurlijk niet zoiets als een Zwitserse taal: niet alleen wordt er in de Zwitserse kantons ook Italiaans, Frans en Reto-Romaans gesproken, maar in nagenoeg iedere vallei spreekt men een andere variant die niet noodzakelijk aan de andere kant van de plaatselijke bergen begrepen wordt.

Dialecten worden maar talen als er communicatie is tussen verschillende groepen en voor die ontwikkeling was de uitvinding van de boekdrukkunst van het allergrootste belang, vooral omdat dat gebeurde in net die periode waarin dank zij de reformatie de volkstalen aan belang wonnen. In de lange eeuwen na de definitieve val van het Romeinse Rijk was het Latijn de taal van de internationale communicatie, voor de kerk en voor de staat en natuurlijk ook voor de eerste scholen en universiteiten. Kunnen lezen en schrijven betekende toen ook niets anders dan dat je Latijn kon lezen en schrijven.

Toen mensen Luther het Boek van God terug aan het volk van God wilde geven, merkte hij al snel dat de volkstaal eerst nog moest worden uitgevonden. Maar toen het Oude en het Nieuwe Testament eenmaal in één vaste en goedgekeurde vorm bestond, zoals de Lutherbijbel in Duitsland, de Statenbijbel in Nederland en de King James vertaling in Engeland, hadden deze landen meteen ook voor het eerst een geschreven standaardtaal. Omdat de vertalingen, met uitzondering van die van Luther, vaak door een comité gemaakt was dat bestond uit vertalers van verschillende streken, was die vertaling vaak representatief voor een veel ruimer gebied. Zo zaten er nogal wat Vlamingen bij de makers van de Statenbijbel, zodat “onze” bijbeltaal helemaal niet zo Hollands was, als anders het geval was geweest.

De drukpers zorgde ervoor dat de teksten in deze bijbels overal in het grondgebied verspreid en gelezen werden, zodat de volkstalen een vaste vorm konden krijgen. In de meeste Europese talen werd in de zestiende en zeventiende een nieuwe taal gecreëerd, met een woordenschat die wetenschappelijke en filosofische termen uit het Latijn vertaalde (soms gebeurde dat heel letterlijk zoals met het woord “onderwerp” voor “subiectum”). Maar veel belangrijker was het feit dat ieder woord nu een vaste en algemene aanvaarde vorm kreeg, zodat het in alle omstandigheden op dezelfde manier geschreven kon worden. Voor de uitvinding van de drukpers gebruikte iedere kopiist zijn eigen conventies, zodat een geoefend taalkundig alleen al op basis van de spelling kan vaststellen of de man uit Limburg dan wel uit Holland kwam.

Heel wat vaste uitdrukkingen waarvan we allang vergeten zijn waar ze vandaan komen, werden eigenlijk uit het niets geschapen door de bijbelvertalers. Dit blijkt vooral als je dergelijke uitdrukkingen in verschillende talen gaat vergelijken en er geen equivalent blijkt te zijn: “op handen dragen” en “bij de pakken neerzitten” of “through a glass darkly” en “by the skin of my teeth” zijn daar goede voorbeelden van. In het beste geval weten we nog wat ze betekenen, maar bijna niemand weet nog dat ze oorspronkelijk uit het Grieks en het Hebreeuws vertaald werden.

Zo werd de taal van de bijbel de standaardtaal, in elk geval in de geschreven vorm, want natuurlijk bleef men zijn eigen taal soms op een heel andere manier uitspreken. Aangezien de intellectuele elite nog altijd Latijn en later Frans als gemeenschappelijk Europese taal had en het vooral de elite was die buitenlandse contacten had, was er ook niet echt behoefte aan één enkele manier om de standaardtaal uit te spreken. Daarvoor was er weer een andere communicatieve doorbraak nodig.



Geschreven in Algemeen | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Darwins kladjes

07. September 2009, 10:07

In het Darwin-jaar is het misschien goed om te weten dat Charles Darwin niet alleen een groot wetenschapper maar ook een heel bewust schrijver was, die zoals alle grote schrijvers nooit tevreden was van zijn eigen werk. Dat was ook het geval voor zijn meesterwerk The Origin of Species waarvan hij maar liefst zes verschillende edities liet verschijnen.

Uit het online archief van Darwin: darwin-online.org.ukEr is een Franse literatuurwetenschappelijke methode om teksten te onderzoeken die zich “genetische literatuurwetenschap” of “critique génétique” noemt. Op zich heeft die niets met biologie te maken heeft, maar deze onderzoekers proberen om een literaire tekst minder als een product dan als een proces te bekijken. Een gepubliceerde roman of gedicht is slechts een deel van een heel wordingsproces (een genese), waardoor ook notitieboekjes, manuscripten en drukproeven van de schrijver bij het onderzoek betrokken kunnen worden. Dit is natuurlijk niet nieuw: de manuscripten van schrijvers kunnen de doorslag geven wanneer een editeur van een al dan niet klassiek werk moet kiezen tussen twee verschillende versies. Wat wilde de schrijver zelf eigenlijk zeggen?

Bij de studie van oudere teksten (werken die dateren van voor de uitvinding van de boekdrukkunst) beschikken we vaak niet over een door de auteur nagekeken en goedgekeurde uitgave, we hebben soms zelfs geen letter in het handschrift van de schrijver. Het enige wat we hebben zijn manuscripten van het werk, verschillende versies met dikwijls heel wat varianten. De klassieke filologie ontwikkelde vooral in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw allerlei technieken om door een grondige en systematische vergelijking van de verschillende versies een zo betrouwbaar mogelijke editie van de tekst te maken. De ontwikkeling van deze wetenschap, die uiteindelijk ook zelfs op de tekst van de bijbel werd toegepast, loopt nagenoeg parallel met de wetenschappelijke revolutie en het is dan ook interessant vast te stellen dat de wetenschappelijke vergelijking van teksten vandaag gebruik maakt van technieken die uit de wetenschap, en met name uit de biologie komen.

Een van de dingen die de grote filologen uit de negentiende eeuw ontdekten was dat verschillende manuscriptversies van een tekst zich tot elkaar verhouden als leden van een familie. Een oermoederversie van de tekst wordt een of meer keer gekopieerd en telkens opnieuw worden daarbij telkens andere fouten gemaakt. Deze foutieve teksten worden op hun beurt gekopieerd, met nieuwe afwijkingen tot gevolg. Een groot deel van de teksten verdwijnt in de loop van de geschiedenis en dat is bijna altijd het geval met de versie die door de schrijver werd gemaakt. De overblijvende manuscripten kunnen worden ondergebracht in een stamboom, om op die manier de juiste relatie tot elkaar weer te geven. Enige tijd geleden ontdekten tekstwetenschappers dat als je de verschillende versies digitaal invoert, je een cladistische analyse kan maken: de relatie tussen manuscripten lijkt heel erg op de relatie tussen organismen die grotere of kleinere delen van hun DNA gemeen hebben.

Het is dan ook heel toepasselijk dat tekstwetenschappers het werk van Darwin onder de microscoop hebben bestudeerd, om exact na te gaan op welke wijze zijn werk, bijvoorbeeld The Origin of Species, tot stand is gekomen. Mijn Antwerpse collega Dirk Van Hulle publiceert binnenkort een boek waarin hij de ontstaansgeschiedenis van Darwins boek (en dus ook van de evolutietheorie) uit de doeken doet en waarin hij ondermeer tot de conclusie komt dat Darwin niet alleen een systematisch en grondig onderzoeker was, maar dat hij ook een gretig lezer was die net zo goed conclusies trok uit wat hij op basis van zijn observaties en experimenten kon concluderen, als wat hij leerde uit zijn grondige lectuur.

Het onderzoekswerk van Van Hulle zou veel moeilijker zijn geweest indien men de notitieboekjes en kladjes van Darwin niet alleen getranscribeerd, maar ook digitaal ter beschikking had gesteld, onder meer op de schitterende website van Darwin Online (darwin-online.org.uk). Daar bevinden zich niet alleen alle werken van Darwin, zowel in zoekbare tekstvorm als in afbeeldingen van de boekpagina’s zelf, maar ook de notitieboekjes, onder meer de belangrijke werkboekjes waarin Darwin tijdens zijn reis met de Beagle nauwkeurig de waarnemingen noteerde die pas achteraf de sleutel bleken te bevatten voor zijn belangrijkste ontdekkingen.
Daarnaast vindt u via deze website ook de correspondentie van Darwin, waardoor de Britse wetenschapper ondertussen misschien wel eens de best gedocumenteerde schrijver uit de geschiedenis zou kunnen zijn.

Ook de gepubliceerde boeken van Darwin kunnen digitaal via de website geraadpleegd worden, van The Origin of Species dus maar liefst zes edities. De Amerikaan Ben Fry, een specialist in het zichtbaar maken van informatie, heeft nu de evolutie van de tekst visueel weergegeven. Door de zes versies van de tekst digitaal in te voeren, laat hij zien op welke manier Darwin aan de tekst van het boek bleef prutsen, hoe hij woorden, kortere passages en hele hoofdstukken herschreef en aanpaste aan zijn nieuwe inzichten. Dit is een prachtige illustratie van iets wat iedereen ondertussen zou moeten weten: de wetenschap staat nooit stil.

Ben Fry, On the Origin of Species: The Preservation of Favoured Traces


benfry.com/traces



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Zonder trauma geen literatuur

05. Juni 2009, 09:31

Vandaag vind ik in mijn mailbox een uitnodiging voor een groot literatuurcongres, een van de vele initiatieven in de maand mei waarmee mijn collega’s zoals gebruikelijk de korte periode tussen de laatste colleges en de eerste examens proberen te overbruggen. Maar deze uitnodiging valt echt op: dit is de eerste keer dat een literatuurcongres adverteert met een “skip intro” webpagina. Muziek en bewegende beelden: de wereldbol te midden van fonkelende sterren met de Blauwe Donau van Strauss (en van Kubrick). De muziek wordt al na enkele maten onderbroken door een ontploffing: de aarde versnippert in groen en blauw die snel veranderen in stukken rood en zwart en in deze laatste kleuren krijg je, met het geratel van een ouderwetse typemachine (die ook een ouderwets machinegeweer zou kunnen zijn), de titel van de conferentie en de echte openingspagina.

De vorm is echter minder belangrijk dan de inhoud. Een internationaal congres over het ondertussen in onze kringen erg sexy thema “Literature and the Memory of Catastrophe” in het bredere gebied van wat men tegenwoordig “Traumastudies” noemt.

It’s trauma, Jim, but not as we know it

Studies over één literair thema zijn lange tijd uit de mode geweest, maar dit onderwerp is nu al bijna vijftien jaar heel erg hot. Politiek en historisch omvat het enerzijds de literaire of artistieke weergave van de holocaust of andere genociden, en als je de term breed genoeg bekijkt, dan vind je in iedere roman en ieder gedicht wel een trauma. Zonder trauma zou er waarschijnlijk geen literatuur zijn: waarover zouden schrijvers het anders moeten hebben?

Maar zo eenvoudig is het ook weer niet. Traumastudies is een telg van die vorm van literatuurtheorie die zich geënt heeft op een oorspronkelijk Franse filosofische traditie die men in het algemeen postmodern kan noemen en die zich op de eerste plaats liet inspireren door diepe denkers zoals Heidegger en Freud. Op deze grondvesten bouwde men in de jaren zeventig en tachtig filosofische, antropologische en psychoanalytische tempels waarvan men hier en daar in Europa en de US nog ruïnes vindt.

Nu de eerste generatie postmodernen verdwenen is (Jacques Lacan, Michel Foucault, Gilles Deleuze, Jacques Derrida, Jean Baudrillard), wordt hun rol overgenomen door nieuwe auteurs die op dezelfde radicale wijze de Grote Vragen stellen. Waar de oudere meesterdenkers nog de gehele westerse cultuur en de hele universiteit wilden hervormen, hebben de meeste epigonen zich strategisch teruggetrokken in departementen literatuurwetenschap en theologie. Er zijn nauwelijks nog psychologen of psychiaters die Lacan lezen, maar in de literatuurdepartementen leeft zijn leer rustig verder. Voor postmodernen is taal heel belangrijk, maar hun opvattingen over wat taal is, hebben merkwaardig genoeg niets te maken met wat hun collega’s uit de taalkunde doen.

Er bestaat ook een wetenschappelijk verantwoorde studie van de menselijke psychologie, de neurologische studie van het geheugen, van het proces van herinnering en van vergeten, van de manieren waarop echte mensen met trauma’s omgaan. Dit onderzoek gebeurt aan dezelfde universiteit waar de literatuurwetenschappers zich liever laten leiden door filosofische prietpraat die spits geformuleerd is en heel diep klinkt, alsof de wereld ademloos zit te wachten tot de meesterfilosoof eindelijk het bevrijdende woord heeft gesproken. En alsof literatuur echt een kwestie is van leven en dood, zoals moet blijken uit het motto van de conferentie, een uitspraak van Jacques Derrida: “Hypothesis to be verified: all responsible witnessing engages a poetic experience of language.” Het klinkt heel wetenschappelijk en heel diep, maar het betekent niet zo veel en vooral: het maakt geen ene moer uit of deze uitspraak nu waar is of niet.

Met traumastudies hebben literatuurspecialisten misschien wel even het gevoel dat ze terug iets met de echte wereld te maken hebben: het gaat daarbij over de dood van echte mensen, over leed en pijn die zichtbaar en voelbaar zijn. Maar deze ethische impuls krijgt een bittere nasmaak als alle leed even absoluut blijkt te zijn. Het verlies en gemis van de overlevenden van de Shoah wordt dan vergeleken met het verlies van de Ierse taal in Ierland. Of er blijkt een verband te zijn tussen het verlies van het overgrote deel van je familie in een genocide en het individuele verlies van de imaginaire fallus.

Bijna acht jaar geleden was de toenmalige wereldtop van traumatologen ergens in Nederland tijdens een lange en diepgravende namiddagsessie bezig de diepste wortelen van alle mogelijke trauma’s bloot te leggen. Na vier uur keihard werken kwamen ze knipperend met de ogen buiten in een wereld die er plots heel anders uitzag: het was elf september 2001 en de rest van ons had zich ondertussen in een echt trauma gestort. Zonder op advies van de specialisten te wachten.



Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Hoe zeg je dat juist?

29. Januari 2009, 11:05

Een collega vraagt me terloops of ik hem kan helpen met een merkwaardig probleem. Een van zijn vrienden schreef hem het volgende:

For years I’d assumed that Philippe Herreweghe preferred an Italianate pronunciation of Latin for his Ghent group and agreed with you about the final ‘e’ in Collegium Vocale. However, his Parisian choir La Chapelle Royale always used the distinctive French liturgical Latin pronunciation with silent endings and distinctive nasals in its recordings of the French baroque. I put this down to a performance practice decision on his part that didn't alter the other. However, when Herreweghe and his group were at the 2000 Melbourne Festival we discovered that he chose ‘kuh-LAY-gee-oom vuh-KAHL’. The roots apparently lie in the historical pronunciation of Latin in Flanders at the high point of the musical Renaissance when so many great composers hailed from the Low Countries. To be honest, I’ve never felt comfortable pronouncing it that way and probably slip back occasionally.

Het lijkt een eenvoudige vraag: werd de laatste “e” in het woord “vocale” nu ja of neen uitgesproken, zoals vandaag in het Italiaans of niet, zoals in het Frans. Maar zoals zo vaak als het met taal te maken heeft, is het allemaal veel ingewikkelder.

Neem alleen al de poging om weer te geven hoe je het woord moet uitspreken: als je niet Engelstalig bent, klinkt ‘kuh-LAY-gee-oom vuh-KAHL’ hoegenaamd niet als iets dat ook maar in de verste verte verwant is aan de naam van het muziekensemble. Dit heeft alles te maken met het feit dat iedere taal een andere manier heeft om klanken weer te geven. Voor Nederlandstaligen is een dubbele “o” een lange klank, voor Engelstaligen is wat wij als “oe” uitspreken en die twee letters klinken voor een Duitser dan weer als onze “eu”. En zo verder en zo voort.

Ieder jaar in september ontdekken honderdduizenden zesjarigen tot hun ontzetting hoe groot het verschil is tussen wat ze zien en wat ze horen, tussen de letters op papier en de manier waarop die letters woorden vormen. Daarbij gaan onze gedachten vooral uit naar die arme Engelstalige kinderen voor wie de opeenvolging van letters op het blad papier vaak niets te maken hebben met de klanken die bij het woord horen. De toneelschrijver G.B. Shaw, niet toevallig voorstander van een radicale spellingshervorming die er nooit is gekomen, beweerde zelfs dat men in het Engels het woord “fish” als “ghoti” kon schrijven: gh zoals in “enough,” o zoals in “women” en ti als in “fiction.” Daarom hebben linguïsten een internationaal fonetisch alfabet, waarmee ze in principe alle klanken in alle talen kunnen weergeven, zelfs die in het Engels. En wie regelmatig sms’t of  chat, weet dat in die vormen van taal een heel andere en heel variabele spelling wordt gehanteerd die veel dichter staat bij het gesproken woord.

Geschreven taal en gesproken taal zijn dus heel andere dingen. Maar wat doe je met een taal die niet meer bestaat? Hoe kunnen we nu zeker weten hoe onze voorouders hun woorden uitspraken, als ze alleen maar geschreven taal hebben achtergelaten? Soms hebben we al dan niet primitieve geluidsopnames: zo weten we dat James Joyce zijn teksten voorlas met een duidelijk Iers accent. Maar van oudere schrijvers bestaan er geen opnames. Hoe wou William Shakespeare dat zijn acteurs “This is the winter of our discontent” uitspraken? In dit concrete geval weten we wel zeker dat deze zin heel anders klonk dan vandaag: voor de negentiende eeuw rolden de Engelsen hun r zoals de Schotten dat nog altijd doen. En gelukkig schreven de dichters in verzen, zodat we nu en dan kunnen zien dat woorden die vroeger wel, vandaag helemaal niet meer rijmen. Zo rijmt dezelfde Shakespeare “child” met “spilt”.

Juist omdat het Engels een wereldtaal zal die verschrikkelijke spelling een probleem blijven voor vrienden en vijanden en zullen taalpuristen zich vrolijk maken om domme buitenlanders. Maar dit zorgt ook voor problemen van betogers en andere taalgebruikers in heel de wereld die in het CNN tijdperk hun boodschap in het Engels aan de wereld willen doorgeven. Zoals die moslim die zijn afkeer van joden op deze manier uitdrukte:



G.B. Shaw “put his money where his mouth is,” zoals de Britten dat zo mooi zeggen. Bij zijn dood liet hij een half miljoen pond na voor de ontwikkeling van een nieuw Engels alfabet. De andere erfgenamen betwistten het testament en uiteindelijk bleef er maar 8000 pond voor dit nobele doel over. Er werd een wedstrijd georganiseerd, één boek werd gedrukt in het nieuwe alfabet en iedereen bleef het oude gebruiken.

En hoe moeten we “Collegium Vocale” nu uitspreken. Zoals we dat altijd al gedaan hadden: enkele dagen later kreeg ik een nieuwe mail dat alles gebaseerd was op een Australisch misverstand. Die laatste e spreek je gewoon uit, zoals de Italianen doen, de Vlamingen in de renaissance, en iedereen die van muziek houdt.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken