Academisch speurwerk
De literatuurwetenschap is ook een wetenschap, hoewel onze discipline in het buitenland soms “literary criticism” of “critique” wordt genoemd. Net als onze collega’s in andere faculteiten en, volgens Aristoteles alle filosofen, begint bij ons alles met een gevoel van verwondering. Iets in de wereld, in ons geval meestal in een tekst, valt ons op en wordt niet onmiddellijk begrepen. Dan begint iets anders: nieuwsgierigheid, want dat hebben we gemeen met goede journalisten, waarvan Bart De Wever vindt dat ze curieuzeneuzemosterdpotten zijn.
Maar goede curieuzeneuzemosterdpotten gaan op de eerste plaats op zoek naar een verklaring bij andere curieuzeneuzemosterdpotten. Ik neem aan de journalisten vandaag niet langer in het archief duiken, maar snel en eenvoudigweg Mediargus raadplegen, een digitaal archief met meer dan 26 miljoen krantenartikelen.
Wetenschappers hebben niet één website en als ze die wel hadden, dan is het niet genoeg om terug te gaan tot het jaar 1988 (het begin van Mediargus), want toen was Aristoteles, bijvoorbeeld, al heel lang opgehouden met publiceren. In de tijd toen we onze wetenswaardigheden nog niet allemaal digitaal voor de wereld beschikbaar konden maken, waren nieuwsgierige wetenschappers wel verplicht om in “de literatuur” te duiken, dit wil niet zeggen dat ze dan romans en gedichten moesten lezen, maar datgene wat er al over een bepaald onderwerp was gezegd en geschreven. In de meeste wetenschappen had je standaardwerken met alles wat er over iets gezegd was. Daarnaast moest je natuurlijk ook in de lopende tijdschriften op zoek naar recenter werk over je onderwerp.
In de literatuurwetenschap doen we niets anders. We merken een probleem op, gaan dan op zoek wat andere literatuurwetenschappers over dit probleem te zeggen hebben en als dat genoeg is, houdt het verhaal daar op. Maar soms vinden we helemaal geen goed antwoord en dan gaan we zelf op zoek, desnoods jarenlang, tientallen jaren, in mijn geval.
Hölderlin
Dertig jaar geleden nam ik aan de Universiteit van Toronto deel aan een seminarie door Cyrus Hamlin, een van de beste literatuurprofs die ik ooit heb gehad. Hij was een man van de oude slag. Professor Hamlin kwam uit een Amerikaanse aristocratische familie die nog op de Mayflower naar de kolonies was gevaren, een voorvader was vice-president in het midden van de negentiende eeuw en om beurten heette de oudste van de familie Cyrus of Hannibal (zijn zoon is nu zelf ook prof). Ik heb nooit geweten waarom de familie juist deze namen van de grootste vijanden van de Grieken en Romeinen had gekozen, want Cyrus Hamlin kende de hele Latijnse en Griekse literatuur door en door. Van hem was geweten dat je hem naar een leslokaal met tweehonderd eerstejaarsstudenten kon brengen en hem aan de deur kon vertellen: Faust, Oedipus Rex, Ulysses, Divina Commedia of Hamlet. Professor Hamlin gaf dan een briljante lezing (met citaten). Je moest hem alleen wel zeggen of hij één dan wel twee uur ter beschikking had.
Ik deed bij hem mee aan een seminarie vergelijkende literatuurwetenschap over het werk van Friedrich Hölderlin, waarover hij ook gepubliceerd had en die hij door en door kende. Deze Duitse dichter schreef één romantische roman over een Griekse verzetsheld en deze Hyperion heeft een Latijns motto: “Non coerceri maximo, contineri minimo, divinum est.” Dit betekent zoveel als “niet begrensd zijn door het grootste, maar omvat worden door het kleinste, dat is het goddelijke.” Van deze woorden wist men wel al (uit een manuscript van Hölderlin waar de twee laatste woorden ontbreken) dat ze een deel zijn van een later grafschrift van Ignatius Loyola, de stichter van de jezuïetenorde, geschreven door drie Antwerpse jezuïeten, wat deze Antwerpenaar natuurlijk wel leuk vond.Maar mijn verwondering had vooral te maken met iets anders. Hölderlin was naar een streng-piëtistisch seminarie geweest want zijn ouders wilden dat hij protestants predikant zou worden. Waarom zou iemand als hij een geschiedenis van de katholieke jezuïetenorde in Vlaanderen lezen? Deze vraag hield me dertig jaar lang bezig. Gelukkig niet de hele tijd, maar als ik de kans kreeg, vroeg ik het aan germanisten of Hölderlinspecialisten maar konden me nooit aan een goede verklaring helpen. We weten dat Hölderlin sympathie had voor de ideeën van de verlichting en voor Spinoza, dus ik vermoedde dat het citaat misschien wel iets te maken kon hebben met het pantheïsme van de Nederlandse filosoof en misschien wel geciteerd werd door één van de achttiende-eeuwse spinozisten. Dus las ik obscure traktaten uit de achttiende eeuw. Maar dat hielp niet.
Ondertussen werd in de literatuur voortdurend verwezen naar dat citaat, dat niet toevallig ook nog eens een interessante paradox over God omvat, die doet denken aan een even mooi citaat van de Duitse kardinaal Nicholaas Cusanus uit de vijftiende eeuw die had geschreven over de schepping: “sphaera cuius centrum ubique, circumferentia nusquam,” een bol waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is.
Dit lijkt eenvoudig het soort paradox waarin vooral mystieke schrijvers goed zijn (en mensen die over moderne kunst publiceren), maar Nicholaas Krebs uit het dorpje Kues (aan de Moezel) was meer dan een simpele kardinaal: hij was ook een wetenschapper en een filosoof. En een wiskundige die dacht dat hij de kwadratuur van de cirkel had opgelost, dus over het middelpunt en de omtrek van een cirkel wist hij wel het een en ander.
Google Books
Maar ik bleef dus met mijn nieuwsgierigheid zitten en met dat ene idee dat er misschien een verband was tussen de paradox van Cusanus over de wereld en die van de Antwerpse jezuïet over god en dat het meest voor de hand liggende verband dan het pantheïsme want dan zin god en wereld gewoon hetzelfde ding.
Dank zij eerst het internet en later Google Books kon ik een paar jaar geleden dan op zoek naar mijn citaat, maar telkens ik vol hoop de relevante woorden intikte kwam ik terecht bij Hölderlin zelf of bij zijn vaak erg mystieke lezers en commentatoren. Tot een paar weken geleden: toen vond ik bij Google Books plots een relevant werk, uit de juiste periode. Een Allgemeine Geschichte der Jesuiten von dem Ursprunge ihres Ordens bis auf gegenwärtige Zeiten. Dit boek werd gepubliceerd in 1789 in Zürich en kan dus door de dichter zijn gelezen.
Het boek werd toen anoniem uitgegeven: er is wel een inleiding, maar die is ondertekend door “de schrijver”. Ons citaat verschijnt op het einde van het vierde hoofdstuk, op bladzijde 215:

Daar maakt het citaat gewoon deel uit van een lang citaat van het beroemde grafschrift van Loyola, geschreven door wat deze auteur “Nederlandse” broeders noemt. Het valt op omdat het vrij geïsoleerd bijna bovenaan de pagina staat.
Eindelijk (!) had ik dus de bron van Hölderlins citaat, want we weten dat de dichter contacten had met Zwitserland (zijn goede vriend Hegel had er gewoond). Dit boek dat heel kritisch is voor de jezuïeten, past ook in de interesse van de dichter voor de Franse revolutie, dus het hele plaatje klopte. Ik dacht dan ook dat ik eindelijk mijn artikel kon schrijven. Tot ik de titel van het boek door Google joeg en er een festschrift bleek te bestaan uit 1971 met een artikel waarin mijn bron al uitgebreid werd besproken. Geen artikel, geen eeuwige roem. Zo gaat dat in de wetenschap. Sic transit gloria mundi, zou Bart De Wever zeggen.
Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


















| 