Intellectuele vechtpartijen
Het gebeurt minder vaak dan in de gouden jaren, maar nog altijd houden de Franse intellectuelen van een lekkere rel. Meestal schrijft één BIF (Bekende Intellectuele Fransman) een boek, dat dan door een andere BIF wordt aangevallen, waarop plots alle kranten en tijdschriften gedurende een week of wat vol staan met lezersbrieven, commentaren, dossiers, analyses. Je weet pas dat het helemaal gedaan is, als er een boek verschijnt waarin beide partijen uitgebreid aan het woord komen: alles kabbelt dan nog een paar maanden gezapig verder en dan houdt het allemaal op.
Vroeger vond je dergelijke schermutselingen voornamelijk in de Parijse kranten en tijdschriften, later gingen de radio en de televisie zich ermee bemoeien en tegenwoordig gebeurt er ook heel wat op het web. Maar het medium is hier minder belangrijk dan de inhoud: soms is dat politiek, maar meestal gaat het over de reputatie van een belangrijk denker. De meest invloedrijke filosoof in Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog was tot voor kort waarschijnlijk Martin Heidegger, die zijn stempel zette op het existentialisme van Sartre én op het post-structuralisme van Lacan, Foucault en Derrida. Minstens drie keer hebben de Franse media tot hun ontzetting ontdekt dat de Duitse filosoof eigenlijk een nazi was en minstens twee keer waren ze dat na een tiental jaar weer helemaal vergeten, zodat het hele circus opnieuw kon beginnen.
Als je deze regelmatige rellen vergelijkt dan heeft een en ander natuurlijk meestal te maken met persoonlijkheden. Intellectuelen waren in Frankrijk tot voor kort mediasterren en een schrijver als Bernard-Henri Lévy is nog altijd een superster, een soort Franse Rik Torfs die over alles een standpunt moet hebben, die het goed kan uitleggen en die dan ook voortdurend overal moeten opdraven. In de Verenigde Staten noemt men hen “publieke intellectuelen,” wat mij iets te veel aan de ouderwetse term publieke vrouwen doet denken, maar in Frankrijk heten ze, sinds Zola, eenvoudigweg intellectuelen of “les intellos”.
Bernard-Henri Lévy, met veel haar en een wit hemd dat altijd drie knoppen open staat, is de Franse superintello: een spraakwaterval die sneller praat dan hij denkt en die als ultiem compliment bekend staat onder zijn initialen BHL. Natuurlijk maak je met deze alomtegenwoordigheid niet alleen vrienden, zeker niet als je dan ook nog eens trouwt met een actrice: hij is voor velen in Frankrijk the man you love to hate. Niemand is zo controversieel als BHL en er bestaan waarschijnlijk geen Fransen die niet met hem ruzie hebben gemaakt. En hij zoekt dat natuurlijk zelf door veel te snel zijn mening te geven. Daarom heeft niemand een traan gelaten toen een paar maanden geleden bleek dat BHL zich goed had laten beetnemen. Lévy had in een nieuw boek over de oorlog in de filosofie de Duitse filosoof Kant aangevallen en daarbij een zekere Jean-Baptiste Botul geciteerd. Die had in een reeks lezingen na de Tweede Wereldoorlog bewezen dat Kant een abstracte vervalsing was, “een pure geest van pure verschijning.” Jammer genoeg is er helemaal geen filosoof die Botul heet: hij werd uitgevonden door een journalist die van hem de uitvinder van het “botulisme” maakte en die een grappig boek had geschreven over Het Sexuele Leven van Immanuel Kant. In zijn verdediging zei BHL dat de journalist het boek misschien als grap had geschreven, maar dat hij diepe, waardevolle en nuttige dingen over Kant had geschreven, wellicht zonder het zelf te beseffen!
Deze week is er al een nieuw schandaal: een andere Franse filosoof, Michel Onfray, die met zijn boek Atheologie een beststeller schreef tegen de drie monotheïstische godsdiensten, werd aangevallen door Elisabeth Roudinesco, grootmoeder van de Franse Freudianen. In een boek dat nog niet eens was verschenen, had Onfray het lef om kritiek te hebben op Sigmund Freud en dat is in Frankijk heel erg: alleen bij onze zuiderburen wordt de psychoanalyse nog altijd als een wetenschap beschouwd. In wat men in militaire kringen een “pre-emptive strike” noemt, belaadde Roudinesco haar tegenstander met alle zonden van Israël: foute data, veralgemeningen, enzovoort. Voor het grootste deel is die kritiek zelfs niet onterecht: net als BHL schrijft Onfray te veel en te snel. Maar dan moet Roudinesco ook nog eens uitleggen waarom Onfray zijn boek heeft geschreven, waarbij ze natuurlijk tot de voor de hand liggende conclusie komt dat Onfray in Freud zijn vader wil vermoorden omdat hij zijn moeder haat.Ik kan niet geloven dat Freudianen zo naïef zijn dat ze niet beseffen hoe beledigend en zwak een dergelijk argument is: als elke kritiek op Freud alleen maar bewijst dat de criticus volgens de theorieën van Freud een ziek mens is (waardoor hij de theorie zonder het te willen bevestigt), hoe kan de psychoanalyse dan doen alsof ze een echte wetenschap is?
Geschreven in Algemeen Vaste link
-
Reacties :
- (0)
- Geef uw reactie!
- Print dit artikel






LetterenLaser



























