Intellectuele vechtpartijen

14 Mei 2010, 09:54
Het gebeurt minder vaak dan in de gouden jaren, maar nog altijd houden de Franse intellectuelen van een lekkere rel. Meestal schrijft één BIF (Bekende Intellectuele Fransman) een boek, dat dan door een andere BIF wordt aangevallen, waarop plots alle kranten en tijdschriften gedurende een week of wat vol staan met lezersbrieven, commentaren, dossiers, analyses. Je weet pas dat het helemaal gedaan is, als er een boek verschijnt waarin beide partijen uitgebreid aan het woord komen: alles kabbelt dan nog een paar maanden gezapig verder en dan houdt het allemaal op.

Vroeger vond je dergelijke schermutselingen voornamelijk in de Parijse kranten en tijdschriften, later gingen de radio en de televisie zich ermee bemoeien en tegenwoordig gebeurt er ook heel wat op het web. Maar het medium is hier minder belangrijk dan de inhoud: soms is dat politiek, maar meestal gaat het over de reputatie van een belangrijk denker. De meest invloedrijke filosoof in Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog was tot voor kort waarschijnlijk Martin Heidegger, die zijn stempel zette op het existentialisme van Sartre én op het post-structuralisme van Lacan, Foucault en Derrida. Minstens drie keer hebben de Franse media tot hun ontzetting ontdekt dat de Duitse filosoof eigenlijk een nazi was en minstens twee keer waren ze dat na een tiental jaar weer helemaal vergeten, zodat het hele circus opnieuw kon beginnen.

Als je deze regelmatige rellen vergelijkt dan heeft een en ander natuurlijk meestal te maken met persoonlijkheden. Intellectuelen waren in Frankrijk tot voor kort mediasterren en een schrijver als Bernard-Henri Lévy is nog altijd een superster, een soort Franse Rik Torfs die over alles een standpunt moet hebben, die het goed kan uitleggen en die dan ook voortdurend overal moeten opdraven. In de Verenigde Staten noemt men hen “publieke intellectuelen,” wat mij iets te veel aan de ouderwetse term publieke vrouwen doet denken, maar in Frankrijk heten ze, sinds Zola, eenvoudigweg intellectuelen of “les intellos”.

Bernard-Henri LévyBernard-Henri Lévy, met veel haar en een wit hemd dat altijd drie knoppen open staat, is de Franse superintello: een spraakwaterval die sneller praat dan hij denkt en die als ultiem compliment bekend staat onder zijn initialen BHL. Natuurlijk maak je met deze alomtegenwoordigheid niet alleen vrienden, zeker niet als je dan ook nog eens trouwt met een actrice: hij is voor velen in Frankrijk the man you love to hate. Niemand is zo controversieel als BHL en er bestaan waarschijnlijk geen Fransen die niet met hem ruzie hebben gemaakt.

En hij zoekt dat natuurlijk zelf door veel te snel zijn mening te geven. Daarom heeft niemand een traan gelaten toen een paar maanden geleden bleek dat BHL zich goed had laten beetnemen. Lévy had in een nieuw boek over de oorlog in de filosofie de Duitse filosoof Kant aangevallen en daarbij een zekere Jean-Baptiste Botul geciteerd. Die had in een reeks lezingen na de Tweede Wereldoorlog bewezen dat Kant een abstracte vervalsing was, “een pure geest van pure verschijning.” Jammer genoeg is er helemaal geen filosoof die Botul heet: hij werd uitgevonden door een journalist die van hem de uitvinder van het “botulisme” maakte en die een grappig boek had geschreven over Het Sexuele Leven van Immanuel Kant. In zijn verdediging zei BHL dat de journalist het boek misschien als grap had geschreven, maar dat hij diepe, waardevolle en nuttige dingen over Kant had geschreven, wellicht zonder het zelf te beseffen!

Deze week is er al een nieuw schandaal: een andere Franse filosoof, Michel Onfray, die met zijn boek Atheologie een beststeller schreef tegen de drie monotheïstische godsdiensten, werd aangevallen door Elisabeth Roudinesco, grootmoeder van de Franse Freudianen. In een boek dat nog niet eens was verschenen, had Onfray het lef om kritiek te hebben op Sigmund Freud en dat is in Frankijk heel erg: alleen bij onze zuiderburen wordt de psychoanalyse nog altijd als een wetenschap beschouwd. In wat men in militaire kringen een “pre-emptive strike” noemt, belaadde Roudinesco haar tegenstander met alle zonden van Israël: foute data, veralgemeningen, enzovoort. Voor het grootste deel is die kritiek zelfs niet onterecht: net als BHL schrijft Onfray te veel en te snel. Maar dan moet Roudinesco ook nog eens uitleggen waarom Onfray zijn boek heeft geschreven, waarbij ze natuurlijk tot de voor de hand liggende conclusie komt dat Onfray in Freud zijn vader wil vermoorden omdat hij zijn moeder haat.

Ik kan niet geloven dat Freudianen zo naïef zijn dat ze niet beseffen hoe beledigend en zwak een dergelijk argument is: als elke kritiek op Freud alleen maar bewijst dat de criticus volgens de theorieën van Freud een ziek mens is (waardoor hij de theorie zonder het te willen bevestigt), hoe kan de psychoanalyse dan doen alsof ze een echte wetenschap is?



Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Woorden onder het zand

05 Mei 2010, 17:11
Verba volant, woorden waaien weg, maar gelukkig ook scripta manent, het geschreven woord blijft bestaan, desnoods op de merkwaardigste plaatsen. De belangrijkste vindplaats van teksten op papyrus is Oxyrhynchus, een plaatsje in Opper-Egypte dat vooral in de Hellenistische periode een vrij belangrijk provinciaal centrum was geweest en waar een enorme schat aan Griekse teksten bewaard bleef. Duizend jaar lang brachten de inwoners hun papyrusafval naar de mestvaalt, maar toen droogden de kanalen van de Nijl op, de waterspiegel daalde, de mestvaalt werd bedekt met zand. Door de droogte werd op die manier de papyrus bewaard die elders in Egypte door regen of door de jaarlijkse overstromingen van de Nijl verdween.    

De vondsten die in 1896 op die ene plek werden gedaan door de Oxford profs Bernard Grenfell en Arthur Hunt zorgden voor een revolutie: zeventig procent van de literaire teksten die we op papyrus hebben, komen uit die ene mesthoop. Papyrus vinden was daar niet moeilijk: vaak kon je met je schoen nieuwe lagen blootleggen, maar er was zoveel materiaal dat Hunt en Grenfell niet alles tijdens de zomer konden verwerken en uitgeven. Omdat ze heel wat geld nodig hadden voor hun winterse expedities, zorgden ze ervoor dat de meest spectaculaire vondsten eerst werden gepubliceerd, zoals een stukje Euclides, met diagram.

Euclides

Natuurlijk waren de twee archeologen op de eerste plaats geïnteresseerd in literaire teksten en al vrij snel vonden ze nieuwe werken van Sophocles, maar ook een christelijke bijbeltekst die niemand kende. Het waren vooral de christelijke teksten die het snelst resultaten opleverden: dit was ook het ogenblik dat in het Midden-Oosten de eerste grote opgravingen werden georganiseerd om de historische achtergrond van de bijbel in kaart te brengen. En christelijke Victorianen wilden maar wat graag onomstotelijk bewezen zien dat de bijbel wél historisch accuraat was.

Maar daarmee zorgden Grenfell en Hunt voor een belangrijk misverstand. Vooral de religieuze relevantie zorgde voor problemen: een deel van de teksten bevatte uitdrukkelijk christelijke teksten, vaak in versies die stukken ouder waren dan onze oudste middeleeuwse kopieën.  

Door al de aandacht voor christelijke teksten ging men hun belang erg overdrijven: in werkelijkheid hebben slechts één op tien teksten iets met religie of literatuur te maken. Het gros van deze vondsten zijn brieven, archieven, zakenpapieren die vaak meer vertellen over het dagelijkse leven van de Oxyhynchiaan dan een paar woorden uit de epistels of de kerkvaders.

Daarbij komt nog dat de datering van de teksten alleen bij benadering klopt en dat men daardoor lang een vertekend beeld had van de aanwezigheid van het christendom in Egypte. Op dit ogenblik denkt men dat er pas tegen het einde van de tweede eeuw een min of meer georganiseerde kerk was in Alexandrië en nog later in de rest van Egypte, terwijl de latere kerkhistoricus Eusebius beweerde dat de evangelist Marcus naar Alexandria was getrokken.

Dit is vooral belangrijk omdat het dateren van deze tekstfragmenten van het grootste belang is voor een van de belangrijkste revoluties op het gebied van communicatietechnologie: de overgang van de boekrol naar de codex, het boek zoals we dat voorlopig nog altijd kennen. Door de papyrus en later perkamenten bladen op elkaar te leggen en aan elkaar te plakken of te naaien, kon men het nuttige oppervlak in één keer verdubbelen, want de achterkant van een boekrol bleef altijd leeg. En daardoor kunnen we ook zelfs bij kleinere fragmenten snel zien of ze oorspronkelijk uit een rol of een codex komen: alleen in het laatste geval staan er letters aan beide kanten.

Volgens de belangrijkste historici waren het de christenen die de codex systematisch gingen gebruiken, als reactie tegen hun religieuze joodse concurrenten, die de boekrol prefereerden. Het probleem is echter dat dit soort van veralgemeningen veelvuldig doorgegeven worden, maar slechts zelden gecontroleerd. Tot nu. De Amerikaanse papyroloog, Roger S. Bagnall, vertegenwoordiger van een ras dat met uitsterven is bedreigd, heeft in een kort boekje al het bewijsmateriaal bij elkaar gebracht en hij komt tot de conclusie dat het niet zo eenvoudig is. Christenen waren inderdaad eerder geneigd om de codex te gebruiken, maar dan alleen als het ging om bijbelse teksten die in de liturgie werden gebruikt, niet voor andere teksten.

De reden hiervoor is minder duidelijk: gewoonlijk zegt men dat de codex beter was om de vier evangelies (of anders de brieven van Paulus) samen in één volume te hebben, maar dat kon net zo goed met een boekrol. Bagnall maakt een vergelijking met de werken over magie die ongeveer uit dezelfde periode dateren en waarin we een gelijkaardige evolutie in de richting van de codex merken. De conclusie is dan ook dat de christenen, net als andere groepen die niet tot de traditionele Griekse elite behoorden, gebruik maakten van een nieuwe Romeinse technologie. Misschien niet alle wegen, maar deze weg leidde dus wel degelijk naar Rome.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Groeten uit Afrika

04 Februari 2010, 09:56
Ondanks de SPAM-beveiliging van de universiteit bereikt mij bijna iedere dag minstens een dringend verzoek om grote sommen geld te aanvaarden. Ofwel heb ik een wedstrijd gewonnen waaraan ik niet heb deelgenomen, ofwel wil Bill Gates of een andere miljonair zijn fortuin met mij delen, maar vaker nog smeekt de zoon of dochter van één of andere overleden Afrikaanse dictator of corrupte zakenman om hulp om de vele tientallen miljoenen vrij te krijgen die ergens in een bankkluis op mijn handtekening liggen te wachten. Meestal is de Heer God zelf, Zijn Moeder of Allah op een of andere manier bij de zaak betrokken en in ieder geval zullen alle betrokken partijen mij eeuwig dankbaar zijn voor mijn Zeer Gewaardeerde Hulp en krijg ik voor mijn inzet een deel van de poen zodat ik die naar eigen inzicht kan verdelen onder de armen in mijn land.

Dit is een van de oudste vormen van internetfraude en de enige bedoeling is om u zover te krijgen dat u zoveel mogelijk echt geld geeft om de onbestaande grotere sommen die u voorgespiegeld krijgt in handen te krijgen. Het is mooi om te zien dat deze kunstvorm in de loop der jaren heel wat aan efficiëntie heeft gewonnen, maar dat in de oersoep van het internet toch ook nog heel primitieve vormen overleven.



Screenshot spam


Hoe weten we dat het hierbij om vervalsingen gaan? Dat kunnen we nooit zeker weten en net op die twijfel is heel die handel gebaseerd: neem nu dat er tussen al die oproepen toch enkele zitten die echt afkomstig zijn van de wanhopige weduwen of wezen van rijke maar dode dictators, dan zouden we toch wel gek zijn om deze kans niet te grijpen? Als er mogelijk winst te halen valt, verliezen mensen vaak het laatste greintje gezond verstand en als je eenmaal die eerste stap zet, dan ben je definitief vertrokken.

Maar veel belangrijker is de vraag hoe we ons tegen deze fraude kunnen wapenen en dat kan alleen maar met een flinke dosis gezond verstand. Deze brieven zijn digitale leugens en net als alle leugens zijn zij de prijs die wij betalen voor het enorm rijke en nuttige hulpmiddel dat taal is. Juist omdat mensen kunnen zeggen wat ze denken, kunnen ze ook liegen over wat ze echt denken en als u Liar Liar
met Jim Carrey hebt gezien, weet u dat het nagenoeg onmogelijk is om in de dagelijkse omgang in alle omstandigheden alleen maar de waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

Liegen op papier is trouwens veel gemakkelijker dan dat je je potentiële slachtoffer in de ogen kijkt. Veel van de vermoedelijk Afrikaanse internetfraudeurs zijn wel heel lui, want veel moeite wordt er meestal niet gedaan om dan toch een beetje professioneel te liegen. Vaak slagen de weduwen en dochters van dode dictators er niet eens in om een foutloze zin te schrijven, welke taal ze ook gebruiken. De smoezen zijn al net zo doorzichtig als die mensen die je in het station aanspreken omdat ze net vijf of tien euro nodig hebben voor een treinticket naar huis.

In de meeste gevallen lees ik die berichtjes niet eens meer en gaan ze zo de prullenmand in. Maar soms aarzel ik, zoals vorige week, toen ik plots een bericht kreeg van een zekere “court of justice” die door onze server al wel gevlagd was als spam, maar je weet maar nooit in welk land je onlangs je auto verkeerd parkeerde. Dat de hele mail in hoofdletters is geschreven, is niet echt een goed teken, en ook niet dat de mail mij alleen maar als “belanghebbende” aanspreekt. Maar als je een bericht krijgt van het internationaal gerechtshof in Den Haag, dan lees je verder, zeker als al onmiddellijk is dat het juist over e-mailfraude gaat.

Wat blijkt: het internationaal gerechtshof, samen met de presidenten van alle Afrikaanse staten, in een bijeenkomst in het kader van de Verenigde Naties, stellen vast dat het hele Afrikaanse continent een slechte naam krijgt door de voortdurende pogingen van Afrikaanse fraudeurs om mensen over heel de wereld te bedriegen. De democratische regeringen van Afrika zijn zich bewust van het feit dat deze praktijken het hele continent in een slecht daglicht stellen en drukken de wens uit om voortaan paal en perk te stellen aan alle vormen van internetfraude. Daartoe beloven zij alle nodige middelen in te zetten in het kader van wat ze zelf een meedogenloze oorlog tegen internetfraude noemen.

Om zich te verontschuldigen voor de geleden schade en als bewijs dat de zaak dit keer ernstig wordt genomen, zijn het internationaal gerechtshof, samen met alle Afrikaanse staatshoofden, bereid om mij een grote som geld ter beschikking stellen. Of ik dus zo vlug mogelijk contact kan opnemen via het volgende telefoonnummer?

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Dialecten met een leger en een marine (II)

25 Januari 2010, 11:42

Dankzij de bijbelvertalingen kregen de meeste grote taalgebieden een standaardtaal (zie Deel I) die door de enorme bloei van de boekdrukkunst vrij snel voor een nieuwe standaard zorgde: woorden werden vaak niet langer op zeven verschillende manieren geschreven, maar kregen een vaste vorm, die dan nog vaak in de eerste woordenboeken en grammatica’s werd neergeschreven. Stilaan ging men niet langer alleen het Latijn in de universiteiten gebruiken, maar de landstaal, met als jammerlijk gevolg dat studenten niet altijd even gemakkelijk in Italië, Spanje, Duitsland of Spanje konden gaan studeren.

Een eerste probleem met die eerste standaardtalen was dat men nu op papier wel één taal had, maar die vorm van de taal in vele gevallen een compromis was en in andere één regionale vorm. Het was dus niet noodzakelijk zo dat men in andere delen van het land die bepaalde variant helemaal kon begrijpen. We denken nu dat alle Italianen een zelfde taal spreken, maar dat is een vrij recente ontwikkeling: Italië bestond uit ontelbare rijken en rijkjes met elk hun eigen taal. In het Zuid-Italië en Sicilië werd er zelfs nog Grieks gesproken en als in de negentiende eeuw in Napels Italiaans sprak, dan dachten ze dat je uit Frankrijk of Duitsland kwam.

Toen men in dezelfde negentiende eeuw van taal een belangrijk deel van de nationale identiteit maakte, werd het plots cruciaal om deze taal aan te leren aan die scholen: de nieuwe industrie en de centrale administratie hadden steeds meer opgeleide mensen nodig die liefst allemaal een zelfde taal gebruikten. Maar die taal was op de eerste plaats nog altijd een geschreven
taal: het was pas bij de ontwikkeling van de telefoon en de radio dat de standaardtaal ook echt een bepaalde uitspraak kreeg.

Beschaafd Nederlands, marginaal dialect
Uiteraard probeerde men vanaf het begin één bepaalde uitspraak in het hele taalgebied op te leggen en dat was in de meeste gevallen de uitspraak van het cultureel of politiek meest dominante groep: in Nederland is dat niet de uitspraak van Breda, Maastricht of Leeuwarden, maar die van Den Haag en Amsterdam. In Vlaanderen dacht men aanvankelijk dat men het probleem kon oplossen door ook het Noord-Nederlandse accent van de Randstad te kiezen als norm en het is die vorm die door de nationale Radio en later Televisie verspreid werd. Zoals de toenmalige naam van die taalvorm al aangaf (Algemeen Beschaafd
Nederlands), werd uitspraak een manier om mensen sociaal van elkaar te onderscheiden. Beschaafde mensen zoals u en ik spreken wat nu verbloemend Algemeen Nederlands hee, het marginale klootjesvolk mompelt in het dialect.

Natuurlijk is dat altijd zo geweest, alleen sprak de adel en de burgerij in Vlaanderen vroeger gewoon Frans om zich te onderscheiden.
En dat is niet alleen bij ons zo: twee Britten moeten maar een paar woorden tegen elkaar zeggen voor ze exact van elkaar weten tot welke klasse (en subklasse) hun gesprekspartner behoort. Een dergelijk snobisme zorgde zelfs voor taalveranderingen. In het Engels verdween de rollende ‘r’ toen de burgerij die vulgair begon te vinden. En op dezelfde manier heeft men in Mechelen een lange aa die heel dicht aansluit bij die van het standaard-Nederlands maar die de maneblussers ontwikkelden om zich af te zetten tegen de boeren van het platteland (en alle andere Brabanders van Brussel en Dordrecht).

Antwerps werd Algemeen Vlaams
In Vlaanderen strooide dan de komst van de commerciële televisie roet in het eten. Waar de jongens van de vrije radio nog het opgewonden Hollands van Radio Veronica hadden geïmiteerd, ging men in Vilvoorde en omstreken meer en meer een tussentaal spreken met algemeen-Antwerpse klanken en al vlug volgde de VRT en in haar spoor ook politici en andere mensen die het regelmatig mogen komen uitleggen. Het is die taalvariant die ondertussen Algemeen Vlaams is geworden. Vlamingen kijken niet meer naar de Nederlandse televisie (wij maken nu onze eigen rommel) en wij luisteren niet naar de Nederlandse radio. Geen wonder dat we Nederlandse programma’s moeten ondertitelen. Binnenkort zal men bij de onderhandelingen over het verdiepen van de Schelde tolken moeten gebruiken.

Goegel, Antwerpse versie van Google zoekrobot.

Ondertussen blijft taal een machtig wapen in de klassenstrijd, maar de vraag is hoelang dit nog zal duren. Op de universiteit wordt steeds meer dialect gesproken en we hebben zelfs in de letteren studenten die geen Algemeen Nederlands meer kunnen spreken omdat ze ook op de lagere en de middelbare school aan Beschaafd Antwerps genoeg hadden. Vorig jaar had ik twee studenten die hun mondeling examen in het Antwerps aflegden en die onafhankelijk van elkaar het excuus gaven dat ze zich jammer genoeg voor de middagdut niet genoeg konden concentreren om ook nog eens op hun taal te letten. En toen een collega (niet in de letteren, dit keer) een student tijdens een mondeling examen vroeg om verder toch maar Nederlands te spreken was het oprecht verbaasde antwoord: ‘En wa sprejkekik dan? Chinees, of wa?’ Die jongen zal het ver brengen. In Groot-Antwerpen.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

In die dagen

24 December 2009, 22:04
Het is natuurlijk weer de tijd van het jaar, maar het kerstverhaal is overal. Vandaag bericht mijn krant dat er in Nazareth een huis is opgegraven uit de tijd van Jezus en in het blad van de ziekteverzekering wordt het kerstverhaal een protestsong genoemd. Mensen mogen zich van mij laten inspireren door wat voor verhaal dan ook, maar waarom zijn er niet meer intelligente christenen die durven zeggen dat het kerstverhaal niet meer is dan dat, een verhaaltje?

De waarheid is dat we eigenlijk zo goed als niets weten over de jeugd van Jezus en al helemaal niets over zijn geboorte. Jezus is in elk geval niet op 25 december geboren: zijn verjaardag werd pas veel later, vanaf het midden van de vierde eeuw, op deze dag gevierd, waarschijnlijk omdat op die dag al een groot Romeins heidens festival werd gehouden.

Het is niet anders met al de andere vaste ingrediënten van het feest: de sneeuw, de herdertjes bij nachte, Bethlehem, de sterre die stille bleef staan, geen plaats in de herberg, de drie koningen, de onnozele kinderen, de vlucht naar Egypte. Voor de meeste mensen is de geboorte van Jezus een mooi en coherent verhaal, maar zoals gewoonlijk is het allemaal net iets ingewikkelder.

De oudste historische bronnen over Jezus van Nazareth zijn de evangelies, Markus, Matteüs, Lukas en Johannes. Van deze vier horen de eerste drie bij elkaar omdat ze ongeveer hetzelfde verhaal vertellen, wat niet zo moeilijk is omdat zowel Matteüs als Lukas gebruik maakten van het evangelie van Markus dat als het oudste wordt beschouwd: dat van Johannes heeft niet alleen een heel andere theologie, ook de chronologie is helemaal anders en je kan die versie alleen maar met heel veel gepruts tot één verhaal maken.

De jeugd van Jezus ontbreekt in het oudste verhaal van de eerste evangelist Markus: die begint met de doop van Jezus door Johannes. Waar Matteus en Lukas haalden hun informatie is minder belangrijk dan dat ze in de geboorte en de jeugd van Jezus bevestiging zochten voor het feit dat hij de aangekondigde verlosser was, een koning, gezalfde, die als nakomeling van David de Joden zou bevrijden van de Romeinse overheersing. Daarom was het belangrijk dat hij in Bethlehem geboren moest worden.

Maar we weten uit het bijbelboek over de Handelingen van de Apostelen dat de christenen Nazareërs werden genoemd en het is heel goed mogelijk dat men daar achteraf van gemaakt heeft dat Jezus dan wel uit dat dorp moest komen. Voor Matteüs werd Jezus geboren in Bethlehem en na de vlucht van Egypte trekt Jozef zich met zijn jonge gezin terug in Nazareth omdat hij daar veilig meent te zijn. Maar volgens Lukas zijn Jozef en Maria allebei in Nazareth geboren en komen ze door de volkstelling in Bethlehem terecht. Minstens één van de twee evangelisten vergist zich dus.

Een van de mensen die tot de vaststelling kwam dat er een groot verschil was tussen wat de kerk zei en wat er twee millennia echt in Palestina gebeurde, was de Franse priester Alfred Loisy: het werd hem aan het begin van de twintigste eeuw niet in dank aangenomen. De kerk excommuniceerde hem en verbood alle gelovigen zijn geschriften te lezen en zelfs met hem te spreken. Katholieke intellectuelen die meer wilden dan blind geloven werden als ‘modernisten’ uitgeroepen tot de allerergste ketters; tot in de jaren zestig moesten alle priesters een anti-modernisme eed zweren. En het is die kerk die men in Rome en in Luik terug wil invoeren. Maar het bericht in mijn krant zegt ook iets over de bijbelse archeologie. Nergens ter wereld is de archeologie zo intensief beoefend als in wat christenen en joden het Heilige Land noemen. De reden is duidelijk: christelijke organisaties hebben er al anderhalve eeuw miljoenen voor over om mensen aan het werk te zetten die kunnen bevestigen wat er in de bijbel staat. Deze wetenschappers zorgen er dan voor dat ze op belangrijke ogenblikken van de kerkelijke kalender met ‘nieuwe’ vondsten komen die hun broodheren kunnen overtuigen om nog maar eens een paar miljoen dollar vrij te maken.

Dit is vandaag ook het geval met het huis in Nazareth uit de tijd van Jezus. Sommige kranten en tijdschriften vermelden dat de opgravingen gebeuren met steun van een Franse katholieke organisatie en het is wel duidelijk dat deze vondst een belangrijke bijdrage kan leveren aan het religieuze toerisme in Israël. Maar met archeologie of met kritische wetenschap heeft dit alles heel weinig te maken. De verantwoordelijke archeologe die in alle stukken wordt geciteerd heeft niet bepaald een goede naam, ze heeft zelfs helemaal geen naam. Een eenvoudige zoektocht via Google toont aan dat deze Israëlische archeologe blijkbaar alleen bestaat in de krantenstukjes over deze vondst: zij heeft nooit iets gepubliceerd en geen enkel spoor achtergelaten. Een beetje zoals Jezus zelf.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Dialecten met een leger en een marine (I)

11 December 2009, 17:50

Zoals bekend zijn talen niets anders dan dialecten met een leger en een marine. Wie macht heeft, of geld, kan zijn taal en zijn manier van spreken opleggen aan wie geen geld of geen macht heeft: dat is altijd al zo geweest, niet alleen in onze eigen vaderlandse geschiedenis.

Maar als we die geschiedenis een beetje terugspoelen, duurt het niet lang voor we in een tijd terechtkomen dat er geen enkele behoefte was aan één enkele taal. Die is pas nodig als één centrale administratie een grote en dus heterogene groep mensen moet bereiken. Zolang mensen gewoon thuis blijven, spreekt iedereen zijn eigen taal en je kunt je heel goed voorstellen dat je nog niet zolang geleden van bijvoorbeeld Oostende naar Berlijn kon reizen en telkens in ieder dorp dat je tegenkwam mensen aantrof die geen enkel probleem hadden om hun buren in het oosten of het westen te begrijpen, maar toch veranderde die taal voor de reiziger van Vlaams naar Brabants en Limburgs en daarna een zelfde gamma van Duitse dialecten die zo verschillend zijn dat je iemand van vijftien dorpen verder nog nauwelijks kan begrijpen.

Wat is dat trouwens, een Duits dialect? Zijn het Oostenrijks of het Zwitsers dialecten van het Duits? De Zwitsers hebben dan wel geen marine en hun leger lijkt soms meer op een groepje jagers, maar je kunt niet zeggen dat ze geen eigen taal hebben. Overigens is er natuurlijk niet zoiets als een Zwitserse taal: niet alleen wordt er in de Zwitserse kantons ook Italiaans, Frans en Reto-Romaans gesproken, maar in nagenoeg iedere vallei spreekt men een andere variant die niet noodzakelijk aan de andere kant van de plaatselijke bergen begrepen wordt.

Dialecten worden maar talen als er communicatie is tussen verschillende groepen en voor die ontwikkeling was de uitvinding van de boekdrukkunst van het allergrootste belang, vooral omdat dat gebeurde in net die periode waarin dank zij de reformatie de volkstalen aan belang wonnen. In de lange eeuwen na de definitieve val van het Romeinse Rijk was het Latijn de taal van de internationale communicatie, voor de kerk en voor de staat en natuurlijk ook voor de eerste scholen en universiteiten. Kunnen lezen en schrijven betekende toen ook niets anders dan dat je Latijn kon lezen en schrijven.

Toen mensen Luther het Boek van God terug aan het volk van God wilde geven, merkte hij al snel dat de volkstaal eerst nog moest worden uitgevonden. Maar toen het Oude en het Nieuwe Testament eenmaal in één vaste en goedgekeurde vorm bestond, zoals de Lutherbijbel in Duitsland, de Statenbijbel in Nederland en de King James vertaling in Engeland, hadden deze landen meteen ook voor het eerst een geschreven standaardtaal. Omdat de vertalingen, met uitzondering van die van Luther, vaak door een comité gemaakt was dat bestond uit vertalers van verschillende streken, was die vertaling vaak representatief voor een veel ruimer gebied. Zo zaten er nogal wat Vlamingen bij de makers van de Statenbijbel, zodat “onze” bijbeltaal helemaal niet zo Hollands was, als anders het geval was geweest.

De drukpers zorgde ervoor dat de teksten in deze bijbels overal in het grondgebied verspreid en gelezen werden, zodat de volkstalen een vaste vorm konden krijgen. In de meeste Europese talen werd in de zestiende en zeventiende een nieuwe taal gecreëerd, met een woordenschat die wetenschappelijke en filosofische termen uit het Latijn vertaalde (soms gebeurde dat heel letterlijk zoals met het woord “onderwerp” voor “subiectum”). Maar veel belangrijker was het feit dat ieder woord nu een vaste en algemene aanvaarde vorm kreeg, zodat het in alle omstandigheden op dezelfde manier geschreven kon worden. Voor de uitvinding van de drukpers gebruikte iedere kopiist zijn eigen conventies, zodat een geoefend taalkundig alleen al op basis van de spelling kan vaststellen of de man uit Limburg dan wel uit Holland kwam.

Heel wat vaste uitdrukkingen waarvan we allang vergeten zijn waar ze vandaan komen, werden eigenlijk uit het niets geschapen door de bijbelvertalers. Dit blijkt vooral als je dergelijke uitdrukkingen in verschillende talen gaat vergelijken en er geen equivalent blijkt te zijn: “op handen dragen” en “bij de pakken neerzitten” of “through a glass darkly” en “by the skin of my teeth” zijn daar goede voorbeelden van. In het beste geval weten we nog wat ze betekenen, maar bijna niemand weet nog dat ze oorspronkelijk uit het Grieks en het Hebreeuws vertaald werden.

Zo werd de taal van de bijbel de standaardtaal, in elk geval in de geschreven vorm, want natuurlijk bleef men zijn eigen taal soms op een heel andere manier uitspreken. Aangezien de intellectuele elite nog altijd Latijn en later Frans als gemeenschappelijk Europese taal had en het vooral de elite was die buitenlandse contacten had, was er ook niet echt behoefte aan één enkele manier om de standaardtaal uit te spreken. Daarvoor was er weer een andere communicatieve doorbraak nodig.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Darwins kladjes

07 September 2009, 10:07
In het Darwin-jaar is het misschien goed om te weten dat Charles Darwin niet alleen een groot wetenschapper maar ook een heel bewust schrijver was, die zoals alle grote schrijvers nooit tevreden was van zijn eigen werk. Dat was ook het geval voor zijn meesterwerk The Origin of Species waarvan hij maar liefst zes verschillende edities liet verschijnen.

Uit het online archief van Darwin: darwin-online.org.ukEr is een Franse literatuurwetenschappelijke methode om teksten te onderzoeken die zich “genetische literatuurwetenschap” of “critique génétique” noemt. Op zich heeft die niets met biologie te maken heeft, maar deze onderzoekers proberen om een literaire tekst minder als een product dan als een proces te bekijken. Een gepubliceerde roman of gedicht is slechts een deel van een heel wordingsproces (een genese), waardoor ook notitieboekjes, manuscripten en drukproeven van de schrijver bij het onderzoek betrokken kunnen worden. Dit is natuurlijk niet nieuw: de manuscripten van schrijvers kunnen de doorslag geven wanneer een editeur van een al dan niet klassiek werk moet kiezen tussen twee verschillende versies. Wat wilde de schrijver zelf eigenlijk zeggen?

Bij de studie van oudere teksten (werken die dateren van voor de uitvinding van de boekdrukkunst) beschikken we vaak niet over een door de auteur nagekeken en goedgekeurde uitgave, we hebben soms zelfs geen letter in het handschrift van de schrijver. Het enige wat we hebben zijn manuscripten van het werk, verschillende versies met dikwijls heel wat varianten. De klassieke filologie ontwikkelde vooral in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw allerlei technieken om door een grondige en systematische vergelijking van de verschillende versies een zo betrouwbaar mogelijke editie van de tekst te maken. De ontwikkeling van deze wetenschap, die uiteindelijk ook zelfs op de tekst van de bijbel werd toegepast, loopt nagenoeg parallel met de wetenschappelijke revolutie en het is dan ook interessant vast te stellen dat de wetenschappelijke vergelijking van teksten vandaag gebruik maakt van technieken die uit de wetenschap, en met name uit de biologie komen.

Een van de dingen die de grote filologen uit de negentiende eeuw ontdekten was dat verschillende manuscriptversies van een tekst zich tot elkaar verhouden als leden van een familie. Een oermoederversie van de tekst wordt een of meer keer gekopieerd en telkens opnieuw worden daarbij telkens andere fouten gemaakt. Deze foutieve teksten worden op hun beurt gekopieerd, met nieuwe afwijkingen tot gevolg. Een groot deel van de teksten verdwijnt in de loop van de geschiedenis en dat is bijna altijd het geval met de versie die door de schrijver werd gemaakt. De overblijvende manuscripten kunnen worden ondergebracht in een stamboom, om op die manier de juiste relatie tot elkaar weer te geven. Enige tijd geleden ontdekten tekstwetenschappers dat als je de verschillende versies digitaal invoert, je een cladistische analyse kan maken: de relatie tussen manuscripten lijkt heel erg op de relatie tussen organismen die grotere of kleinere delen van hun DNA gemeen hebben.

Het is dan ook heel toepasselijk dat tekstwetenschappers het werk van Darwin onder de microscoop hebben bestudeerd, om exact na te gaan op welke wijze zijn werk, bijvoorbeeld The Origin of Species, tot stand is gekomen. Mijn Antwerpse collega Dirk Van Hulle publiceert binnenkort een boek waarin hij de ontstaansgeschiedenis van Darwins boek (en dus ook van de evolutietheorie) uit de doeken doet en waarin hij ondermeer tot de conclusie komt dat Darwin niet alleen een systematisch en grondig onderzoeker was, maar dat hij ook een gretig lezer was die net zo goed conclusies trok uit wat hij op basis van zijn observaties en experimenten kon concluderen, als wat hij leerde uit zijn grondige lectuur.

Het onderzoekswerk van Van Hulle zou veel moeilijker zijn geweest indien men de notitieboekjes en kladjes van Darwin niet alleen getranscribeerd, maar ook digitaal ter beschikking had gesteld, onder meer op de schitterende website van Darwin Online (darwin-online.org.uk). Daar bevinden zich niet alleen alle werken van Darwin, zowel in zoekbare tekstvorm als in afbeeldingen van de boekpagina’s zelf, maar ook de notitieboekjes, onder meer de belangrijke werkboekjes waarin Darwin tijdens zijn reis met de Beagle nauwkeurig de waarnemingen noteerde die pas achteraf de sleutel bleken te bevatten voor zijn belangrijkste ontdekkingen.
Daarnaast vindt u via deze website ook de correspondentie van Darwin, waardoor de Britse wetenschapper ondertussen misschien wel eens de best gedocumenteerde schrijver uit de geschiedenis zou kunnen zijn.

Ook de gepubliceerde boeken van Darwin kunnen digitaal via de website geraadpleegd worden, van The Origin of Species dus maar liefst zes edities. De Amerikaan Ben Fry, een specialist in het zichtbaar maken van informatie, heeft nu de evolutie van de tekst visueel weergegeven. Door de zes versies van de tekst digitaal in te voeren, laat hij zien op welke manier Darwin aan de tekst van het boek bleef prutsen, hoe hij woorden, kortere passages en hele hoofdstukken herschreef en aanpaste aan zijn nieuwe inzichten. Dit is een prachtige illustratie van iets wat iedereen ondertussen zou moeten weten: de wetenschap staat nooit stil.

Ben Fry, On the Origin of Species: The Preservation of Favoured Traces


benfry.com/traces

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Zonder trauma geen literatuur

05 Juni 2009, 09:31

Vandaag vind ik in mijn mailbox een uitnodiging voor een groot literatuurcongres, een van de vele initiatieven in de maand mei waarmee mijn collega’s zoals gebruikelijk de korte periode tussen de laatste colleges en de eerste examens proberen te overbruggen. Maar deze uitnodiging valt echt op: dit is de eerste keer dat een literatuurcongres adverteert met een “skip intro” webpagina. Muziek en bewegende beelden: de wereldbol te midden van fonkelende sterren met de Blauwe Donau van Strauss (en van Kubrick). De muziek wordt al na enkele maten onderbroken door een ontploffing: de aarde versnippert in groen en blauw die snel veranderen in stukken rood en zwart en in deze laatste kleuren krijg je, met het geratel van een ouderwetse typemachine (die ook een ouderwets machinegeweer zou kunnen zijn), de titel van de conferentie en de echte openingspagina.

De vorm is echter minder belangrijk dan de inhoud. Een internationaal congres over het ondertussen in onze kringen erg sexy thema “Literature and the Memory of Catastrophe” in het bredere gebied van wat men tegenwoordig “Traumastudies” noemt.

It’s trauma, Jim, but not as we know it

Studies over één literair thema zijn lange tijd uit de mode geweest, maar dit onderwerp is nu al bijna vijftien jaar heel erg hot. Politiek en historisch omvat het enerzijds de literaire of artistieke weergave van de holocaust of andere genociden, en als je de term breed genoeg bekijkt, dan vind je in iedere roman en ieder gedicht wel een trauma. Zonder trauma zou er waarschijnlijk geen literatuur zijn: waarover zouden schrijvers het anders moeten hebben?

Maar zo eenvoudig is het ook weer niet. Traumastudies is een telg van die vorm van literatuurtheorie die zich geënt heeft op een oorspronkelijk Franse filosofische traditie die men in het algemeen postmodern kan noemen en die zich op de eerste plaats liet inspireren door diepe denkers zoals Heidegger en Freud. Op deze grondvesten bouwde men in de jaren zeventig en tachtig filosofische, antropologische en psychoanalytische tempels waarvan men hier en daar in Europa en de US nog ruïnes vindt.

Nu de eerste generatie postmodernen verdwenen is (Jacques Lacan, Michel Foucault, Gilles Deleuze, Jacques Derrida, Jean Baudrillard), wordt hun rol overgenomen door nieuwe auteurs die op dezelfde radicale wijze de Grote Vragen stellen. Waar de oudere meesterdenkers nog de gehele westerse cultuur en de hele universiteit wilden hervormen, hebben de meeste epigonen zich strategisch teruggetrokken in departementen literatuurwetenschap en theologie. Er zijn nauwelijks nog psychologen of psychiaters die Lacan lezen, maar in de literatuurdepartementen leeft zijn leer rustig verder. Voor postmodernen is taal heel belangrijk, maar hun opvattingen over wat taal is, hebben merkwaardig genoeg niets te maken met wat hun collega’s uit de taalkunde doen.

Er bestaat ook een wetenschappelijk verantwoorde studie van de menselijke psychologie, de neurologische studie van het geheugen, van het proces van herinnering en van vergeten, van de manieren waarop echte mensen met trauma’s omgaan. Dit onderzoek gebeurt aan dezelfde universiteit waar de literatuurwetenschappers zich liever laten leiden door filosofische prietpraat die spits geformuleerd is en heel diep klinkt, alsof de wereld ademloos zit te wachten tot de meesterfilosoof eindelijk het bevrijdende woord heeft gesproken. En alsof literatuur echt een kwestie is van leven en dood, zoals moet blijken uit het motto van de conferentie, een uitspraak van Jacques Derrida: “Hypothesis to be verified: all responsible witnessing engages a poetic experience of language.” Het klinkt heel wetenschappelijk en heel diep, maar het betekent niet zo veel en vooral: het maakt geen ene moer uit of deze uitspraak nu waar is of niet.

Met traumastudies hebben literatuurspecialisten misschien wel even het gevoel dat ze terug iets met de echte wereld te maken hebben: het gaat daarbij over de dood van echte mensen, over leed en pijn die zichtbaar en voelbaar zijn. Maar deze ethische impuls krijgt een bittere nasmaak als alle leed even absoluut blijkt te zijn. Het verlies en gemis van de overlevenden van de Shoah wordt dan vergeleken met het verlies van de Ierse taal in Ierland. Of er blijkt een verband te zijn tussen het verlies van het overgrote deel van je familie in een genocide en het individuele verlies van de imaginaire fallus.

Bijna acht jaar geleden was de toenmalige wereldtop van traumatologen ergens in Nederland tijdens een lange en diepgravende namiddagsessie bezig de diepste wortelen van alle mogelijke trauma’s bloot te leggen. Na vier uur keihard werken kwamen ze knipperend met de ogen buiten in een wereld die er plots heel anders uitzag: het was elf september 2001 en de rest van ons had zich ondertussen in een echt trauma gestort. Zonder op advies van de specialisten te wachten.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Hoe zeg je dat juist?

29 Januari 2009, 11:05

Een collega vraagt me terloops of ik hem kan helpen met een merkwaardig probleem. Een van zijn vrienden schreef hem het volgende:

For years I’d assumed that Philippe Herreweghe preferred an Italianate pronunciation of Latin for his Ghent group and agreed with you about the final ‘e’ in Collegium Vocale. However, his Parisian choir La Chapelle Royale always used the distinctive French liturgical Latin pronunciation with silent endings and distinctive nasals in its recordings of the French baroque. I put this down to a performance practice decision on his part that didn't alter the other. However, when Herreweghe and his group were at the 2000 Melbourne Festival we discovered that he chose ‘kuh-LAY-gee-oom vuh-KAHL’. The roots apparently lie in the historical pronunciation of Latin in Flanders at the high point of the musical Renaissance when so many great composers hailed from the Low Countries. To be honest, I’ve never felt comfortable pronouncing it that way and probably slip back occasionally.

Het lijkt een eenvoudige vraag: werd de laatste “e” in het woord “vocale” nu ja of neen uitgesproken, zoals vandaag in het Italiaans of niet, zoals in het Frans. Maar zoals zo vaak als het met taal te maken heeft, is het allemaal veel ingewikkelder.

Neem alleen al de poging om weer te geven hoe je het woord moet uitspreken: als je niet Engelstalig bent, klinkt ‘kuh-LAY-gee-oom vuh-KAHL’ hoegenaamd niet als iets dat ook maar in de verste verte verwant is aan de naam van het muziekensemble. Dit heeft alles te maken met het feit dat iedere taal een andere manier heeft om klanken weer te geven. Voor Nederlandstaligen is een dubbele “o” een lange klank, voor Engelstaligen is wat wij als “oe” uitspreken en die twee letters klinken voor een Duitser dan weer als onze “eu”. En zo verder en zo voort.

Ieder jaar in september ontdekken honderdduizenden zesjarigen tot hun ontzetting hoe groot het verschil is tussen wat ze zien en wat ze horen, tussen de letters op papier en de manier waarop die letters woorden vormen. Daarbij gaan onze gedachten vooral uit naar die arme Engelstalige kinderen voor wie de opeenvolging van letters op het blad papier vaak niets te maken hebben met de klanken die bij het woord horen. De toneelschrijver G.B. Shaw, niet toevallig voorstander van een radicale spellingshervorming die er nooit is gekomen, beweerde zelfs dat men in het Engels het woord “fish” als “ghoti” kon schrijven: gh zoals in “enough,” o zoals in “women” en ti als in “fiction.” Daarom hebben linguïsten een internationaal fonetisch alfabet, waarmee ze in principe alle klanken in alle talen kunnen weergeven, zelfs die in het Engels. En wie regelmatig sms’t of  chat, weet dat in die vormen van taal een heel andere en heel variabele spelling wordt gehanteerd die veel dichter staat bij het gesproken woord.

Geschreven taal en gesproken taal zijn dus heel andere dingen. Maar wat doe je met een taal die niet meer bestaat? Hoe kunnen we nu zeker weten hoe onze voorouders hun woorden uitspraken, als ze alleen maar geschreven taal hebben achtergelaten? Soms hebben we al dan niet primitieve geluidsopnames: zo weten we dat James Joyce zijn teksten voorlas met een duidelijk Iers accent. Maar van oudere schrijvers bestaan er geen opnames. Hoe wou William Shakespeare dat zijn acteurs “This is the winter of our discontent” uitspraken? In dit concrete geval weten we wel zeker dat deze zin heel anders klonk dan vandaag: voor de negentiende eeuw rolden de Engelsen hun r zoals de Schotten dat nog altijd doen. En gelukkig schreven de dichters in verzen, zodat we nu en dan kunnen zien dat woorden die vroeger wel, vandaag helemaal niet meer rijmen. Zo rijmt dezelfde Shakespeare “child” met “spilt”.

Juist omdat het Engels een wereldtaal zal die verschrikkelijke spelling een probleem blijven voor vrienden en vijanden en zullen taalpuristen zich vrolijk maken om domme buitenlanders. Maar dit zorgt ook voor problemen van betogers en andere taalgebruikers in heel de wereld die in het CNN tijdperk hun boodschap in het Engels aan de wereld willen doorgeven. Zoals die moslim die zijn afkeer van joden op deze manier uitdrukte:



G.B. Shaw “put his money where his mouth is,” zoals de Britten dat zo mooi zeggen. Bij zijn dood liet hij een half miljoen pond na voor de ontwikkeling van een nieuw Engels alfabet. De andere erfgenamen betwistten het testament en uiteindelijk bleef er maar 8000 pond voor dit nobele doel over. Er werd een wedstrijd georganiseerd, één boek werd gedrukt in het nieuwe alfabet en iedereen bleef het oude gebruiken.

En hoe moeten we “Collegium Vocale” nu uitspreken. Zoals we dat altijd al gedaan hadden: enkele dagen later kreeg ik een nieuwe mail dat alles gebaseerd was op een Australisch misverstand. Die laatste e spreek je gewoon uit, zoals de Italianen doen, de Vlamingen in de renaissance, en iedereen die van muziek houdt.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Cijfers of letters?

15 December 2008, 10:59

Als docent in een letterendepartement krijg ik altijd van studenten te horen dat ze wel goed zijn in talen, en dus helemaal niet in wiskunde of wetenschap. Toen ik nog Engels gaf aan 'harde' wetenschappers had ik dan weer een doctoraatsstudente die zwaar dyslectisch was, maar aan wie niemand dat ooit had gezegd: ze was zo briljant in wetenschappen dat de taalleerkrachten haar met rust lieten.

In de middelbare scholen en dus in de rest van de maatschappij heerst de misvatting dat je maar in één van deze domeinen goed kan zijn. Mijn vader heeft het me gelukkig nog maar heel recent verteld, maar na mijn middelbare school kreeg hij als advies van het psycho-medisch centrum dat ik alles kon gaan studeren wat ik maar wilde, 'zolang het maar geen talen zijn'. Lernout junior koos voor Germaanse.

Het belachelijke idee dat jonge mensen blijkbaar moeten kiezen waar ze voor de rest van hun leven goed in zullen zijn, heeft rampzalige gevolgen. Ik hoop dat mijn collega’s in de wetenschappen het even jammer vinden dat zo weinig van hun studenten iets met taal hebben, als ik het vind dat mijn studenten zo weinig over wetenschap (willen) weten. Dit is dubbel zo erg omdat literatuur nu eenmaal over de wereld gaat en niet over taal. Dichters en romanschrijvers maken soms wel hun eigen werkelijkheid, maar veel vaker beschrijven ze de wereld waarin wij allemaal leven.

Wie ernstig aan literatuurwetenschap wil doen kan zich niet veroorloven om de wereld van de harde wetenschappen gewoon naast zich neer te leggen en dat is net zo voor filosofen en historici. We leven allemaal in dezelfde wereld waarvan de wetten en regelmatigheden door wetenschappers in kaart worden gebracht. Uiteindelijk is het zelfs de zachte menswetenschapper die nog het meest gebaat is bij de bevindingen van andere wetenschappers. Schrijvers laten zich niet inperken en nagenoeg elke tak van de wetenschap kan de achtergrond vormen voor een gedicht of een roman.

Archimedes tussen gebeden

Archimedes CodexNu de harde wetenschappers zich vaak verschansen in steeds kleinere deelgebieden en minder en minder tijd hebben om over het hek te kijken wat er in andere gebieden gebeurt, is het een hele verademing dat er nog grote projecten bestaan waar harde en zachte wetenschappers samen prachtige resultaten bereiken. Een goed voorbeeld wordt beschreven in het recent vertaalde boek De Archimedes Codex van Reviel Netz en William Noel. Een museumcurator en een historicus van de wiskunde vertellen hier het ongelooflijk spannende verhaal van een gebedenboek dat tien jaar geleden in Christie’s werd verkocht en waarin zich nieuwe teksten van de Griekse wiskundige Archimedes bevonden.

Om beurten vertellen ze waar het boek vandaan komt, hoe een Grieks gebedenboek werd gemaakt met stukken perkament waar men eerst teksten van Archimedes van weggeschraapt had, wat er verder met het arme manuscript gebeurde. De curator vertelt hoe een hele batterij wetenschappers aan het werk ging om de verdwenen teksten opnieuw leesbaar te maken. De historicus legt uit wat het belang is van deze nieuwe teksten, niet alleen voor een beter begrip van de vroege wiskunde van de Grieken, maar van de geschiedenis van het gehele Westerse denken. Al dit materiaal werd niet alleen in een erg leesbaar boekje verzameld, maar is ook nog eens vrij gemakkelijk en overzichtelijk bij elkaar gebracht op
www.archimedespalimpsest.org.

Tien jaar geleden wisten we amper dat deze teksten bestonden, vandaag moeten we de vroegste geschiedenis van de wiskunde helemaal herschrijven. Reviel Netz ontdekte de cruciale rol van de tekeningen in de concrete bewijzen van Archimedes, hoe deze Griekse wiskundige op een handige manier gebruik maakte van het begrip oneindig (waarvan we dachten dat het voor de Grieken niet bestond) en hij laat mooi zien hoe deze nieuwe vondsten passen in de totale geschiedenis van de wetenschap, die blijkbaar al veel langer begrepen had dat er merkwaardige verbanden bestaan tussen de wereld van vormen en getallen en de wereld waarin we leven.

Vrije tijd
Nog mooier in dit boek is het onderliggende verhaal van een ongekende wetenschappelijke samenwerking tussen historici, wiskundigen, specialisten van het Oud-Grieks, conservatiedeskundigen en techneuten. Al deze mensen investeerden enorm veel tijd en energie in boekje dat amper iets groter is dan de gemiddelde bijbel. Nog merkwaardiger is het dat al deze mensen dit werk dat deden in hun vrije tijd, enkel en alleen omdat dit project intrinsiek zo interessant was. Dit was vanaf het allereerste begin een privé-initiatief. De man die het boek kocht bij Christie en die er twee miljoen dollar voor vrij had, betaalde ook nog eens voor de verschillende projecten die het boek moesten bewaren en de inhoud ontsluiten. Vaak werkte men bij deelprojecten met competities tussen verschillende groepen en instellingen.

Wat de beheerders van onze universiteiten zich maar eens moeten afvragen of onze instellingen voor wetenschappelijk onderzoek een dergelijke taak zouden aankunnen, laat staan dat ze deze taak in amper tien jaar helemaal rond zouden krijgen. Ik mag het betwijfelen. Misschien moet Marc Coucke zijn geld niet langer in fietsen of in gsm-chips investeren maar in oude Griekse teksten.


Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

1 taal is nooit genoeg

24 September 2008, 16:32

Opeens word ik langs alle kanten gebombardeerd met meertaligheid. Mijn toekomstig kleinkind in Vancouver zal een Engelssprekende moeder en een Nederlandstalige vader hebben; de studenten van de Universiteit van Amsterdam sturen een petitie (Red de Talen!) omdat men bij hen de talenopleiding aan het afschaffen is en vandaag blijkt het ook nog eens Europese Talendag te zijn.

Taal in Van Dale

Vlamingen en Nederlanders zijn terecht trots op onze talenkennis. Als onze buren elkaar niet begrijpen, zullen wij wel in het Frans uitleggen wat de Duitsers willen zeggen, om dan snel in het Duits uit te leggen wat we juist met die Fransosen hebben zitten smoezen. Het is een vermoeiend bezigheid: ik heb eens een huurgeschil getolkt tussen een Duitse familie en een Italiaanse verhuurder die elk alleen hun eigen taal konden spreken om dan tussendoor aan mijn Vlaamse vrienden uit te leggen hoe de onderhandelingen opschoten: uiteindelijk ging het geschil om het huis dat wij gehuurd hadden.

Maar kennis is macht en uiteindelijk geeft talenkennis ook een enorm gevoel van macht. In Archidosso besefte ik maar al te goed: zonder mij rolden ze hier vechtend over de grond. Als ik niet het Duits voor “wat denkt die vette olijvenvreter wel” in het Italiaans vertaald had met “Kan u ons geen alternatief aanbieden?” Omdat ik ook de onderlinge spanningen tussen de twee Duitse families kon inschatten (meer dan twintig uur in de auto gezeten, veel verkeerd gereden) en de twijfels van de twee Italiaanse verhuurders (heb jij dan met dat Duitse verhuurbedrijf gesproken?), kwam er uiteindelijk toch een oplossing uit de bus.

Dergelijke situaties zijn voer voor romanschrijvers: een goede plot leeft van misverstanden (voor De Kampioenen werkt het al eeuwen). En welk misverstand is mooier dan dat mensen elkaar niet verstaan? In Nice Work, een grappige roman en televisiereeks over de Thatcher-periode, beschreef David Lodge een samenwerking tussen de universiteit en het bedrijfsleven waarbij een feministische literatuurprof gekoppeld wordt aan een rechtse ondernemer. Op een bepaald ogenblik is de prof aanwezig bij onderhandelingen met een Duitse firma en omdat zij de taal van de onderhandelaars spreekt, kan ze haar landgenoot uit een moeilijke situatie redden. De boodschap van deze roman, en van de Europese Talendag is duidelijk: zonder talen red je het niet, in het moderne Europa, en dat beseffen de taalscholen maar al te goed.




Als talenkennis macht is, dan is de Vlaming de baas van Europa. Maar dat kan ook verkeerd aflopen, want uiteindelijk gebruik je dan als twee- of drietalige een taal die je gesprekspartner heeft geleerd toen hij nog maar net kon lopen. Op de EU in Brussel en Straatsburg houden de tolken voorbeelden bij van Europolitici die wat al te enthousiast meenden dat ze de taal van Goethe of Molière of Shakespeare beheersen. Zo was er de Italiaanse voorzitter die een vrouwelijke afgevaardigde aan het woord liet, na haar eerst een paar keer te hebben genegeerd: “Madame, je vous donne la parole. Je vous ai déjà sautée deux fois.” Of de Nederlander die de aanhoudende kritiek op zijn slordige werk beu was en protesteerde: “But we worked hardly on this report!”

De toekomst in het steeds groter wordende Europa ligt in de handen van mensen die meer talen kennen en het is juist daarom zo belangrijk dat het uitstekende taalonderwijs dat we voorlopig nog in de Lage Landen hebben, bewaard blijft. Helaas is dat niet vanzelfsprekend: zowel op de middelbare scholen als aan de universiteiten staan de talen onder grote druk. En dan wonen wij nog in een cultuur waar films en televisie niet gedubd wordt, zodat iedereen tenminste weet hoe die andere talen klinken. Dat is in Italië, Spanje en Engeland heel anders, zoals je ook kan merken als je studenten uit die landen een andere taal hoort spreken.

Vlaamse studenten zijn zonder meer beter in andere talen dan hun collega’s uit de meeste andere landen, dat blijkt steeds weer als ze uit Erasmusprogramma’s in Duitsland, Engeland of Frankrijk terugkomen met achttienen en negentienen. De Erasmus-studenten die uit andere landen komen doen het vaak veel minder goed. Als departementsvoorzitter kreeg ik ooit twee Spaanse studenten op bezoek die kwamen klagen dat ze door de prof van een derdejaarscursus terug naar het eerste jaar waren gestuurd. Het duurde echter ettelijke minuten voor ze er in gebroken Engels in slaagden om uit te leggen wat nu eigenlijk het probleem was.

Talenkennis is een natuurlijke rijkdom in de Lage Landen en we kunnen ons eenvoudigweg niet veroorloven om die zomaar te laten schieten. We moeten in Vlaanderen en Nederland dus maar blijven investeren in onze taalopleidingen en die zeker niet beperken tot alleen Engels, hoewel die taal zonder meer de universele wereldtaal is. Zonder Engels tel je in geen enkel domein van onze cultuur nog echt mee. Dus nog minstens één andere taal, maar zeker Engels.

 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

James Joyce in tijden van internet

23 Mei 2008, 20:07

Een paar weken geleden legde ik op een werkcongres voor jonge specialisten van het werk van James Joyce uit hoe het internet het onderzoek van literaire bronnen heeft veranderd. Van het werk van Joyce zijn in een aantal gevallen een groot deel van de manuscripten, zowel voorbereidende notitieboekjes als vroege versies, typoscripten en drukproeven bewaard gebleven. Op die manier kunnen onderzoekers bestuderen hoe de vaak heel moeilijke teksten tot stand kwamen. Vooral de notitieboekjes die Joyce in de laatste zeventien jaar van zijn leven bijhield en die ik samen met Vincent Deane en Daniel Ferrer uitgeef, zijn heel interessant gebleken omdat ze sporen bevatten van de boeken en tijdschriften die Joyce las tijdens het schrijven van zijn laatste boek, Finnegans Wake.

 

Finnigan's wake

James Joyce las veel, maar deed bijna nooit de moeite om in zijn werkboeken de titels of auteurs neer te schrijven van de boeken of artikelen waaruit hij interessante woorden of ideeën overnam. Dat is de taak van de uitgevers: niet alleen moeten we het onleesbare handschrift van de schrijver ontcijferen, daarnaast gaan we op zoek waar Joyce zijn mosterd haalde. Meestal vind je hier en daar wel een samenhang die je dan op weg helpt. Zo vonden we in een van de notitieboekjes de initialen RW en MW en OW. Als je wat van muziek weet, besef je al snel dat daarmee Richard Wagner, zijn vriendin Mathilde en haar echtgenoot Otto Wesendonck worden aangeduid en een aantal andere notities in de buurt gingen inderdaad over muziek. Enkele daarvan bleken uit een interview met Mevrouw Wesendonck te komen, maar die werden door bijna alle biografen en critici geciteerd. Meer dan jaar heb ik gezocht, tot ik, met de hulp van het Richard Wagner Archiv uiteindelijk de juiste bron had gevonden: een hoofdstuk in een zeldzaam boek door Edouard Schuré, een volgeling van Rudolf Steiner over vrouwen die de muze waren van een grote kunstenaar.

ZOEKEN OP HET NET

Dankzij het internet, gaat alles natuurlijk veel sneller dan op de oude ambachtelijke wijze. Als ik nu een zeldzaam woord vind (en Joyce verzamelde die), dan hoef ik het woord maar te googlen om onmiddellijk een lijst met mogelijke verdachten te vinden. Zo vond ik de term “porphyrococcus” die in geen enkel medisch of biologisch woordenboek stond. Maar op het WWW bleek al snel dat dit woord was uitgevonden in de sciencefictionroman van de Britse bioloog J.B.S Haldane die aan de basis lag van Aldous Huxley’s Brave New World. Toen ik die tekst eenmaal gevonden had, vielen wel vijf bladzijden notities netjes op hun plaats.

Met dit boek hadden we geluk: Haldane was niet alleen een van de belangrijkste evolutionaire biologen van zijn tijd was (hij legde onder meer de wiskundige basis voor de populatiegenetica) maar ook een vooraanstaand communist was en het was daarom dat zijn boekje door een ijverige kameraad was toegevoegd aan het archief van www.marxists.org. Ook de katholieken hebben heel wat teksten gedigitaliseerd, gelukkig ook heel wat boeken die Joyce zelf gebruikt heeft, zoals de Catholic Encyclopedia, waarin hij heel wat wijsheid over de godsdienst van zijn ouders heeft gevonden en die we nu ook digitaal kunnen uitpluizen.

GOOGLE BOOKS

Helaas zijn niet alle boeken die Joyce las even interessant voor de vele soorten gelovigen die het internet bevolken. Maar toen kwam Google Books online en werd het leven van de Joyce specialist opeens een heel pak gemakkelijker. Nu staan er op het internet niet langer alleen boeken die heel veel betekenen voor één of andere bevolkingsgroep, maar ook populaire en soms zelfs heel populaire boeken (zoals toeristische gidsen) die Joyce ook las.

Robbert-Jan Henkes, een van de Nederlandse vertalers van Finnegans Wake, vond op die manier in een recordtijd een tiental nieuwe bronteksten, onder meer een obscure gids voor de menhirs in Carnac en omstreken. Op basis van de gebruikte woorden kon hij zelfs bewijzen dat Joyce niet het Franse origineel maar de Engelse vertaling van het boekje had gebruikt.

Monuments     Megalites     

Google Books is niet alleen een nuttig nieuw hulpmiddel voor de studie van een weinig gelezen meesterwerk van een schrijver die door heel wat mensen als bijzonder onleesbaar wordt beschouwd. Als de mensen van Google Books verder hun best blijven doen, dan zal de ernstige studie van de intertekstualiteit in de literatuur (de invloed van de ene tekst op de andere) er plots heel anders gaan uitzien. En ook de literatuur zelf zal nooit meer dezelfde zijn.

Niemand kan nog ongestraft in een roman of gedicht naar een onbekende schrijver verwijzen. De omgevallen boekenkast Umberto Eco heeft dat al mogen meemaken. Zijn recentste roman begint met een hele reeks citaten, die later in het boek wel worden geplaatst, maar de wakkere WWW-gebruiker, kan een en ander onmiddellijk terugvinden en dat gebeurt natuurlijk ook. Er is zelfs een “Queen Loana Annotation Project” waarin al deze vondsten verzameld worden en we bijvoorbeeld te weten komen dat Bruges la Morte en Georges Simenon prominent aanwezig zijn in het eerste hoofdstuk.

Ik moet toegeven: het was bijzonder leuk om dit verhaal te vertellen aan een generatie onderzoekers die in sommige gevallen jonger zijn dan het WWW zelf.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

De Bijbel en wetenschap

20 Mei 2008, 13:30

De bijbel is een boek dat plots weer helemaal terug is, en dat niet alleen omdat ik er al twee boeken over heb geschreven. De soms rare reacties op de beslissing van de Gentse onderzoeksraad om een project van hoogleraar Johan Braeckman over de evolutieleer te steunen, bewijzen in elk geval dat niet alleen moslims moeite hebben met Darwin. Hier en daar komen christelijke theologen zelfs met de opmerking dat Braeckman vroeg of laat (en liefst op zijn blote knieën) hulp zal komen vragen bij christelijke theologen.

Cartoon 'Then a miracle occurs'

In werkelijkheid moet de moderne theologie wel degelijk rekening houden met de evolutieleer, maar heeft de wetenschap geen enkele boodschap aan de theologie. In principe is de theologie al een hoogst merkwaardige soort wetenschap: we hebben het hier over een wetenschap zonder onderzoeksobject. Ik vermoed dat hedendaagse theologen zelf zeggen dat ze op zoek zijn (of op weg zijn) naar hun onderzoeksobject, maar dat beweren de ufologen ook.

VAN GOD LOS

Het is jammer voor de theologie, die lange tijd de enige wetenschap was, maar moderne wetenschappers werden in de 19de eeuw in principe agnosten. Dit is zo in de echte wereld. In het meest religieuze westerse land, de Verenigde Staten,gelooft negentig procent van de bevolking in een persoonlijke god; als je dezelfde vraag stelt aan de leden van de Amerikaanse National Academy ofScience, dan gelooft negentig procent van hen juist niet in een persoonlijke god. Maar het is vooral een kwestie van wetenschappelijke methode: zolang we aan wetenschap doen, geloven we niet in god. De reden hiervoor is eenvoudig en wordt mooi geïllustreerd in deze tekening.

In een wetenschappelijke redenering is er geen plaats voor mirakels en dus ook niet voor een actieve god: god voegt een mysterie toe en het is juist de bedoeling van de wetenschap om mysteries op te lossen, niet om er nieuwe uit te vinden.

De rest van de wereld deed er een paar eeuwen langer over, maar de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza wist het al in de 17de eeuw: de enige plaats voor god in een moderne wetenschap is als we alles wat er is ‘God’ noemen, maar dan blijft de vraag wat we daarmee gewonnen hebben. Misschien alleen het feit dat wetenschap dan vanzelf ook theologie wordt? Dat is dan weer goed nieuws voor de theologen, maar ze moeten dan wel beseffen dat deze nieuwe theologie dan niet meer over God gaat, maar gewoon een andere naam is voor wetenschap.

De theologie is dus een merkwaardige wetenschap die maar echt wetenschappelijk wordt op het ogenblik dat ze niet langer gelooft in het bestaan van het object waaraan deze wetenschap haar naam te danken heeft. 

In mijn onderzoek voor mijn vorige twee boeken over de Bijbel heb ik in ieder geval ontdekt dat wie echt wil weten waarover deze heilige boeken gaan, maar beter niet kan luisteren naar theologen of gelovige lezers van de bijbel. Ik heb ondertussen de meest merkwaardige Bijbelinterpretaties gevonden van gelovige lezers die tegen beter weten in de Bijbel wilden redden.

Vooral in de 19de eeuw stonden de christelijke geleerden geweldig onder druk om de verhalen in het boek Genesis op een wetenschappelijke manier te verklaren en dat was al niet gemakkelijk met de nieuwe inzichten van de geologie, archeologie en geschiedenis: dat er fossiele vissen in de bergen werden gevonden, kon verklaard worden met de hulp van de zondvloed. Maar waar kwam dan al dat water vandaan? Er is gewoon niet genoeg H2O op aarde om alle bergen van acht kilometer hoogte volledig te bedekken.

INTELLIGENT DESIGN

Rond de vorige eeuwwisseling hadden de meeste protestantse kerken begrepen dat men de historische en wetenschappelijke waarheid van het boek Genesis en de verwijzingen naar mirakels maar beter kon opgeven om zo de centrale religieuze boodschap van de Bijbel te redden. Dat is wat ook gebeurde, met als gevolg dat vooral in de Verenigde Staten een kleine groep gelovigen overbleef die weigerden die stap te zetten. Deze fundamentalisten legden de moderne wetenschappelijke inzichten gewoon naast zich neer en leefden nog lang en gelukkig.

Of dat deden ze een lange tijd, tot ze onder president Ronald Reagan ontdekten dat ze in de Verenigde Staten ondertussen bijna een meerderheid vormen, maar dat hun inzichten wegens de scheiding van kerk en staat niet op school kunnen worden aangeleerd. Dus werden eerst creation science en later intelligent design uitgevonden, als ‘wetenschappelijke’ alternatieven voor Darwin, die dus ook in de lessen biologie konden worden onderwezen.

Op die manier probeert men de mirakelen terug de wetenschap in te smokkelen, maar ook in mijn eigen wetenschap, de literatuurwetenschap, zorgt dat voor grote problemen. In de studie van de bijbel is de datering van de verschillende teksten van het grootste belang. Daarbij gaat men uit van het feit dat niemand in de toekomst kan kijken: als Jezus dus voorspelt dat de tempel vernield zal worden, kan hij dat voor agnostische wetenschappers alleen maar doen in een tekst die na het jaar 70 is geschreven. Maar wat moeten we dan doen als we eenmaal aanvaarden dat Jezus de zoon van God is en dus in de toekomst kan kijken? Zelfs literatuurwetenschappers kunnen alleen maar degelijk werk afleveren als ze methodologisch niet in God geloven.            

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon