SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Het relaas van een superinsecticide

08. Mei 2013, 19:06

Imidacloprid. Een neonicotinoïde. In het Nederlands: een insecticide. Het kent een wereldwijd succes; jaarlijks wordt er 20.000 ton van geproduceerd. Plaaginsecten alsook insecten die plantenziekten overbrengen worden bijzonder effectief bestreden. Maar hier blijft het niet bij: het insecticide neemt zowat alle insectengroepen mee in het verderf. Imidacloprid is niet zomaar een insecticide; het is een superinsecticide

Wat voorafging

In de jaren 1940 en '50 was er een torenhoge vraag naar DDT. Dichloordiphenoltrichloorethaan is een insecticide dat tijdens de oorlogsjaren en daarna massaal werd gebruikt als bestrijdingsmiddel tegen malaria en tyfus. Beiden hebben in hun levenscyclus een fase waarbij de eencellige veroorzaker (respectievelijk Plasmodium en Rickettsia) op de mens wordt overgedragen door geleedpotigen (respectievelijk muggen en kleerluizen). DDT is dodelijk voor deze organismen. Wat men toen niet wist is dat DDT ook een heel aantal nadelige effecten heeft op het milieu: het veroorzaakt kanker en is een ernstige bedreiging voor fauna, voornamelijk vogels. Onder andere de Amerikaanse zeearend (Haliaeetus leucocephalus), het nationale symbool van de Verenigde Staten, kwam zelfs op het randje van uitsterven te staan. Het Amerikaanse verbod op DDT in 1972 kon dit verhinderen en sinds 2004 staat de soort op de IUCN Red List weer geclassificeerd als niet-bedreigd (least concern). Hoewel al enkele decennia verboden in de meeste landen (behalve in India, een aantal ontwikkelingslanden en - natuurlijk - Noord-Korea) is DDT-vervuiling tot op heden nog erg wijd verspreid.

Lesje niet geleerd

In de jaren 1990 werden neonicotinoïden geïntroduceerd als nieuwe, systematische insecticiden. Deze nieuwe-generatie insecticiden verhinderen de normale werking van de acetylcholine (ACh) neurotransmittor. Normaal gezien komt aan het uiteinde van een zenuwcel ACh vrij als reactie op een (elektrische) prikkel. De ruimte waarin ACh terechtkomt is de synaptische spleet. Een volgende cel kan worden geactiveerd door ACh door zich te binden aan een ACh-receptor. Betreft het een zenuwcel, wordt er een elektrisch signal opgewekt. Bij een spiercel vindt spiercontractie plaats. Zo’n pulsoverdracht van zenuwcellen naar spiercellen is verantwoordelijk voor maag- en darmcontracties, om een concreet voorbeeld te geven.

 

Als een neonicotinoïde werkt imidacloprid antagonistisch op de (nicotinerge) ACh-receptoren van insecten, met als logisch gevolg een blokkage van de zenuimpulsen. De insecten stoppen met eten, raken verlamd en sterven uiteindelijk om uiteenlopende redenen. Overigens, de 'bindplek' (binding site) aan ACh-receptoren bij insecten is anders dan die bij zoogdieren; gelukkig voor ons. Maar daarmee is de kous niet af, geenszins.

Al snel na het introduceren van dit nieuwe type insecticide ontstond de vrees dat residuen van neonicotonoïden in pollen en nectar schadelijk zouden zijn voor honingbijen (Apis mellifera). Die vrees bleek niet ongegrond. Meer nadelige effecten van imidacloprid werden vastgelegd: mortaliteit van de aquatische ringworm Lumbriculus variegatus, kortere levensduur van de steenvlieg Pteronarcys dorsata, fysiologische en gedragsveranderingen bij eendagsvliegen en ringwormen, en ga zo maar door.

Utrecht Universiteit

Drie onderzoekers van het Copernicus Institute of Sustainable Development van de Utrechtse universitaire instellingen beten zich vast in de problematiek van imidacloprid en richtten zich specifiek op het oppervlaktewater. Met behulp van data van de jaren 1998 en 2003 tot 2009 kunnen Tessa Van Dijk, Marja Van Staalduinen en Jeroen Van der Sluijs ons enkele rake waarnemingen voorschotelen.

Een eerste belangrijke vaststelling is dat in bijna de helft van het aantal gemeten locaties (801 in totaal) te veel imidacloprid in het water zit. Ten tweede bestaat er een negatieve relatie tussen soortsabundantie en de concentratie van imidacloprid voor alle soorten vlokreeftjes, libellen en waterjuffers, tweevleugeligen, eendagsvliegen, pissebedden en slakken die in deze soorten werden opgenomen. Tot ieders verbazing is het omgekeerde waar voor watermijten; zij lijken net voordeel te hebben aan het de chemicaliën.

Voedselketenproblematiek

Een recent Japans onderzoek toonde experimenteel aan dat onder invloed van imidacloprid het aantal soorten zooplankton naar beneden gaat, waardoor vissen hoger in de voedselketen worden aangetast in juveniele en volwassen groei. Ook andere studies bevestigden de negatieve invloed van imidacloprid op de voedselketen.

Normen oppervlaktewater

In het onderzoeksartikel wordt best wat aandacht besteed aan de milieukwaliteitsnormen voor het oppervlaktewater (environmental risk limits) die werden vastgesteld voor imidacloprid, en dan vooral aan het overschrijden van deze normen. Het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) is de norm die het meeste van tel is, gedefinieerd als de concentratie van een stof in het water, sediment, bodem of lucht waar beneden geen negatief effect is te verwachten. Geen negatief effect valt dan blijkbaar relatief op te vatten, want theoretisch geldt er voor het ecosysteem een beschermingsniveau is van 95%. Met andere woorden, 5% van de soorten kan schade ondervinden. Voor imidacloprid is de MTR-norm 13 ng/L, maar - zo blijkt uit het Utrechtse onderzoek - zelfs onder deze grens heeft imidacloprid nog schadelijke effecten op de insectenrijkdom in het water. In bijna de helft van de ruim 9.000 waterstalen werd deze MTR-norm overschreden. De hoogste gemeten waarde van imidacloprid in oppervlaktewater was 320 µg/L (een waterstaal uit Noordwijkerhout, Zuid-Holland). Haal er gerust een rekenmachine bij; dit is een slordige 24.600 keer meer dan de MTR-norm. 

Het is duidelijk dat een (internationaal) debat over imidacloprid en andere neonicotinoïde-insecticiden nodig is. De onderzoekers willen duidelijk maken dat dit erg breed werkende superinsecticide ernstige gevolgen heeft voor de globale insectenrijkdom van onze planeet. En hoewel we deze zespotigen (subphylum Hexapoda, Insecta) maar al te vaak als onze vijanden beschouwen, vervullen zij enkele onvervangbare ecosysteemdiensten. Zo bestuiven ze onze gewassen en zijn het bestrijders van schadelijke dieren. Denk maar aan de lieveheersbeestjes die zich voeden met schadelijke bladluizen (maar vergeet in dit kader even het Aziatische lieveheersbeestje). Honing, bijenwas en zijde zijn andere tastbare producten van belangrijke waarde voor onze huidige economie.   

Europese beperkingen

Omdat we - na de onaangename DDT-ervaring - opnieuw een heleboel biodiversiteit op het spel zetten voor ochot, ocharme een handjevol plaaginsecten waar de landbouw mee worstelt, lijkt een internationaal verbod geen overbodige luxe. In Frankrijk, Duitsland en Slovenië bestaat zo'n verbod intussen en in april besliste de Europese Commissie al dat de overige EU-lidstaten beperkingen moeten invoeren op het gebruik van neonicotinoïden. Dit gebeurde op basis van een wetenschappelijk rapport van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA). Enerzijds mogen de neonicotinoïden in kwestie (imidacloprid, clothianidin en thiametoxam) niet langer gebruikt worden voor gewassen die aantrekkelijk zijn voor bijen. Anderzijds is er het verbod om ze te gebruiken in perioden waarin de bijen actief zijn. Het gebruik van neocotinoïden wordt daarenboven beperkt tot professionelen; particulieren zullen niet langer superinsecticiden vinden in de handel.

Uiteraard barst de discussie pas nu echt los. Bayer en Syngenta, twee grote produceren van zulke pesticiden, reageerden al snel negatief op de nieuwe spelregels. Bayer ontkent in een persbericht dat de neonicotinoïde-chemicaliën de bijen zouden schaden. Syngenta, op haar beurt, meent dat er ernstige tekortkomingen zijn in het eerder genoemde wetenschappelijke rapport van de EFSA. Zoals zo vaak zal er een evenwicht moeten gezocht worden tussen economische en ecologische belangen.      

 

Bronnen:

- Hayasaka D, Korenaga T, Suzuki K, Saito F, Sánchez-Bayo K& K Goka 2012. Cumulative ecological impacts of two successive annual treatments of imidacloprid and fipronil on aquatic communities of paddy mesocosms. Ecotoxicology and Environmental Safety 80: 355-362.

- Krupke CH, Hunt GJ, Eitzer BD, Andino G & K Given 2012. Multiple routes of pesticide exposure for honey bees living near agricultural fields. PLoS ONE 7 (1): e29268.

- Van Dijk TC, Van Staalduinen MA & JP Van der Sluijs 2013. Macro-invertebrate decline in surface water polluted with imidacloprid. PLoS ONE 8 (5): e62374.



Geschreven in Wetenschap , Biodiversiteit | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Haaien niet langer naar de haaien?

18. Maart 2013, 00:19

Donderdag 14 maart 2013 was een belangrijke dag, ook voor de fans van het Higgs-deeltje, maar vooral voor de haaien. Die dag, tijdens de driejaarlijkse CITES-conferentie in Bangkok, keurden de overheden van 177 landen het voorstel goed om vijf soorten haaien op te nemen in de zogenoemde Appendix II. Het gaat om de witpunthaai (Carcharhinus longimanus), geschulpte hamerhaai (Sphyrma lewini), grote hamerhaai (Sphyrna mokarran), gladde hamerhaai (Sphyrna zigaena) en de haringhaai (Lamna nasus), allen bedreigde (EN, endangered) of kwetsbare (VU, vulnerable) soorten. Concreet betekent dit dat deze soorten vanaf nu enkel nog verhandeld mogen worden als hier voor een CITES-vergunning werd verleend. 

Goed nieuws voor de haaien, en dat mag wel een keer voor dieren wiens populaties de afgelopen decennia wereldwijd zijn afgenomen met gemiddeld 65 tot 80 procent, de commercieel meest interessante soorten zelfs met meer dan 95 procent. Hierdoor behoren haaien tot de meest bedreigde soorten van alle zeedieren. Van haaien wordt, net zoals van tonijn en zwaardvis, meer gevangen dan de natuur eigenlijk aankan. Eerder deze maand toonden Canadese en Amerikaanse wetenschappers aan dat het gaat om 100 miljoen (range: 63 tot 273 miljoen) haaien per jaar. 

Aangezien haaien functioneren als toppredator zijn zij vitaal voor het ecosysteem van de oceanen. Peter Knights, directeur van WildAid International, vergelijkt het ecosysteem van de oceanen met een bakstenen muur: neem er enkele bakstenen uit en het boeltje stort in. Dat is niet meer dan logisch aangezien deze systemen zich over een periode van miljoenen jaren hebben kunnen evolueren. Haaien komen reeds sinds 400 miljoen jaar haaien voor in onze oceanen – lang vooraleer de eerste dinosauriërs op aarde verschenen. De snelle slachtpartij van haaien, en van andere zeedieren, in met name de laatste dertig jaar, ontwricht dan ook het subtiele evenwicht tussen de verschillende organismen in de voedselketen. Haaienpopulaties zijn nog eens extra kwetsbaar voor overbevissing omdat zij een erg trage levenscyclus hebben, een lange draagtijd en een beperkt aantal nakomelingen.

Effectief?

De genoemde aantallen zijn meer dan waarschijnlijk een grove onderschatting van het werkelijke aantal gevangen haaien; veel vangsten gebeuren namelijk illegaal. Er wordt in het bijzonder veel illegale visserij op haaien in beschermde zeegebieden gerapporteerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van kleine bootjes, die amper kunnen worden gespot door de kustwacht. Zulke strooptochten op haaien zijn rampzalig omdat deze mariene parken als kraamkamers dienst doen (cfr. mangrovegebieden). Bijgevolg zijn de gevangen exemplaren steeds onvolwassen individuen. Op deze manier raken zelfs de door de mens “beschermde” ecosystemen hun evenwicht kwijt.

Haaien worden ook gevangen als bijvangst tijdens de jacht op andere vissoorten. Vroeger werden de haaien terug in het water gegooid, maar tegenwoordig vormen onvoorziene haaien een ware bonus. De vinnen worden afgesneden (finning) en het verminkte dier wordt terug in zee gegooid. Het dier leeft nog in de meeste gevallen en sterft een gruwelijke dood. Geschat wordt dat de jaarlijkse bijvangst aan haaien 50 miljoen exemplaren (!) benadert. 

Slecht nieuws voor Aziatische keuken

 

En hiermee zijn we aangekomen bij de reden van al dit geweld op haaien: hun vinnen. Haaienvinnensoep is al eeuwen een delicatesse in Azië. Het is het besef te kunnen heersen over zulk een groot en machtig dier dat het eten van dit luxeproduct zo populair maakt, vooral bij de hogere klassen. Een kom haaienvinnensoep kan namelijk al snel hoog oplopen in prijs, tot zelfs 100 euro.

Onlangs toonden onderzoekers van de Universiteit van Miami ('The U') echter aan dat haaienvinnen grote hoeveelheden bevatten van het neurotoxine β-N-methylamino-L-alanine (BMAA). BMAA wordt in verband gebracht met de ziekte van Alzheimer, amyotrofe laterale sclerose (ALS) en andere neurodegeneratieve aandoeningen. Het mag duidelijk zijn: we kunnen maar beter zo snel mogelijk de haaienvinnensoep van het menu halen. Het zal onze gezondheid alsook de haaienpopulaties goed doen.

 

Bronnen: 

Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora 2013. PRESS RELEASE. CITES conference takes decisive action to halt decline of tropical timber, sharks, manta rays and a wide range of other plants and animals. Cites.org, 14 maart 2013 [online publicatie].

Haelewaters D 2012. Haaienvinnensoep is ook slecht voor de gezondheid. Scientias.nl, 13 juli 2012 [online publicatie]. 

Kingma I & R Voorhuis 2008. Stop! Red de haai van de ondergang. In: Winkel D. Wat is er mis met vis?! En visolie … en wat U kunt doen. Elmar, Rijswijk (Nederland): 1-240. 

Mondo K, Hammerschlag N, Basile M, Pablo J, Banack SA & DC Mash 2012. Cyanobacterial neurotoxin β-N-methylamino-L-alanine (BMAA) in shark fins. Marine Drugs 10: 509-520. 

Worm B, Davis B, Kettemer L, Ward-Paige CA, Chaman D, Heithaus MR, Kessel ST & SH Gruber 2012. Global catches, exploitation rates, and rebuilding options for sharks. Marine Policy 40: 194-204.  



Geschreven in Geschiedenis | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Afvalwaterzuivering door de eeuwen heen

16. November 2012, 17:21

Al sinds eeuwen maakt de mens gebruik van systemen om afvalwater af te voeren uit verstedelijkte gebieden, waar een opeenhoping van ontlasting, urine en ander afval anders tot grote overlast zou leiden. Latrines en bijbehorende rioleringssystemen werden gebruikt sinds pakweg 3,500 à 2,000 BC en zijn aangetroffen in Mesopotamië, Indo-Pakistan, China, Kreta en steden als Athene en Rome. Men deed echter niets meer dan het afvalwater naar de dichtstbijzijnde waterloop leiden, waardoor het gevaar op besmetting met fecaliën en ziekteoverdracht reëel bleef.

In de late middeleeuwen werd het probleem van de geurhinder in steden als Parijs en Londen, mede als reactie op pestepidemieën, aangepakt door het overdekken van kleinere waterlopen. Ook werden rioleringssystemen gesloten en ondergronds gebracht. Van chemische behandeling van afvalwater is voor het eerst sprake in de achttiende eeuw, wanneer technische vooruitgang tijdens de Verlichting leidde tot een beter begrip van vruchtbaarheid in de landbouw en men via het chemisch neerslaan van nutriënten uit afvalwater meststoffen produceerde als alternatief voor guano, een geïmporteerde meststof van vogeluitwerpselen uit Zuid-Amerika en de Galapagos.

De geschiedenis van de grootschalige waterzuivering begint echter pas in de negentiende eeuw. De industriële revolutie en de daarmee gepaard gaande toename in bevolkingsdichtheid zorgde voor grote sanitaire problemen in verstedelijkte gebieden van West-Europa. Epidemieën van cholera en buiktyfus hielden lelijk huis in de steden, waar het toenemend gebruik van toiletten op warme dagen de stank van verrotting deed opstijgen uit de rivieren. In 1858 werd Londen geteisterd door de zogenaamde “Great Stink”, toen het rotten van menselijke resten en afval op de oevers van de Thames door de ongewoon warme zomerdagen voor een ondraaglijke stank zorgde. Niet toevallig werd in dat jaar gestart met de bouw van een nieuw rioleringssysteem dat afvalwater over een groot gebied verzamelde en pas verder stroomafwaarts in the Thames loosde.

  

De directe aanleiding tot de ontwikkeling van de afvalwaterzuivering kwam in 1854: een uitbraak van cholera in Londen. Het was Dr. John Snow die ontdekte dat de uitbraak het resultaat was van één enkele waterpomp in Broad Street die besmet was met de cholerabacterie. Snow liet de pomp demonteren en kon de epidemie een halt toeroepen. Door zijn bewijs dat cholera werd overgedragen via het water was Snow, samen met Louis Pasteur en Robert Koch, een belangrijke grondlegger van de infectietheorie, die halverwege de negentiende eeuw onderwerp tot discussie was omtrent de oorzaak van ziektes zoals cholera. De alternatieve verklaring, de op dat moment veel populairdere miasmatheorie, luidde dat ziektes werden overgedragen door de lucht voortgebracht van rottende substanties. Naarmate de infectietheorie algemeen ingang kreeg, steeg ook de aandacht voor afvalwaterzuivering. 

  

Vuile steden, ook bij ons 

Armoede, vervuild putwater, primitieve leefomstandigheden, openbare latrines, kleine steegjes, veel afval, honden, varkens en ratten zorgden ook in België voor veel problemen. Alles was aanwezig om steden als Gent, Brugge en Antwerpen te laten delen in de wereldwijde cholera-epidemieën. In 1832 waren er 1,307 gevallen van cholera in Antwerpen, waarvan 710 met dodelijke afloop. In Gent lieten 1,227 mensen het leven. In 1849 waaide een nieuwe choleragolf door Centraal-Europa, die lelijk huishield in Rusland, Turkije, de Donaulanden, Frankrijk, België, Nederland en Engeland. In Nederland en België werden in totaal 46,294 doden geteld. Vooral ‘arme Vlamingen’ lieten het leven – zij hadden ook nog eens met hongersnood en een tyfusepidemie te maken. De epidemie van 1866, met als bijnaam de triomf des doods, maakte 43,400 dodelijke slachtoffers in België. Het werd een heuse slachting, met verspreid over het Europese continent 1 miljoen slachtoffers. De laatste uitbraak was in 1892, met een Belgisch dodenaantaal van 2,661.

Een totaal van maar liefst 90,000 Belgen tussen 1832 en 1895 het leven aan de gevolgen van cholera. Dit toont de nood aan ernstige afvalwaterzuivering, meteen ook het onderwerp van Eos-magazine ## (wordt aangevuld).

(Deze post werd geschreven samen met collega-bioloog Francis Meerburg.) 

Bron: 

Verbaeys N 2008. In de ban van de cholera: Brugge en Gent in 1866. Master thesis, Universiteit Gent: 1-121. 



Geschreven in Geschiedenis | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Welkom in de nanowereld

27. Augustus 2012, 02:18

Nanotechnologie laat zich niet gemakkelijk vatten. Enerzijds schrijven we een onderzoeksterrein met ongekende mogelijkheden. De mens is er de laatste jaren per slot van rekening in geslaagd om vorm en grootte van materialen op nanometerschaal beter te controleren, met als gevolg een explosie aan nieuwe producten en toepassingen. Anderzijds zijn er evenveel - of meer? - ongekende risico’s. 

Een nieuw vakgebied is in volle ontwikkeling. De nano-trein dendert in volle vaart, maar is de wereld klaar om erop te springen? Een onverwachte uiteenzetting over nanotechnologie na een verregaande opleiding voor het gebruik van de Harvard-faciliteiten voor rasterelektronenmicroscopie (Scanning electron Microscopy, SEM).
 
Nano?
De wereld van de nanotechnologie is er één met zelfreinigende oppervlakkenuitermate sterke en tegelijk lichte materialen en innovatieve waterzuiveringssystemen. Een definitie luidt dat nanotechnologie het manipuleren is van materie op atomaire en moleculaire schaal. Kort en bondig, weinig concreet. Een andere definitie zegt dat de techniek het mogelijk maakt te werken met materialen, structuren en deeltjes met ten minste één dimensie tussen 1 en 100 nanometer (1 nanometer = 1 miljardste meter). Meer gespecificeerd, minder te vatten. En daar wringt het schoentje: hoe schitterend de toekomst er ook uitziet, we hebben geen vat op de draagwijdte of de snelheid van deze technologische revolutie. Nog minder hebben we een duidelijk beeld van de gevolgen voor onze gezondheid. Net omdat nanodeeltjes zo ontzettend klein zijn, kunnen ze ontsnappen aan de natuurlijke verdedigingsmechanismen van de mens en op die manier bepaalde barrières, zoals de bloed-hersenbarrière, door te komen.

Dat kan positief uitvallen, zoals voor het transport van medicijnen ter behandeling van bijvoorbeeld epilepsie. Zo’n 40% van alle mensen met epilepsie zijn ongevoelig voor de huidige medische interventies. Daarnaast beschikken anticonvulsieve geneesmiddelen over een breed scala van ongewenste neveneffecten (misselijkheid, huiduitslag, gewichtsschommelingen, duizeligheid). Ook kan een aantal anti-epileptica verslavend werken. Deze factoren werken limiterend in het controleren van epileptische aanvallen. Een anticonvulsief dat lokaal wordt afgeleverd, in de hersenregio’s betrokken bij het ontstaan van epileptische aanvallen, zal niet de ernstige neveneffecten van systemische middelen veroorzaken. Het ontsnappen aan het oog van het menselijke immuunsysteem kan echter ook negatief uitdraaien, als nanodeeltjes risico’s inhouden voor de gezondheid en levende cellen beschadigen. Dé hamvraag binnen de nanotechnologie is dan ook: wat is de toxiciteit van nanodeeltjes? Het voorlopige antwoord op deze vraag: geen idee. 
 
© David Liitschwager 
 
Cyborg kevers 
Vele onderzoekscentra hebben zich de laatste jaren verdiept in het vervaardigen van robotvliegen. Onder andere het Harvard Microrobotics Lab stelde in het verleden een vliegend microrobotje van amper 0,06 gram voor. Het grootste nadeel is dat de energie die zo’n mensgemaakte miniatuurmachine kan worden meegegeven erg beperkt is; meer dan enkele minuten in de lucht was tot voor kort niet mogelijk. De oplossing werd aangereikt door de University of California (Berkeley): cyborg kevers - deels insect, deels machine. Het principe is dat het insect zelfstandig vliegt, reagerend op commando’s vanuit een elektrisch circuit dat aan het zenuwstelsel is geschakeld. De onderzoekers zijn in staat om de kever op commando naar links, rechts, boven of beneden te laten vliegen. In de toekomst zal wellicht een soortgelijk nanocircuit uitgewerkt worden voor vliegen. Een militaire interventie zou kunnen worden voorbereid door de situatie binnen target gebouwen te bepalen met behulp van cyborg insecten uitgerust met camera’s. De onderzoekers hopen met hun cyborg kevers het pad te effenen voor het controleren van hogere organismen, zoals ratten, muizen en uiteindelijk mensen, al beseffen zij dat hierbij een heel aantal ethische kwesties zullen ontstaan. 

Sociaalethische implicaties (SEI)
En zo zijn we aangekomen bij de morele kwesties die onlosmakelijk verbonden zijn aan het onderzoek naar nanotechnologie. Leggen we de focus van het nano-onderzoek op het steeds beter maken van lichaam en geest? Of verdiepen we ons in het versterken van de ondervoeden, zieken en zwakkeren?

De eerste optie biedt in elk geval ongekende mogelijkheden, tot de ontwikkeling van cyborgs toe. De vraag is dan of deze keuze ons minder menselijk zou maken. De versmelting van mens en machine gebeurt eigenlijk nu al, met steeds kleinere pacemakers, gehoorapparaten en andere hulpmiddelen teneinde ons imperfecte lichaam een handje toe te steken. Oscar Pistorius, beter gekend als Blade Runner, is een mooie illustratie van wat vandaag al we kunnen bereiken: de dubbelgeamputeerde atleet kan aan topsport doen en deelnemen aan de Olympische Spelen dankzij twee protheses van koolstofvezel. Fantastische mogelijkheden, maar waar ligt de grens en wat zijn de risico’s van de zogenoemde enhancement technology? Is het uiteindelijke doel de creatie van supersoldaten? En zal de technologie daarvoor vrij beschikbaar zijn? Dat brengt ons weer naar nóg een andere kant van het verhaal, hoe beschikbaar gevoelige informatie moet zijn. In de Verenigde Staten woedt het debat over het al of niet vrijgeven van onderzoeksresultaten over biologische wapens, en terecht: we komen met de nanotechnologie in hetzelfde straatje terecht als de biologische en kernwapenindustrie waarbij niet langer enkel de onderzoeksinstellingen inspraak hebben, maar ook de overheden. (Deze discussie heeft ten andere iets weg van het debat omtrent genetisch gemanipuleerde organismen.) Het volgende struikelbok: een direct gebrek aan regelgeving. 
 
In Nederland bracht de Gezondheidsraad, een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan, de publicatie Betekenis van nanotechnologieën voor de gezondheid (2006) uit. Hierin wordt gesteld dat "dezelfde eigenschappen die nanodeeltjes vanuit technologisch oogpunt zo interessant maken, zoals een hoge reactiviteit en het vermogen om barrières te passen, hen ook gevaarlijk zouden kunnen maken voor de mens of het milieu." Op dit moment zijn de risico’s eerder beperkt. Onderzoekers die met nanodeeltjes werken hebben het meeste kans op bloostelling. Dat zal echter veranderen als producten op basis van nanotechnologie massaal op de markt komen, al is dit proces eigenlijk al aan de gang: honderden, waarschijnlijk duizenden producten zouden al in omloop zijn. Nanodeeltjes worden op grote schaal in productie gebracht voordat de risico’s voor mens en milieu zijn vastgesteld. Opnieuw de vraag: wat is de toxiciteit van nanodeeltjes? En opnieuw: geen idee.
 
We kunnen alvast een voorlopig beeld vormen van eventuele gevaren van nanodeeltjes, dit door onderzoek naar fijn stof in luchtvervuiling. Fijn stof veroorzaakt en verergert luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. Vooral ultrafijn stof is gevaarlijk en dit heeft zowat dezelfde afmetingen als nanodeeltjes. Nanodeeltjes kleiner dan 65 nm lijken het meest gevaarlijk, omdat ons immuunsysteem moeite lijkt te hebben om deze als 'vreemd' te herkennen en er dus niet op reageert. Algemeen geldt: hoe kleiner, hoe giftiger. Zo hebben wetenschappers kunnen aantonen dat roetdeeltjes van 14 nm tien keer giftiger zijn dan deeltjes van 250 nm. De kennis over risico’s van nanodeeltjes voor de mens is fragmentarisch. (Nog) slechter is het gesteld met lange termijnrisico’s voor het milieu: hier weten we niets over. Het aantal wetenschappelijke publicaties over de effecten van nanodeeltjes op de bodem en het bodemleven is op één hand te tellen, wereldwijd.        

Hoe het niet moe(s)t
In de jaren 1940 en '50 was er een torenhoge vraag naar DDT. Dichloordiphenoltrichloorethaan is een insecticide dat tijdens de oorlogsjaren en daarna massaal werd gebruikt als bestrijdingsmiddel tegen malaria en tyfus. Beiden hebben in hun levenscyclus een fase waarbij de eencellige veroorzaker (respectievelijk Plasmodium en Rickettsia) op de mens wordt overgedragen door geleedpotigen (respectievelijk muggen en kleerluizen). DDT is dodelijk voor deze organismen. Wat men toen niet wist is dat DDT ook een heel aantal nadelige effecten heeft op het milieu: het veroorzaakt kanker en is een ernstige bedreiging voor fauna, voornamelijk vogels. Onder andere de Amerikaanse zeearend (Haliaeetus leucocephalus), het nationale symbool van de Verenigde Staten, kwam zelfs op het randje van uitsterven te staan. Het Amerikaanse verbod op DDT in 1972 kon dit verhinderen en sinds 2004 staat de soort op de IUCN Red List weer geclassificeerd als niet-bedreigd (least concern). Hoewel al enkele decennia verboden in de meeste landen (behalve in India, een aantal ontwikkelingslanden en - natuurlijk - Noord-Korea) is DDT-vervuiling tot op heden nog erg wijd verspreid. 
 
De mens is er nu wederom in geslaagd om een nieuw onderzoeksdomein volledig verkeerd aan te pakken. In plaats van voorafgaande onderzoeken uit te voeren naar wat mogelijke gevolgen zijn op het vlak van de volkgezondheid en het ons omringende milieu, zijn we in een onnavolgbare en niet te stoppen race van nanoproductie terechtgekomen. 
 
Of het debat over nanotechnologie een dergelijk onaangenaam DDT-staartje zal krijgen staat niet vast, maar uitgesloten is het niet. Daarom is het aangewezen de volgende conclusies in acht te nemen: 1/ meer investeren in risicoanalyses en levenscyclusonderzoek van nieuwe producten die nanodeeltjes bevatten, 2/ te allen tijde transparantie in het nano-onderzoek behouden om het vertrouwen te winnen van het grote publiek (het maatschappelijke debat op gang brengen) en 3/ een (Europese) regelgeving formuleren, met duidelijke instructies omtrent veiligheid, hygiëne en milieu.           
 
Bronnen:
(primair)
- Safety Training, Laboratory for Integrated Science and Engineering /Center for Nanoscale Systems, Harvard University (21 augustus 2012).
(secundair)
- Gezondheidsraad. Betekenis van nanotechnologieën voor de gezondheid. Gezondheidsraad 2006, publicatie 2006/06. Den Haag, Nederland.
- Jacobs M 2009. Nanodeeltjes: niet te meten, wel volop toegepast. Signalen uit de Samenleving, maart 2009: 1-5. 
- Maharbiz MM & H Sato 2010. Cyborg Beetles. Tiny flying robots that are part machine and part insect may one day save lives in wars and disasters. Scientific American 303 (6): 94-99.
- Monfort-Windels F & J Lecomte 2008. Toepassingen van nanotechnologie. Miniatuse, januari 2008 - V.2: 1-79. 


Geschreven in Wetenschap , Ethiek | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Natuurlijke nabootsing oplossing voor plastic eilanden?

11. Juli 2012, 03:57


Een belangrijke momentopname in het ontstaan van de huidige afvalmaatschappij was het magazine LIFE, editie 1955. Hierin stond het artikel Throw away living, de impuls die de wereldeconomie nodig had na Wereldoorlog II. Mensen werden aangespoord veel te kopen en het zo snel mogelijk weer weg te gooien. Het werkte. Nog steeds. In bijna zestig jaar tijd hebben we ons hele leven ingepakt in plastic; iedere handeling, elke activiteit heeft wel iets met het goedje. Wat men in de jaren 50 niet besefte is dat plastic niet vanzelf afbreekt tot CO2 en water. Plastic blijft plastic, of het worden hele kleine stukjes zogenaamde “microplastics”, we geraken er in elk geval niet van af. Na vele omzwervingen komt al dat plastic, door het lage gewicht en de typische vormgeving van bijvoorbeeld plastic zakjes, uiteindelijk in rivieren of direct in de zee/oceaan terecht.

De zee heeft dus een groot probleem: het plastic eiland (of plastic soup). Sommigen beseffen helaas nog niet wat de draagwijdte is van dit probleem. Anderen denken dan weer dat het een echt eiland van plastic is. In werkelijkheid gaat het over een heuse soep van water en grotendeels piepkleine plastic deeltjes. De schattingen over de grootte van het eiland in de noordelijke Stille Oceaan (in het Engels: Great Pacific Garbage Patch) lopen sterk uiteen en gaan van 700.000 tot meer dan 15 miljoen km2. Dit gaat dan nog maar over één van de vijf plastic eilanden. De vier anderen bevinden zich in de zuidelijke Stille Oceaan, in het noorden en zuiden van de Atlantische Oceaan en in de Indische Oceaan.

Gevolgen voor zeedieren
Onder invloed van het licht en de omgeving valt al het plastic aanwezig in zo’n drijvende vuilnisbelt uiteen in microplastics (< 0,3 mm) die met het blote oog onzichtbaar zijn, maar wel een groot effect op het ecosysteem hebben. Ze kunnen opgenomen worden in de weefsels van mariene organismen waardoor chemische stoffen zich dus meer en meer opstapelen in de voedselketen. Vissen en andere zeedieren zien het verschil niet tussen de microplastics en hun normale voedsel (plankton). Onderzoek wijst uit dat jaarlijks 12 to 24 duizend ton (!) plastic afval in de magen van vissen terechtkomt. De microplastics worden ook door vogels aangezien voor eten. Na consumptie van het plastic duurt het één maand tot twee jaar voordat het plastic weer uit het lijf van het dier is. Al deze tijd zit het plastic in het lichaam van het dier, waardoor het minder goed voedsel kan opnemen en ook het hongergevoel wordt weggenomen.
Niet alleen zit er veel gif in plastic, maar ook kankerverwekkende gifstoffen die in het water voorkomen (door menselijk toedoen) kunnen zich vasthechten aan de planktongrote plasticpartikels. Schildpadden tenslotte denken dat plastic tasjes kwallen zijn en raken er – vaak dodelijk – in verstrikt. Jaarlijks sterven in totaal meer dan honderdduizend zeezoogdieren aan de gevolgen van de plastic soep.

Microplastics worden vaak bewust als zodanig geproduceerd door bijvoorbeeld makers van een heleboel verzorgingsproducten. Deze plastic deeltjes worden aan het product toegevoegd en vervullen een schuurfunctie om dode huidcellen te verwijderen. Scrubs, peelings, douchegels en zelfs sommige tandpasta’s bevatten microplastics. (Stichting De Noordzee heeft hieromtrent een goede actie lopen trouwens.)

Na meer dan een halve eeuw throw away economy wordt het tijd voor een nieuwe impuls; op zoek dus naar een (natuurlijk) alternatief voor plastic.

Shrilk, een aardig staaltje biomimicry
Harvardonderzoekers lieten zich inspireren door de cuticula, het uitwendige skelet van insecten. Deze meerlagige structuur bestaat voornamelijk uit chitine, een polysacharide samengesteld uit N-acetylglucosamine units, samen met proteinen, lipiden, en catecholamines.

Het nieuwe materiaal shrilk is opgebouwd uit twee basiselementen: chitosan en fibroine. Chitosan is een variatie van chitine (bij insecten, kreeften en garnalen = shrimps), fibroine is het dominante eiwit in zijde (silk). Deze twee basisingrediënten gewoon combineren is nochtans niet voldoende geweest. Er zijn wat architecturale aanpassingen moeten gebeuren. De onderzoekers hebben hiervoor het natuurlijke basisontwerp bestudeerd: bij insecten is de cuticula een gelaagde structuur, wat sterkte en stijfheid geeft. Deze gelaagdheid was dus ook nodig om het nieuwe materiaal te kunnen maken. Het nabootsen van de natuurlijke situatie, oftewel biomimicry, was een cruciale stap in de productie van shrilk.

Shrilk
is zo sterk als aluminium, maar weegt slechts de helft en is 100% biologisch afbreekbaar. Daarenboven is het ook nog eens een stuk goedkoper om te maken. Door te variëren met water, kan de flexibiliteit van het materiaal worden vastgelegd. Zo hebben de researchers een volledig synthetische insectenvleugel gebouwd, waarbij de meeste delen hard zijn maar de gewrichten dan weer erg flexibel.

 

Onbeperkte mogelijkheden
Volgens Javier Fernandez, een van de betrokken onderzoekers, is dit ‘de tweede kans voor natuurlijke materialen.’ Shrilk heeft inderdaad een groot potentieel. Chitine is een van de meest voorkomende materialen in de natuur; het is te vinden bij verschillende diergroepen, van garnalen tot slakken, tweekleppigen en insecten.

De onderzoekers hopen tenslotte dat het nieuwe materiaal een toekomstig milieuvriendelijker alternatief kan worden voor plastic. Nu al is er interesse vanuit verschillende hoeken voor mogelijke toepassingen. We denken onder andere aan luiers die uit zichzelf vergaan en beschermende medische verbanden voor brandwonden en/of andere verwondingen. Omdat shrilk volledig biodegradeerbaar is kunnen de basiscomponenten zelfs als meststof ingezet worden ter verrijking van de bodem.

Waste equals food
In de zogenaamde levenscyclusanalyse, waarbij de totale belasting op het milieu van een product wordt bepaald gedurende de hele levenscyclus, is de impact zodoende gereduceerd tot nul. Dit staat gelijk aan de natuurlijke waste equals food cyclus. Afval wordt gebruikt als voedsel [compost] voor nieuwe producten [bomen en planten]. Het systeem is gesloten, de cirkel is compleet, het ecologisch verantwoorde plaatje klopt. Ziezo, probleem opgelost.    

 

Bronnen:

- Fernandez JG & DE Ingber 2012. Unexpected strength and toughness in chitosan-fibroin laminates inspired by insect cuticle. Advanced Materials 24 (4): 480-484.

- Noyons AC 2010. Sustainability, the future & the plastic soup. Worm 2009/2010 (5): 25-35. Magazine of Gentse Biologische kring, University of Gent, Belgium.

- Powell A 2012. As strong as an insect’s shell. Harvard Gazette 107 (8): 6.

 



Geschreven in Wetenschap , Biodiversiteit | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dierenwelzijn uit de doeken

28. Juni 2012, 18:07

Zo’n 92% van de schapen in België wordt ritueel onverdoofd geslacht, in Nederland gaat het jaarlijks om zo’n 2 miljoen dieren. Allerlei dieren worden ingezet voor het verkrijgen van melk, eieren, vlees of bont. Jaarlijks worden zo’n duizend miljard (!) vissen gevangen; zeeën worden leeggevist onder het mom van gezondheidsredenen. Van koeien, varkens en kippen tot vissen. Allerlei soorten dieren worden door de mens ingezet om economische en andere redenen en ze hebben het goed. Althans volgens ons. Ze worden inderdaad voorzien van voedsel, krijgen huisvesting en bescherming en worden gevrijwaard van ziekten, maar hoe voelt zo’n dier zich zelf? Weten we dat eigenlijk wel? En hoe zit het met het welzijn van onze nutdieren? 

 
 
We komen van erg ver: bij de oude Egyptenaren stonden dieren gelijk aan mensen. Er was groot, zelfs goddelijk respect voor dieren. Veel later ebde dat respect dan weer zo goed als helemaal weg. Zo schreef Tomas van Aquino (1225-1274), op wiens geschriften een groot deel van het Rooms-katholieke geloof is gebaseerd, dat dieren ondergeschikt zijn aan mensen, met als grote onderscheid de menselijke ziel die de essentie uitmaakt van het bestaan.
Tegenwoordig wordt dierenwelzijn veelal emotioneel ervaren, met niet vaak wetenschappelijk verantwoorde besluiten op politiek niveau als gevolg. 

Een begrip dat veel terugkomt in de soms oververhitte discussies omtrent het welzijn van dieren her en der ter wereld – boven en onder water – is “bewustzijn”, het hebben van een ziel. Dieren hebben geen bewustzijn. Dat is toch wat algemeen beweerd wordt. Maar is dat wel zo? 

In simpele bewoording gaat bewustzijn over het al of niet hebben van een ziel. Volgens een meer ethologisch-wetenschappelijk benadering kunnen we een aantal niveaus van bewustzijn onderscheiden: (van laag naar hoog ) 1/ aandacht, 2/ werken met symbolen en abstracte ideeën, 3/ anticiperen en plannen, 4/ erkennen van zichzelf en van anderen en 5/ esthetische en ethische normen.  

Aandacht 
Dit bewustzijnsniveau is bij dieren onmiskenbaar aanwezig. Denkt u maar aan een kat die haar aandacht richt op een muis om deze laatste te overmeesteren.

Werken met symbolen en abstracte ideeën
Wij, mensen, gebruiken woorden om ons uit te drukken. Als ik het heb over een spons, dan weet u meteen waar het over gaat; de spons is een symbool. Bij bijvoorbeeld mensapen is het onmogelijk om te kunnen praten, puur fysiologisch dan: hun strottenhoofd is te hoog gepositioneerd, net zoals bij kleine kinderen. Wel zijn mensapen in staat zinnen te formulieren met behulp van bepaalde  vooraf aangeleerde vormen. Leer een chimpansee dat een kubus staat voor “bananen”, een zon voor “zijn” en een pijl voor “geel”. Het dier is in staat te communiceren met onderzoekers door gebruik te maken van een aangepaste computer met symbolen op het uitgebreide toetsenbord: kubus + zon + pijl.   

Anticiperen en plannen
In dit niveau gaat het over planmatig handelen, met de duidelijke mogelijkheid van een vooropgesteld doel, wat alleen mogelijk is met enige vorm van bewustzijn. Het volgende werd waargenomen door een groep onderzoekers. Een mannelijke, eerder zwakke baviaan was op het spoor gekomen van een uit de kluiten gewassen soortgenoot, volop smullend van een massa lekkere rapen. De zwakke baviaan ging op zoek naar zijn moeder en begon luid te krijsen, een teken voor moeder dat zoonlief wordt aangevallen. De moeder joeg de andere baviaan weg en zo kon het eerste – slimme – dier aan de slag met de veroverde rapen. Toekomstgericht handelen, zonder twijfel.   

Erkennen van zichzelf en van anderen
Zet een baby voor een spiegel en hij herkent zichzelf niet. Baby’s hebben geen bewustzijn, geen besef van een eigen bestaan. Enkele proeven met hoogontwikkelde zoogdieren heeft aangetoond dat zij wel degelijk beschikken over een vorm van zelferkenning. Breng bij een slapende chimpansee met een lik verf een felgekleurde stip aan op het voorhoofd. Als het dier voorbij een spiegel wandelt merkt hij dadelijk dat er iets verandert is en binnen de kortste keren raakt hij met een vinger zijn voorhoofd om te onderzoeken wat er precies aan de hand is. Deze proef werd jaren geleden uitgevoerd en dient als duidelijk bewijs dat tenminste ook mensapen over een ik-besef beschikken. 

Esthetische en ethische normen
Dit is het hoogste niveau van bewustzijn. Mensapen die (in het kader van een proefopstelling) aan het schilderen gaan, tonen een degelijk inzicht in hun eigen creaties: er is evenwicht, het gebruik van bepaalde kleuren komt overeen met emoties, enzovoort. Er is ook een duidelijk einddoel voor ogen, waardoor het schilderij niet kan worden weggenomen vooraleer zij vinden dat het werk is afgewerkt. Dit is niet mogelijk zonder een minimaal esthetisch aanvoelen. 

Conclusies
Een zeker juiste conclusie is dat hogere dieren zich bewust zijn van hun omgeving. Het volstaat dus niet om eenvoudigweg te zeggen dat er een opsplitsing bestaat tussen het bewustzijn van mensen en dat wat dieren ervaren; het gaat meer over een continuüm. Dat het menselijk bewustzijn veel hoger staat dan dat van andere soorten impliceert niet dat het bestaan ervan bij andere soorten kan ontkend worden. Gedragsbiologen spreken over een exponentiële toename van het bewustzijn, waarbij de toename bij hogere zoogdieren heel snel gaat. 

Discussies over wantoestanden in de visserijsector of de intensieve veeteelt mogen dan ook meer vanuit het standpunt van de dieren bekeken worden, net omdat zij beschikken over cognitieve kenmerken en besef hebben van toekomst en van gevoelens van honger, ziekte en emoties, zowel positief als negatief. Dieren ervaren dus in meer of mindere mate een zekere vorm van bewustzijn. Meer dan dit zijn ze zich ook bewust van pijn – ze voelen pijn en er zijn voldoende wetenschappelijke rapporten die bewijzen dat pijn een negatieve emotionele inkleuring heeft bij dieren. 

Gelukkig worden steeds meer inspanningen gedaan om het welzijn van onze nutdieren te verbeteren, alsook in onze wetgevingen. Gisteren raakte bekend dat in België een stappenplan is goedgekeurd om kooien in de intensieve konijnenhouderij te bannen: vanaf 2016 moeten alle vleeskonijnen in parksystemen worden gehouden. België speelt hier een belangrijke pioniersrol omdat het betreffende stappenplan voortdurend zal getoetst worden aan wetenschappelijke inzichten.


Geschreven in Dierenwelzijn | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Labo's vol spinnenwebben

29. Mei 2012, 23:30

Flashback
Ik herinner me nog goed toen ik, begeleid door moleculair godin Jorinde, de catacomben van de Gentse universiteit betrad op weg naar het lab van de onderzoeksgroep Mycologie. Het klonk allemaal geweldig. Het lab eenmaal binnengestapt vielen mijn ogen uit hun kassen van verbazing en totale opwinding: must solve mystery, or rewrite history, zoals telkens weer bij DuckTales! Rijenlange tafels vol hightech apparatuur waarvan ik toen nog niet eens de naam wist. Hier zou ik mijn vraagstukken zeker kunnen oplossen. Ik zag m’n carrière (lees: krantenkoppen) al voor mij: ‘Haelewaters bereikt mijlpaal’, ‘Onderzoek geraakt op juiste spoor dankzij Haelewaters’, ‘Danny Haelewaters: juiste man op juiste plaats’. Masterstudent, doctoraatsstudent, assistent, docent, professor, … Dat broodje van mij, het was gebakken.
 
 
Een jaar later, zonder enig resultaat, was het broodje ondertussen hard genoeg om iemand mee dood te kloppen. Frustraties genoeg. Een fancy lab, fantastische apparatuur, goden en godinnen ter begeleiding en toch … geen resultaat. Wat ging er fout? 

Heden
Weer een jaar later, vandaag, net aangekomen in het State University of New York College of Environmental Science & Forestry, vielen diezelfde ogen weer uit hun kassen. The American dream: hij bestaat echt! Sinds deze morgen ben ik (alweer) een van de jaarlijks honderdduizenden onderzoekers afkomstig van buiten de US.
 
De Verenigde Staten van Amerika heeft meer hogere onderwijsinstellingen dan elk ander land in de wereld. De staat New York alleen al heeft enkele tientallen universiteiten. Belangrijker dan de kwantiteit is de kwaliteit, en gelukkig: veel Amerikaanse universiteiten behoren tot de wereldtop. Hier zal ik gegarandeerd alle antwoorden vinden op mijn onderzoeksvragen. Ik keek vooral reikhalzend uit naar het lab van professor Weir, mijn plaatselijke hoop op antwoorden. Wie meer verwacht dan wat Universiteit Gent me indertijd te bieden had, komt bedrogen uit: niets meer dan een oud, rommelig kot, met spinnenwebben die al enkele jaren hangen te … hangen, met verscholen achter stapels vergeeld papier en halfvergane literatuur uit – bij benadering – de jaren 1800, een verrassend frivole en sympathieke doctoraatsstudente.
 
Aan orde op zaken stellen doen ze niet mee in New York, dus het allereerste werk was het uitzoeken van onze benodigdheden. Vermits dat alleen al meer dan een halve dag duurde, besloten we om het echte werk te laten tot morgen.

Op dit moment ben ik nog steeds aardig verrast van de aanblik op het … zou ik het wel ‘lab’ noemen? Wat ben ik benieuwd naar wat me morgen te wachten staat, en de rest van deze elfdaagse trip. Voorlopig maakte ik een wondere reis mee in het vliegtuig, met een onaangename eerste - gewapende - Amerikaan op Amerikaanse bodem, een onwelriekend gesprek met een Indiër/Nepalees (hij wist het zelf niet goed), een onfrisse taak die me deze en volgende week nog te wachten staat ten huize Weir (houthakken) en een allesbehalve veilige slaapplaats waar ik zonet in ben kunnen sukkelen. De niet bepaald ideale loft herbergt dan weer wel dé ideale matras. ‘Loft’ is misschien een tikkeltje overdreven; het betreft een soort gat tussen de plafond van de woonkamer en het dak van het huis. Rechtstaan is onmogelijk, rechtop zitten evenmin. De ladder naar boven staat ook niet vast; knikkende knieën zijn dus logisch maar ongewenst. Eén verkeerde beweging en ik kan meteen solliciteren voor 1.000 Ways To Die, sinds vanavond mijn favoriete avondvullende show (op Spike TV).


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Man en vrouw

13. Mei 2012, 16:36

Vorige week werd ondergetekende man. Hier was geen chirurgisch ingrijpen voor nodig. Hij werd man als in man en vrouw. Voor de echt verbonden, zoals dat officieel heet. Hoewel begonnen met een zondvloed van jewelste werd het een mooie dag, met veel handjes schudden, namen van familieleden proberen achterhalen, nieuwe mensen ontmoeten en taart eten. Veel taart eten. Overdreven veel taart eten, al doet dit niet ter zake. Na het officiële gebeuren gingen bruid en bruidegom richting kasteel voor de langverwachte huwelijksnacht, zonder genodigde pottenkijkers. Na een verkwikkende plons in een bad op poten uit de tijd van Lodewijk XIV streek zij vol verwachting en slechts gehuld in een nieuw setje lingerie in bed, hunkerend naar haar nieuwbakken echtgenoot. Deze laatste verraste haar met een uitzonderlijk harde ... tweet: 
 
‘@HarvardResearch: twitteren geeft zelfde genot als seks. Even #uittesten’
 
Menig getweet en geretweet later bevond vrouwlief zich in dromenland en bleef manlief proefkonijn ter plaatse.
 
Het delen van eigen ervaringen of persoonlijke relaties is belangrijk voor een mens. Dertig tot veertig procent van gewone gesprekken bestaat hieruit, op sociale media stijgt dit percentage zelfs tot tachtig. De neuroanatomische basis voor dit gedrag situeert zich in het tegmentum en de nucleus accumbens. Deze beide kerngroepen in de hersenen maken deel uit van het mesolimbische circuit, een systeem van zenuwbanen dat draait op de chemische stof dopamine. Het mesolimbische circuit is vooral belangrijk bij gedrag bepaald door beloning en straf. Dit systeem reageert sterk op primaire beloningen zoals voedsel, secundaire beloningen zoals geld (kan geruild worden voor primaire beloningen) en sociale beloningen zoals humor, het verkrijgen van zelfkennis en het zien van aantrekkelijke personen. 
 
Intrinsiek egoïsme versus geldbeloning
Onderzoek aan Harvard heeft aangetoond dat mensen erg graag persoonlijke informatie delen, zo graag dat ze zelfs afzien van potentiële geldbeloningen. In het onderzoek werden drie types van vragen voorgelegd aan een groep deelnemers: i/ vragen over eigen opinies (hoeveel geniet jij van een wintersportvakantie?), ii/ vragen waarbij andermans mening moest worden beoordeeld (hoeveel geniet Barack Obama van wintersport?) en iii/ ja-nee-vragen (schilderde Leonardo Da Vinci de Mona Lisa?). De deelnemers konden zelf hun vragen kiezen om te beantwoorden en kregen daar een geldbeloning voor die afhing van het gekozen type vraag. Het weze duidelijk dat de beloning lager lag als men koos voor een eigen opinie. Wat bleek? De deelnemers waren bereid om 17% van de gemiddelde inkomsten af te staan, door het vaker kiezen voor vragen over zichzelf.

Deze bevinding doorgetrokken naar sociale media kunnen Twitter en Facebook binnenkort poen scheppen met tweets en statusupdates. Eerder deze week raakte bekend dat Facebook effectief aan het experimenteren is met een systeem waarbij gebruikers geld betalen om mededelingen meer zichtbaar te maken bij vrienden. Het gaat vooralsnog om een lokale test in Nieuw-Zeeland, maar als het aan de onderzoekers van Harvard ligt heeft deze test alvast kans op slagen. 
 
Tweeten versus seks? 
Helaas staat een goed huwelijk niet met enkele tweets. En gelukkig voor zijn vrouw (en wellicht ook zichzelf) deelt ondergetekende u nog mee dat de hierboven vernoemde feiten tijdens de huwelijksnacht niet geheel waargebeurd zijn. 
 


Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


't Is gebeurd

14. April 2012, 00:53

Dag 3 in Cambridge, Massachusetts. Dat Harvard University mijn leven zal veranderen wordt duidelijk vanaf de eerste dag: een bomvolle agenda is mijn deel. Het leven gaat hier in sneltreinvaart en ik voel me als op een boemeltrein; ik kan (nog) niet goed volgen. Vandaag moet ik de labmeeting versterken met mijn aanwezigheid. Zonder labervaring lijkt me dat weinig zinvol maar flexibel als ik ben sta ik om 12u00 netjes aan de conference room. De lunch – een salade à la manière de Danny – wordt vergezeld van een presentatie over de invloed van stikstof op biodiversiteit. En zo krijg ik mijn langverwachte lichte kost en een niet te mijden, ietwat gevreesde zware kost op nuchtere maag.  

Het element stikstof (N) kent vele toepassingen, in kunstmeststoffen, explosieven, kleurstoffen, enzovoort. Het wordt geproduceerd bij het verbranden van fossiele brandstoffen en in dierlijke mest (intensieve veehouderij). Stikstof komt gemakkelijk in de lucht terecht en kan na een tijdje gaan ‘neerregenen’ op gebieden die strikt genomen onaangetast zijn door mensen. Zo zijn er de tropische regenwouden, waarvan sommige nog nooit werden betreden. Deze en andere ‘hotspots van biodiversiteit’ hebben het afgelopen decennium een stikstofafzet gekend van meer dan 50% dan het gemiddelde. Hierdoor zijn er veel veranderingen in de nutriëntensamenstelling van de bodem, waardoor plantengemeenschappen in vele gebieden in gevaar komen, of dat al zijn.

Graslandonderzoek in de Verenigde Staten (Minnesota) heeft aangetoond dat het aantal plantensoorten is gedaald met 17% ten gevolge van een stikstofvervuiling vergelijkbaar met de geïndustrialiseerde wereld.

In 2001 werden binnen de EU nationale emissieplafonds afgesproken - dus maximale hoeveelheden uitstoot van stikstof. Het schrijnende is dat ecosystemen veel gevoeliger zijn aan low level stikstof dan aan high level stikstof. Een recente studie toont aan dat de meeste plantensoorten die verdwijnen na het toevoegen van grote hoeveelheden stikstof aan het systeem, ook verdwijnen bij kleinere hoeveelheden. Het verlies van biodiversiteit is dus het sterkst na de eerste toevoeging van stikstof, hoe klein die toevoeging ook is. Dat betekent, zo denkt de pessimist in mij enkele stappen verder, dat het kwaad geschied is. ’t Is gebeurd, we kunnen niet meer terug. Redden wat te redden valt.

Terug naar de conference room. Het voorgestelde onderzoek toont grafieken, datasheets, formules, nog meer datasheets en tabellen, maar poogt vooral hetzelfde aan te tonen voor schimmels. En het ziet ernaar uit dat dit ook zal lukken: de resultaten zijn treffend. Ondertussen is mijn salade op en moet ik de labmeeting noodgedwongen verlaten om een volgende afspraak te halen. Dat wordt weer rennen!



Geschreven in Wetenschap , Biodiversiteit | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken