SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Een vrijgevig volkje

04. Januari 2013, 08:22

December was niet alleen de tijd van familie, cadeautjes en gezelligheid, maar ook van naastenliefde en vrijgevigheid. Eerder dan in andere maanden zijn we geneigd gul te geven aan goede doelen. Denk maar aan de populaire goededoelenacties van radiozenders 3FM of Studio Brussel.

 

Rembrand-bedelaar

Een schets door Rembrandt van ‘de bedelaar’.

In de zeventiende eeuw, de Nederlandse Gouden Eeuw, was liefdadigheid een vanzelfsprekendheid. Iedereen die iets missen kon, werd geacht bij te dragen aan de armen en behoeftigen. Armenzorg was op lokaal niveau georganiseerd. In iedere stad en dorp bestonden instellingen, zoals hofjes, gasthuizen, weeshuizen, en oudemannen- en oudevrouwenhuizen, die armen, zieken en wezen opnamen.

Ook waren er instellingen die wekelijks uitdelingen van brood en geld verzorgden voor behoeftigen die wel zelfstandig woonden. Vooral de hulp aan deze zogenaamde ‘huiszittende armen’ werd voor een groot deel betaald uit giften. In veel steden werd niet alleen in de kerken gecollecteerd, maar ook maandelijks of zelfs wekelijks huis-aan-huis. Van iedereen, de allerarmsten uitgezonderd, werd een gift verwacht.

Ook in geval van rampen, zoals branden en overstromingen, of voor vervolgde protestantse geloofsgenoten in andere delen van Europa, werden soms grootschalige acties georganiseerd. Collectanten gingen dan in een hele provincie, en soms in het hele land met collectebussen langs de deuren. Er kwam – net als tegenwoordig – ook heel wat publiciteit bij zo’n grote collecte kijken: het stadsbestuur stelde een officiële aankondiging op en in de kerken spoorden dominees het kerkvolk aan om gul te geven.


Open schaal
Na afloop, als in verschillende steden de opbrengst bekend werd gemaakt, en vergeleken werd met wat er in andere plaatsen opgehaald was, werd de vrijgevigheid van de bevolking bejubeld in gedichten. Vooral bij deze eenmalige geldinzamelingen werd de druk om te geven vaak hoog opgevoerd: niet zelden waren het niet alleen diakenen en aalmoezeniers, maar ook predikanten en zelfs burgemeesters die langs de deuren gingen. Zij gebruikten dan een open schaal, zodat precies te zien was wat er gegeven werd. Durf dan maar eens nee te zeggen

Collecteren

Collecteren voor de armen en behoeftigen in de Gouden Eeuw.


De tijd rond Kerstmis stond extra in het teken van liefdadigheid. Ook toen waren mensen in deze periode, nog meer dan in de rest van het jaar, geneigd gul aan de arme medemens te geven. Tijdens kerkdiensten werd vaak meer gecollecteerd en ook opbrengsten van deurcollectes lagen meestal hoger. In de wintermaanden was er ook meer vraag naar zorg en de instellingen konden het geld dus extra goed gebruiken.

In Delft werd er ieder jaar op Tweede Kerstdag in de hele stad geld opgehaald voor de arme stadsgenoten, waarbij in de zeventiende eeuw gemiddeld zo’n 5 duizend gulden werd opgehaald. In de achttiende eeuw liep dit bedrag zelfs op tot bijna 10 duizend gulden. Voor die tijd waren dit enorme bedragen. Deze gulheid leverden de vroegmoderne Nederlanders de reputatie op de vrijgevigste bevolking van die tijd te zijn.


Daniëlle Teeuwen is als promovenda verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam en werkt binnen het project ‘Giving in the Golden Age’



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De (arbeids)kracht van vrouwen

08. Maart 2012, 09:56

Al meer dan een eeuw is het op 8 maart Internationale Vrouwendag. Aanleiding hiertoe was een staking in New York, op 8 maart 1908, tegen de slechte arbeidsomstandigheden van vrouwen in textielfabrieken. Maar vrijwel vanaf het begin stond deze dag ook meer algemeen voor de strijd voor vrouwenemancipatie en gelijke rechten voor de seksen. Nederland vierde voor het eerst Vrouwendag op 8 maart 1912, dit jaar dus precies honderd jaar geleden.

Vrouwendag affiche

Omslag van het tijdschrift ‘De proletarische vrouw’. In 1914 steden vrouwen onder andere voor het recht om te mogen stemmen. Afbeelding: © Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis


Daarom organiseren verschillende gemeenten, politieke partijen, en ook de vakbeweging, weer verschillende activiteiten in het kader van Vrouwendag. De FNV-bijeenkomst heet dit jaar ‘De kracht van vrouwen’. Het thema economische zelfstandigheid staat daar hoog op de agenda.

Maar hebben wij Vrouwendag in een land als Nederland nog wel nodig? In 2011 kopte het Centraal Bureau voor de Statistiek: “Arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen zeer hoog”. In 2009 had 71,5 procent van de Nederlandse vrouwen betaald werk. Binnen Europa scoorde alleen Denemarken hoger. Misschien zijn de doelen in Nederland bereikt met deze historische mijlpaal? De deelname van Nederlandse vrouwen op de arbeidsmarkt was namelijk in het grootste deel van de negentiende en twintigste eeuw zeer laag vergeleken bij andere landen.

Sommige historici hebben de lage arbeidsparticipatie in Nederland zelfs teruggevoerd tot de welvarende zeventiende eeuw. Door de bloei van de handel en economie hoefden in de ‘Gouden Eeuw’ niet alleen rijke vrouwen, maar ook grote groepen vrouwen uit andere lagen van de bevolking niet meer buitenshuis te werken.

Dit beeld klopt echter niet. Recent onderzoek naar vrouwenarbeid in de periode 1600-1800 laat zien dat vrouwen toen juist bijzonder economisch actief waren. Weduwen, ongetrouwde en getrouwde vrouwen, armere en rijkere vrouwen: velen van hen draaiden mee in allerlei takken van de economie. Niet alleen bood de bloeiende handel veel mogelijkheden voor hen in de commerciële sector.

Ook met de textielindustrie ging het goed, en hier waren vele handen nodig voor het spinnen en spoelen van garen. Vaak combineerden vrouwen hun winkeltje, naai- of spinwerk met het zorgen voor huishouden en kinderen. Daarom hebben historici hen vaak niet meegeteld als volwaardige werkers.

Vrouwendag 1981

Internationale vrouwendag, 1981, in Amsterdam (afbeelding: Eva Strausz)

Als de arbeidsdeelname van vrouwen tot en met de achttiende eeuw groot was, vond de daling dus pas plaats in de negentiende eeuw. Inderdaad was deze daling een feit, maar ook voor de negentiende eeuw zijn de officiële cijfers waarschijnlijk te laag. Degenen die optekenden wie in Nederland welk werk deed, telden bijvoorbeeld in 1899 getrouwde vrouwen die als boerin in het gezinsbedrijf werkten, niet mee. Ook rekenden zij vaak vrouwen niet mee die seizoensgebonden werk deden, of in deeltijd werkten.


Hiermee zijn we weer aangekomen bij de actualiteit. Want ook al telt tegenwoordig iedere vrouw mee in de statistieken, Nederlandse vrouwen blijven kampioen deeltijdwerken. Minder dan de helft van de vrouwen in Nederland zou economisch zelfstandig zijn als het werk van haar man om de een of andere reden wegviel. Bovendien verdienen vrouwen gemiddeld nog altijd maar 80% van het mannenloon. Na honderd jaar zijn er dus redenen genoeg om Vrouwendag te blijven vieren.


Elise van Nederveen Meerkerk is senior onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Op de website van het IISG kan je meer lezen over haar over haar onderzoek naar vrouwenarbeid.







Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Zoeken naar familie van misdadigers via DNA

15. Februari 2012, 11:16

Zoals vele andere mensen kijk ik graag naar CSI of andere detectiveseries op de televisie. Vaak is het vinden van de oplossing van de moord een kwestie van ouderwets speurwerk, maar soms speelt een DNA-match een grote rol. Op het computerscherm van de speurders verschijnt dan het woord ‘MATCH’, waarmee het politiewerk erop lijkt te zitten: een match is – zo wordt ons voorgespiegeld – doorslaggevend bewijsmateriaal en de aftiteling kan beginnen.

In de praktijk is het echter allemaal niet zo simpel, en het is misschien wel juist om te zeggen dat – kanstheoretisch gezien – het werk vaak pas begint bij een dergelijke match; mijn professionele belangstelling begint daar waar de tv-serie ophoudt. Maar hoe kan dat? Is ons DNA dan niet uniek?

Er zijn, ruwweg, drie problemen. Allereerst worden ‘slechts’ 15 plekken (‘loci’) van het DNA bekeken en zeker niet het hele DNA; dat zou ondoenlijk zijn. Vaak is een DNA-spoor ook onvolledig zodat een bepaald DNA-profiel weliswaar zeldzaam is, maar zeker niet uniek.

Ten tweede kunnen er – ook al wordt de herkomst van het DNA niet betwist – vragen gesteld worden over hoe een bepaald spoor ergens terecht is gekomen: het feit dat iemands DNA ergens aangetroffen wordt, wil niet automatisch zeggen dat die persoon daar daadwerkelijk geweest is.

Ten slotte zijn er ook vragen over wat nu eigenlijk de bewijskracht van een match is. Welke hypothese moet je eigenlijk toetsen? Hierover is in de literatuur een felle discussie gevoerd, zie bijvoorbeeld The DNA Database Search Controversy (pdf). Al met al is het zo dat een veroordeling op uitsluitend DNA-bewijs eigenlijk niet of nauwelijks mogelijk is.

CSI

Een wetswijziging die dit jaar haar beslag krijgt, maakt het nu mogelijk om bij specifieke (zware) misdrijven gericht te gaan zoeken naar familieleden van het aangetroffen DNA spoor. De gedachte hierbij is dat het DNA van verwanten meer gelijkenis vertoont dan het DNA van personen zonder familierelatie.

Als nu op een plaats delict een DNA-profiel wordt aangetroffen, en de database geeft geen match, dan kun je proberen om in de database een familielid (broer, zus, ouder, kind, …) te zoeken. In dit geval is het begrip ‘match’ een beetje onduidelijk geworden, want het is niet langer zo dat een spoor matcht of niet, maar dat een spoor meer of minder overeenkomsten heeft. De wet maakt het ook mogelijk om bijvoorbeeld een grootschalig bevolkingsonderzoek uit te voeren om familie van een crimineel op te sporen.

Maar hoe kunnen we dit middel inzetten? Het is duidelijk dat er grote ethische kwesties aan de orde zijn. Als iemand weigert mee te werken aan een bevolkingsonderzoek, maar zijn broer doet wél mee, dan is de weigering voor een goed deel ongedaan gemaakt. Mag dat? En hoe selecteer je een aantal mensen in een database zodat het aantal dat je selecteert niet te groot is, maar wel zo groot dat een eventueel aanwezig familielid met grote kans erbij zit? Er zijn verschillende strategieën denkbaar, waarvoor het begrip ‘kans’ niet altijd makkelijk op een juridisch bruikbare manier uitgelegd kan worden.

dna

Maar de wet komt er, dus móeten we hier wel over nadenken. Een ethisch debat kan alleen gevoerd worden als we goed geïnformeerd zijn over de statistische kant van de zaak. Eigenlijk zijn we er al laat mee: in Engeland, Nieuw Zeeland en sommige staten in de VS wordt het middel al ingezet. Soms met succes, maar wat er misgaat haalt de pers waarschijnlijk niet. Hoogste tijd dus dat ook wiskundigen zich hiermee bezig gaan houden.


Ronald Meester

Ronald Meester is hoogleraar kansrekening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij legt zicht toe op forensisch onderzoek waarvoor hij financiering kreeg uit het NWO-programma Forensic Science.





 



Geschreven in Wetenschap | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De kolibrie, het hoogtepunt van evolutie

10. Januari 2012, 16:18

Als paleontoloog kun je maar nauwelijks vermijden af en toe met een scheef oog naar de eigen diersoort te kijken. De mens dus. In de beroemde stamboom van het leven die Ernst Haeckel in de negentiende eeuw publiceerde stond de mens trots bovenaan: ‘Menschen’, vlak boven de gorilla en de orang-oetan aan een tak die ‘Affen’ (Apen) heet. Helemaal onderaan vinden we de ‘Urthiere’ (Oerdieren), die een flinke dikke stronk vormen waar de rest van het dierenrijk op rust. Maar ook de rest van de stamboom (die trouwens ‘Stammbaum des Menschen’ heet en niet ‘Stammbaum des Thierreichs’ of iets dergelijks dat meer voor de hand had gelegen) is interessant en waard om te bestuderen.

Ergens halverwege staan de amfibiëen, en die stam splitst zich in de zoogdieren en de reptielen. De reptielen bestaan uit takken met de namen hagedissen, slangen, krokodillen, schildpadden en … vogels. Vogels worden tegenwoordig inderdaad beschouwd als doorgeëvolueerde dinosauriërs en dus als reptielen, maar die notie was in de negentiende eeuw niet echt algemeen.

stamboom van het leven Popup

De stamboom van het leven volgens Haeckel.


Met behulp van stippellijntjes is de dikke boom in vier delen verdeeld; onderaan de oerdieren, daarboven de ‘Wirbellose Darmthiere’, de ongewervelden, daarboven de gewervelden en helemaal bovenaan, het bovenste kwart van de stamboom, vinden we de zoogdieren. Met de mens als het topje van de boomkruin. De kroon op de schepping c.q. de evolutie.

Tegenwoordig zien we dat anders. Denkt u. De mens is ook een gewervelde. Net als de kikker, de hagedis, de vogel en de muis. Maar in veel van de moderne stambomen, die geen stamboom meer heten maar cladogram, staat de mens toch helemaal aan het einde. Afhankelijk van de positie van het cladogram staan wij helemaal rechtsboven of rechtsonder, in elk geval op de plaats die je kunt interpreteren als het hoogste evolutiestadium. Dat is echter onzin. Een cladogram geeft slechts verwantschappen aan tussen taxa.

Als je een cladogram aan de wortel zou oppakken en hem als een mobile van de kunstenaar Alexander Calder aan het plafond zou ophangen, dan gaan alle taxa door elkaar heen bewegen zonder dat de onderlinge relatie daarbij verandert. Dan kunnen zomaar ineens de schildpadden helemaal rechts terecht komen, of zelfs de pissebed of de oorworm. En dat klopt: vanuit het gezichtspunt van de pissebed is de pissebed het hoogtepunt van de evolutie.

Maar soms krijg ik de vraag wat dan wel het hoogtepunt van de evolutie is, als ik toch iets zou moeten aanwijzen? Met de pissebed kan ik dan niet aankomen. Maar wel met de kolibrie. Stel je voor: een reptiel, een dinosaurus die slechts enkele grammen weegt en die met behulp van een razendsnelle beweging van zijn voorpoten (vleugels) in de lucht kan blijven stilstaan, hangend voor een bloem. Als de dinosaurus die we kolibrie noemen niet het hoogtepunt van de evolutie is, dan weet ik het ook niet meer.

kolibriePopup

Colibri thalassinus, de groene violetoorkolibrie. Afbeelding: © Mdf



Jelle ReumerJelle Reumer is bijzonder hoogleraar vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht en directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam.

 






Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Over taalergernissen in het Engels

17. November 2011, 15:41

“To boldly go where no man has gone before”. Wie van Star Trek houdt, herkent deze zin meteen. Het is de slotzin van de openingstitel van deze serie uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Maar wie zou denken dat dezelfde zin enorm veel negatieve reacties oproept bij moedertaalsprekers van het Engels? Dit type constructie – ‘to boldly go’ – heet een split infinitive.

In het Engels wordt het hele werkwoord, de infinitive, voorafgegaan door to, en daar mag je niets tussen zetten. Tenminste, zo denken veel mensen erover: “The split infinitive used in the penultimate paragraph by the editorial board of the New York Times is so disappointing I could barely finish reading this piece,” schreef iemand in de New York Times op 29 January 2010.

Het vreemde is dat split infinitives al sinds de 14e eeuw worden gebruikt, en dus gewoon goed Engels zouden moeten zijn. Maar opeens mocht het niet meer. Dat kwam doordat split infinitives begin 19e eeuw vooral veel voorkwamen bij Amerikaanse jongeren met weinig schoolopleiding. Dus dat soort zinnen kon je maar beter niet gebruiken als je niet voor dom versleten wilde worden. Maar de meeste mensen trokken zich daar weinig van aan. Als je nu bijvoorbeeld het programma Outlook van Microsoft verlaat, krijg je dit te lezen. Zoek de split infinitive!

Outlook

Al dit soort dingen onderzoeken we in een nieuw onderzoeksproject aan de Leidse universiteit: “Bridging the unbridgeable: linguists, prescriptivists and the general public”. Het project heet zo omdat discussies over taalproblemen mensen uit elkaar drijven die allemaal een heel ander belang hebben: taalkundigen willen gewoon beschrijven wat ze waarnemen, prescriptivisten (schrijvers van taalhandboeken) willen graag voorschrijven hoe het hoort, en de gewone taalgebruiker heeft last van onzekerheid over de vraag wat nou goed is en wat fout.

Meestal praten deze mensen langs elkaar heen, met soms groot onbegrip als gevolg. Een mooi voorbeeld daarvan was de ruzie over het gebruik van hun hebben vorig jaar op tv tussen taalkundige Helen de Hoop en Ronald Plasterk, toen nog minister van onderwijs. Mensen kunnen zich ook vreselijk druk maken over groter dan of groter als, en toch lijk je groter als steeds vaker te horen. Er lijkt geen houden aan.

In ons project denken wij eigenlijk dat dit soort problemen veel minder in Nederland spelen dan in Engeland of de Verenigde Staten. En daar willen we graag jullie mening over horen. We hebben een blog opgezet waarin van alles staat over taalproblemen en allerlei dingen daarom heen. Het meeste gaat over het Engels, maar soms staat er ook iets in over het Frans (bijvoorbeeld dat je geen Engelse woorden mag gebruiken), en het Russisch, waar ze ook taalhandboeken hebben, net als voor het Engels. En er staat dus ook wat in over hun hebben.

Wat we graag willen weten is of je je wel eens aan zogenaamd “fout” taalgebruik ergert, en wat dat dan is en waarom. Voel je je wel eens onzeker over of iets in taal goed of fout is, en waar zoek je dat dan op? En heb je dat ook wel eens als je Engels spreekt of schrijft? Of kan het je allemaal niet echt schelen? De voertaal van het blog is Engels, maar reacties in het Nederlands mogen ook. En onder de leukste reacties verloten we een boekenbon.

  • Geef nu je mening op dit blog en maak kans op een boekenbon!

 

Ingrid Tieken

Ingrid Tieken is hoogleraar Historische Sociolinguïstiek bij de vakgroep Engelse Taal en Letterkunde in Leiden.

 






Geschreven in Wetenschap | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Van gewelddadige boeken word je net zo agressief als van gewelddadige games

31. Oktober 2011, 15:49

Games zijn slecht voor je. Je wordt er agressief van, je hersenen stompen er van af en je kunt er verslaafd aan raken. Eens in de zoveel tijd duiken zulke berichten op in het nieuws, soms gekoppeld aan een gebeurtenis met geweld, zoals bij de aanslagen in Noorwegen door Anders Breivik.

Je kunt je afvragen waarom dat onderzoek nu altijd juist naar computergames wordt gedaan. Schaken is ook heel verslavend en tijdens een frustrerend potje Mens-erger-je-niet wil ik vaak het bord omgooien. Hier wordt geen onderzoek naar gedaan, omdat er gedacht wordt dat de spelers van schaak- en bordspellen beschaafder zijn. Games zijn nieuw (of liever: relatief nieuw) en nieuwe mediavormen worden altijd gevreesd. Zo bestaat er een Griekse mythe over de uitvinding van het geschreven woord. Dat schrift was maar een slecht idee: je geheugen zou ervan achteruit gaan en mensen zouden er arrogant van worden. Ook bij van de videorecorder werd ooit gedacht dat deze de beschaving zou ondermijnen. Daar komt bij dat vooral jongeren de gebruikers zijn van nieuwe media. Jongeren zijn per definitie geen volwassenen en zouden daarom extra kwetsbaar zijn.

Lezen

Afbeelding: © Steve Rhodes

Er wordt dus veel onderzoek gedaan naar gewelddadige games, maar niet naar gewelddadige ‘oude’ media. Onlangs werd er echter een opmerkelijk onderzoek gepubliceerd: wat zijn eigenlijk de effecten van het lezen van gewelddadige teksten? De onderzoekers hielden een experiment: na het lezen van een verhaal met geweld werd hun agressiviteit gemeten. De verhalen die ze moesten lezen waren verzonnen door de onderzoekers en gingen over een student met een lastige huisgenoot. In het ene verhaal slaat de student de huisgenoot en gooit deze met dingen; in het andere verhaal zet de student een gênant filmpje van de huisgenoot op YouTube. Agressie werd gemeten door piepjes toe te dienen of door het spel Cyberball te spelen. Cyberball is een spel speciaal gemaakt voor onderzoekers, waarbij uitsluiting en agressie gemeten wordt aan de hand van bal overgooien.

De conclusie van het onderzoek was dat mensen die over geweld lezen daar gewelddadiger van worden. Deze conclusies sluiten daarmee aan bij onderzoek naar gewelddadige games.

Betekent dit nu dat we moeten oppassen voor mensen die Vertraging, Bloedgetuigen of De Aanslag hebben gelezen? Nee, net zoals dat we niet bang hoeven te zijn voor mensen die Modern Warfare, Manhunt of Mortal Kombat spelen.

Rode knop

Afbeelding: © Wlodi

De bezwaren tegen dit onderzoek zijn namelijk gelijk aan die tegen gameonderzoek: het gaat om kortetermijneffecten in een laboratorium. De wereld is geen laboratorium en agressie wordt bepaald door veel meer factoren, zoals genetische aanleg of zelf slachtoffer van geweld zijn. Het feit dat gamers niet allemaal agressief zijn in het ‘echte leven’ levert bewijs tegen zulke conclusies. Daarnaast kan je vraagtekens plaatsen bij de manier waarop agressie wordt gemeten. Dit wordt gedaan door bijvoorbeeld de proefpersonen andere mensen een piep, elektrische schok of hete saus te laten toedienen. Iemand een harde piep laten horen is natuurlijk niet hetzelfde als iemand in elkaar slaan.

Het onderzoek naar gewelddadige literatuur laat mooi zien dat dergelijke kortetermijneffecten ook optreden bij cultuuruitingen die als beschaafd worden gezien en die gelezen worden door mensen waar weinig zorgen over bestaan. Omdat die mensen nooit in verband worden gebracht met geweldsdelicten, relativeert dit onderzoek de zorgen over games. Hopelijk draagt het bij aan een eerlijker beeld van gamers.


Linda_Duits

Dr. Linda Duits is onafhankelijk onderzoeker en eigenaar van kwalitatief onderzoeksbureau DiepOnderzoek. Daarvoor was zij Universitair Docent bij communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Aan dezelfde universiteit promoveerde ze op de cultuur van jonge meisjes. Linda Duits is verder plaatsvervangend hoofdredacteur van opinieblog DeJaap. Ze twittert ook.

 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een potdichte deur op Downing Street 10

25. Augustus 2011, 16:37

De rellen die deze zomer in Londen en andere Britse steden uitbraken kwamen als een totale verrassing voor de media die er verslag van deden, de politie en politici die er op reageerden en de kijkers die alles op televisie en internet zagen gebeuren. Zij en wij zouden deze chaos echter sneller kunnen duiden en beter weten hoe verder te gaan als het recente verleden goed was bestudeerd. Dit recente verleden betreft vooral de jaren 1980.

De economische groei, democratische hervormingen en maatschappelijke experimenteerdrift van de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog waren midden jaren 1970 tot stilstand gekomen. Zowel de politiek als de burger maakten een terugtrekkende beweging uit het publieke leven. De staat moest bezuinigen, gaf allerlei verantwoordelijkheden uit handen en ging burgers steeds meer beschouwen als lastige klanten. En op straat streden mensen minder voor abstracte idealen of de sores van anderen, maar klaagden zij vooral luidruchtig over hun eigen ellende.

In Groot-Brittanië zorgde dit ressentiment in de jaren 1980 voor allerhande onrust tussen de have-nots en het gezag. Je zou denken dat Britten anno nu wel gewend zouden zijn aan dergelijke confrontaties want de lijst van toen lijkt eindeloos: rellen in arme wijken als St. Paul in Bristol (1980), Brixton in Londen (1981 en 1985), Chapeltown te Leeds (1981), Toxteth Liverpool (1981), Handsworth Birmingham (1981, 1985 en 1991), een bijna-burgeroolog in Noord-Ierland, apocalyptische toestanden met voetbalhooligans en veldslagen tussen stakende mijnwerkers en politie in 1984-1985. Deze gebeurtenissen hebben bovendien een plek in het nationale geheugen gekregen in allerlei culturele uitingen over deze periode.

Rellen in Londen

Rellen in de Britse hoofdstad Londen, 6 augustus 2011. Afbeelding: © wikimedia commons


Waarom wordt er zo weinig met deze kennis gedaan? Het antwoord ligt bij de politiek. De ontevredenen troffen in de jaren 1980 een potdichte deur op Downing Street 10. Premier Margaret Thatcher stelde naar aanleiding van Brixton 1981 bijvoorbeeld: “Nothing, but nothing, justifies what happened”. En eigenlijk herhaalde de conservatieve ‘Iron Lady’ deze gedachte na iedere confrontatie. Dit werkte feitelijk alleen maar averechts, getuige de vele rellen die volgden en het gevoel van onvrede dat – zo weten we nu – tot de dag van vandaag bleef sluimeren.

Het valt te hopen dat David Cameron beter naar deze gevoelens luistert dan zijn partijgenoot uit de jaren tachtig. Niet zozeer naar die van de op aandacht kickende plunderaars, maar van ‘gewone’ Britten die dagelijks de spanningen tussen have-nots en de grote boze wereld beleven.

En laat Cameron dan als hij toch bezig is meteen energie en geld steken in een goed historisch onderzoek naar stedelijke chaos. Hoewel in het verleden behaalde resultaten geen garanties in het heden geven en er ook grote verschillen met de onrust van de jaren tachtig zijn, kunnen we bijvoorbeeld wel leren dat sociale ongelijkheid en spanningen tussen diverse etnische groepen bij bijna alle confrontaties als belangrijkste oorzaak genoemd worden, maar dat deze nooit opgelost worden.

Vooralsnog lijkt dit ijdele hoop. Cameron kopieert Thatcher: hij veroordeelde de rellen direct als ‘criminality, pure and simple’ en schrijft strenge straffen voor. Dit lijkt een recept voor meer onrust, want waar mensen zo ver gaan om hun eigen leefomgeving te vernietigen is niets meer ‘pure and simple’.

Jouke Turpijn (1976) is universitair docent bij de leerstoelgroep Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Het Amazonisch regenwoud is ouder dan je denkt

01. Augustus 2011, 13:43

Het leek zo’n mooi verhaal. De Duitse geoloog Jürgen Haffer had in 1969 beweerd dat de overweldigende biodiversiteit van het Amazonegebied te danken was aan de glacialen. Ik heb het zelf vaak naverteld op college en in lezingen. Dan liet ik zien dat de soortenrijkdom van planten, vlinders, vogels en hagedissen in bepaalde gebiedjes binnen het regenwoud opvallend veel groter was dan elders: hotspots van biodiversiteit, zouden we nu zeggen.

Sinds ik tien jaar in Zuid-Amerika heb gewoond ben ik ook gefascineerd geraakt door die rijkdom aan prachtige bloeiende bomen en planten, heel wat anders dan dat armzalige Nederlandse herbarium uit mijn kinderjaren, vol platgedrukte leeuwenbekjes en dovenetels.

Haffer, die behalve geoloog ook groot vogelkenner was, had de volgende verklaring bedacht voor die soortenrijkdom. In de glacialen was het Amazonegebied veel droger dan nu: in plaats van oerwouden waren het savannes, open grasvlaktes met hier en daar een boom. Alleen op de plaatsen met de grootste regenval bleven eilanden regenwoud over, de refugia. Daar ontwikkelden zich nieuwe soorten, die specifiek waren aangepast aan de condities op die plaats.

Wanneer het klimaat weer natter werd aan het einde van het glaciaal keerde het regenwoud overal terug en breidden de nieuwe soorten hun territorium uit. Alleen ging dat vaak niet zo snel, zodat de soortenrijkdom in de oude refugia nog steeds groter was dan daarbuiten. Dat zijn de hotspots.

De eerste kink in de kabel echter kwam toen vier Brazilianen in 1990 ontdekten dat al die refugia precies samenvielen met de plaatsen waar het meest verzameld werd. Botanici zijn dol op zeldzame planten, en dus verzamelden ze die het meest. Een groot deel van die refugia bleken zo artefacten van hun verzamelwoede te zijn. Een tweede tegenslag was dat stuifmeelkorrels in een onderzeese delta voor de monding van de Amazone lieten zien dat er van grote savannegebieden tijdens de glacialen nauwelijks sprake geweest kon zijn.

De genadeklap kwam van de genetici, want die zagen aan het DNA dat verreweg de meeste insecten, amfibieën, zoogdieren, vogels en planten tussen de zestien en drie miljoen jaar geleden waren ontstaan, dus ver vóór het begin van de glacialen (2,6 miljoen jaar geleden). Het staat allemaal prachtig gedocumenteerd in het boek Amazonia: Landscape evolution and species diversity dat onder redactie van Carina Hoorn van de Universiteit van Amsterdam en Frank Wesselingh van Naturalis in 2010 is verschenen.

Een wervel steekt uit de blauwe klei afgezet in het toenmalige Pebas meer.


Maar wat is dan wél de oorzaak van die soortenrijkdom? Het fascinerende is dat dit direct samenhangt met het ontstaan van de Amazone als rivier en de opheffing van de Andes. Toen de Andes nog vrij laag waren, bestond de Amazone nog niet in haar huidige vorm. De rivieren uit de Andes stroomden naar het noorden, en kwamen via een voorloper van de Orinoco-rivier in de Caraïbische zee uit.

Door de opheffing raakte die uitgang geblokkeerd, en ontstond rond 16 miljoen jaar geleden een gigantisch meer in het westelijk Amazonegebied, het Pebas-meer. Een enkele keer drong de zee er kortstondig in, zodat het meer brak werd. In dat uiterst gevarieerde mega-wetland ontstonden talloze nieuwe soorten. Geleidelijk aan werden de Andes hoger, kwamen in koelere luchtlagen terecht, en ook daardoor ontstonden niches waarin nieuwe soorten zich konden ontwikkelen.

Uiteindelijk, zo’n elf miljoen jaar geleden, verdween het Pebas-meer, deels door opvulling met sediment, maar vooral omdat het meer werd aangetapt door het benedenstroomse deel van de Amazone. Dat was het begin van de Amazone in zijn huidige vorm. Veel soorten die gebonden waren aan het gevoelige Pebas-milieu, verdwenen weer. Eigenlijk was de biodiversiteit in die tijd hoger dan nu!

De conclusie die we nu kunnen trekken is dat de Amazonische biodiversiteit veel ouder is dan wij eerst dachten, niet honderdduizenden jaren, zoals bij de glacialen, maar miljoenen jaren. Reden te meer om er zuinig op te zijn.


Auteur:

Salomon Kroonenberg is emeritus professor aardwetenschappen aan de TU Delft. Hij is ook schrijver van diverse boeken over aardwetenschappen.

Zie ook:

 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Voortgaan in de wetenschap

12. Juli 2011, 12:34

Veertig jaar geleden verdedigde ik mijn proefschrift, over de lambda calculus, een gestyleerde programmeertaal. Deze taal wordt tegenwoordig ook gebruikt voor het verifiëren van bewijzen, met als toepassing het certificeren van hardware en software. In mijn proefschrift bewees ik dat het mogelijk is om alle zogenaamd onoplosbare termen gelijk te stellen, zonder dat alles gelijk wordt. Dat werd een nieuwe lambda-theorie.



In de jaren daarna bewees ik een stelling die voor vrijwel alle lambda-theorieën geldt: Een lambda-term beeldt alle termen af hetzij op een enkele term, hetzij op oneindig vele. In 1984 verscheen mijn eerste boek: The Lambda Calculus, its Syntax and Semantics. Slechts voor één theorie in het boek – nota bene mijn eigen theorie die de onoplosbare termen identificeerde – kon ik de stelling niet bewijzen. In het boek vermeldde ik de uitspraak als vermoeden, en gaf ik hints voor een bewijs. Een aantal uitstekende onderzoekers – onder andere uit Italië en Amerika – hebben eraan gewerkt, echter zonder een bewijs te vinden.

Alonzo Church

Alonzo Church.


De lambda calculus werd uitgevonden door de Amerikaanse logicus Alonzo Church (1903-1995). Het begrip functie speelt een centrale rol in deze theorie. In de jaren dertig van de vorige eeuw was er nog geen duidelijke inzicht in wat het begrip ‘berekenbaarheid’ precies inhoudt. Church stelde voor dat berekenbaarheid ‘gevangen’ kan worden door de door hem geïntroduceerde lambda calculus.

De Engelse logicus Alan Turing (1912-1954) kwam enige tijd later met een ander voorstel voor berekenbaarheid, gebaseerd op machines, dat uiteindelijk op hetzelfde neer bleek te komen. Church en Turing waren beiden in staat een precies gesteld probleem te formuleren, dat geen berekenbare oplossing heeft. Dat is een zogenaamd onoplosbaar probleem. Die problemen waren gesteld in hun eigen formalisme (functies, respectievelijk machines).

Later kon men ook van vele wiskundige problemen aantonen dat ze onoplosbaar zijn. Zo liet de Russische wiskundige Yuri Matijasevic in 1970 zien dat voor een willekeurige Diophantische vergelijking (bijvoorbeeld x3 + y3z3 = 0) niet door berekening bepaald kan worden of er een oplossing is in de gehele getallen. Voor genoemde vergelijking is er overigens geen oplossing; dat werd bewezen door Euler in 1770 als bijzonder geval van de laatste stelling van Fermat.

Haskell Curry

Haskell Curry.


Naast Church is Haskell Curry (1900-1982) een belangrijke naam binnen de lambda calculus. Curry heeft de zogeheten types voor de lambda calculus geïntroduceerd. Beide logici heb ik nog gekend: toen ik twintig was, waren zij in de zestig. Nu ben ik in de zestig en heb ik foto’s van deze twee heren toen zij als student rond de twintig waren, geplaatst in mijn tweede boek. Dat boek Lambda calculus with types, geschreven met Wil Dekkers en Richard Statman, zal volgend jaar bij Cambridge University Press verschijnen.

Ik trad in de voetsporen van Church en Curry, en – zoals dat gaat in de wetenschap – is er nu weer een nieuwe generatie van jonge wiskundigen die mij navolgt. Onlangs zat ik in de promotiecommissie van Andrew Polonsky, een jongeman uit de Oekraïne, die promoveerde aan de universiteit van de Noorse stad Bergen. Hij heeft op een schitterende manier het bovengenoemde probleem opgelost dat ik ruim dertig jaar geleden formuleerde.

Andrew Polonsky

Andrew Polonsky.


Polonsky heeft heel goed naar de voorbeelden uit mijn boek uit 1984 gekeken, die ik aangaf in een poging om het vermoeden te bewijzen. Die heeft hij op verbluffende wijze gecombineerd met eigen ideeën. Hij vond een term die de lambda-termen op precies twee termen afbeeldt, hetgeen mijn vermoeden weerlegt. Het is prachtig dat dit puzzelstuk nu eindelijk is gelegd.


Lees hier een achtergrondartikel van Henk Barendregt: Functioneel Programmeren (pdf).


Auteur:

Henk Barendregt

Henk Barendregt, hoogleraar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hij wordt mondiaal beschouwd als een van de meest gezaghebbende onderzoekers op het gebied van de lambda calculus, een onderdeel van de wiskundige logica.

 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een herinnering verjaart niet

05. Juli 2011, 15:19

Bijna elke dag confronteert de media ons met nieuwe berichten over kindermisbruik. Recent lazen we bijvoorbeeld over de vele beschuldigingen van kindermisbruik tegen priesters in de kerk. Of Robert M., die zich in onder andere kinderdagverblijf het Hofnarretje aan minstens 85 zeer jonge kinderen zou hebben vergrepen.

De nadruk ligt in deze berichten vaak op de dader. En terwijl verhalen over de dader breed worden uitgemeten in de pers, is er veel minder aandacht voor de gevolgen voor het slachtoffer. Dit is ook wel te begrijpen, want we kunnen onze vinger maar moeilijk leggen op de gevolgen van kindermisbruik voor het slachtoffer.

Een ding is wel zeker: kindermisbruik resulteert vaak in psychologische gevolgen op lange termijn. Mensen rapporteren achteraf de symptomen van wat psychologen een post-traumatische stressstoornis noemen. Dit is een angststoornis die je oploopt na het trauma. Als je hier last van hebt, denk je vaak de hele tijd aan wat er is gebeurd, ook al wil je dat helemaal niet. De gedachten komen plots en ongewild naar boven. Je hebt nachtmerries, vermijdt sociale contacten en gaat allerlei locaties en personen die herinneringen kunnen oproepen aan het misbruik uit de weg.

Maar hoe zit dat als je nog heel jong bent ten tijde van het misbruik? Zo jong, dat je niet beseft dat je wordt misbruikt? Een kind van drie jaar heeft geen notie van wat seks is, laat staan wat seksueel misbruik is. Kinderen dragen gedurende vele jaren deze onaangename ervaring met zich mee, zonder een stempel te kunnen drukken op wat hen overkomen is. Pas jaren later kan een bepaalde gebeurtenis hen doen beseffen dat ze het slachtoffer zijn geweest van kindermisbruik. Ze krijgen seksuele voorlichting op school, zien een film over seksueel misbruik, of ontmoeten de dader opnieuw. Plots vallen de puzzelstukjes in elkaar.

Mensen zijn dan vaak zo verrast dat ze concluderen dat ze het altijd hebben verdrongen. Ze achten het onmogelijk dat ze al die tijd het misbruik hebben onthouden en redeneren dan maar dat de herinnering er tot nu toe gewoon niet was. Ze spreken van een hervonden herinnering. Nadat in de pers zoveel aandacht was voor de beschuldigingen van priesters zijn bijvoorbeeld veel slachtoffers hun nare ervaringen in de kindertijd in een ander daglicht gaan zien. Ze realiseerden zich dat ze slachtoffer waren geweest van kindermisbruik.

Sommige mensen kijken erg kritisch naar deze aantijgingen. Ze vragen zich af of deze herinneringen wel echt zijn, en suggereren dat een groot deel fictief is. Dit lijkt echter onwaarschijnlijk. Het cruciale element dat kan leiden tot fictieve herinneringen, is suggestie en dat is in dit soort zaken niet aan de orde.

Wanneer je jaren later beseft dat je slachtoffer bent van kindermisbruik, kan dit leiden tot angst en depressie. Je beleeft jaren later als het ware een hertraumatisering. Dat maakt het schrijnend dat er in veel gevallen van kindermisbruik geen rechtszaak van komt, omdat het misdrijf ondertussen is verjaard. Maar het trauma en de psychologische gevolgen voor het slachtoffer verjaren niet. Het is de vraag hoeveel gevallen van kindermisbruik nog naar boven moeten komen voordat wetgevers aan dit principe van verjaring gaan tornen.

  Auteur:

Elke Geraerts

Elke Geraerts doet aan de Erasmus Universiteit psychologisch onderzoek naar valse en hervonden herinneringen. Ze is bovendien lid van de Jonge Akademie.

 



Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Ruimtevaart in het klein

17. Juni 2011, 15:37

Begonnen als een stil gevecht tussen de VS en de toenmalige Sovjet-Unie laat ruimtevaart menig hart sneller kloppen. Het romantische plaatje werd helemaal compleet toen op 21 juli 1969 om 02:56:20 UTC Neil Alden Armstrong als eerste mens voet op de maan wist te zetten. Vanaf dit moment zou ruimtevaart steeds meer bij ons dagelijks leven worden betrokken en binnen enkele jaren zou elke wetenschapper zijn experimenten in de ruimte kunnen uitvoeren.

Dat dit plaatje slechts een illusie is, blijkt wanneer we teruggrijpen naar het kasboekje van de ruimtevaart. Los van de enorme ontwikkelingskosten (van bijvoorbeeld space shuttles en raketten), kost het namelijk een slordige twintigduizend euro om een gewicht van een kilo de ruimte in te lanceren (het zou dan 50% van het Nederlands bruto nationaal product kosten om met de 12.500 ton wegende CMS-detector van CERN experimenten te kunnen doen in het ISS). Kortom, ruimtevaart is duur. Te duur om op grote schaal wetenschappers te kunnen voorzien van een microzwaartekrachtomgeving.

Paraboolvluchten

Om wetenschappers toch de mogelijkheid te geven gewichtloos experimenten uit te voeren, organiseert de European Space Agency (ESA) sinds 1984 paraboolvluchten. Sinds 1997 doet ze dat in samenwerking met het Franse bedrijf Novespace in Bordeaux (Frankrijk), waar een omgebouwde Airbus A300 paraboolvormige banen beschrijft.

Paraboolvlucht

Een schematische weergave van de paraboolvormige baan die het omgebouwde vliegtuig aflegt.


Het paraboolvormige traject dat dit vliegtuig beschrijft, bestaat grofweg uit drie delen. In het eerste deel trekt het vliegtuig op (de ‘pull-up’-fase). Tijdens deze fase is het zwaartekrachtniveau aan boord van het vliegtuig ongeveer twee maal het normale niveau op aarde.

Zero-G vliegtuigPopup

De omgebouwde Airbus, Zero-G gedoopt, maakt paraboolvluchten in de buurt van het Franse Bordeaux. Afbeelding: © Novespace


Wanneer het vliegtuig onder een hoek van 47° met de horizon vliegt, wordt het motorvermogen zo gereduceerd dat hierna slechts de luchtwrijving van het vliegtuig wordt overwonnen.

Vanaf dit moment beschrijft het vliegtuig een paraboolvormig traject (als een voetbal die onder een hoek van 47° wordt weggeschopt) en verkeert het in vrije val. Gedurende 20 seconden ondervinden apparatuur en mensen in het vliegtuig geen zwaartekracht en kunnen experimenten onder deze unieke condities worden uitgevoerd.

Tenslotte, om een te harde landing te voorkomen, wordt onder ervaring van wederom bijna twee maal de zwaartekracht de neus van het vliegtuig weer horizontaal opgetrokken (de ‘pull-out’-fase).

Technisch en maatschappelijk nut

Vaak zijn de geldbedragen die worden geïnvesteerd in ruimtevaart en microzwaartekrachtsonderzoek niet specifiek te rechtvaardigen in de zin van nuttige toepassingen waar de hele maatschappij iets aan heeft. Toch blijkt uit de lange lijst met ontdekkingen en ontwikkelingen uit de ruimtevaart, dat de maatschappij wel degelijk baat heeft bij deze activiteiten. Denk hierbij aan: koolstofvezels waaruit onder andere tennisrackets worden gemaakt, zonnepanelen, luchtkussens in Nike-sportschoenen, babymaaltijden, satelliettelevisie, navigatiesystemen, anti-aanbaklagen, professionele zwempakken, enzovoort.

Gewichtloze onderzoekers

Onderzoek in microzwaartekracht: ruimtevaart in het klein.


Kortom, paraboolvluchten bieden wetenschappers, tegen relatief lage investering, volop de mogelijkheid om bij zwaartekrachtloosheid experimenten te doen en zo bij te dragen aan de ontwikkeling van misschien wel een zwevende toekomst. Een soort ruimtevaart in het klein.


Auteur:

Job Beckers

Ir. Job Beckers is plasmafysicus aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Hier doet hij onderzoek naar complexe en stoffige plasma’s.

 














Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Kennislink Gastcolumn

16. Juni 2010, 15:16

De gastbijdragen van wetenschappers voor de Nederlandse wetenschapssite Kennislink.nl leest u binnenkort ook hier.

Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken