Achilles en de schildpad (2)
In mijn vorige logje beschreef ik, aan de hand van een beroemde hardloopwedstrijd tussen de Griekse held Achilles en een schildpad, een belangrijke methode die in de moderne natuurkunde bekend staat als storingsrekening. In dit logje zullen we zien hoe de storingsrekening soms tekortschiet in het beschrijven van experimenten met elementaire deeltjes, en hoe een recente ontdekking het mogelijk maakt de resultaten te verbeteren.
Storingsrekening in het kort
De taakomschrijving van een natuurkundige is in grote lijnen heel simpel:
- Maak een model dat bepaalde aspecten uit de wereld om ons heen beschrijft,
- Reken met het model de uitkomsten van denkbeeldige experimenten uit,
- Vergelijk de resultaten met de uitkomsten van daadwerkelijke experimenten,
- Als de tests succesvol zijn, gebruik het model dan om nieuwe verschijnselen te voorspellen.
Van deze vier stappen is de tweede degene die in de populairwetenschappelijke literatuur verreweg het minste besproken wordt. Het is immers de meest technische stap, en daardoor vaak de minst interessante om in detail uit te leggen. Toch zijn er ook op dit gebied allerlei interessante ontwikkelingen gaande. In deze serie logjes wil ik twee van die recente ontwikkelingen beschrijven.
Het vervelende van het rekenwerk dat de natuurkundige moet doen, is dat berekeningen in veel modellen niet exact gedaan kunnen worden. De formules die moeten worden toegepast, zijn vaak bijzonder gecompliceerd, en kunnen noch met de hand, noch met de computer precies worden opgelost. Het idee van storingsrekening is om eerst een berekening te doen in een eenvoudiger model, waarin de uitkomst wél exact bepaald worden. Dat model wordt vervolgens vervormd ("verstoord") tot het echte model.
Een beroemde grap over natuurkundigen luidt als volgt. Een veehouder merkt dat de melkproductie van zijn koeien al enige weken ver beneden de maat is. Hij verandert de voeding van de beesten, bouwt een betere stal, probeert het zelfs met muziektherapie, maar wat hij ook doet, de koeien blijven veel te weinig melk geven. Uiteindelijk vraagt de veehouder een bevriend theoretisch fysicus om eens naar de koeien te komen kijken. De natuurkundige observeert het gedrag van de beesten een tijdje, trekt zich terug in de studeerkamer, en komt drie uur later juichend terug. "Ik heb de oplossing gevonden! Er is alleen nog één probleempje - het werkt alleen voor bolvormige koeien in een vacuüm..."
De clou van de grap geeft goed weer hoe natuurkundigen vaak te werk gaan. Een probleem wordt eerst in een eenvoudige situatie opgelost - bijvoorbeeld in een vacuüm - waarna correcties worden berekend voor de afwijking van die situatie - in dit geval, door uit te rekenen wat de belangrijkste effecten van de aanwezige luchtdruk zijn. Vaak is dit een iteratieve procedure. Er wordt een eerste correctie berekend, daarna een correctie op de correctie, daarna een correctie op de correctie op de correctie, enzovoort. Zulke opeenvolgende correcties noemen we correcties van de eerste orde, tweede orde, enzovoort. Dit proces wordt net zo lang herhaald tot de werkelijke uitkomst van het probleem voldoende dicht benaderd is.
Feynmandiagrammen
Een belangrijk natuurkundig model waarin op deze manier berekeningen worden gedaan, is het zogenaamde standaardmodel van de elementaire deeltjes, of kortweg het "standaardmodel". Dit model beschrijft hoe de diverse soorten elementaire deeltjes waaruit de wereld om ons heen is opgebouwd - elektronen, quarks, neutrino's, enzovoort - zich gedragen en met elkaar wisselwerken. De sterkte van de wisselwerkingen tussen de verschillende soorten deeltjes (zoals bijvoorbeeld de elektromagnetische kracht) wordt bepaald door een aantal natuurconstanten, die "koppelingsconstanten" worden genoemd.
Het berekenen van exacte uitkomsten van experimenten in het standaardmodel is enorm gecompliceerd, en dus wordt ook hier gebruik gemaakt van de storingsrekening. De uitkomsten worden eerst berekend in de ideale situatie waarin alle koppelingsconstanten nul zijn, waarna de correcties worden bepaald voor het feit dat die constanten in de praktijk níet gelijk aan nul zijn.
Hoewel de berekening van die correcties zelf gecompliceerd is, bestaat er een grafische weergave van die berekeningen, ontwikkeld door de Amerikaanse fysicus Richard Feynman, die op een eenvoudige manier duidelijk maakt wélke correcties moeten worden berekend. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar een experiment waarin een deeltjesversneller twee deeltjes afvuurt die een wisselwerking met elkaar kunnen hebben. In de modelsituatie waarin alle koppelingsconstanten nul zijn, is er helemaal geen wisselwerking, en vliegen de twee deeltjes zonder elkaar te beïnvloeden rechtdoor. Feynman gaf dat aan met behulp van het volgende diagram:

Wanneer we nu de koppelingsconstante voor deze specifieke wisselwerking "aanzetten", kunnen de deeltjes wél interactie met elkaar hebben. Een van de manieren waarop dat kan, is doordat de deeltjes elkaar ontmoeten en samensmelten tot een nieuw deeltje, dat na een tijdje weer uit elkaar valt, waarna de oorspronkelijke deeltjes elk hun eigen weg gaan. Dit gaf Feynman aan met het volgende diagram:

Ook ingewikkelder interacties zijn natuurlijk mogelijk - zie bijvoorbeeld dit diagram, waar de deeltjes elkaar twee keer ontmoeten en samensmelten, om vervolgens weer te vervallen in de oorspronkelijke deeltjes:

Het moge duidelijk zijn dat we op deze manier tot in eeuwigheid door kunnen gaan met het tekenen van mogelijke interactiediagrammen. Het is echter intuïtief ook duidelijk dat niet alle soorten van interacties even waarschijnlijk zijn. De kans dat deeltjes elkaar tweemaal ontmoeten en samensmelten is natuurlijk kleiner dan de kans dat ze elkaar maar eenmaal ontmoeten.
Feynman maakte dat idee heel precies: hij toonde aan dat we de uitkomst van een experiment als volgt kunnen berekenen. Bereken eerst de uitkomst in de theorie waarin alle koppelingsconstanten nul zijn - die berekening komst dus overeen met het eerste diagram hierboven. De belangrijkste correcties komen vervolgens van de interacties waarbij de diagrammen een zo klein mogelijk aantal "kruispunten" hebben. In het tweede diagram hierboven zijn er bijvoorbeeld twee. Er zijn echter meer diagrammen waarin maar twee kruispunten voorkomen, bijvoorbeeld het geval waarin een van de twee deeltjes een nieuw deeltje uitzendt, dat vervolgens door het tweede deeltje wordt opgevangen:

Om een goede eerste-ordebenadering van het eindantwoord te krijgen, moeten we in berekeningen voor dit soort wisselwerkingen rekening houden met álle diagrammen met twee kruispunten. Vervolgens kunnen we een benadering van tweede orde maken door ook interacties met vier kruispunten mee te nemen in de berekeningen. (Het blijkt dat in diagrammen zoals ik die hierboven heb getekend alleen interacties met een even aantal kruispunten kunnen voorkomen. Er zijn ook modellen waarin dat niet zo is - als bijvoorbeeld de deeltjes met elkaar zouden kunnen botsen waarna ze direct weer verder vliegen zou er een diagram in de vorm van een X met een enkel "vierpuntskruispunt" zijn. In dat geval zou dat diagram dus een eerste-ordecorrectie op de berekening weergeven.) Het derde diagram hierboven in bijvoorbeeld zo'n diagram met vier kruispunten, maar er vallen er nog veel meer te tekenen - bijvoorbeeld het diagram voor het geval waarin een deeltje tweemaal een ander deeltje uitzendt, waarna allebei de uitgezonden deeltjes door het andere deeltje worden opgevangen:

Voor alle interacties van deze vorm moet in de berekening gecorrigeerd worden om een goede tweede-ordebenadering van de uitkomst van een experiment te berekenen.
Een grote vereenvoudiging
Wie er een stuk papier en een pen bijpakt, zal snel zien dat het tekenen van alle Feynmandiagrammen met bijvoorbeeld zes of acht kruispunten een hele klus is. Het aantal diagrammen groeit snel als we het aantal kruispunten groter maken - en dat wordt alleen maar erger als in het model meerdere soorten deeltjes voorkomen (die we bijvoorbeeld kunnen weergeven door lijnen met verschillende kleuren), als er ook X-vormige kruispunten mogelijk zijn, als we ook bepaalde eigenschappen van de deeltjes willen aangeven (bijvoorbeeld hun lading of hun heliciteit - zie verderop), enzovoort.
Daar komt nog eens bij dat voor de meeste experimenten het berekenen van de correctie die elk Feynmandiagram voorstelt op zich al een flinke klus is. Stel dat we bijvoorbeeld willen uitrekenen wat de kans is dat bij een botsingsexperiment in de Large Hadron Collider bij het CERN in Genève het beroemde Higgsdeeltje gevormd wordt. Wat de Feynmandiagrammen ons laten zien, is dat in een dergelijke berekening het rekenen met correcties van bijvoorbeeld derde of vierde orde een hels karwei wordt. Zelfs met snelle computers komt men in zulke berekeningen meestal niet verder dan een orde of twee, drie.
De experimenten in grote deeltjesversnellers zoals de Large Hadron Collider worden echter intussen steeds beter. Gevolg: er zijn tegenwoordig diverse experimenten waarvoor "meetprecisie" en "rekenprecisie" elkaar nauwelijks meer ontlopen. Om de betreffende modellen beter te testen, zijn dus niet alleen betere experimenten nodig; we moeten ook op zoek naar nieuwe rekenmethodes die de diverse correcties effectiever bepalen dan de storingsrekening met behulp van Feynmandiagrammen dat doet.
Jarenlang leek dit een onbegonnen zaak, en werd de methode van de Feynmandiagrammen gezien als de enige realistische manier om dit soort berekeningen te doen. Recent is daar echter verandering in gekomen. Zoals zoveel ontwikkelingen in de moderne theoretische natuurkunde begon deze ontwikkeling, inmiddels zo'n acht jaar geleden, met een idee van de Amerikaanse fysicus Edward Witten. Witten werkte het idee verder uit met een aantal van zijn collega's (met name Freddy Cachazo), waarna een groot aantal fysici - in het bijzonder de groep van Lance Dixon, Zvi Bern en David Kosower - de ideeën op grote schaal begon toe te passen op modellen die sterk lijken op de modellen die moderne botsingsexperimenten beschrijven.
In heel grote lijnen komt het idee hierop neer. Zoals gezegd is het aantal Feynmandiagrammen van een bepaalde orde (dus met een bepaald aantal "kruispunten") vaak enorm groot. Het blijkt echter dat zulke diagrammen slim gegroepeerd kunnen worden. De groepen bestaan uit diagrammen die bepaalde eigenschappen gemeen hebben - bijvoorbeeld dat de deeltjes vóór en ná de botsing een bepaalde heliciteit hebben. Heliciteit is een eigenschap die is te vergelijken met de polarisatie van licht: het is een grootheid die aangeeft "in welke richting een deeltje trilt". In het geval van licht kunnen we die polarisatie mooi zien met behulp van een polaroidzonnebril: wanneer we met zo'n bril naar een strakblauwe hemel kijken, zal de hoeveelheid licht die de bril doorlaat sterk veranderen als we de bril wat draaien. Een polaroidbril laat namelijk alleen licht door dat in een bepaalde richting gepolariseerd is. Als we de bril dus zo draaien dat die richting samenvalt met de polarisatie van het zonlicht zien we veel licht; draaien we de bril een kwartslag zodat de richtingen loodrecht op elkaar staan, dan zien we weinig zonlicht.
Wanneer we nu in een berekening alle correcties optellen die weergegeven worden door diagrammen met een vast gekozen heliciteit voor de deeltjes, blijkt iets bijzonders: de wiskundige eigenschappen die de berekeningen voor de diagrammen in de groep gemeen hebben, beperken tot op grote hoogte de vorm die het antwoord kan hebben! Iets soortgelijks geldt als we de diagrammen groeperen aan de hand van de ladingsverdeling die de deeltjes hebben. Bij elkaar zijn deze beperkingen dusdanig groot dat ze het rekenwerk aanzienlijk vereenvoudigen. In plaats van het uitrekenen van de correctie voor elk diagram afzonderlijk, kunnen de diagrammen in een groep nu namelijk tegelijkertijd doorgerekend worden, en kan de totale correctie voor de hele groep diagrammen met een betrekkelijk eenvoudige berekening bepaald worden. Op die manier kan het uitrekenen van duizenden of zelfs miljoenen correcties vereenvoudigd worden tot het uitrekenen van correcties voor enkele, of hooguit enkele tientallen, groepen van diagrammen. Een forse vereenvoudiging!
Het zou wat ver gaan om te zeggen dat deze nieuwe rekenmethode al op grote schaal bij experimenten wordt toegepast. Een groot deel van de toepassingen van de methode is nog altijd in een klasse van modellen die daarvoor nét iets te ver van de experimentele werkelijkheid af staan - de beroemde "supersymmetrische" modellen, bijvoorbeeld. Ook die modellen hebben echter een duidelijke overlap met meer realistische modellen, en het lijkt erop dat de nieuwe rekenmethode ook in berekeningen voor echte experimenten uiteindelijk tot grote vereenvoudigingen kan leiden.
In het derde en laatste deel van deze serie zal ik nog een andere recente ontwikkeling beschrijven die ertoe bijdraagt dat we als natuurkundigen langzaam maar zeker leren om méér te doen dan alleen storingsrekening. Nog lang niet alle koeien die we beschrijven hebben daarmee twee horens en vier poten, maar het aantal berekeningen dat bolvormige koeien in vacuüm beschrijft, wordt gelukkig steeds kleiner.
Geschreven in Wetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken

Daarmee, zou je zeggen, is alles over deze simpele hardloopwestrijd wel gezegd. Niets is echter minder waar. Laten we hetzelde antwoord om dat te zien op nog twee andere manieren schrijven:
| 