Naar huis, helaas zonder diamanten

16 Mei 2010, 09:19
Overal waar de expeditie de voorbije weken voet aan wal heeft gezet – om te kamperen of om onderzoek te doen – werd het pad geëffend door Nicaise Amundala Drazo, knaagdierspecialist aan de Universiteit van Kisangani en tevens de man die overal voorop wordt gestuurd om naar het bos vluchtende kinderen gerust te stellen – echt gebeurd – en aan iedereen uit te leggen wat de bedoeling van de hele onderneming is. Op plaatsen waar een blanke een zelden of nooit gezien curiosum is, is dat niet evident, en de wetenschappers worden meer dan eens als diamantzoekers aangezien. Leg maar eens uit dat je met drie boten, bijna honderd mensen en een hoop vreemd uitziend materiaal bent uitgerukt om waterstalen te nemen en wat planten, slakken en vogels te verzamelen – die je dan nog niet eens opeet…

Elk dorp heeft zijn ‘chef du village’ en het is vooral van belang om die gunstig te stemmen. Een niet te onderschatten taak, zeker wanneer de wetenschappers in de wijde omtrek onderzoek willen doen en daarbij telkens het grondgebied van andere dorpen betreden. Zout, suiker, zeep, sigaretten en wat geld kunnen de chefs er doorgaans wel van overtuigen hun medewerking te verlenen – al bestaat die niet zelden gewoon uit het achterwege laten van tegenwerking. Begrijpelijk, in een land waar veel mensen niet veel meer ‘bezitten’ dan het woud waarin ze leven en de rivier waarin ze vissen. Plaatselijk ingehuurde gidsen kunnen er zich vervolgens van vergewissen dat we inderdaad zo gek zijn als we beweren te zijn en geen enkele diamant opdiepen.

De vondsten mogen dan niet meteen van die aard zijn dat ze de wetenschappers toelaten hun job op te zeggen, de eerste weken van de expeditie zijn wel vruchtbaar geweest. Nu al kan met zekerheid worden gezegd dat een aantal van de verzamelde soorten nog nooit in dit gebied werden waargenomen of zelfs helemaal nieuw zijn voor de wetenschap – dat geldt onder meer voor twee nieuwe spitsmuissoorten, twee kikkersoorten en twee libellensoorten. En dan zijn er nog een aantal met wetenschappelijke voorzichtigheid als ‘interessant’ omschreven vondsten waarover verder onderzoek uitsluitsel moet brengen.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

De mediaboot zet nu koers naar Bumba, voor de gelegenheid ook met een deel van de Europese wetenschappers aan boord. Voor hen en voor de pers is dit de eindhalte. Vers ingevlogen collega’s zullen tijdens het tweede deel van de expeditie hun onderzoek verderzetten. Omdat het in de streek rond Mbandaka nog steeds onveilig is, zal de expeditie niet zoals gepland verderreizen naar Kinshasa, maar terugvaren naar Kisangani en onderweg op nieuwe plaatsen stoppen. Jammer, want een aantal gebieden meer stroomafwaarts waren zeer interessant omdat ze minder door mensen zijn verstoord.  Maar wie hier een expeditie op poten wil zetten, moet kunnen improviseren, net zoals de gemiddelde Congolees.


- Einde -


Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Creatief met kevers

14 Mei 2010, 10:37

Na tien minuten houdt het gebulder op en de witte rook trekt langzaam weg. Patrick Grootaert, entomoloog aan het KBIN, en Jean-Louis Juakaly, arachnoloog aan de Universiteit van Kisangani, bestuderen kleine beestjes maar zetten daarvoor grove middelen in. Ze hebben zonet een kleine slachtpartij aangericht in de boomkruin boven onze hoofden. Een soort kanon braakt een snel afbrekend insecticide uit dat met de opstijgende luchtstromen in de kruin terechtkomt en daar alle spinnen en insecten doodt. Die vallen naar beneden, recht in de lakens die beide wetenschappers onder de boom hebben opgehangen, samen goed voor 72 vierkante meter vangnet. Na een paar uur wachten, als het onwaarschijnlijk is dat er nog veel naar beneden zal tuimelen, kan de oogst worden samengeveegd en meegenomen voor verder onderzoek. Over de diversiteit van de insecten valt niet alleen hier, maar wereldwijd nog veel te leren. De soorten die op dit moment zijn beschreven, vertegenwoordigen volgens Grootaert slechts tien procent van het totaal. 


Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

Wat verderop in het bos pakt Bruno Le Ru het wat bescheidener aan. De aan het Centre International de Physiologie et d’Ecologie des Insectes (CIPEI) verbonden entomoloog is enkel gewapend met een snoeischaar. De man is één van de weinigen op wie deze afmattende expeditie geen vat lijkt te hebben en hij blijft erin slagen elke ochtend weer dezelfde met de jungle vloekende scheermesjesreclamefrisheid uit te stralen. Le Ru is vooral geïnteresseerd in rupsen van nachtvlinders die zich in bladstengels schuilhouden en waarvan sommige soorten landbouwgewassen aantasten. Door de diversiteit en de verspreiding van de diertjes te bestuderen, hoopt hij te weten te komen waarom sommigen zich tot gewasbeschadigers hebben ontwikkeld en wat daaraan kan worden gedaan. De beestjes hebben echter ook pluspunten: sommigen zijn een lokale lekkernij (ondanks een wat vies nasmaakje), net als termieten (niet slecht met een beetje pili-pili), kevers (lekker, maar de schildjes blijven wat tussen de tanden zitten) en zelfs bepaalde spinnensoorten (nog niet geproefd). 


Terwijl we door het woud stappen, vertelt Grootaert begeesterd over vliegenlarven die kunnen worden ingezet bij de verwerking van varkensmest ‘Prrrachtig!’ en over termietenkolonies met schimmelboerderijen en verschillende soorten soldaten ‘Gruwelijk merkwaardig!’. De man staat hier niet voor niets bekend als de Jan Hoet van de entomologie  en is voor 90 procent opgetrokken uit kennis en enthousiasme. Dat enthousiasme neemt af als we voorbij de netten wandelen waarmee de vogels en vleermuizen worden gevangen. Grootaert heeft zo zijn bedenkingen bij de manier waarop dat gebeurt, en hij is niet de enige. Doordat de netten maar een paar keer per dag worden leeggemaakt, proberen de dieren zich gedurende uren wanhopig los te rukken – waardoor ze enkel meer verstrikt raken – en sterven velen een langzame, pijnlijke dood. Vaker controleren, of iemand permanent in de buurt van de netten laten kamperen, blijkt praktisch niet haalbaar. Vreemd hoe wetenschappers, die als geen ander weten hoe de dieren die ze bestuderen in elkaar zitten, zich niet wat meer moeite getroosten om wat zorgvuldiger met ze om te springen…


Als het weer meezit, zorgen de drie mannen ’s avonds voor hun eigen wetenschappelijk verantwoorde vorm van entertainment. Met een uv-lamp op een lange stok lokken ze insecten uit de wijde omtrek. Een tweede lamp leidt de beestjes naar een groot wit laken, waarop het onder meer krioelt van de kevers, nachtvlinders en vliegende mieren. Grootaert trekt het hemd ver over zijn hoofd om te vermijden dat in deze chaos diertjes in zijn oren terechtkomen. Le Ru maakte het ooit mee, en er kwam een dokter aan te pas om de ongenode gast te verwijderen. Hij graait hier de nachtvlinders van het laken, Grootaert ontfermt zich over de rest. Elke avond dagen er nieuwe soorten en nieuwe kijklustigen op. Het is maar de vraag of die voor het schouwspel op het doek komen, of voor de rare snuiters die het gadeslaan…




Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Een bedreigde soort

12 Mei 2010, 15:14
De karavaan trekt verder en meert zo’n 30 uur later ongeveer 200 kilometer verder stroomafwaarts aan langs de oevers van de Itimbiri, een zijrivier van de Congostroom. Niet in een dorp dit keer, maar bij een tijdelijke vissersverblijfplaats die enkele maanden per jaar door inwoners van Bumba wordt bewoond. Van volkshysterie is hier geen sprake. Een handvol mannen slaat het opzetten van de tenten gelaten gade, al verraden hun blikken dat wie zou pleiten voor meer (jonge, knappe) vrouwen in de wetenschap in hen een vurig bondgenoot zou vinden.

Het traject is in één ruk afgelegd, geen evidentie met twee volgepakte boten waarvan op eentje af en toe de geur van de dood voorbij komt waaien - of het de kikker - of de vogelcollectie is, of een in het ruim aan zijn einde gekomen rat, blijft voorlopig een mysterie. Maar iedereen maakt er het beste van. Intussen kunnen wat gegevens in de computer worden ingevoerd en slapen gebeurt in de mate van het mogelijke op elk vrij plekje, tot op het dak. Een nachtje onder een prachtige sterrenhemel, dobberend op de Congorivier, een mens maakt het niet elke dag mee, al had het ook zonder die verrassende tussenstop in een boomkruin gemogen.

Hoewel de reis lang, en de nacht kort is geweest, willen de wetenschappers meteen de omgeving verkennen, om in te schatten of ze hier veel al dan niet nieuwe soorten zullen kunnen verzamelen, maar een regenbui jaagt iedereen weer de boot in. In tegenstelling tot wat iedereen denkt, valt met dat ontdekken en beschrijven van nieuwe soorten weinig eer te behalen, vertelt Klaas Douwe Dijkstra, entomoloog verbonden aan het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis, en zelf ontdekker van een aantal libellensoorten. Wetenschappers worden beoordeeld op de ‘impact factor’ van hun publicaties, het aantal keer dat ze worden geciteerd, en dat valt bij een artikel waarin een nieuwe soort wordt beschreven nogal tegen. Wie vandaag wil scoren moet zich met moleculaire biologie bezighouden. Uit het opstellen van een soortbeschrijving valt volgens Dijkstra bovendien weinig arbeidsvreugde te halen.

Platycypha eliseva.Wel leuk is natuurlijk het gevoel op het moment zelf, het vermoeden – of in een zeldzaam geval de zekerheid – dat je op iets nieuws stuit. Daar hoort ook het verzinnen van een nieuwe naam bij, en de rijzige Nederlander gaat daarbij niet over één nacht ijs. Zo vliegt ergens in Congo de libel Platycypha eliseva rond. Eliseva is het Hebreeuwse equivalent van ‘Elisabeth’ en betekent zoveel als ‘de overdaad van God’, een omschrijving die met een beetje goede wil met biodiversiteit in verband kan worden gebracht. Verder verwijst de naam naar de vindplaats Lokutu - vroeger Elisabetha genoemd, naar de vrouw van Albert I - naar een ex-vriendin én naar de vrouw en dochter van Linnaeus, de peetvader van de taxonomie die zich tot doel had gesteld een beetje orde te scheppen in Gods creatie. Zo ver hoeft het natuurlijk niet altijd te gaan. De met minder creativiteit bedeelde bioloog kiest een naam die verwijst naar een eigenschap van het dier, de vindplaats of de naam van een verdienstelijke collega, al blijkt ook een familielid, een straat in Antwerpen of een pornoster geen probleem te zijn.

Maar door de geringe waardering voor hun werk en de toenemende populariteit van de moleculaire biologie zijn taxonomen – wetenschappers die gespecialiseerd zijn in het herkennen en beschrijven van soorten – een uitstervend ras. Volgens Massimilano Virgilio (foto), moleculair bioloog verbonden aan het KBIN en het KMMA, is dat jammer en verwachten we te veel van de ‘genetische barcode’ (zie ‘Zie ginds komt de expeditieboot’) om soorten te herkennen. De techniek staat nog niet op punt en de bibliotheken met referentiemateriaal waarmee DNA kan worden vergeleken, zijn nog erg beperkt. De dag dat na de invoer van een beetje genetisch materiaal een soortnaam op een scherm verschijnt, is dus nog veraf, en Virgilio vreest dat met de laatste taxonomen ook een schat aan kennis zal verdwijnen. Misschien komt een nieuwe generatie klassieke taxonomen wel uit landen zoals Congo, al was het maar omdat de infrastructuur om DNA-analyses te doen er veelal ontbreekt.




Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Aap met groentjes

10 Mei 2010, 22:36
Het wetenschapsdorp is intussen een gewoon onderdeel van Yaekela geworden, al brengt de aanwezigheid van de wetenschappers wel wat extra bedrijvigheid te weeg. Jong en oud komen aandraven met vissen, vleermuizen, slangen, vogels en verder zowat alles wat hier in de wijde omgeving rondvliegt en -kruipt. Het leverde de vissenspecialisten alvast een zeldzame albinokatvis op.

Soms is de aangeboden koopwaar wel erg bijzonder. Twee jonge mannen zijn met een levend bavianenjong naar het kamp afgezakt. Ze hebben het naar eigen zeggen op amper tien kilometer van hier gevangen, op een plek waar ook chimpansees zouden leven. Het jong zal worden verkocht, hetzij als huisdier, hetzij om te worden opgegeten zodra het wat meer vlees aan de knoken heeft. Dat lukt volgens de mannen het best in Kisangani, waar vooral de expats die er voor de Monuc werken goede klanten schijnen te zijn.

Het eten van apenvlees en bij uitbreiding van allerlei andere soorten bush meat of ‘bosvlees’ is hier heel gewoon. De meeste mensen hebben dan ook weinig alternatieven. Volgens de Bushmeat Crisis Task Force (BCTF) is bosvlees de belangrijkste bron van eiwitten voor 40 tot 60 procent van de 24 miljoen mensen die in Centraal Afrika leven. Ook op de markt van Yaekela is een gerookte aap te koop. Het zwartgeblakerde dier is onmogelijk te identificeren, maar Anne Laudisoit krijgt na lang aandringen de toestemming om een beetje weefsel mee te nemen, zodat op basis van het DNA de soort kan worden achterhaald. Enkele jagers zijn erbij komen staan. Ze vertellen hoe ze met vallen kleine bosantilopen vangen en Anne laat ze in een fotoboek aanwijzen welke diersoorten hier in de omgeving voorkomen, een handige methode om snel meer te weten te komen over dit gebied.

Volgens de BCTF wordt in Centraal-Afrika ongeveer een miljoen ton woudvlees per jaar gegeten. Bosantilopen zijn de meest gegeerde prooi, omdat ze relatief makkelijk en goedkoop te vangen zijn. Nemen die te sterk in aantal af, dan wordt op primaten gejaagd. Dat is iets lastiger, want daarvoor zijn geweren nodig. Worden ook die schaars, dan worden knaagdieren het voornaamste doelwit. Dat scenario heeft zich al in bepaalde delen van West-Afrika afgespeeld, waar het kappen en het leeg eten van het regenwoud hand in hand gaan.


Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

Door de toenemende jacht komen niet alleen de wildbestanden in het regenwoud onder hoge druk te staan, de consumptie van bosvlees – en vooral van primaten – is bovendien niet zonder risico omdat de dieren drager kunnen zijn van allerlei ook voor de mens gevaarlijke ziektes. Dat gezondheidsrisico wordt haast tastbaar wanneer een jongeman een aap in het dorp komt afleveren. Het dier wordt op de klassieke manier vervoerd: met de staart rond de nek geknoopt als een natuurlijk handvat. Het beest is ‘enkele dagen geleden’ geschoten en verspreidt een misselijkmakende walm. Toch zal hij dadelijk integraal, inclusief ingewanden, worden bereid, ‘met groentjes’. Ook van dit dier neemt Anne enkele stalen, en terwijl de bereiding van het feestmaal van start gaat, wordt al het daarbij gebruikte materiaal keurig verbrand. Dat we ons zonet in het huis van de schooldirecteur bevonden, doet vermoeden dat het einde van de bosvleesproblematiek nog niet direct in zicht is.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

De lelijkste zwangerschapstest ter wereld

09 Mei 2010, 20:49
Als de dag er voor de meeste wetenschappers bijna opzit, begint het werk van de amfibieën- en reptielenspecialisten pas echt. Zij trekken vooral na zonsondergang het woud in om kikkers en slangen te verzamelen. Ultieme prooi is de groene mamba, een pijlsnelle jager waarvan het gif je binnen een paar uur fataal wordt. Zacharie Chifundera, de slangenspecialist in het team, wijst naar een stok in de grond van ruim twee meter hoog en een flinke onderarm dik. Zo groot worden de beesten ongeveer. De man weet als geen ander hoe iemand gerust te stellen. Volgens Jos Kielgast, bioloog aan de Universiteit van Kopenhagen, lopen we echter amper gevaar. Je moet al bijna op een gifslang gaan staan om gebeten te worden en bovendien hebben we antiserum tegen het gif van een hele rits soorten mee. Ik ga er maar van uit de knalrood verbrande Deen het risico beter weet in te schatten dan het gevaar van de zon.

Aan elke poel die we tegenkomen, houdt het team halt. Uit de geluiden kunnen de wetenschappers meteen opmaken of er interessante soorten tussenzitten. Latijnse namen schieten heen en weer in de duisternis. De plassen warm, stilstaand en soms vuil water zijn dé uitgelezen plekken om allerlei tropische ziektes op te lopen, maar Kielgast en zijn Congolese collega Albert Lokasola staan er al snel tot aan het middel in. Het is geen topavond, want het heeft al een paar dagen niet meer geregend, en dan houden de beestjes zich koest. Toch weten ze er hier en daar met één vliegensvlugge handbeweging een aantal te verschalken. Na het leeggieten van de rubberlaarzen kunnen we verder. Onderweg is het uitkijken naar boomkikkers. De vaak slechts enkele centimeter grote diertjes vallen amper op tegen de achtergrond van de bladeren waarop ze zitten, maar ontsnappen niet aan het getrainde oog van de onderzoekers, die nu en dan plots stoppen om er eentje mee te grissen. Op het einde van de avond zullen ze er toch een tiental hebben weten te verzamelen. Chifundera heeft minder geluk en vangt slechts één slang. Dat brengt het aantal soorten in de reptielen- en amfibieëncollectie rond hun tenten in de buurt van de veertig.


Een van de gevangen kikkers. Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren


Maar de wetenschappers willen meer dan zoveel mogelijk soorten verzamelen. Van een aantal kikkersoorten die zowel hier als in andere delen van Centraal-Afrika voorkomen, hopen ze te acherhalen of het telkens wel echt om een en dezelfde soort gaat. Het zouden ook ‘cryptische soorten’ kunnen zijn, die er identiek uitzien maar toch verschillen. DNA-stalen en opnames van de paarkreten kunnen misschien uitsluitsel brengen. Verder willen ze zien wat het effect is van veranderingen in landgebruik op de soortensamenstelling en of een schimmel die amfibieën wereldwijd de das omdoet ook hier voorkomt en wat daarvan de eventuele gevolgen zijn.

Van tussen de bladeren op de bodem van een klein plasje, vist Kielgast een kikker van het geslacht Xaenopus op, ‘de lelijkste kikkers ter wereld’. Deze diertjes, met plat lijf en kleine oogjes, zijn populair als proefdier en ontpopten zich vanaf de jaren 1940 bovendien tot zwange
rschapstest avant la lettre: wordt de urine van een zwangere vrouw in een vrouwelijke kikker geïnjecteerd, dan begint die onder invloed van de hormonen eitjes te leggen. Kielgast vermoedt dat de Xaenopus binnenkort als laborat zal worden vervangen door de Silurana tropicalis, een kikkersoort waarvan het onlangs volledig in kaart gebrachte genoom nog meer op dat van de mens lijkt.

Kikkers liggen aan de basis van wel meer nuttige toepassingen, vertelt Kielgast terwijl de Xaenopus in een plastic zakje verdwijnt. Stoffen uit de huid van kikkers worden gebruikt in pijnstillers, antibiotica en geneesmiddelen tegen onder meer diabetes en hersentumoren. Een kikkersoort uit Zuidoost-Azië blijkt dan weer in staat te zijn om de frequenties die zijn oor binnenkomen te selecteren, een eigenschap die zou kunnen helpen bij het ontwikkelen van betere hoorapparaten. Misschien moeten sommigen hun mening over onze nachtrustverstorende vrienden toch maar herzien.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

De vergeten koolstofbron

06 Mei 2010, 13:53
Na een rit van meer dan drie uur dwars door het bos is eindelijk het geluid van kettingzagen te horen. Hier, op ruim 100 kilometer van Isangi, een stadje aan de overkant van de rivier, heeft het Amerikaans-Belgisch bedrijf Safbois een vergunning om 250.000 hectare bos te exploiteren. Vanaf deze rode zandweg, waarin vrachtwagens en machines diepe sporen hebben nagelaten, wordt het woud via smallere zijwegen stukje bij beetje aangevreten.

Dit is geen goede manier om aan houtontginning te doen, vertelt René Ngongo van Greenpeace, terwijl op de achtergrond enkele gigantische stammen op een vrachtwagen worden geladen. De man is gehuld in een t-shirt met daarop de slogan ‘Switch off’ en een foto van een gloeilamp, een vreemde boodschap in een land waar een brandend peertje voor de meerderheid van de bevolking een wilde droom is. De houtbedrijven zijn geïnteresseerd in mooie stammen van waardevolle soorten zoals sapelli, iroko en afrormosia, maar om die uit het bos te kunnen halen, moeten veel andere bomen eraan geloven. Ze keren bovendien relatief snel naar dezelfde plaatsen terug, bijvoorbeeld wanneer plots de vraag naar andere soorten toeneemt, zodat het bos geen tijd krijgt om zich te herstellen. Dat de lokale bevolking via het wegennetwerk steeds dieper het woud kan intrekken om stukken plat te branden en aan landbouw te doen, komt het herstel evenmin ten goede. Volgens Ngongo is er dringend nood aan meer doordacht, duurzaam bosbeheer.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

Volgens COMIFAC (Commission des Forêts d'Afrique Centrale) is in het Congobekken tussen 1990 en 2005 zo’n 43.000 vierkante kilometer bos verdwenen, goed voor naar schatting 630 miljoen ton koolstof. Wie de in deze bossen opgeslagen hoeveelheid koolstof wil berekenen, kan echter niet om de Congostroom en haar zijrivieren heen, vertelt François Darchambeau me aan zijn gëimproviseerde lab op een plastic keukentafel. Hier, op het benedendek van het schip, is de aan Universiteit van Luik verbonden bioloog tot ’s avonds laat bezig met het bewerken en analyseren van de waterstalen die hij overdag met de prauw of de motorfiets verzamelt.

In tegenstelling tot bossen geven rivieren zoals de Congostroom meer CO2 vrij dan ze opnemen. Een groot deel van die koolstof is uit de omringende bossen afkomstig, maar niemand weet precies hoeveel. Door de eigenschappen van de koolstofverbindingen in het water te bestuderen, kan Darchambeau achterhalen waar ze vandaan komen. Aan de hand van satellietbeelden legt hij bovendien een link tussen de hoeveelheid koolstof die hij in het water vindt en veranderingen in landgebruik. Het staat bijvoorbeeld vast dat ontbossing de hoeveelheid door de rivier afgevoerde koolstof fors doet toenemen.

Wat er onderweg met de koolstof gebeurt, is ook een raadsel. Uit eerdere studies blijkt bijvoorbeeld dat de hoeveelheid koolstof die de beter bestudeerde Amazone in zee spuwt amper een tiende bedraagt van de totale hoeveelheid die de rivier van bron tot monding vrijgeeft. Dat gebeurt voornamelijk als gevolg van de ademhaling van in het water levende micro-organismen. Darchambeau probeert ook die hier in kaart te brengen.

Zolang we de processen die zich in het water afspelen niet goed begrijpen, onderschatten we de rol van grote rivieren zoals de Congostroom als bron van CO2-uitstoot en kunnen we het belang van de bossen langs hun oevers, en de impact van ontbossing, niet correct inschatten.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Verrassing: mediaboot 'gekaapt'

04 Mei 2010, 09:39
Het lijkt te beginnen regenen, maar dat is het niet. Voor onze voeten marcheert een leger termieten voorbij en het zijn er zo veel dat het geritsel al vanop meters afstand te horen is. Ik ben met Anne Laudisoit (zie ‘Zie ginds komt de expeditieboot’) op pad om de vallen te controleren. Dat valt een beetje tegen: een twintigtal dieren is levend gevangen, een tiental dood. De dode dieren zijn voor Anne bovendien iets minder interessant omdat de parasieten waarin ze is geïnteresseerd al snel het zinkende schip verlaten.

Over schepen gesproken. Intussen is ook de tweede lading wetenschappers onder even grote belangstelling aangekomen en is de groep compleet. Zelfs de door onrusten rond Mbandaka op schema achtergeraakte derde boot (zie ‘Symboliek en pech’) heeft ons intussen bijgebeend, zij het met een onaangename verrassing aan boord. Het schip, eigenlijk een groot vlot voortgeduwd door twee duwboten, moest eigenlijk al van in het begin een deel van de brandstof en het onderzoeksmateriaal meevoeren en heeft containers aan boord die tot verblijfplaatsen voor de media zijn omgebouwde. Helaas bleken bij aankomst een aantal militairen en hun families aan boord te resideren – samen zo’n 150 mensen. Zij hebben het vlot tijdens de reis in een klein Afrikaans dorp veranderd, inclusief loslopend vee. De militairen zouden de boot al op 23 april in de buurt van Mbandaka hebben opgevorderd nadat ze het bevel hadden gekregen naar huis te gaan. Al die tijd hebben ze de bemanning er op een nog onduidelijke manier van weten te overtuigen hun aanwezigheid te verzwijgen. Gelukkig konden de ongewenste gasten er voor 500 dollar van worden overtuigd om de rest van hun reis tot Kisangani per prauw voort te zetten. Het materiaal en de containers zouden ze alvast ongemoeid hebben gelaten.

Naast de aanlegplaats van de baleinières is intussen een soort wetenschapsdorp met geïmproviseerde openluchtlabs opgericht. In één ervan komt Annes vangst terecht en hier eindigt ook voor de levend gevangen muizen en ratten de rit – de onderzoekers werken alleen met verschillende vallen omdat niet elk systeem bij elke soort even goed werkt. De wetenschappers wegen en meten de diertjes en nemen DNA-stalen. Aan de andere kant van de tafel ondergaan vogels en vleermuizen dezelfde procedure. Dit soort basisonderzoek is een belangrijk onderdeel van deze expeditie: de wetenschappers proberen vooral te weten te komen welke soorten in dit amper bestuurde deel van het Congobekken voorkomen.

Wat verderop zitten de vissenspecialisten. Elke avond rond zonsondergang vaart het team van Jos – what ’s in a name – Snoecks, bioloog aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, met een prauw de rivier op om netten uit te zetten op plaatsen waar de stroming zwak is. Dat moet een van de aangenaamste werkjes van de hele expeditie zijn. Eens de buitenboordmotor het zwijgen is opgelegd, zijn alleen nog vogelgeluiden te horen, sporadisch verstoord door het gekibbel tussen de oude visser die de goede visplekken aanwijst en zijn stuurman. Af en toe glijdt een andere prauw voorbij en terwijl de lucht paarsgrijs kleurt, zoeken enkele zilverreigers een veilige slaapplaats op. Bijna even rustgevend is het ophalen van de netten ’s ochtends vroeg, als de oevers weer tot leven komen.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

Maar niet alles wat de wetenschappers doen is even benijdenswaardig. Het grootste deel van de dag zitten ze rond een met vis volgestouwde tafel om soorten te bepalen en DNA-stalen te nemen, geen pretje bij temperaturen boven de 30 graden. De grote zwermen vliegen lijken de nieuwsgierige kinderen alvast niet te deren. Op enkele dagen tijd hebben de onderzoekers al ruim vijfenveertig soorten bovengehaald en dat aantal zal tijdens de expeditie nog flink toenemen. Vooral de meervallen of katvissen, een van de meest succesvolle vissenordes in de tropen, zijn goed vertegenwoordigd. Dat het visbestand in de Congorivier wat beter in kaart wordt gebracht is geen overbodige luxe, vertelt Snoeckx terwijl hij de vangst van de dag sorteert. Vissers rapporteren dat ze in bepaalde gebieden minder grote vissen vangen, maar niemand heeft er een idee van over welke soorten het gaat en wat er precies aan de hand is. De biodiversiteit in de rivier is immers net zomin bestudeerd als die errond. Naarmate de expeditie vordert en het lijstje hindernissen langer wordt, wordt steeds duidelijker waarom dat het geval is…



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Zie ginds komt de expeditieboot

03 Mei 2010, 09:21
Eindelijk is het zover. De eerste baleinière pikt ons op in Yangambi en zet koers naar Yaekela, een dorpje ongeveer 25 kilometer verderop langs de stroom. Het benedendek is volgestouwd met bagage en onderzoeksmateriaal, maar op het bovendek kan iedereen in een verfrissend briesje - en onder het goedkeurend oog van zes bewapende Congolese politiemannen - genieten van het adembenemende uitzicht. Af en toe steekt een koppel neushoornvogels met luid gekrijs de rivier over. De gretigheid bij de wetenschappers is voelbaar. Enkele insectenspecialisten konden zich niet bedwingen en zijn zelfs aan boord al beginnen te verzamelen…

Als we tegen zonsondergang aankomen in Yaekela treedt het vaste actieplan in werking. Een prauw met buitenboordmotor vaart voorop om aan de lokale bevolking uit te leggen wat hen op het punt staat te overkomen. Het gebeurt niet elke dag dat een groep van deze omvang hier aanmeert, en zeker niet met zoveel ‘mindele’, blanken, erbij. Dat onze boot al vlakbij ligt, helpt niet echt om de kalmte in het dorp te bewaren en als we even later de toestemming krijgen om voor anker te gaan, heeft het halve dorp zich al wuivend en juichend rond de aanlegplaats verzameld zodat het geheel een hoog ‘Sinterklaas komt aan in Antwerpen’-gehalte krijgt. Als de rust enigszins is teruggekeerd, kunnen onder massale belangstelling de lichten worden opgehangen en de tenten worden opgesteld. Na een eerste nacht kamperen langs de oevers van de rivier zijn sommigen het alvast over een ding eens: kikkers mogen uitsterven.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren.
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren.

De wetenschappers gaan al rond zes uur ’s ochtends aan het werk. Samen met het team van Erik Verheyen, evolutiebioloog aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, en Anne Laudisoit, biologe aan de Universiteit Antwerpen, trek ik langs een pad amper die naam waardig het woud in. Ze zullen onder meer vallen uitzetten om knaagdieren en spitsmuizen te vangen en voeren als echte rattenvangers van Hamelen een sliert nieuwsgierige kinderen in hun kielzog mee. Na een dik half uur stappen kan het werk beginnen. Het regenwoud lijkt hier al indrukwekkend, maar echt ‘oerbos’ is hier amper te vinden. Daarvoor bevinden we ons nog te dicht bij de rivier en het dorp. Om aan landbouw te kunnen doen worden hier nog steeds stukken bos platgebrand, beplant met onder meer bananen – en palmbomen en na enkele jaren verlaten, om opnieuw te verbossen. Telkens wordt een vlagje in de grond geplant met aan elke kant op twee meter afstand een val, in totaal meer dan 400 stuks. Op enkele meters hoogte worden netten opgehangen waarin hopelijk vogels en vleermuizen zullen terechtkomen.

Door het erfelijk materiaal van de verzamelde knaagdieren en spitsmuizen te onderzoeken, kunnen de wetenschappers achterhalen of er nieuwe soorten bij zijn. Daarom kijken ze naar specifieke regio’s in het DNA waarvan is geweten dat ze er bij verschillende soorten anders uitzien, zodat ze een soort ‘genetische barcode’ vormen. Het is een techniek die tijdens de expeditie ook binnen andere onderzoeksdomeinen zal worden toegepast. Om die genetische verschillen op het spoor te komen, zijn echter veel dieren nodig, legt Verheyen uit, vandaar dat hier niet op een valletje meer of minder is gekeken. Intussen snijden in het dorp gerekruteerde arbeiders de palmnoten in stukjes die de onderzoeksobjecten naar een gewisse dood zullen lokken.

Het erfelijk materiaal van de dieren gunt de wetenschappers bovendien een blik op het Afrika van duizenden jaren geleden. De verschillen in hun DNA maken duidelijk hoe populaties zich over het continent hebben verspreid en daardoor ook hoe het woud hier sinds de laatste ijstijd is opgerukt.

Laudisoit is meer geïnteresseerd in parasieten zoals vlooien, teken en luizen die de knaagdieren en spitsmuizen met zich meedragen. Die kunnen immers drager zijn van ziekteverwekkende bacteriën en virussen die ook mensen kunnen besmetten. Voor dokters is het interessant om te weten welke ziekteverwekkers in een bepaald gebied circuleren, zodat ze symptomen die op verschillende kwalen kunnen wijzen aan de juiste linken.

Een van de vallen is amper neergezet of er weerklinkt al een doffe knal. Het eerste slachtoffer, een borstelmuis, kan meteen naar de boot worden meegetroond. De rest van de ‘oogst’ zal later worden opgehaald.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

50 jaar stof

29 April 2010, 16:41
Een eerste lichting wetenschappers is inmiddels in Kisangani aangekomen en maakt zich klaar om vrijdag naar de eerste stopplaats af te reizen. Zaterdag zullen ze daar het gezelschap krijgen van de rest van de groep, zodat de expeditie dan echt van start kan gaan. Samen met enkele plantkundigen van de Nationale Plantentuin van Meise is de persmeute al over land vertrokken naar het Institut National d’ Etude et de la Recherche Agronomique (INERA) in Yangambi, een gigantisch onderzoekscentrum voor land- en bosbouw uit de koloniale periode, midden in het regenwoud op zo’n 100 kilometer van Kisangani.

Op de tonen van Sean Paul – kwaliteit komt zelfs in het hart van de jungle bovendrijven – hotst en botst de 4x4 over een parcours waarnaast onze door vorstschade geteisterde Belgische wegen biljartlakens lijken, en onze goedlachse chauffeur Alphonse demonstreert zijn kunnen door op de moeilijkste stukken even met één hand te sturen. Het is al donker als er na een dolle rit van bijna vijf uur, inclusief het obligate vastrijden in de modder, plots gebouwen in koloniale stijl opduiken langs de weg. Bestemming bereikt.

Waarom komt iemand op het idee om uitgerekend op deze plek een onderzoekscentrum uit de grond te stampen? Dat heeft vooral te maken met het klimaat, dat hier representatief is voor het grootste deel van het land. Een tweede reden wordt ’s ochtends duidelijk als we uit onze tentjes kruipen: Yangambi ligt op een plateau en het uitzicht op de Congorivier is er prachtig – niets menselijks is wetenschappers vreemd.

Het INERA werd opgericht in 1933 – al heette het toen Institut National des Etudes Agronomiques Congo-Belge – en groeide in minder dan 30 jaar uit tot het grootste instituut voor land- en bosbouwonderzoek ter wereld. Bedoeling was zowel de productiviteit op de voor het moederland bestemde plantages te verhogen als de landbouwmethodes van de lokale bevolking te verbeteren. In de hoogdagen van het centrum werkten hier zo’n 5.000 personeelsleden, waaronder vierhonderd Belgische wetenschappers. Die vertrokken na de onafhankelijkheid, zonder dat Congolese opvolging verzekerd was. Vandaag werken hier nog een dertigtal Congolese wetenschappers en ca. 1200 personeelsleden, al staat het onderzoek op een laag pitje. Niet zo verwonderlijk op een plaats zonder stromend water of elektriciteit, waar veel meer dan zo goed mogelijk in stand houden wat er nog is er niet inzit.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren.

In Yangambi bevindt zich onder meer het grootste herbarium van Centraal-Afrika, goed voor meer dan 130.000 planten, bloemen en vruchten van ruim 2000 soorten. De dikke mappen met gedroogde planten liggen in metershoge kasten opgestapeld. Dat de collectie nog in betrekkelijk goede staat is, is deels te danken aan het vroegere personeel dat na de aftocht van de Belgen en het wegvallen van hun salaris toch nog enkele uren per dag in het herbarium kwam werken. Sinds kort is hier in samenwerking met de Nationale Plantentuin een project van start gegaan om de collectie te restaureren en in te scannen zodat deze unieke schat aan informatie met wetenschappers overal ter wereld kan worden gedeeld.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren.

Dat er van het ooit zo gerenommeerde instituut nog weinig overblijft, steekt, zo blijkt uit een gesprek met Bruno Bamalla, hoofd van de afdeling bodemwetenschappen – zij het met slechts vier wetenschappers onder zich. ‘Vroeger stootte je overal op publicaties van het INEAC, maar nu zitten we hier geïsoleerd’, vertelt de zichtbaar geïrriteerde ingenieur terwijl we door de verlaten en aftakelende gebouwen wandelen. Potjes en stenen met naamkaartjes liggen onder 50 jaar stof op labotafels en in de kelder zijn sommige aquaria waarin plaatselijke vissoorten werden bestudeerd nog met water gevuld. Dat er hier geen elektriciteit is, is eigenlijk nog niet het ergste, gaat de man met alsmaar hoger wordende stem verder. ‘De overheid is gewoon niet geïnteresseerd in wetenschap. Wij willen de draad terug oppikken, maar dan moeten we wel de middelen krijgen.’ Bamalla toont twee opgezette vissen uit de Congostroom. ‘Beide soorten gaan erop achteruit, maar we zullen waarschijnlijk nooit weten hoe we ze moeten beschermen…’



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Elektriciteit in Kisangani: schaars maar groen

27 April 2010, 17:25
De Congostroom is de krachtigste rivier in Afrika. Bij de monding komt in het regenseizoen ruim 50.000 kubieke meter water per seconde in de Atlantische oceaan terecht en het rivier water is tot 800 kilometer ver in zee nog te herkennen. Het is zo dat de Portugese ontdekkingsreiziger Diogo Cão de Congostroom eind 15de eeuw ontdekte.

De mogelijkheden om op de Congostroom en haar zijrivieren waterkrachtcentrales op te trekken zijn dan ook enorm. Wetenschappers hebben berekend dat het volledige Congobekken goed is voor dertien procent van het wereldwijde waterkrachtpotentieel en dat voldoende centrales op de Congostroom alleen, heel Afrika beneden de Sahara van stroom zouden kunnen voorzien.

Momenteel bevinden zich in het Congobekken een veertigtal waterkrachtcentrales, vertelt Alain Nubourgh van de Belgische Technische Coöperatie (BTC). Daarvan werken er echter slechts een zevental. De grootste staat aan de spectaculaire Ingawatervallen, zo’n 200 kilometer ten zuidwesten van Kinshasa. Het prestigieuze Ingaproject ging begin jaren 1970 van start met de bouw van een eerste dam. Vier bijkomende stuwdammen en de aanleg van een gigantisch stuwmeer zouden een vermogen van 34 500 megawatt opleveren, bijna drie keer het vermogen van alle huidige Belgische elektriciteitscentrales samen.  Tot op vandaag zijn er echter maar twee dammen gebouwd – Inga I en Inga II – en van de veertien turbines in de centrale werken er maar zes zodat de elektriciteitsproductie ver beneden de mogelijkheden blijft.
    
Kisangani wordt van elektriciteit voorzien door een kleinere waterkrachtcentrale op de zijrivier Tshopo. Doordat het water hier voldoende kracht heeft, is de aanleg van een groot stuwmeer overbodig. Momenteel doen slechts twee van de drie turbines het, maar soms werkt er maar één, en soms geen. Dat betekent dat de hele stad soms enkele dagen of een week zonder stroom zit. Is er wel stroom, dan is die er niet overal tegelijk. Het hangt van stadsdeel tot stadsdeel af wanneer het licht aanspringt, en er zijn ook buurten waar dat altijd een illusie blijft. Het elektriciteitsnet is niet mee uitgebreid met de stad, die in de jaren 1960 enkele honderdduizenden inwoners telde terwijl er dat sinds 2004 meer dan zeshonderdvijftigduizend zijn.

Dankzij investeringen door de Belgische ontwikkelingssamenwerking is de situatie in Kisangani sterk verbeterd, maar er is nog veel te doen, vertelt Nubourgh terwijl we ons op de Tshopo-brug met zicht op de rivier en de dam een weg banen tussen met maniok en andere koopwaar volgestouwde fietsen. Deze plek is minder idyllisch dan ze lijkt, want tijdens de vele woelige periodes in de geschiedenis van de stad werden vanop deze brug geregeld lijken in de rivier gedumpt.

Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

De derde turbine zal worden hersteld en het elektriciteitsnet is aan onderhoud en uitbreiding toe. Verder is er nood aan verbindingen tussen de verschillende centrales in het Congobekken, zodat er af en toe een kan worden stilgelegd voor een groot onderhoud zonder dat daarbij een hele stad in duisternis wordt gehuld. Maar er moet ook een efficiënt systeem op poten worden gezet dat mensen doet betalen voor hun elektriciteit. Dat is momenteel voor amper een derde van de in deze centrale geproduceerde stroom het geval. In combinatie met een gebrekkige controle op het beheer van de budgetten, komt dat het onderhoud uiteraard niet ten goede.

Het potentieel van de rivier die in theorie heel Congo makkelijk van groene stroom zou kunnen voorzien – waardoor haar naam er een betekenis bij krijgt – blijft dus grotendeels onderbenut. De lucht is intussen onheilspellend grijs gekleurd en niet veel later valt de belangrijkste energiebron van dit land met bakken uit de lucht.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Wetenschapper-winkelier

27 April 2010, 10:25
De expeditie zal op zeven weken van Kisangani naar Kinshasa reizen, maar met het vliegtuig overbrug je de afstand in twee uur. Onderweg vliegen we over het dichte evenaarswoud dat de komende weken onze weinig comfortabele verblijfplaats zal zijn. In alle richtingen is enkel bos te zien, maar naarmate we onze bestemming naderen neemt de dichtheid van het woud af en verraden enkele brede zandwegen en kaalgeslagen of platgebrande lappen grond menselijke activiteit. Niets doet echter vermoeden dat je de derde grootste stad in Congo nadert.

Tussen Kisangani en Kinshasa is de Congostroom het best bevaarbaar. Meer stroomopwaarts wordt scheepvaart onder meer onmogelijk gemaakt door de Wagenia watervallen, door Stanley de Stanleywatervallen genoemd toen hij hier tijdens zijn expeditie in opdracht van Leopold II een handelspost oprichtte. Honderden families voorzien in hun levensonderhoud met de vis die ze met fuiken in deze stroomversnellingen vangen.

Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Kisangani. Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

In de haven van Kisangani liggen al twee boten klaar om te vertrekken, al blijft het daarvoor dus nog even wachten tot iedereen er is. Na een plechtige inhuldigingsceremonie – geen lachertje in een klimaat dat niet meteen aanzet tot het dragen van pak en das –  is de Belgisch-Congolese samenwerking aan boord van een van de twee ‘baleinières’ officieel bekrachtigd. Niet ver hiervandaan, op de wetenschapscampus van de Universiteit van Kisangani, zal een nieuw ‘biodiversiteitscentrum’ worden gebouwd waar al het tijdens de expeditie verzamelde materiaal zal worden bewaard (zie Eos, nr. 5, mei 2010). Congolese wetenschappers zullen er over nieuw onderzoeksmateriaal en dankzij internationale samenwerking hopelijk ook over voldoende financiële middelen beschikken om aan onderzoek te doen, want dat is waar het hen nu vaak aan ontbreekt, vertelt Sylvestre Gambalemoke me in de marge van de feestelijkheden.

Sylvestre is een van de Congolese onderzoekers die aan de expeditie zullen deelnemen. Wetenschappers moeten onderzoek doen en publiceren en daar is geld voor nodig, maar de budgetten zijn beperkt en vaak stoppen de wetenschappers eigen geld in hun onderzoek, terwijl hun salaris amper volstaat om hun gezin te onderhouden, als het al op tijd wordt uitbetaald. Veel wetenschappers houden er dan ook net als Sylvestre een tweede job als bediende, winkelier of taxichauffeur op na.

Toch is er een positieve evolutie aan de gang, hoor ik op de wetenschapscampus. Plaatselijke wetenschappers kunnen dankzij betere contacten steeds vaker meedraaien in internationale samenwerkingsprojecten en zich zo opwerken. De campus is een oud fabrieksterrein waar oude loodsen tot les- en onderzoekslokalen zijn omgetoverd. In de koelte van het plaatselijke arboretum zitten enkele studenten met de neus tussen de boeken. Als ze geluk hebben en er elektriciteit is, studeren ze hier ’s avonds samen in de buurt van de straatverlichting. Elektriciteit is in Kisangani geen evidentie en de faculteit beschikt normaal gezien maar twee uur per dag over stroom. De professoren staan een deel van hun loon af om brandstof te kopen zodat daar met generatoren vier uur van kan worden gemaakt. Dat de universiteit van Kisangani tot een van de beste universiteiten van het land is uitgegroeid, is mede aan hun toewijding en inzet te danken. Alleen brengt dat ook problemen met zich mee. Door het toenemend aantal studenten kan niet iedereen binnen de academische wereld aan de slag en daarbuiten wachten weinig perspectieven. Dat het volledige kookteam tijdens de expeditie uit universitairen zal bestaan, zegt al iets. In Congo moet iedereen er het beste van zien te maken, en dat is voor wetenschappers niet anders.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Symboliek en pech

26 April 2010, 11:39
Bij een expeditie langs de Congorivier valt al snel de naam Henry Morton Stanley. Mooi meegenomen dus dat er voor de vlucht naar vertrekpunt Kisangani even de tijd was om een bezoekje te brengen aan de Ngaliemaheuvel in Kinshasa. De Britse journalist en avonturier sloeg er tijdens zijn verkenning van de Congorivier zijn kamp op en de plek is genoemd naar het dorpshoofd dat hij er ontmoette. Het befaamde beeld van Stanley ligt er vandaag zonder voeten wat hulpeloos achterover gevallen bij. Ook de Lady Alice, één van de schepen die deel uitmaakten van zijn expeditie, ligt hier te verkommeren. Hoger op de heuvel, op het ‘cimetière des pioniers’ rust een van Stanley’s reisgenoten.

Standbeeld Henry Morton Stanley. Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Het gevallen standbeeld van Stanley in Kinshasa. Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren


Onderweg naar de begraafplaats wandel je tussen de restanten van wat ooit een zoo was. Vandaag zijn er in de verroeste kooien alleen planten te vinden, al zijn die soms zo hoog opgeschoten dat de aanwezigheid van een of ander dier niet volledig uitgesloten is. Niet veel beter is het gesteld met het wat verderop gelegen amfitheater, een van Mobutu’s prestigeprojecten waar tot 5000 toeschouwers konden genieten van voorstellingen met internationale sterren. Ook hier heeft de natuur lelijk huisgehouden, al zijn recent al enkele pogingen ondernomen om het gebouw te restaureren.

Amfitheater. Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren
Ook in het amfitheater in Kinshasa heeft de natuur lelijk huisgehouden. Foto: © Kris Pannecoucke / KMMA Tervuren

Niet alles wat zich op de Ngaliemaheuvel bevindt is in verval. Het museum van het  Institut des Musées Nationaux du Congo dat er is gevestigd opende vorige maand een nieuwe tentoonstelling, meteen de eerste in zijn veertigjarige geschiedenis. Niet dat het hier aan stukken ontbreekt: in vijf opslagruimten bevinden zich ongeveer 45.000 kunst- en gebruiksvoorwerpen van talrijke etnische groepen, waarvan er in Congo zo’n 245 zijn. Die kunnen echter niet in optimale omstandigheden worden bewaard, zo leert een snelle vingerbeweging over de rekken in enkele zeven etages hoge kasten vol maskers, al schijnen insecten en schimmels de grootse problemen te zijn.

Omdat het IMNC dit jaar zijn veertigste verjaardag viert, is in samenwerking met het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika naar financiële middelen gezocht om dit ‘museum zonder tentoonstelling’ uit de nood te helpen en alvast een deel van de indrukwekkende collectie aan het publiek te tonen. Volgens directeur Joseph Ibongo kan dat nergens beter dan hier, in een museum dat uitkijkt op de Congostroom, het hart van het land en de verbinding tussen de verschillende talen en culturen. Wie het museum buitenstapt, kan inderdaad genieten van prachtig uitzicht op de rivier, met Kinshasa op de ene oever en Congo Brazzaville op de andere. Een bronzen Leopold II te paard kijkt hier neer op de stad en het stuk van de stroom dat binnen zeven weken het eindpunt van de expeditie zou moeten zijn. Tenminste, als alles goed gaat, en dat is tot nog toe niet echt het geval.  

Als er over de Congo-expeditie al één ding kan worden gezegd, dan wel dat ze niet van pech gespaard blijft. Een kort overzicht. Door problemen met rebellen rond Mbandaka, zo’n duizend kilometer stroomafwaarts van vertrekpunt Kisangani,  moet er op dat stuk van de Congorivier om veiligheidsredenen in konvooi worden gevaren. Daardoor zal een derde boot niet op tijd aan de start verschijnen en moet het transport van wetenschappers, pers, proviand, water, brandstof en onderzoeksmateriaal anders worden georganiseerd. Dat onderzoeksmateriaal, ruim vijf ton, werd bovendien door de douane tegengehouden en pas na weken aandringen en rondbellen vrijgegeven. Even leek het erop dat ook de Eyjafjallajökull roet in het eten zou gooien, maar het vliegverkeer viel net op tijd weer in de plooi om de eerste groep wetenschappers vanuit Schiphol richting Kisangani te laten vertrekken. Helaas besliste een defect aan het vliegtuig er anders over. De vlucht werd vervangen door een treinrit naar Brussel en de onderzoekers zullen bijgevolg pas in de loop van deze week in kleinere groepen in Kisangani binnendruppelen. De start van de expeditie zal daardoor enkele dagen vertraging oplopen.



Expeditie Congostroom 2010 weergeven op een grotere kaart

Geschreven in WetenschapVaste linkExpeditie Congostroom 2010Vaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • ekudos
  • nujij
  • connotea