Wetenschappelijke toekomstmuziek

02 September 2010, 03:14

QR-code

door: Charlotte Vlek


“In het jaar 2000 verplaatst iedereen zich in vervoermiddelen sneller dan de snelheid van geluid. Kanker is bijna volledig uitgebannen, en de gemiddelde levensverwachting is 85 tot 90 jaar. Wie een verplicht pensioen bij een leeftijd van 65 voorstelt, wordt pontificaal uitgelachen.” Wetenschappers doen nogal eens voorspellingen over de toekomst van hun vakgebied. Dat is riskant: wat als ze zulke toekomstmuziek niet kunnen waarmaken? Toch kunnen ze niet anders. Men vraagt ze te verantwoorden waar hun onderzoek goed voor is. En dan ga je als wetenschapper optimistische voorspellingen doen.

Het citaat aan het begin van dit artikel is afkomstig uit een transcript van een serie lezingen gegeven ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van NASA in 1983, te vinden op NASA’s website. Wetenschapsjournalist Jules Bergman voorspelde toen dat we ons ruim 25 jaar later zouden verplaatsen door middel van supersonisch transport, en dat de strijd tegen kanker bijna gewonnen zou zijn.

Nog steeds doen wetenschappers voorspellingen over de technologie van de toekomst, en over kankeronderzoek. Dit leidt soms tot zeer gewaagde beloftes, vindt KWF Kankerbestrijding. Een krantenkop zoals “Kanker over tien jaar chronische ziekte” is volgens KWF bijvoorbeeld wel erg optimistisch.

Van lab tot behandeling

KWF waarschuwt voor het vertekende beeld dat kankerpatiënten kunnen krijgen van te optimistische krantenkoppen. Wat betreft het kankeronderzoek bevestigt KWF wel dat er de laatste tijd inderdaad veel vooruitgang is geboekt. Met behulp van nieuwe technieken kan vooral fundamenteel onderzoek tegenwoordig veel sneller gaan. Maar men moet goed beseffen dat het zeker tien jaar kan duren voor een ontdekking in het lab zich vertaalt naar een behandeling voor de patiënt.

“Medicijn tegen kanker stap dichterbij” is niet meteen een incorrecte krantenkop: er is dan inderdaad weer een stap vooruit gedaan in het kankeronderzoek. Het is echter voor patiënten moeilijk in te schatten hoe dichtbij dat medicijn nu precies is, en hoe groot de stap er naartoe. Daar komt bij dat er in de kranten overwegend weinig negatieve berichten over kanker verschijnen, schrijft de NRC. Uit een steekproef van kranten- en tijdschriftartikelen tussen 2005 en 2007 bleek dat journalisten een onrealistisch beeld schetsen, waardoor patiënten een verkeerde verwachting hebben.

Opschepperij

Het lijkt misschien opschepperij als een wetenschapper zegt dat zijn onderzoek ons een stap dichterbij een geneesmiddel voor kanker brengt. Of dat hij een cruciale ontdekking heeft gedaan waardoor we over een aantal jaren eindelijk die supersnelle kwantumcomputers zullen hebben, die vele malen sneller zijn dan de huidige computers. Zelfs het meest fundamentele onderzoek belooft wel een toepassing, of dat nou direct het redden van mensenlevens is, of een abstractere toepassing binnen het vakgebied.

Natuurlijk houden wetenschappers ervan te fantaseren over wat hun onderzoek voor geweldige implicaties kan hebben. Maar het wordt hen ook uitgebreid gevraagd. Niet alleen zoals men dat in 1983 bij NASA deed (‘fantaseer eens over de toekomst?’), maar ook door de maatschappij (‘waar is jouw onderzoek nou helemaal goed voor?’). Voor elk onderzoek is geld nodig, waarvoor een wetenschapper een aanvraag moet indienen. Om onderzoek te kunnen doen moet een wetenschapper wel beloven dat zijn onderzoek écht de moeite waard is. En dus schetst hij een optimistisch beeld van de mogelijke toepassingen. Wat vervolgens door de media gretig wordt benadrukt.

Het is nu eenmaal handig om te zeggen dat je onderzoek een stap is in de richting van een heuse werkende kwantumcomputer. Of een medicijn tegen aids, of kanker. Want als onderzoeksgeld verdeeld moet worden, wat klinkt er dan beter dan een onderzoek dat uiteindelijk mensenlevens zal kunnen redden?

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Wetenschap, weblogs, en een glas Pepsi

25 Augustus 2010, 18:53

  door: Mark Geels

Bloggen is niet meer weg te denken uit de moderne informatiegaring. Ook over wetenschap wordt driftig geblogd. Een recente rel in het hart van de wereld der wetenschap-weblogs geeft aan waar het wetenschappelijke bloggen en wat de uitdagingen zijn.

Uitnodiging

In 2005 stuurde een kleine onafhankelijke uitgever, Seed Media, een uitnodiging naar vijftien reeds zeer populaire, Amerikaanse weblog-auteurs met de vraag of ze hun weblog wilde onderbrengen in een nieuw te vormen netwerk genaamd www.scienceblogs.com. Vele auteurs die in het dagelijks leven gewone wetenschappelijke carrières hadden stemden toe en dit vormde de start van een stormachtige groei van Scienceblogs. Los van de meegebrachte lezers groeide de site door de vele verwijzingen die de auteurs naar elkaar maakten en referenties naar artikelen op netwerken zoals facebook, friendfinder en Twitter. En de belangrijkste reden voor de explosieve groei was dat er met veel vuur over controversiële onderwerpen zoals creationisme, religie, pseudowetenschappen en klimaatverandering werd geschreven. De sterren van het netwerk werden blogs zoals Pharyngula (inktvissen, evolutiebiologie), Respectful Insolence (medische pseudowetenschap), Cognitive Daily (cognitieve wetenschappen) en Good Math, Bad Math (wiskunde). In totaal groeide Scienceblogs uit tot een verzameling van ongeveer 80 weblogs.

Massamedia

Kenmerkend voor scienceblogs zijn de diepgravende artikelen met voldoende referenties en discussies. Zij maken de wetenschappelijke resultaten die normaliter achter de betaalsites van Elsevier en andere uitgevers verscholen zijn toegankelijk voor het grote publiek. Vooral de openbare discussies zijn vernieuwend in een veld waar discussies normaliter enkel op congressen plaatsvonden. De groei van Scienceblogs resulteerde er onder andere in dat er naar hun artikelen werd doorverwezen door de New York Times en de National Geographic; artikelen werden verkocht op Amazon voor de e-reader en begin 2009 werden de artikelen door Google News geïndiceerd. Vooral dit laatste had serieuze en fundamentele gevolgen: Bloggers werden ineens journalisten. Top-auteurs hebben een astronomische pagerank van zes op Google. Scienceblogs was massamedia geworden met de daarbij behorende macht en verantwoordelijkheden. Maar op 7 juli jongstleden barstte de bom.

Food Frontiers

Toen verscheen er een nieuwe blog op scienceblogs: Food Frontiers. Dit weblog bleek niet alleen betaald door de multinational PepsiCo maar ook geschreven door medewerkers PepsiCo. In een magerder wordende advertentiemarkt had Seed Media, in een zoektocht naar inkomsten, een blog “verkocht”. Dit alles zonder overleg met overige auteurs, die allen op invitatie een plek hadden verworven. Op Food Frontiers verscheen een verwoestende stortvloed van artikelen met als gevolg dat de andere auteurs van scienceblogs hun onpartijdigheid én dus zorgvuldig opgebouwde geloofwaardigheid voorgoed zagen beschadigd of verdampt. Food Frontiers werd binnen 48 uur van de glasvezel getrokken door Seed Media maar het kwaad was reeds geschied: een kwart van de blogs had zijn vertrek aangekondigd waaronder blockbusters zoals Cognitive Daily en Good Math, Bad Math. Pharyngula ging twee dagen zwart en schreef de omineuze zin: “..Scienceblogs is een zinkend schip….”. Het morrelde al eerder binnen Scienceblogs (over vergoedingen, interne meningsverschillen tussen auteurs, voldoende IT support) maar Pepsigate was de emmer die de emmer goed deed overlopen.

Rise and Fall

Waarom is Scienceblogs vs Pepsico een interessant verhaal? Het dwingt het wetenschappelijke weblogveld na te denken over de rol en het nut van geïnstitutionaliseerde weblogs en hoe daarmee om te gaan in de toekomst. Duidelijke disclaimers zijn een eerste stap zodat de lezer zich goed kan vergewissen wie de auteur is en wat zijn belangen zijn. Door het slinken van Scienceblogs zullen nieuwe, kleinere netwerken ontstaan zoals bijvoorbeeld sciencetopia. Maar de belangrijkste les is dat een groep enthousiaste bloggers binnen vier jaar als massamedia wordt gezien en binnen één week en één actie weer nagenoeg kan verdwijnen als niet alle puntjes op de ‘i’ staan. Integriteit, zorgvuldigheid en rekenschap zijn cruciaal. Ook in het digitale tijdperk.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Twitter- de stemmingmeter (van de bevolking)

11 Augustus 2010, 13:46

conflict

door: Monika Wolkers

De ontwikkeling van nieuwe media is razend snel. Waren we pakweg twintig jaar geleden nog onder de indruk van e-mail, zo worden we tegenwoordig met onze smartphones 24 uur per dag op de hoogte gehouden van het wel en wee van onze vrienden en publieke helden. Sites zoals Facebook and Hyves verbinden ons met elkaar en via Twitter laten we de hele wereld weten hoe we ons op het moment voelen. De opmars van 4 jaar Twitter lijkt niet meer te stoppen: in het eerste kwartaal van 2010 groeide het aantal tweets naar 4 miljard op de wereld. Voor de één is deze ontwikkeling een zegen, voor de ander een vloek. Wat u er ook van vindt, door de enorme hoeveelheid data die de tweets leveren lenen ze zich uitstekend voor wetenschappelijk onderzoek.

Tweets - korte berichtjes van maximaal 140 karakters - worden opgeslagen en zijn openbaar, en dus toegankelijk voor data analyse. Alan Mislove uit Boston heeft onderzocht welke woorden in de tweets veelvuldig worden gebruikt, en probeert daarmee de gemoedstoestand van de twitteraar te beoordelen.

Om de miljarden woorden te kunnen beoordelen is voor de analyse gebruik gemaakt van een puntensysteem dat door taaldeskundigen is ontwikkeld. Een woord als ‘gelukkig’ of ‘mooi’ scoort hoog op de lijst (6 punten), terwijl ‘bedrog’ of ‘gestolen’ juist heel laag in de puntenscore terug te vinden is (1 punt). Met behulp van dit puntensysteem bestudeerde Mislove hoe positief uitlatingen op verschillende tijdstippen van de dag zijn. Hij vergeleek ook de tweets in de loop van de week en bepaalde of de woonplaats van een twitteraar invloed heeft op zijn of haar berichtgeving. Al deze data werden in kaart gebracht (zie hier en hier)- en de analyse leidde tot interessante conclusies.

In de loop van de dag verschuift het woordgebruik in de tweets aanzienlijk. Zo lijkt de twitterende mens s’ochtends veel positiever dan ‘s avonds, en heeft hij of zij een dip rond lunchtijd. Ook door de week heen zijn er duidelijke verschillen te zien: mensen gebruiken positieve woorden het meest op de zondag. Dat neemt in de loop van de week af tot een dieptepunt op donderdagavond – en dit herstelt zich weer in de loop van het weekend.

Mislove vergeleek ook het taalgebruik van de oostkust van de VS met dat van de westkust. Twitteraars aan de westkust blijken veel meer positief getinte woorden te gebruiken dan hun vrienden aan de oostkust, en de middagdip is ook minder duidelijk meetbaar. Deze laatste vinding gebruikt Mislove als mediastunt: het verschillende woordgebruik laat volgens hem zien dat de mensen aan de westkust gelukkiger zijn dan aan de oostkust. Wat mij betreft is dit een ongeloofwaardige stelling - wie in de VS geweest is weet dat mensen aan de westkust veel liever positieve woorden gebruiken, en dat maakt ze niet per se gelukkiger. Mijn inziens zegt het gemeten verschil dus meer iets over de bestaande cultuurverschillen in taalgebruik- en dat is op zich al een mooie vinding. Om zijn stelling te bewijzen zou Mislove toch meer en grondiger onderzoek moeten verrichten.

Ondanks deze over-interpretatie van Mislove is de studie een mooi voorbeeld wat de mogelijkheden van het internet voor wetenschappelijk onderzoek zijn. De verzamelde data lenen zich voor vele leuke vraagstellingen. In de studie die ik hier beschrijf zou ik toch graag meer willen weten over de verschillen die in de loop van de week gevonden worden. Is het afhankelijk van geslacht en leeftijd? Wat is het netwerk (en dus ook interesse) van degenen die geen dieptepunten in hun taalgebruik beleven? In Nederland heeft het bedrijf Twirus onlangs in kaart gebracht wie nou eigenlijk de Nederlandse twitteraars zijn. Deze informatie kan ook gebruikt worden voor de interpretatie van Twitter-onderzoek.

Ook is het sociologisch gezien interessant wat voor een effect evenementen als de WK voetbal, of ingrijpende politieke beslissingen, als verkiezingen en kabinetsformaties hebben op het twittergedrag, en voornamelijk ook hoe lang bijvoorbeeld de euforie aanhoudt na het winnen van je favoriete partij danwel je eigen ploeg op de WK voetbal. Taaldeskundigen kunnen de Twitterdata uitstekend gebruiken om lokale cultuurverschillen binnen landen of regio’s te bestuderen. Trends in de taal zullen op deze manier razendsnel opgepikt worden. Dit is natuurlijk ook commercieel gezien zeer interessant omdat men snel op trends in kan spelen.

Naast Twitter lenen ook andere moderne media zich uitstekend voor onderzoek. Het volgen van trefwoorden met ‘griep’ door Google bleek de griepgolf van 2008 zeer nauwkeurig weer te geven, deze meting was bovendien superieur in vergelijking tot de traditionele dataverzameling. Het internet kan dus een uitstekende graadmeter zijn voor veranderingen die in de maatschappij plaats hebben. Het enig lastige van deze studies is dat niet alle opleidingsniveaus en leeftijdsgroepen onder de gebruikers even goed gerepresenteerd zijn en dit generaliserende conclusies uitsluit.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Excuses van Bouterse werken averechts, suggereert onderzoek

04 Augustus 2010, 15:24

door: Eva van den Broek

Zal Bouterse bij zijn inauguratie zijn excuses aanbieden over de Decembermoorden? Economisch onderzoek suggereert dat het onverstandig zou zijn.

Op 12 augustus wordt Desi Bouterse geïnaugureerd als staatshoofd van Suriname. Zijn geestelijk leidsman, Steve Meye, heeft laten weten dat Bouterse de nabestaanden van de Decembermoorden om vergeving gaat vragen. Sinds Bouterse zich elf jaar geleden tot het Christendom bekeerde, is hij een ander man geworden, volgens Meye (zie Volkskrant 22 juli). Dat valt te hopen: in Nederland is hij bij verstek veroordeeld tot elf jaar voor cocaïnehandel, en het proces over zijn directe aandeel in de Decembermoorden loopt nog. De politieke verantwoordelijkheid ervoor heeft hij al op zich genomen.

Het effect van excuses op een gedupeerde

Wat kan zijn verontschuldiging dan nog voor effect hebben? Een excuus doet niets: Bouterse doet niet de belofte dat hij het nooit meer zal doen, er wordt geen smartengeld uitgewisseld, laat staan dat zijn excuses het toegebrachte verdriet teniet kunnen doen. Kortom, excuses zijn lege woorden en wat voor uitwerking ze hebben is moeilijk te bevatten. Twee onderzoekers uit Zwitserland hebben het effect van excuses op een gedupeerde onderzocht. Ze lieten 356 proefpersonen elkaar in tweetallen ‘economische’ schade toebrengen en zich daarvoor verontschuldigen.

De onderzoekers wilden onderscheid maken tussen oprechte excuses na een daad die per ongeluk begaan was, en valse excuses na een opzettelijke daad. Daarom schotelden ze de koppels proefpersonen één van de volgende twee situaties voor. In de eerste situatie kon de dader kiezen of hij geld van de ander wilde afpakken. Voor de gedupeerde was het dan volkomen duidelijk dat het afpakken met opzet gebeurde. In de tweede situatie was het onduidelijk of het afpakken opzettelijk was. Het geld werd in dit geval door de onderzoekers afgepakt, en de eventuele dader (de proefpersoon) kon dat nog terugdraaien door een meerkeuzevraag te beantwoorden. Bij het juiste antwoord werd het afpakken teruggedraaid en hield het slachtoffer zijn geld. Gaf de dader, al dan niet expres, het foute antwoord, dan kreeg hij het afgepakte geld van het slachtoffer. In alle gevallen kon de dader een boodschap (meestal een excuus) achterlaten voor het slachtoffer. Ten slotte kon de gedupeerde de boosdoener straffen door een deel van het gewonnen geld te vernietigen.

Excuses werken soms in je nadeel

Wat blijkt: excuses verminderen de daaropvolgende straf, maar niet altijd - soms werken excuses juist averechts. Als het onduidelijk was of de dader expres het foute antwoord had gegeven, hielp zijn verontschuldiging wel degelijk om straf te ontlopen. Maar een excuus voor een opzettelijke misdaad haalde niets uit. Sterker nog, zulke excuses werden in het experiment extra zwaar gestraft. De onderzoekers concluderen met een sceptische noot: iedereen betuigt spijt, ook degenen die helemaal geen spijt hadden van hun daad, omdat ze denken daarmee hun straf te kunnen ontlopen. Die hoop op strafvermindering snappen gedupeerden, en daarom werken excuses averechts als iemands opzet aanwijsbaar is.

De inauguratieplechtigheid was eerst gepland voor 3 augustus, maar Bouterse wenste uitstel om meer buitenlandse staatshoofden te kunnen ontvangen. Hugo Chávez komt, de Guyaanse president Bharrat Jagdeo heeft toegezegd; Evo Morales van Bolivia is uitgenodigd. Kennelijk wil Bouterse zijn officiële excuses breed uitmeten. Tenzij hij in 1982 per ongeluk opdracht tot executie heeft gegeven, lijkt dat onverstandig.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Geen ei zonder kip zonder ei

28 Juli 2010, 00:17

door: Nadine Vastenhouw

De vraag intrigeert al sinds mensenheugenis, hij hield Aristoteles ook al bezig. Deze zei eens, vrij vertaald: “Als er een eerste mens was, dan werd deze - in strijd met alle natuurwetten - geboren zonder vader en moeder. Want er kan geen eerste ei zijn geweest waar een vogel uitkwam, of er moet ook een eerste vogel zijn geweest die een ei legde; want een vogel komt uit een ei.” Maar meer dan een gedachte-experiment is het niet. En dat heeft alles te maken met het feit dat soortvorming een geleidelijk proces is. Het is dus onduidelijk wanneer de kip als soort precies ontstond. En of het ei daarbij eerder was dan de kip, tja…

De kip…

Toch was daar vorige week ineens het antwoord. In de meest vooraanstaande bladen en populaire wetenschappelijke blogs was te lezen dat ovocleidin-17, een eiwit dat uitsluitend voorkomt in de eierstokken van kippen, nodig is voor het maken van de eierschaal. En daarom, zo werd geredeneerd, kan een ei alleen bestaan indien het gemaakt is door een kip. Probleem opgelost: de kip was er eerst. Maar die conclusie werd iets te makkelijk getrokken.

In de studie waar deze hype uit voortgekomen is, waren de onderzoekers helemaal niet op zoek naar het antwoord op de vraag wat er eerst was, de kip of het ei. Ze waren geïnteresseerd in de vorming van de eierschaal. Op zichzelf ook een interessant fenomeen want een kippenei groeit de schaal om zichzelf heen in een proces dat lijkt op de groei van botten en schelpen. Het ei wordt in eerste instantie alleen omgeven door een membraan waar op regelmatige afstand van elkaar eiwitten opzitten. Die dienen als hechtingspunt voor de afzetting van het kalk dat uiteindelijk de eierschaal vormt. Het was al langere tijd bekend dat ovocleidin-17 hier een rol bij speelt, maar de onderzoekers hebben nu heel mooi laten zien hoe dit eiwit als een katalysator fungeert bij de vorming van calciumkristallen.

Hoewel interessant, bewijst dit onderzoek allerminst dat de kip er eerder was dan het ei. Want ook al komt ovocleidin-17 alleen maar voor in de eierstokken van kippen, soortgelijke eiwitten vinden we overal in het dierenrijk. En calcium binden kunnen ze allemaal. Zonder ovocleidin-17 kunnen er dus ook behoorlijke eieren geproduceerd worden. Reptielen bijvoorbeeld, de voorgangers van de vogels, legden ook al eieren. En de eerste kip die het eiwit verwierf dat we nu ovocleidin-17 noemen (door mutatie van een ander calciumbindend eiwit), kroop ook al uit een ei.

…of het ei?

Dus was het ei er dan eerder? In 2006 werd het pleit inderdaad al eens beslecht in het voordeel van het ei. Toen door een onderzoeksteam bestaande uit een geneticus, een filosoof en een kippenboer. Omdat, zo redeneerden zij, het genetisch materiaal van een organisme niet (of nauwelijks) verandert tijdens de ontwikkeling, moet de vogel die geëvolueerd is tot onze huis-tuin-en-keuken-kip, eerst als ei hebben bestaan. Of dat ei ook gelegd werd door een kip doet er volgens deze ‘eggsperts’ niet zoveel toe. Als uit een ei een kip kruipt dan was het een kippenei en dan was het ei er dus eerder dan de kip, zo luidde het betoog.

Soortvorming

Hieraan ten grondslag ligt de wetenschap dat de genetische veranderingen die leiden tot de vorming van een nieuwe soort, plaatsvinden tijdens de vorming van geslachtscellen. Dus strikt genomen hebben de eggsperts gelijk. Maar soortvorming is een langzaam proces: we weten allemaal dat een dinosaurus geen kippenei legt. Het dier dat het eerste kippenei legde leek al in heel veel opzichten op een kip, zoveel is zeker. Het is dus moeilijk om ergens een grens te trekken en te bepalen wanneer de kip zoals we hem nu kennen precies is ontstaan. Laat staan dat we ooit onderscheid kunnen maken tussen de kip en het ei.

Dus met veel sympathie voor de redenering van de eggsperts, moet ik hier toch ook afstand nemen van hun conclusie. De kip of het ei, het blijft onopgelost. Maar zo was het raadsel ook bedoeld. Als food for thought.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Twijfelen over het klimaat

13 Juli 2010, 04:40

Door Tim van Opijnen  

Het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) presenteerde deze week een verslag over het klimaatrapport uit 2007 van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waaruit bleek dat de aarde opwarmt als gevolg van menselijk handelen. Waarom een rapport over een rapport? Omdat het IPCC bomvol fouten zou staan. Maar het gebrek aan aandacht in de pers voor het PBL rapport onderstreept het non-nieuws gehalte: de conclusies van het IPCC blijken gedegen, het mag allemaal alleen wel wat zorgvuldiger. Betekent dat dan dat we nu echt werk gaan maken van het klimaat? Waarschijnlijk niet.

Twijfel zaaien

Zo’n drie jaar geleden beleefde het onderwerp klimaatverandering een ongekende populariteit. Na het zien van “An Incovenient Truth” van Al Gore, kon je zonder goed fatsoen niet langs de kant blijven staan. Met z’n allen op de praalwagen, verandering moest er komen. Al Gore en het IPCC verdienden de Nobelprijs voor de Vrede, en aan klimaatverandering zou een einde worden gemaakt. Niet lang daarna ontstonden er haarscheurtjes in ‘de beweging’ toen niet alle beweringen en dramatische foto’s in de PowerPoint van Al Gore z’n oorsprong bleken te vinden in klimaatverandering.

Door deze domme actie zagen de klimaatsceptici hun kans schoon en was de weg vrij om een welbekende tactiek toe te passen. Om iets tegen te spreken hoef je helemaal niets te bewijzen, twijfel zaaien is genoeg; twijfel rond de onafhankelijkheid van de hoofdpersonen en hun bewijs. Net zoals het de rooklobby decennia lang is gelukt om het gevaar van roken te bagatelliseren, is diezelfde strategie ook nu uiterst succesvol gebleken.

Fout op fout

Een hoogte- dan wel dieptepunt (dat ligt eraan hoe je er tegen aan kijkt) in deze soapserie werd in November bereikt met het ontvreemden van een collectie e-mails van klimaatonderzoekers van de Universiteit van East-Anglia in Engeland. Uit die berichten zou onomstotelijk blijken dat klimaatwetenschappers data hadden vervalst; klimaatverandering was een hoax! Uiteindelijk bleken de gepubliceerde ‘oneliners’ niet meer dan uit z’n verband gerukte botte opmerkingen van over het algemeen vakkundige wetenschappers, wat in de afgelopen week officieel door twee onafhankelijke onderzoeken is bevestigd.

Nog geen twee maanden na ‘e-mail-gate’ bleken er fouten in het IPCC rapport te staan. Niet alleen zouden alle gletsjers in de Himalaya rond 2035 zijn gesmolten (waarvoor ze in een voor onmogelijk gehouden recordtempo zouden moeten smelten), ook zou Nederland voor 55% onder de zeespiegel liggen. Ook dat laatste klopte niet; 26% van Nederland ligt onder de zeespiegel, 55% slaat op het percentage Nederland dat kans maakt onder te lopen door de grote rivieren en de zee tesamen. Die onzorgvuldigheid over Nederland lieten we ons niet op de kop zitten en dus stelde Diederik Samson van de PvdA voor dat er een onafhankelijk onderzoek door het PBL moest komen naar de conclusies van het IPCC. En zo geschiedde. Beetje pijnlijk werd het, toen bleek dat het PBL zelf de verkeerde data over Nederland aan het IPCC had doorgespeeld.

Rapport der rapporten

Maar deze week verscheen dan toch het PBL verslag, en zo werd duidelijk dat er verder niet veel mis is met het IPCC rapport van 2007. Er werd nog een kleine fout gevonden, zo zouden niet 75 tot 250 miljoen Afrikanen bedreigd worden door watertekort rond 2020 maar 90 tot 220 miljoen; een ‘verwaarloosbaar’ verschil. Ook vindt het PBL het IPCC nogal zwaar op de hand. Zo zijn de enkele mogelijke positieve gevolgen van klimaatverandering uit de uiteindelijke samenvatting gelaten. En ook vindt het PBL dat het IPCC veel te makkelijk generaliseert, wat volgens het IPCC soms onvermijdelijk is door gebrek aan data.

Niettemin heeft Nederland gesproken en de conclusie is dat het IPCC de bal in de kruising schiet wat betreft de verandering van het klimaat. Toch zal er in Augustus nog een rapport verschijnen, deze keer opgesteld door een VN commissie geleid door onze eigen Robbert Dijkgraaf. Ook daar zullen naast adviezen van meer openheid en zorgvuldigheid niet veel opzienbarende feiten aan het licht komen (anders was dat al wel gelekt). Dat komt niet omdat alle wetenschappers in de wereld in het zelfde team spelen, dat komt omdat de klimaatwetenschap een gedegen veld is. Dagelijks zijn wetenschappers overal ter wereld keihard bezig om het klimaat van heden en verleden in kaart te brengen en naar de laatste inzichten voorspellingen te doen voor onze nabije toekomst.

Risicovolle toekomst

Dat de toekomst er naar die inzichten niet zo rooskleurig uitziet moet voor iedereen evident kunnen zijn. Het probleem is misschien wel dat we het ons gewoon niet voor kunnen stellen (of is het accepteren?) dat wij zo’n potentieel desastreuze invloed kunnen hebben op de toekomst van onze planeet (lees bijvoorbeeld: De zwarte zwaan, door Nassim Nicholas Taleb).

Het meest dramatisch is dat we drie jaar na het verschijnen van het IPCC rapport geen steek zijn opgeschoten, erger nog, we zijn achteruit gehold; klimaatverandering lijkt allang geen prioriteit meer en het vertrouwen in wetenschap en wetenschappers heeft een flinke knauw gekregen. Op de website van the Economist stond tekenend commentaar. Klimaatverandering, zo stelde de reageerder, is maar een theorie, niets meer niets minder. Quantum mechanica is ook maar een theorie, maar wel één die aan de basis staat van de werking van transistors en al onze elektronica. Klimaatverandering is inderdaad ook een theorie en ook eentje die is gebaseerd op onze huidige wetenschappelijke kennis. Waarom twijfelen we nu plotseling aan al die kennis en zijn we het geneigd aan de kant te schuiven? Blijkbaar durft een substantieel aantal van ons de weddenschap tussen onderbuikgevoel en de wetenschap wel aan. Ongelofelijk stoer voor de twijfelzaaiers als ze straks gelijk blijken te hebben. Triest is het voor de mensheid als de wetenschappelijke theorie straks tot feit wordt verklaard.

Dit stuk verscheen oorsponkelijk op www.sciencepalooza.nl.

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Stemmen volgens een onjuist systeem

16 Juni 2010, 15:41

stemmen

Door Charlotte Vlek 

Het Nederlandse en Belgische kiessysteem geven de stem van het volk niet goed weer. We mogen maar op één partij stemmen, terwijl we ook wel een tweede en derde voorkeur hebben. We kunnen nooit ergens tegen stemmen, maar alleen ergens vóór. En we zouden eerlijk moeten invullen welke partij we de beste vinden, maar soms lijkt het meer in ons voordeel om strategisch te stemmen op iets anders.

Deze week hebben we onze stem mogen uitbrengen in de Tweede Kamerverkiezingen en in België voor de Kamer en Senaar, maar het valt te betwisten of de winnaar wel in alle opzichten de beste keuze is. De wetenschap heeft hier heel wat over te zeggen. De belangrijkste vraag is waarom er in een ander kiessysteem soms een andere winnaar uit de bus komt, en of er überhaupt wel een optimaal kiessysteem bestaat.

Eerlijke winnaar

In een denkbeeldig land zijn er slechts drie partijen: Nationale Vaderlands Trots (NVT), Socialistische Volks Partij (SVP) en Quasi Echte Democraten (QED). Van de 100 inwoners hebben 40 mensen de volgende voorkeur (A > B staat voor ‘verkiest A boven B’): NVT > QED > SVP. 30 mensen vinden SVP > QED > NVT en nog eens 30 vinden QED > SVP > NVT.

Eén mogelijkheid om deze voorkeuren te combineren tot een gezamenlijke uitkomst is iedereen slechts hun eerste keus te laten aangeven: dat is het kiessysteem zoals we dat in Nederland kennen. Aangenomen dat iedereen eerlijk stemt zou in dat geval NVT als beste uit de bus komen, met 40 stemmen. Echter, 60 kiezers hebben NVT op de laatste plaats staan. Zou het dan niet beter zijn als een andere partij zou winnen?

Strategisch

Een ander probleem is dat de groep QED-kiezers er beter aan zou doen strategisch te stemmen. Immers, zij zien liever SVP dan NVT aan de macht komen. Ze kunnen echter niet tegen NVT stemmen. Zodra ze inzien dat QED toch niet gaat winnen, kunnen ze beter een stem uitbrengen op SVP zodat die een meerderheid krijgt en ze met een minder negatief resultaat eindigen. Kortom: dit kiessysteem is strategisch manipuleerbaar.

Alternatief systeem

Emeritus-hoogleraar Logica en Taalanalyse Harrie de Swart stelde in zijn afscheidsrede onlangs een alternatief kiessysteem voor. Kort gezegd stelt De Swart dat kiezers te weinig van hun voorkeuren kunnen uiten in het huidige kiessysteem.

De Swart stelt een variatie voor op de zogenaamde telling van Borda. In de telling van Borda geeft de kiezer zijn volledige voorkeursrangordening op. Deze wordt vervolgens omgezet in een puntenverdeling via een schaal die van te voren vastgelegd is: elke kiezer geeft zijn eerste voorkeur bijvoorbeeld 3 punten, de tweede voorkeur 2 en de derde 1. In het bovenstaande voorbeeld zou QED met deze telling winnen met 230 punten.

In De Swarts systeem heeft de kiezer echter nog meer vrijheid: hij mag elke partij een oordeel geven (uitstekend – goed – etc). Dit kan opnieuw vertaald worden naar punten, met als belangrijkste verschil met de telling van Borda dat een kiezer meerdere partijen hetzelfde oordeel zou mogen geven. In de praktijk kan een kiezer dan bijvoorbeeld alle partijen het oordeel ‘slecht’ geven, of een aantal ‘uitstekend’ en de rest ‘slecht’. Dit zou volgens De Swart realistischer weergeven hoe onze voorkeuren er daadwerkelijk uitzien. Immers, we vinden vaak een aantal partijen die dicht bij elkaar liggen in het politieke spectrum goed, en de rest slecht.

Manipuleren

Hoewel De Swarts systeem kiezers de kans geeft meer informatie te geven met hun stem, is het ook manipuleerbaar. Manipuleren is er zelfs eenvoudiger dan in ons huidige systeem. Een kiezer hoeft niet eens zijn eigen eerste voorkeur te verloochenen, zoals nu. Hij kan nog steeds zijn eerste voorkeur het beste oordeel geven, maar vervolgens smokkelen met de partijen die hij iets minder goed vindt. Door die een ongemeend slecht oordeel te geven zal hun totale puntenaantal lager zijn, waardoor de eerste voorkeur meer kans heeft om te winnen.

Optimaal?

Is er dan geen optimaal kiessysteem? Eén dat dichtbij het oordeel van de kiezer blijft, en dat het voor kiezers onaantrekkelijk maakt om te manipuleren? Econoom en Nobelprijswinnaar Kenneth Arrow analyseerde alle mogelijke kiessystemen, en kwam tot een vernietigend oordeel: er kan geen perfect kiessysteem bestaan als er drie of meer keuzemogelijkheden zijn. Tenzij alle macht bij één kiezer ligt, zullen er zich altijd situaties kunnen voordoen waarin het voor kiezers voordeliger is om niet eerlijk hun voorkeur op te geven, maar in plaats daarvan te manipuleren.

Wij kiezen uit meer dan drie partijen, en vanwege Arrow’s resultaat zal elk kiessysteem dus problematisch blijken. De Swart gelooft echter dat we de situatie kunnen verbeteren. Volgens hem is het realistischer dat kiezers over een aantal partijen misschien wel hetzelfde oordeel zouden willen geven, iets dat in Arrow’s aannames niet voorkomt.

Desondanks is ook De Swarts systeem manipuleerbaar, en naar het lijkt zelfs betrekkelijk gemakkelijk. Tenslotte zegt De Swart zelf al: 'Het zijn toch uiteindelijk de zittende partijen die het systeem zouden moeten veranderen. Dat zal wel niet gebeuren.' We zullen het dus voorlopig maar moeten blijven doen met ons huidige systeem. Een imperfect systeem, bij gebrek aan beter.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl.

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Synthetisch leven is een nobele zaak

07 Juni 2010, 18:40

Door Tim van Opijnen

De creatie van een nieuwe levensvorm is het hoogst haalbare voor de mens. Daarmee begeeft hij zich op gelijke hoogte met de vele goden die de menselijk cultuur rijk is. Helemaal niets mis mee dus. Of toch? Doordat sensationele verhalen de boventoon voeren in de discussie over synthetisch leven wordt de roep om controle steeds luider en dreigt inperking van een onderzoeksveld met fantastisch veel potentieel.

Met de publicatie van de synthetisch cel vorige week door een groep onderzoekers onder leiding van wetenschappelijk alleskunner Craig Venter werd een nieuwe mijlpaal bereikt. In San Diego woonde ik een presentatie van het onderzoek bij, waar één van de hoofdonderzoekers van het project op uiterst monotone wijze uitlegde hoe het hen was gelukt om het DNA van een zeer kleine bacterie opnieuw in elkaar te knutselen en succesvol te ‘re-booten’ in een cel (zie hier voor een uitgebreidere versie).

Logisch

Deze gekopieerde bacterie is een nieuwe stap voorwaarts in de synthetisch biologie, een onderzoeksveld waar met behulp van biologisch en technologisch inzicht nieuwe biologische vormen worden gecreëerd en bestaande worden aangepast. Het veld is zo’n beetje in de jaren 60 van de grond gekomen toen Jacob en Monod lieten zien hoe de simpele bacterie E. coli allerlei processen logisch organiseert en reguleert. Dat inzicht gaf wetenschappers het idee dat er hier en daar wel wat te knutselen en verbeteren valt aan biologische processen.

Toepassingen

En dat is niet zonder resultaat gebleven. Een prachtig voorbeeld is artemisinezuur dat gebruikt wordt om Artemisine te maken, het meest effectieve antimalaria middel dat we kennen. Normaal gesproken komt artemisinezuur alleen voor in de plant zomeralsem. Maar na wat wetenschappelijk kunst en vliegwerk wordt het nu veel efficiënter geproduceerd door de bacterie E. coli.

Er zijn echter ook toepassingen die heel wat wenkbrauwen hebben doen fronzen. In 2002 werd in het tijdschrift Science in detail beschreven hoe het poliovirus synthetisch kan worden nagemaakt. En in 2006 bezocht ik zelf een lab in de nok van een wolkenkrabber in hartje Manhattan dat net daarvoor het uiterst dodelijke Spaanse griepvirus uit 1918 had nagemaakt. Een ongelofelijk hoogstandje, maar in potentie zeer dodelijk.

Gevaar

In die toepassingen schuilt volgens velen dan ook het gevaar. Want wat als er iets wordt gecreëerd dat in verkeerde handen valt? Of als iemand iets maakt wat uiterst gevaarlijk is? In 2002 zouden Amerikaanse militairen in een al-Qaeda kamp vlakbij Kandahar beschrijvingen hebben gevonden om de ‘miltvuur-‘ en ‘botuline-bacterie’ te kweken. En vorig jaar zou Abdullah al-Nafisi, een zogenaamde al-Qaeda werver, hebben verkondigd dat al-Qaeda de beschikking heeft over een substantieel aantal wetenschappers die klaar staan om een biologisch wapen in elkaar te knutselen.

FBI

Dit soort ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat er allerlei initiatieven zijn gestart om het onderzoeksgebied strak te controleren. Zo heeft de FBI een groep in het leven geroepen die wetenschappelijk onderzoek tegen het licht houdt en bezoekjes brengt aan wetenschappers die potentieel gevaarlijk onderzoek doen. Ook was de FBI het afgelopen jaar voor het eerst aanwezig op iGEM, een synthetische biologie competitie op MIT in de VS, waar de deelnemende studenten op het hart werd gedrukt om hun verantwoordelijkheid te nemen en verdachte personen aan te geven via een daartoe opgezette kliklijn.

Hackers

Of de FBI succesvol zal zijn is nog maar de vraag, want niet alleen professionals zijn synthetisch bezig. Zoals computer-hackers in de jaren 70 ondergronds voor vooruitgang zorgden, heeft synthetische biologie ondertussen in een kleine gemeenschap een vergelijkbare vorm en cultstatus aangenomen. Deze ondergrondse gemeenschap bestaat uit enthousiaste amateurs die zo’n beetje vanuit hun garage opereren en zich losjes organiseren onder de naam Do-It-Yourself Biology. Ook zij houden zich bezig met een hele variëteit aan problemen; zo zijn er ‘hackers’ (een zelf aangemeten geuzennaam) die bacteriën proberen aan te passen waardoor ze (efficiënter) synthetische brandstoffen produceren of elektriciteit opwekken. Maar wat als er een rotte appel tussen deze amateurs zit die iets heel anders wil?

Controle

Om die vraag te beantwoorden moet je kijken naar de (on)mogelijkheden van synthetische biologie. Daaruit blijkt dat synthetische biologie geen simpele toegangspoort vormt naar een organisme dat een grote ravage aan kan richten. Niet voor amateurs, niet voor professionals en niet voor al-Qaeda sympathisanten. Daarvoor zijn niet alleen de kosten te hoog en de technieken te moeilijk, maar er is ook enorme expertise vereist die maar bij een select gezelschap voor handen is. En om chaos te veroorzaken zijn tal van andere veel simpelere opties beschikbaar. Dat neemt niet weg dat regulatie op allerlei niveaus, om excessen te voorkomen, een goed idee is. Dit moet alleen wel uiterst zorgvuldig gebeuren want in te veel controle schuilt verlamming. Zo voerde de VS in 2002 een herziening van de ‘Patriot Act’ in, waardoor het verboden werd om het pokkenvirus genetisch te veranderen. Maar als ongewenst bijeffect werd het daardoor ook verboden om het vaccin tegen de pokken nog langer te produceren.

Nobel streven
Synthetische biologie zit vol potentie maar bevindt zich nog in de kinderschoenen. Zelfs de simpelste bacterie blijkt uiterst complex en valt nog maar moeilijk te begrijpen. We kunnen hoogstens relatief kleine aanpassingen doen die een enkel proces beter laten verlopen. Een totaal nieuw synthetisch organisme maken, hoe simpel ook, is naar alle waarschijnlijkheid nog decennia ver verwijderd. Dat neemt niet weg dat we de reis om nieuw leven te creëren zijn begonnen en dat is op zich een nobele zaak.

 

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Hoe de economie de natuur kan redden - en andersom

31 Mei 2010, 18:33

economie redt natuur

Door Eva van den Broek 

Vorige week kwam het VN-rapport over biodiversiteit uit. Een somber bericht: de natuur gaat eraan. Is dat erg? Ja, vinden de meeste mensen. Maar hoe erg het precies is, en hoe je dat berekent, is ingewikkeld.

Om te beginnen: het is niet zielig voor een soort zelf. De eenzame ijsbeer uit het WNF-spotje die levensmoe naar de volgende ijsschots wankelt is niet zielig omdat hij uitsterft- het leven van een ijsbeer was toch al niet zo’n pretje, zoals Bas Haring betoogt in zijn boek ‘Het aquarium van Marcel Huijsmans’ (2009). Maar voor wie zijn de bevindingen uit het rapport dan zorgelijk? Het antwoord is: voor de mens. Biodiversiteit, de veelheid aan soorten in de natuur, is niet alleen leuk, maar levert ons ook veel op: eten, medicijnen, bouwmaterialen. Daarnaast zijn ook minder goed verkoopbare functies van ecosystemen. Een mangrovebos houdt de zee buiten, de duinen zuiveren drinkwater en de Amazone slaat CO2 op.

Prijskaartje

Wat gebeurt er als we aan zulke ‘ecosystem services’, die nu gratis zijn, een prijskaartje hangen? Esther Turnhout, universitair hoofddocent aan de Universiteit Wageningen, vindt dat het ons van de natuur vervreemdt. Tijdens een lezing woensdagavond in SPUI25 gaf ze een voorbeeld van dicht bij huis: de ecologische akkerrand. Naast mooie bloemetjes levert de akkerrand bijvoorbeeld lieveheersbeestjes, de natuurlijke vijanden van bladluizen. Zo worden op een natuurlijke wijze de gewassen beschermd. Maar een boer verdient meer als hij de akkerrand met maïs volplant en dat met pesticiden beschermt. Om de boer te bewegen tot natuurlijke gewasbescherming is er een subsidie uitgeloofd. De EU hanteert daarvoor een checklist met bepaalde bloemen en planten. Gelukkig voor de boer verkoopt het tuincentrum zakken “akkerrandenmengsel”; instant biodiversiteit. Of deze aanpak rendabel is en zijn doel dient, het behuizen van de natuurlijke vijanden, is de vraag- maar volgens de checklist is het biodivers.

Vermarkten

De akkerrandsubsidie is een voorbeeld van hoe het kwantificeren van het ‘nut’ van biodiversiteit het doel voorbijschiet. Toch is het vermarkten van biodiversiteit hard nodig. Wie heeft er belang bij een specifiek ecosysteem, en wat is hen dat waard? Omdat die waarde-inschatting zo moeilijk is, wordt de waarde vaak onderschat en een service als gratis gezien- denk aan het drinkwater dat door de duinen wordt gefilterd. Als duidelijk is hoeveel water een duin zuivert en wat het per maand zou kosten om dat zelf te doen, is het makkelijker in te schatten of een ingreep om de duinen te behouden het geld waard is. Alleen door een precieze waardebepaling kunnen afwegingen over behoud zorgvuldig gemaakt worden: wat is de impact, wat zijn de risico’s, en wat mag het kosten. Zo kan een economische blik de natuur beschermen.

Scanapparaatje

Omgekeerd valt er ook veel te verdienen aan biodiversiteit. Het planten van 12000 hectare mangrovebos in Vietnam kostte een miljoen dollar, maar spaart nu zeven miljoen per jaar aan dijkonderhoud. En als we 40 miljard in de biodiversiteit in zeeën investeren, levert dat 4 triljoen op aan vis, toerisme, en minder overstromingen (zie TEEB-rapport).

Esther Turnhout ziet zelfs nog een manier om geld te verdienen aan de biodiversiteit: de verkoop van een genetische barcode-scanner, waarmee je meteen kunt zien wat je geplukt hebt en hoeveel het waard is. En of het de laatste in z’n soort was, natuurlijk.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Baas in eigen genoom

11 Mei 2010, 16:41

Door Nadine Vastenhouw 


Wist u dat van elke vijf genen in uw genoom er één gepatenteerd is? Ja, het is even schrikken, maar u bent geen eigen baas in eigen genoom. Die tijd is allang voorbij. Maar een recente uitspraak van een rechter in New York kan daar mogelijk verandering in brengen. Deze rechter stelde dat het patenteren van genen domweg niet grondwettelijk is. En die uitspraak zou wel eens voor een revolutie kunnen zorgen.

Patenten op stukken DNA

In 1978 werd het eerste gen gepatenteerd: het humane groeihormoon. Toen in de jaren negentig steeds meer van de sequentie van het humane genoom bekend werd gingen alle remmen los en in 2005 was twintig procent van al uw genen gepatenteerd. Dat betekent natuurlijk niet dat deze patenthouders nu twintig procent van uw genen bezitten. Dat kan ook niet, want elke keer als er zich ergens in uw lichaam een cel verdubbelt, verdubbelt het DNA in die cel zich ook. Dat kan zo’n bedrijf u toch mooi niet afnemen. Wat het wel betekent is dat alles dat onder het patent valt, verboden terrein is voor andere onderzoekers en artsen. In sommige gevallen gaat dat zo ver, dat ook nog niet ontdekte ziekteverwekkende veranderingen in een gen al door het patent gedekt zijn. En dat weerhoudt anderen er dus van onderzoek naar dat soort veranderingen te doen, of tests te ontwikkelen om zulke veranderingen op te sporen.

En dat is verontrustend. Want op deze manier zorgen patenten er voor dat er geen concurrentie is, en geen vrij verkeer van kennis. En als gevolg daarvan komen bepaalde tests om genetische afwijkingen op te sporen veel te duur op de markt. Ja, ook ik begrijp dat een bedrijf niet voor niets tests kan ontwikkelen; er moet natuurlijk geld in het laatje komen. Dus als een bedrijf een test ontwikkelt waar een genetische afwijking mee opgespoord kan worden dan begrijp ik dat het daar een patent op kan aanvragen. Maar een patent op een stuk DNA dat iedereen met zich meedraagt, nog voordat een bedrijf er ook maar iets mee gedaan heeft, dat gaat toch wat ver.

Hoezo marktwerking?

Voorstanders van patenten op genen beweren dat bedrijven het beschermde gevoel van een patent nodig hebben om rustig aan ontdekkingen te kunnen werken. Maar daar is weinig bewijs voor. Recent onderzoek van Robert Cook-Deegan naar bedrijven die genetische tests ontwikkelen heeft zelfs uitgewezen dat bedrijven met de exclusieve rechten steeds de laatste waren die hun producten op de markt brachten. Vervolgens gebruikten zij hun exclusiviteitrechten wel om de snellere, wellicht betere, en hoogstwaarschijnlijk goedkopere concurrenten van de markt te verjagen.

Het is dus nergens goed voor, patenten op stukken DNA. En nu heeft een rechter in New York, in een zaak die was aangespannen om de patenten op BRCA1 en BRCA2 aan de kaak te stellen, gezegd dat het niet grondwettelijk is om genen te patenteren.

De zaak Myriad

Veranderingen in de genen BRCA1 en BRCA2 zijn verantwoordelijk voor de meeste gevallen van erfelijke borst- en eierstokkanker. Myriad Genetics en de University of Utah Research Foundation hebben samen sinds jaar en dag het patent op deze twee genen. Dat betekent dat elke keer waneer een vrouw getest wordt op de aanwezigheid van veranderingen in deze twee genen, een test moet worden gebruikt die door Myriad ontwikkeld is. Een test die handen vol geld kost. En het meest frustrerende van de hele zaak is dat het voor iedereen die de beschikking heeft over een laboratorium heel simpel is om die test zelf te doen. Maar dat mag dus niet. En reken maar dat Myriad dat allemaal nauwlettend in de gaten houdt.

In 2009 besloot een groep patiënten, onderzoekers en artsen, verenigd in de American Civil Liberties Union dat het genoeg was met deze monopoliepositie en zij spanden een rechtszaak aan om een einde te maken aan het patent op BRCA1 en BRCA2. En, totaal tegen alle verwachtingen in, zei rechter Robert Sweets op 29 maart jongstleden in zijn uitspraak in deze zaak dat genen, omdat het natuurproducten zijn, niet te patenteren zijn.

Een heel bijzonder natuurproduct

Maar wat is dan het verschil tussen DNA en stoffen als adrenaline en insuline, twee natuurproducten die in synthetische vorm wel gepatenteerd zijn? Volgens Sweets is DNA een heel bijzonder natuurproduct. Omdat de lettervolgorde van het DNA zich niet direct laat vertalen naar de functie van dat stuk DNA. Met andere woorden, als je de sequentie van een stuk DNA weet, weet je nog niet automatisch wat dat stuk DNA doet. En dus is de sequentie niet voldoende basis om er een patent op aan te vragen.

De uitspraak van de rechter in New York is een kleine maar enorm belangrijke stap in de goede richting. Hoewel Myriad al heeft aangekondigd in beroep te gaan, en de kans groot is dat ze de zaak in hoger beroep winnen, denk ik dat dit het begin van een revolutie is. Onze genen zijn publiek bezit en het patentrecht moet daarop aangepast worden.

De uitspraak in New York heeft natuurlijk geen enkele rechtsgeldigheid in Europa en Nederland, maar ook hier zie ik mogelijkheden. In de Van Dale staat bij patent, ofwel octrooi: een octrooi wordt toegewezen aan een uitvinder wanneer de uitvinding aan drie vereisten voldoet: nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid. Het lijkt mij toch duidelijk dat het in het geval van genen al misgaat voordat we aan de drie vereisten toekomen, want genen zijn natuurlijk geen uitvindingen. Dus als we het daar over eens zijn, kunnen al de patenten op genen ook in Nederland meteen de deur uit.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Het signalement luidt: ATATAGCCGT

05 Mei 2010, 17:16

Door André Boorsma

Daders opsporen met behulp van DNA-profielen is een belangrijk stuk forensisch gereedschap. Deze techniek is alleen succesvol in combinatie met een omvangrijke DNA-databank die de pakkans voor daders groot maakt. Binnenkort kan DNA ook worden gebruikt voor het bepalen van uiterlijke kenmerken voor het maken van een dadersignalement. DNA-technieken wekken weerzin op bij sommige mensen. Echter, voor deze technieken hoeven we niet bang te zijn, zeker omdat Nederland op dit gebied strenge wetgeving kent.

DNA als forensische opsporingsmethode
Bij forensische opsporingsmethoden wordt steeds vaker gebruik gemaakt van het DNA dat in celmateriaal op het plaats delict wordt aangetroffen. Het bekendste voorbeeld hiervan is de techniek waarbij DNA-profielen worden bepaald aan de hand van zogenaamde STR’s (Short Tandem Repeats). Dit zijn korte stukjes DNA code die in herhalingen voorkomen in ons DNA. Combinaties van deze STR’s zijn voor ieder mens uniek en kunnen worden gebruikt als een soort barcode om personen te identificeren. De DNA-profielen die worden opgeslagen in een DNA-databank zijn afkomstig van biologische sporen van plaatsen delict of van celmateriaal wat al dan niet vrijwillig is afgestaan door personen. In Nederland bevat deze databank momenteel naast 40.000 profielen van sporen ongeveer 90.000 profielen van personen. Vanwege de beperkte omvang van de databank en omdat we het niet wenselijk vinden dat het profiel van iedere burger in de DNA-databank staat, komt het relatief vaak voor dat er geen overeenkomst wordt gevonden tussen het dader profiel en de databank. Dit gaat met name op voor zogenaamde 'cold cases'; ernstige criminele zaken die bijna verjaard zijn.

Uiterlijke kenmerken

Als een DNA-profiel geen overeenkomst met de DNA-databank oplevert kan DNA ook gebruikt worden voor het afleiden van uiterlijke kenmerken. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van variaties op het DNA (SNP’s) die zijn geassocieerd met uiterlijke kenmerken. Momenteel zijn dat kenmerken zoals oogkleur, krullend haar en haarkleur. In Nederland is recent door de groep van Manfred Kayser een test voor oogkleur ontwikkeld waarmee met grote waarschijnlijkheid van DNA kan worden afgeleid of een dader blauwe of bruine ogen heeft. Nieuwe technieken zullen er mogelijk voor zorgen dat er meer en betere relaties tussen DNA en uiterlijke kenmerken worden onthuld. Te denken valt aan kenmerken zoals postuur, linkshandigheid, zwaarlijvigheid en de kans op kaalheid. Een volledige gezichtsreconstructie op basis van DNA lijkt toekomstmuziek; het is erg moeilijk en misschien wel onmogelijk om het samenspel van alle betrokken genen te achterhalen. In het geval dat er verder geen enkele informatie over de dader beschikbaar is kan dit type DNA -onderzoek worden ingezet om een (beperkt) signalement van een dader op te stellen. Dit kan worden toegepast om bijvoorbeeld in een buurtonderzoek de pool van potentiële verdachten waarvan men een DNA-profiel van wil hebben te verkleinen. Men kan inmiddels ook op basis van het DNA met een zekere nauwkeurigheid de etnische achtergrond van een persoon afleiden. Dit werd voor het eerst gebruikt in de zaak Marianne Vaatstra
waar werd vastgesteld dat de dader hoogstwaarschijnlijk van West-Europese afkomst was.

Privacy en wetgeving

Een vaak gehoord misverstand is dat DNA profielen ‘alles’ over een persoon onthullen. Dit is zwaar overdreven. Ex-geneticus Ronald Plasterk heeft wel eens een vergelijking gemaakt met een boek waarin de woorden en zinnen informatie geven over de inhoud van het boek. Neem je nu van elke rechterpagina de allerlaatste letter en zet je deze letters vervolgens achter elkaar, dan heeft ieder boek zijn unieke code. Deze code zegt echter niets over de inhoud van het boek. Dit geldt ook voor DNA-profielen. De techniek van de uiterlijke kenmerken daarentegen onthult ook daadwerkelijk informatie over de persoon zelf. Dat gaat een stapje verder. Maar de vraag is of dit erg is natuurlijk. Naar mijn mening hoeven we ook voor deze techniek niet bang te zijn, vooral omdat Nederland als enige land strenge wetgeving heeft op dit terrein.

Deze wetgeving stelt bijvoorbeeld dat alleen kenmerken mogen worden gebruikt mits die ook voor andere personen zichtbaar zijn. Bij het maken van de wetgeving is rekening gehouden met de privacy van de persoon van wie het DNA afkomstig is en zijn recht om informatie niet te willen weten. Dit betekent dat geen kenmerken mogen worden gebruikt waarvan de persoon van wie het DNA afkomstig is, geen weet heeft, bijvoorbeeld de kans op het krijgen van een ernstige ziekte. Een andere bepaling is dat alleen kenmerken gebruikt mogen worden die al vanaf de geboorte zichtbaar zijn. Deze laatste bepaling lijkt me erg strikt en verbiedt bijvoorbeeld het gebruik van kenmerken die pas op later leeftijd zichtbaar worden zoals postuur, oogafwijkingen en zwaarlijvigheid.

Kortom, de techniek staat nog in de kinderschoenen en de mogelijkheden zijn daardoor moeilijk te voorspellen. Maar omdat de huidige wetgeving ook bepaalt dat elk nieuw kenmerk afzonderlijk door de regering getoetst moet worden, zal de ontwikkeling gecontroleerd verlopen.


Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl.

 

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Multitasken? Liever niet.

26 April 2010, 16:43

Door Tim van Opijnen

Als je mee wilt tellen moet je kunnen multitasken. Bedrijven vragen ernaar in sollicitatiegesprekken en als je niet tegelijkertijd je Facebook-, Twitter- en LinkedIn-status, het nieuws en meerdere email accounts bij kan houden ben je goed ouderwets.

Eten en lezen


Mensen zijn, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de iPhone, redelijk goed in het uitvoeren van twee taken tegelijkertijd. Zo zal er bijna niemand moeite mee hebben tegelijkertijd dit stuk te lezen en een boterhammetje te eten. De handelingen die je verricht tijdens het eten: de beweging naar de mond, happen, kauwen en slikken, zijn zo vanzelfsprekend en zitten zo ingebakken in je brein dat je er niet bewust over na hoeft te denken. Er blijft dus genoeg denkvermogen over om te lezen en die input te verwerken. Maar het wordt een ander verhaal wanneer twee taken worden gecombineerd die competeren om aandacht.

Pianospelen en rekenen


Een paar maanden geleden nodigde NPR de professionele pianist Jacob Frasch uit in de studio en vroeg hem een bekend stuk van Bach te spelen terwijl hij tegelijkertijd over zijn jeugd vertelde. Die combinatie bleek geen probleem. Maar toen Frasch werd gevraagd om een voor hem onbekend uptempo stuk vanaf bladmuziek te spelen en tegelijkertijd een simpele rekensom uit te voeren kon je in de muziek horen hoe de hersenen werken; terwijl de pianist z’n hersenen aftastte naar het antwoord nam het tempo van de muziek eventjes af, er werd een enkele foute noot aangeslagen, en terwijl het antwoord op de rekensom uit de mond van de pianist klonk was de muziek alweer op tempo en alle noten glaszuiver (luister hier naar het experiment). De hersenen van de pianist leken dus als het ware de twee taken niet tegelijkertijd uit te voeren maar razendsnel tussen de twee taken te schakelen.

Twee helften


Hoe zoiets daadwerkelijk in de menselijke hersenen werkt is de afgelopen week door een publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift Science een stuk duidelijker geworden. Franse onderzoekers schrijven daarin hoe ze proefpersonen uitdaagden om tegelijkertijd twee gerelateerde taken uit te voeren. Met fMRI namen ze vervolgens waar hoe een gedeelte van de hersenen (de prefrontale cortex) opgedeeld werd in twee helften, en iedere helft één van de taken op zich nam. Terwijl de twee taken werden volbracht zagen de onderzoekers hoe er razendsnel tussen de twee helften werd geschakeld. Er lijkt echter wel een grens aan de hoeveelheid taken te zitten, want wanneer de proefpersonen tegelijkertijd een derde taak moesten volbrengen bleek dit voor de meesten onmogelijk; fout werd op fout gestapeld en één van de drie taken werd dikwijls vergeten.

Een klein experiment onder de sciencepalooza auteurs bevestigt hoe moeilijk het is om snel tussen meerder taken te schakelen. In het begin lukte het niemand drie taken tegelijk uit te oefenen, maar na oefening, waardoor handelingen meer automatisch werden, lukte het een paar auteurs zelfs kortstondig vier taken tegelijk te volbrengen. Test het ook zelf eens met het volgende spel (Multitask).

Bekendheid en automatisme


Multitasken is dus eigenlijk een kwestie van supersnel ‘switchen’ en het wordt pas echt mogelijk om taken tegelijkertijd af te handelen wanneer ze bekend zijn en er automatismen voor bestaan. Dat geeft ook direct aan waarom autorijden en sms-en (of bellen), net zo slecht samengaan als een onbekend pianostuk spelen en rekenen. Autorijden zelf kan goed een automatisme zijn, maar de omgeving waarin je je als automobilist begeeft eist constante aandacht en hoe drukker en onbekender de weg hoe meer ‘rekenvermogen’ er van de hersenen wordt geëist. Tegelijkertijd sms-en competeert met die capaciteit en vraagt de hersenen om te switchen en de aandacht te verleggen (de aandacht een kwart seconde verleggen resulteert bij 60 km/uur in een extra remweg van zo’n 4 meter).

Geen multitasker maar ‘extreme switcher’


Er zijn natuurlijk mensen die denken dat ze excellente multitaskers zijn en zij bewijzen dit door constant hun Facebook-, Twitter- en LinkedIn-status te updaten, meerdere e-mailaccounts en talloze (nieuws)websites bij te houden, terwijl ze gelijktijdig tv kijken en naar de radio luisteren. Je zou kunnen denken dat dit soort media-multitask gedrag positieve gevolgen heeft. Immers hoe meer je oefent des te beter je in het multitasken wordt. Maar dat blijkt toch niet zo simpel. Een experiment uit 2009 laat zien dat studenten die dagelijks gebruik maken van meerdere media-bronnen tegelijkertijd (zoals Facebook, Twitter de radio en TV) zich veel makkelijker laten afleiden van de taak die ze tijdens het experiment moeten uitvoeren en minder goed de bijzaken van de hoofdzaken kunnen scheiden dan studenten die zeggen nagenoeg nooit te multitasken. Bovendien waren de media-multitaskers langzamer in het uitoefenen van twee taken tegelijkertijd; oftewel ze waren slechter in multitasken.

De resultaten zijn moeilijk te verklaren. Misschien zorgt een overmaat aan multitasken voor verstopping van de hersenen wat resulteert in een verlies aan snelheid en concentratievermogen. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat mensen die zich moeilijk op één ding kunnen concentreren vaker geneigd zijn te multitasken. Maar dat er aan multitasken een grens zit en het zeker niet voor iedereen en voor alle zaken geschikt is moge duidelijk zijn. Vooral complexe taken vragen om expliciete aandacht. Tegen bedrijven die op zoek zijn naar goede werknemers zou ik willen zeggen, pas op voor iemand die zichzelf als multitasker omschrijft, dat is een risicootje. Tegen sollicitanten: te koop lopen met multitasken als een van je talenten is misschien toch niet zo’n goed idee. Beter is om jezelf vanaf nu te betitelen als ‘extreme-switcher’.


Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Over harteloze fruitvliegjes en platte stekelvarkens

21 April 2010, 14:58

sonic_hedgehog

Door Barbara Vreede 

Wat hebben Don Juan en British Rail gemeen? Ze spelen allebei een belangrijke rol bij de spermaproductie van fruitvliegjes.

Voor iedereen die nu verbaasd de slaap uit z’n ogen wrijft volgt hier een cursus wetenschapshumor voor beginners. Aan het eind van les 1 weet u waarom we geen Pokemon meer zeggen, maar Zbtb7, en bent u een aantal illusies armer wat betreft de serieusheid van wetenschappers. U bent gewaarschuwd.

Het idee voor deze post kwam een paar dagen geleden, toen een vriend me vertelde van een recente ontmoeting met een collega-wetenschapper die zojuist een nieuw gen had ontdekt. Dat gebeurt vaker, want hoewel je ‘een gen’ (dat wil zeggen: een stuk DNA dat de code bevat voor een eiwit) met vrij simpele software uit een genoom kunt vissen, is dan nog niet altijd bekend wat voor functie dit gen vervult. De onderzoeker die dit uitpuzzelt maakt vaak gebruik van mutanten: organismen waarbij het gen niet (of minder) actief is. Door te kijken naar de gebreken die het organisme in kwestie vertoont, kun je afleiden wat de rol van het gen in de normale situatie (het zogenaamde 'wildtype') is.

Mijn vriend had zijn collega getrakteerd op een aantal biertjes, en samen bespraken ze hun laatste vindingen. De collega vertelde dat hij had ontdekt dat ‘zijn gen’ een negatief effect had op de expressie van een reeds bekend gen, dat bekend staat onder de naam hedgehog. “Ik heb de perfecte naam voor mijn gen bedacht,” zei de collega. “car.”, en hij zoefde met zijn hand over de tafel, ondertussen het geluid van een auto nabootsend.

Hoewel ik nog niet bevestigd heb gekregen of dit plan daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden, zou het niet de eerste bizarre benaming van een genetisch element zijn. Met name de Drosophila genetici staan erom bekend dat ze hun ‘uitvindingen’ de meest hilarische namen meegeven, bijna altijd in een creatieve beschrijving van de mutant. (Dit is overigens een erg verwarrend trekje van genetici, en bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het zwarte-pigment-gen yellow.)

In de eerste Drosophila mutantenscreens zijn genen gevonden wier afwezigheid een buitengewoon desastreus effect had op de vorm van het embryo, zoals zerknüllt, Gurken, en Krüppel. Deze namen zijn bedacht in Heidelberg, Duitsland, en er heerst nog steeds een sterk vermoeden onder het niet-Germaanse deel van de wetenschapperspopulatie dat de overdaad van umlauts wel eens een gemene practical joke zou kunnen zijn.

Maar ook de niet-Germanen hebben er een handje van. Een mutatie die ervoor zorgde dat de fruitvliegjes een vrij typisch behaard gezicht kregen, werd al gauw aan het gen groucho (naar Groucho Marx) toegekend. Het eerder genoemde hedgehog is genoemd naar een Drosophila embryo met allemaal puntige uitsteeksels, en toen er genen werden ontdekt die familie waren van de oorspronkelijke hedgehog, kregen ze de namen desert hedgehog, Indian hedgehog en sonic hedgehog mee. Sonic is trouwens niet het enige cartoonfiguur dat een rol speelt in de biologie, een Japans lab gaf de naam Pikachurin mee aan een eiwit in een fotoreceptor, vanwege de "lightning fast moves and shocking electric effects" van het eiwit. Hoewel de Pokémon franchise deze benaming nog oogluikend toestond, heeft een door hen aangespannen rechtzaak een einde gemaakt aan het gebruik van de afkorting "POKemon" voor de POK erythroid myeloid ontogenic factor. Dit is een gen dat wordt gerelateerd aan kanker, en nog afgezien van de mogelijke pijnlijke situaties bij de dokter ("Mevrouw, u heeft een mutatie in het pokemon gen...") wilde het bedrijf deze onfortuinlijke associatie graag de wereld uit helpen. Nu heet dit gen Zbtb7.

Iemand vertelde mij laatst over het betty boop gen, dat er, bij afwezigheid, voor zorgt dat een zebravisembryo een wel érg strakke taille krijgt. Andersom is er dan weer pavarotti dat voorkomt dat een cel eindeloos doorgroeit. Als ken of barbie zijn gemuteerd, zijn er bij het fruitvliegje in kwestie geen externe genitaliën zichtbaar. En zonder tinman heeft een fruitvliegembryo geen hart. Ook kenny vervult een belangrijke rol: zonder dit gen gaat het vliegje al na twee dagen dood. Er is bovendien een mutant die erg gevoelig is voor alcohol, beter bekend onder de naam cheap date.

Het wordt nog mooier als er combinaties worden gebruikt die iets zeggen over de relatie die twee genen hebben met elkaar. Het eerdergenoemde hedgehog en car is een leuke, maar wat dacht u van kryptonite, dat het gen superman in de plant Arabidopsis onderdrukt? Of het domein RING (een afkorting voor Really Interesting New Gene), dat op zijn beurt de naam van een bindend eiwit inspireerde: Frodo. Of onderzoekers die eerst de naam always early gaven aan een mutatie die de aanmaak van spermacellen in fruitvliegen versnelde (en ontregelde), en toen ze een gen ontdekten dat always early onderdrukte, doopten ze het British rail.

Het ogenschijnlijk onschuldige INDY is een van mijn favorieten: INDY is een afkorting voor I’m Not Dead Yet, een Monty Python grapje. Een fruitvlieg zonder dit gen leeft twee keer zo lang. Maar de acroniemen komen soms ook wat onhandiger uit: zo is er het menselijke gen arylsulfatase E, dat afgekort wordt tot ARSE. Veroorzaakt door een ongelukkig toeval (na arylsulfatase A, B, C en D komt E), of gniffelt er nu ergens een wetenschapper in zijn vuistje?

 

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Geen megastal in je achtertuin? Geen karbonade op je bord!

09 April 2010, 18:19

Door Bregje van Wesenbeeck 

De protesten en petities hebben vruchten afgeworpen en het pleit rond de megastallen lijkt beslecht. Ze komen er niet, althans niet in Brabant. Volgens de media is de huidige maatschappelijke tendens dat ‘veel mensen zich niet prettig voelen bij de intensivering van de veehouderij”. Niet prettig? Dus wat nu? Worden we nu allemaal vegetariër, of protesteren we overdag tegen megastallen en schuiven we dan bij het avondeten gewoon een karbonaadje naar binnen? Niemand heeft natuurlijk graag een megastal in zijn achtertuin. Een megastal wordt hoogstwaarschijnlijk geen architectonisch hoogstandje en na de recente reeks uitbraken van ziektes gerelateerd aan de intensieve veehouderij ziet niemand zijn peuter nog graag een geitje knuffelen. Echter, het idee om megastallen te bouwen is natuurlijk niet ontsproten aan het brein van een veeboer met grootheidswaanzin. Megastallen zijn ontworpen als één van de mogelijke oplossingen om in de enorme vraag naar vlees te voorzien. De hoeveelheden vlees die momenteel worden geconsumeerd zijn alleen te produceren dankzij de intensieve veehouderij. Deze achterliggende noodzaak tot de megastal wordt in vrijwel alle berichtgeving weggelaten.

Meat the truth

Protest tegen intensieve veehouderij zou dus moeten beginnen bij het drastisch terug schroeven van onze vleesconsumptie. Deze verantwoordelijkheid ligt in de eerste plaats bij de consument, want in het geval van vlees is er geen excuus om naar anderen te wijzen. Je hebt vlees niet nodig, er zijn genoeg alternatieven en alle negatieve gevolgen van de intensieve veehouderij komen dus direct op het bord van de vleeseter. Marianne Thieme maakte in 2008 een film over de schadelijke gevolgen van vlees eten onder de titel ‘Meat the Truth’. Het is een hele waslijst met onder andere het op grote schaal kappen van tropisch regenwoud voor productie van veevoer, het boeren en scheten van koeien waarbij enorme hoeveelheden broeikasgas vrijkomen, het ontstaan van voor de mens bedreigende ziektes, zoals varkenspest of Q koorts, en het immuun raken van bacteriën door overmatig gebruik van antibiotica bij dieren. Veel van deze gevolgen zijn niet heel algemeen bekend.

Vlees of vliegen?

De voedsel- en landbouw organisatie (FAO) van de VN stelde in 2006 dat de intensieve veehouderij één van de grootste veroorzakers van opwarming van de aarde was. Verhelderend zijn de berekeningen die werden gedaan door het Instituut voor Milieuvraagstukken en die te vinden zijn op de site van ‘Meat the truth’. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat als we met de hele Nederlandse bevolking één dag per week geen vlees eten we de reductiedoelstelling voor CO2 in 2010 nog kunnen halen. En mocht je zonder schuldgevoel met het vliegtuig op vakantie willen, dan kan je de uitgestoten CO2 tijdens je vliegtochtje compenseren door een tijdje geen vlees te eten. Zelf ben ik vooral ontsteld door de hoeveelheid veevoer die nodig is om vlees te produceren en de hoeveelheid land die veevoer in beslag neemt. Voor de productie van 1 kg vlees is namelijk gemiddeld ongeveer 7 kg graan nodig. Van alle graanproductie op de wereld is de helft bestemd voor veevoer. Dit graan, mais of soja, wordt geproduceerd in landen als Brazilië, waar regenwoud in razend tempo wordt gekapt om te worden omgetoverd in landbouwgrond voor veevoer.

Het vlees wordt duur betaald

Vlees eten is dus vreselijk milieuvervuilend, niet duurzaam en ook nog eens niet gezond. Dan zou je toch verwachten dat vlees dan toch op z’n minst heel erg duur zou moeten zijn. Niets is echter minder waar, voor de prijs van een grootverpakking met 10 hamburgers koop je nog geen twee vegetarische burgers. Een oplossing zou kunnen zijn om vlees duurder te maken, liefst omdat het dan gelijk ook op een duurzamere en respectvollere wijze wordt geproduceerd. Als vlees duurder is dwing je mensen om bewuster en respectvoller om te gaan met het eten (en doodmaken) van dieren. Vlees staat vaak dagelijks op het menu uit gewoonte en lijkt een verworven recht van onze welvaart. Echter, dagelijks vlees eten is niet gezond en op de lange termijn niet vol te houden in verband met de belasting die het op onze aarde legt. Het is dus noodzaak de gewoonte om dagelijks vlees op tafel te zetten te veranderen en het verhogen van de prijs van vlees kan daarbij een hulpmiddel zijn.

Vleesmaal = feestmaal

Tot slot, stel dat we allemaal nog maar één of twee keer per week vlees eten, dan kijk je echt uit naar je ‘vleesdag’. Dat vlees ga je dan ook niet voor de tv weg zitten schrokken, maar daar maak je een feestelijk maal van waarvoor je met zijn allen aan tafel gaat zitten. Komt de sfeer binnen het gezin ook weer ten goede. Minder vlees eten is dus niet erg of eng. Sterker nog, het zal zorgen voor een gezonder en gezelliger leven. Toevallig is het milieu er dan ook nog eens bij gebaat!


Dit stuk verscheen origineel op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Het einde van de lange opleiding?

01 April 2010, 14:51

Door Tim van Opijnen 


Technologische vooruitgang gaat alsmaar sneller. In het kielzog ervan worden nieuwe banen gecreëerd en worden werkvormen opnieuw uitgevonden. De hoge snelheid veroorzaakt ook problemen omdat opleidingen lang niet altijd meer gelijke tred kunnen houden met de vooruitgang. In China worden scholieren uit de schoolbanken geplukt om hoogtechnologische arbeidsplekken te vullen. Is dit het einde van de langdurige opleiding en worden diploma’s daarmee overbodig?

Opleiding is gezond

Niets is beter voor je toekomst dan het volgen van een langdurige opleiding; niet alleen hebben hoger opgeleiden gemiddeld een hoger salaris dan minder hoog opgeleiden, ze zijn ook nog eens gezonder. De tijden dat je rijk kon worden zonder afgemaakte opleiding liggen ver achter ons, met hier en daar een type Bill Gates als uitzondering. Althans, dat is zo’n beetje de heersende gedachte. Als gevolg van de toenemende globalisering en technologische vooruitgang is die gedachte op de helling komen te staan. Het is niet langer belangrijk wie er met een oplossing komt en waar de oplosser woont. En ook de opleiding die de oplosser heeft genoten wordt steeds minder relevant.

De Mechanische Turk

De afgelopen jaren duiken er steeds meer initiatieven op die zo’n beetje de hele wereldbevolking als potentiële arbeiderspoel zien. Met behulp van het internet als digitaal prikbord wordt er in die poel gevist. Eén zo’n initiatief is de ‘Mechanische Turk’ van Amazon. Op deze site worden duizenden ‘Human Intelligence Tasks’ (HITS) aangeboden; kleine taken die niet geautomatiseerd kunnen worden en waar dus een mens voor nodig is. Het gaat hier voornamelijk om breindodende activiteiten zoals het bepalen van het aantal producten dat een website aanbied, het omcirkelen van objecten in digitale foto’s en het vertalen van websites. Beloningen voor deze taken lopen uiteen van 1 cent tot 1 dollar, contracten en arbeidsvoorwaarden bestaan niet. Niet voor niets wordt deze vorm van werk ook wel aangeduid als een digitale ‘sweatshop’.

Succesvolle oplossers

Veel interessantere uitdagingen, en in potentie veel beter betaald, kunnen worden gevonden op de website van Innocentive. Deze site is toegankelijk voor de uitvinder in een ieder van ons en probeert gebruik te maken van ‘de collectieve slimheid van de gehele mensheid om tot oplossingen te komen voor problemen die er echt toe doen’. Na gratis registratie kan men zich bezig houden met een enorme diversiteit aan ‘uitdagingen’ gepost door een groot aantal internationale bedrijven en instellingen. De potentiële beloning is niet mis; de top 17 ‘oplossers’ van 2008 kwamen met ideeën op de proppen die ze minstens 50.000 dollar per persoon opleverden. En geen ‘oplosser’ is ooit gevraagd naar diploma’s of opleiding voordat een uitdaging kon worden aangegaan of prijs werd uitgereikt.

BGI

Het BGI (voormalig Beijing Genome Institute) heeft ook maar een beperkte interesse in gediplomeerde werknemers. Het BGI is de grootste ‘sequencing’ faciliteit ter wereld en heeft in de afgelopen jaren de DNA-volgorde bepaald van de komkommer, rijst, de zijderups, de panda, een Aziaat en een 4000-jaar oude bewoner van Groenland. Om het BGI te ‘bevolken’ worden, scholieren vers van de middelbare school of net begonnen aan een universitaire opleiding aan het werk gezet. Normaal gesproken worden in het Westen promovendi of gepromoveerden op vergelijkbare plekken ingezet maar een diploma of titel is voor BGI niet belangrijk, er moet productie worden gedraaid. Als er iets moet worden geleerd, dan wordt dat binnen het instituut geregeld en zo blijven de meest talentvolle werknemers zich ontwikkelen.

Wetenschap als topsport

Een overeenkomst tussen de Mechanische Turk, Innocentive en het BGI is dat je geen diploma nodig hebt om mee te doen. Echter, cv’s van bijvoorbeeld de meest succesvolle oplossers van Innocentive laten bijna allemaal een succesvol afgerond promotieonderzoek zien. De vraag is dus of het BGI gelijk heeft als het denkt zonder veel wetenschappers te kunnen die een lange opleiding hebben genoten. Dat lijkt me niet, want ook al is het BGI uitmuntend in het technologische aspect van het sequencen, als het gaat om het stellen van biologisch interessante vragen wordt er naarstig naar samenwerkingsverbanden en expertise gezocht buiten het BGI. Dat neemt niet weg dat wat het BGI doet, het aanstellen van scholieren en studenten in een hoogtechnologische omgeving en ze daarnaast ook verantwoordelijkheden geven en tegelijkertijd bijscholen, interessant is. En waarom ook niet, we doen immers iets vergelijkbaars met onze sporters die we van jongs af aan dagelijks laten trainen om vervolgens te verwachten dat ze zo snel mogelijk hun opwachting in het eerste van Ajax maken en dan uitgroeien tot een nieuwe Cruijff. Het BGI benadert die situatie door jongeren vele jaren eerder dan in het Westen normaal is verantwoording te laten dragen voor hoogtechnologisch wetenschappelijk werk en ze gaande weg bij te laten leren. Diploma’s moeten we nog maar even niet overboord gooien, maar een beetje meer de topsport mentaliteit en manier van opleiden toepassen in de wetenschap kan geen kwaad.

Dit stuk verscheen origineel op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Optimaal Gelukkig

11 Maart 2010, 17:19

Door Nadine Vastenhouw  

Iedereen streeft naar geluk. In Amerika staat “het recht om geluk na te streven” zelfs in de grondwet. En geluk is goed. Het is niet alleen een fijn gevoel, het maakt mensen ook beter in sociale interacties en over het algemeen zijn gelukkige mensen gezonder. Maar geluk is niet voor alles goed blijkt nu. Gelukkige mensen zijn egoïstischer dan minder gelukkige mensen. Dat is de conclusie van de laatste studie van psycholoog Joe Forgas aan de Universiteit van New South Wales in Sydney, Australië. En dat werk werd voorafgegaan door een reeks aan studies waarin hij de negatieve gevolgen van het geluksgevoel liet zien. Gelukkige mensen zijn minder goed in staat iets overtuigend te beargumenteren, makkelijker beet te nemen, ze hebben weinig oog voor detail en ze zijn gevoeliger voor stereotypes.

In de meest recente studie deed Forgas twee experimenten. In het eerste maakte hij zijn studenten die als studieobject dienden meer of minder gelukkig door ze goede of slechte scores te geven voor een test die ze hadden uitgevoerd. Die test was nep en de gegeven scores dus ook; ze hadden geen relatie met de ingevulde antwoorden. Maar dat mocht allemaal niet baten. Gelukkige en minder gelukkige studenten kregen een serie loterijkaartjes aangeboden en vervolgens werd hen de vraag gesteld of ze die kaartjes met een anonieme persoon wilde delen of allemaal zelf wilden houden. Je voelt hem al aankomen, gelukkige mensen waren veel minder geneigd om hun kaartjes te delen dan minder gelukkige mensen.

In het tweede experiment waren de methode alsmede de test net even anders. Deze keer kregen de studenten videoclips te zien om hun stemming te beïnvloeden, ofwel van Fawlty Towers of van Angela’s Ashes. U begrijpt waarschijnlijk welke stemming door welke clip teweeg werd gebracht. De loterijkaartjes konden in dit geval gedeeld worden met een bevriende student. Maar het bekende gezicht mocht niet baten; weer werd er door gelukkige mensen minder gedeeld dan door minder gelukkige mensen.

Hoe vallen deze resultaten te verklaren? Forgas denkt dat de negatieve effecten van geluk hun oorsprong vinden in het veilige gevoel dat geluk teweegbrengt. Dat veilige gevoel maakt dat mensen meer op zich zelf gericht raken en wat onverschillig worden voor hun omgeving en wat de sociale norm is. In evolutionaire context stellen veilige omstandigheden mensen in de gelegenheid om zich met zichzelf bezig te houden in plaats van met de boze buitenwereld. Met egoïsme als gevolg.

Moeten we dan maar ophouden met streven naar geluk? Dat toch niet. Er is waarschijnlijk een optimum voor geluk. Gelukkige mensen staan over het algemeen meer open voor nieuwe ervaringen en gezelligheid maar zij hebben vaak geen oog voor detail en zijn wat roekeloos. Minder gelukkige mensen kunnen over het algemeen beter informatie verwerken. Beide kunnen handig zijn op zijn tijd.

Ik vraag me af of je van sommige klusjes chagrijnig wordt zodat je ze kordaat en nauwkeurig afhandelt. Best handig bedacht door moeder natuur.


Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Wetenschappelijke pareltjes

03 Maart 2010, 18:44

Door Monika Wolkers

Stel u was Antoni van Leeuwenhoek en u zag als eerste op aarde eencellige organismen door uw microscoop. Of u was Pythagoras en u begreep de opbouw van een driehoek. Had u liever als eerste van de schoonheid van sneeuwvlokken willen genieten? Of van de ringen van Saturnus? Deze ontdekkingen zijn allemaal even mooi al zult u meteen herkennen dat de laatste twee voorbeelden niet gericht zijn op toepasbaarheid. En toch zijn ook deze vindingen pareltjes van de natuur.

Tegenwoordig wordt meteen naar toepassingen van een ontdekking gezocht. Wetenschappers wringen zich vaak in de meest rare bochten om de toepasbaarheid van hun onderzoek aan te tonen. En daarbij vergeten we wel eens dat de ontdekking simpelweg mooi is. Daarom wil ik u uitnodigen om samen met mij naar een recent ontdekt pareltje te kijken. Namelijk hoe bacteriën zich tegen virussen weren. Ik zal op de toepassingen later terug komen - laten we nu vooral eerst genieten.

Een van de meest succesvolle ziekteverwekkers zijn virussen. We pikken allemaal wel eens een verkoudheid of buikgriep op - veroorzaakt door virussen. En we zijn niet de enigen die aan virale infecties lijden: voor iedere dier - en plantensoort bestaat er een grote variatie van deze ziekteverwekkers. Zelfs vrij simpele organismen zoals bacteriën hebben last van deze indringers. En in de laatste twee jaar is duidelijk geworden dat bacteriën zich uitstekend kunnen verweren tegen virussen. Net als zoogdieren kunnen bacteriën namelijk een virale infectie onthouden en beschermen ze zichzelf voor een wederkerende infectie. Bacteriën hebben dus net als wij een aangeleerd immuunsysteem!

Bacteriën hebben geen partner nodig om zich voort te planten, en ze kunnen zich in een razend tempo vermeerderen. Bacteriën zijn overal te vinden: in de grond, in het water, in onze darmen. Sommige maken ons ziek, andere maken juist ons leven mogelijk. En al deze bacteriën moeten zich verweren tegen virussen. Hoe bacteriën virusinfecties onthouden is uniek. Ze slaan namelijk een stukje erfelijk materiaal van het virus in het eigen genoom op. En als de bacterie weer aangevallen wordt door hetzelfde virus, gebruikt het dit stukje virusgenoom om de binnendringer te herkennen en onschadelijk te maken om een nieuwe infectie te voorkomen.

Als het virus de bacterie aanvalt, maakt de bacterie eiwitten die het virale genoom in stukjes knipt. Van deze fragmenten wordt er een stuk van enkele tientallen basenparen uitgezocht. Hoe de keuze gemaakt wordt voor deze stukjes is niet duidelijk. Een hypothese is dat een bacterie - net als wij - in staat is om vreemd DNA als een soort ‘gevaar’ te herkennen, en dat de uitgekozen stukjes bepaalde motieven bevatten. Het virale DNA fragment wordt vervolgens opgeslagen op een specifieke plek in het genoom van de bacterie, waar al een reeks virusstukjes van eerdere infecties te vinden zijn. De opslag lijkt op een parelketting met twee verschillende soorten parels: een stukje eigen DNA dat altijd hetzelfde is wordt afgewisseld met een stukje viraal DNA van alle mogelijke kleuren. Op deze ketting liggen tot 300 stukjes virus. Maar de bacteriën zijn pragmatisch en de ketting is van dynamische aard: bij een nieuwe infectie wordt aan de voorkant de nieuwe ’parel’ van het virus toegevoegd. Wordt het snoertje te lang, dan worden simpelweg een paar oude pareltjes aan de achterkant weggegooid. Een heel slim bedacht systeem omdat de kans groot is dat het virus horende bij een oud stuk allang weer veranderd is en het pareltje daarmee nutteloos is.

Maar hoe werkt het geheugen dan? Zodra een virusinfectie plaatsvindt wordt de parelketting door de bacterie afgelezen. Alle kleine pareltjes worden van elkaar losgeknipt en ze kunnen nu testen of ze op het genoom van de binnendringer passen. Als er een volledige match is heeft het virus het zwaar te verduren: het genoom wordt rap in stukken geknipt en een nieuwe infectie is daarmee in de kiem gesmoord. Daar blijft het niet bij want bacteriën zijn zelfs altruïstisch; de parelketting kan aan de buren worden doorgeven waardoor zij ook beschermd raken tegen de indringers. Prachtig, toch?

Hebben wij mensen ook een soortgelijk afweersysteem in het genoom? Ondanks dat we de sequentie van het menselijk genoom kennen begrijpen we nog lang niet alle motieven. Bij bacteriën heeft het 20 jaar gekost om te begrijpen waar de parelketting goed voor is. Aangezien ons erfelijk materiaal uit ongeveer 8% virussen bestaat zou een soortgelijk systeem handig zijn om deze virussen in toom te houden. De parelketting kan ook een andere functie hebben gekregen; in dat geval zullen we een verwant systeem in het menselijk genoom ontdekken.

Maar ik wil u mogelijke toepassingen van deze ontdekking niet onthouden. Denk bijvoorbeeld aan de bacteriën die yoghurt en kaas laten fermenteren. Omdat de parelketting een unieke sequentie heeft zal het helpen de beste bacterie te identificeren voor het maken van yoghurt. Of men verrijkt de bacterie met het juiste afweersysteem door ze het juiste parelsnoertje te geven. Dat zou bodemzuiverende bacteriestammen kunnen helpen die naar een nieuwe omgeving worden verplaatst waar waarschijnlijk andere virusstammen vóórkomen dan ze gewend zijn. Een soort vaccinatie voor bacteriën dus.

Wetenschap draait om de Eureka!-momenten die ons helpen de natuur net iets beter te begrijpen. De toepassingen zullen namelijk vanzelf volgen.

Dit stuk verscheen origineel op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Stappenplan voor een stabiele relatie

22 Februari 2010, 05:00

dating

 

Door Eva van den Broek 

‘Vind de partner die echt bij je past’, ‘Wij matchen, u kiest’, in de Benelux vertrouwen meer dan drie miljoen doelgerichte singles bij het zoeken van de perfecte match op een computerprogramma. De online partnerzoekwebsites zoals Parship.nl en relatieplanet.nl beloven serieuze partners, oftewel stabiele relaties. Kunnen ze die belofte waarmaken? Ik denk van wel. Eerst de theorie. Economen noemen een relatie ‘stabiel’ als geen van de partijen de neiging vertoont om op een betere partner over te stappen. De economen Gale en Shapley hebben in 1962 het recept voor een ‘stabiele matching’ gegeven: stel dat alle ingeschreven mannen en vrouwen een lijstje hebben gemaakt van hun meest gewilde partners, op volgorde van aantrekkelijkheid.

Alle vrouwen benaderen hun meest aantrekkelijke man voor een date. Als Joep ja zegt, is er een tijdelijke match; anders gaat Sanne door naar haar één-na-hoogste voorkeur. Als Joep een afspraakje aangeboden krijgt van iemand die hij leuker vindt dan Sanne, zegt hij haar weer af. Dit proces gaat door tot alle vrouwen aan de man zijn. Dan maakt geen enkele man nog kans op een aanzoek van iemand die leuker is dan zijn huidige date, want de vrouwen die hij liever wil, zijn al gestrand bij iemand die hoger op hùn verlanglijst stond. Met dit stappenplan kun je gegarandeerd (in theorie dan) iedereen aan de best mogelijke heteroseksuele partner koppelen.

Werkt dit ook in de praktijk? Het online matchingsproces is weerbarstiger, maar niet veel. Deze zomer berekenden Amerikaanse wetenschappers de voorkeuren van datingsiteklanten op basis van hun eerste pogingen tot contact (Hitsch, 2009). Daaruit bleek dat mensen een voorkeur hebben voor partners van dezelfde leeftijd, huidskleur, lengte en aantrekkelijkheid, zoals al bekend was. De onderzoekers pasten het hierboven beschreven stappenplan toe op deze groep mensen en vergeleken het resultaat daarvan met de data uit de online database: wie had er uiteindelijk een afspraakje gemaakt met wie? Dat bleek heel aardig te kloppen met de theoretische voorspellingen.

Maar hoe zit het in de echte, offline huwelijkswereld? Zwitserse onderzoekers stelden vast dat de partnerkeuze in hun land niet optimaal verloopt, gezien het aantal echtscheidingen (Cao, 2009). Ze onderzochten wat de factoren zijn die de kans vergroten dat een Zwitsers echtpaar bij elkaar blijft. Het bleek onder andere dat in stabiele paren de man vijf jaar ouder is dan de vrouw, en zij hoger opgeleid dan hij. De Zwitsers berekenden dat er 21% minder gescheiden zou worden als iedereen volgens hun vuistregels gekoppeld zou worden, dus zoveel mogelijk vrouwen aan een net iets lager opgeleide man. Om dat te bereiken zou in de onderzochte groep alleen wel 68% van de ondervraagde personen een nieuwe, ‘passende’ partner moeten vinden.

Wat dit onderzoek in al zijn mathematische naïviteit aantoont, is niet dat er een Centrale Huwelijksarrangeur nodig is om iedereen de juiste partner toe te wijzen. Wat Zwitserland inefficiënter maakt dan relatieplanet.nl is dat Joep in een Zwitsers bergdorpje maar een kleine kans heeft om Sanne tegen te komen. Online partnersites maken het zoeken naar de ideale partner veel sneller en efficiënter. De kans dat Joep in het echte leven een nog leukere partner vindt dan Sanne is daarbij vergeleken minimaal - en dat maakt een relatie via een matchingsite relatief stabiel.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Wetenschap draait om de nuance

16 Februari 2010, 04:20

Door Tobias Tiecke  


De laatste tijd hebben wetenschappers het zwaar te verduren. Er wordt vaak met wantrouwen gepraat over de 'gevestigde wetenschap'. Sceptisch zijn over de wetenschap is natuurlijk goed, zeker omdat de wetenschap tenslotte zelf ook bestaat uit het kritisch testen van theorieën. Maar het is wel belangrijk om wetenschappelijke statements te beoordelen met dezelfde nuanceringen als waarmee ze in eerste instantie gemaakt zijn in de oorspronkelijke wetenschappelijke publicaties.

Peer-review

Het doen van een wetenschappelijke uitspraak, daarmee bedoel ik een wetenschappelijk artikel publiceren en niet een wetenschapper die een uitspraak doet, is een grondig en langdurig proces. Een artikel wordt door de auteurs eindeloos gepolijst en de grootste doodzonde binnen de wetenschap is om een foute conclusie te publiceren. Elke auteur zal dus zijn uiterste best doen om dit te voorkomen. Het betreffende artikel wordt gestuurd naar een vaktijdschrift. Voordat het geaccepteerd wordt, controleren meestal 2 á 3 anonieme experts, zogeheten referees, het artikel op kwaliteit en op originaliteit. In geval van een controversieel artikel kan het tot wel een tiental referees oplopen. Dit is het veel beproefde peer-review proces, wat gebleken heeft goed te werken.

Natuurlijk is het nooit 100% waterdicht tegen verkeerde informatie, maar dit is wel het streven. Wetende dat er duizenden wetenschappelijke artikelen per dag geschreven worden en die allemaal ge-peer-reviewed moeten worden kan het gebeuren dat er zo nu en dan een foutje doorglipt, zeker als het maar een bijzaak in een artikel is. Het is ook waar dat in dit systeem een controversiële mening moeilijker zal zijn om te publiceren dan een gevestigd denkbeeld omdat het overtuigen van de referees moeilijker is. Maar juist dit systeem stimuleert wetenschappers om controversiële ideeën goed te onderbouwen en als dit het geval is zal het zeker gepubliceerd worden. Op dit moment leeft er bijvoorbeeld in de natuurkunde een nieuw idee dat de zwaartekracht geen fundamentele kracht is. Dit is zeker een controversieel idee, maar het is goed onderbouwd en daarom wordt het ook door de gevestigde wetenschap serieus genomen.

Nuanceringen

In de discussie over klimaatopwarming komen de uitspraken "het klimaat warmt op" en "het klimaat warmt de laatste 10 jaar niet op" vaak voor bij de voor- en tegenstanders van de klimaatopwarming theorieën. Maar beide uitspraken zijn erg ongenuanceerd en doen ongelooflijk af aan de zorgvuldigheid van het oorspronkelijke onderzoek waarmee dit uitgevoerd en gepubliceerd is. Het zou wetenschappelijker zijn om beide uitspraken altijd te voorzien van een nuancering over de waarschijnlijkheid van de uitspraak, over hoeveel bijvoorbeeld het klimaat al dan niet precies opwarmt en het belangrijkste: wat de foutmarges op deze cijfers zijn. Het gebruik van foutmarges doen we in het dagelijks leven ook: als je om 11:00 afspreekt doet niemand moeilijk als je 20 seconden te laat bent, bij 20 minuten te laat weer wel. Dus bij de afspraak: "zullen we om 11 uur afspreken?" zit impliciet een foutmarge van een paar minuten. Juist de foutmarges op wetenschappelijke cijfers verschijnen erg weinig in media, maar ze zijn in de wetenschap net zo belangrijk als de waarde zelf omdat ze een betrouwbaarheid van een voorspelling aangeven. In de oorspronkelijke wetenschappelijke publicaties worden deze nuanceringen en foutmarges wel genoemd, maar bij de vertaalslag naar het grote publiek verdwijnt er vaak erg veel van. Logisch, want de technische vakliteratuur is te veel en moet voor een groter publiek leesbaarder gemaakt worden. Het zijn die eindeloze kanttekeningen die wetenschappelijke literatuur onleesbaar maken. Maar het zijn ook juist die kanttekeningen die het wetenschappelijk onderbouwen en dus niet genegeerd mogen worden.

Elevator pitches’
Het verlangen van het grote publiek om wetenschappelijk onderzoek terug te brengen tot ‘elevator pitches’ en hapklare conclusies stimuleert media en ook sommige wetenschappers om ongenuanceerde uitspraken te maken. Een simpele conclusie van een gecompliceerd onderzoek is een begrijpbaar verlangen: we willen tenslotte weten wat er uit de investeringen van ons belastinggeld is gekomen en bijvoorbeeld in het geval van klimaatopwarming of ons gedrag daar nou wel of niet invloed op heeft. Maar erg vaak is de conclusie van een wetenschappelijk onderzoek gewoon niet in één zin te vatten: alle wetenschap, hoe exact deze ook is, vereist een referentiekader. Zelfs de wetten van Newton en Einstein zijn niks waard zonder te beschrijven in welke context ze gebruikt kunnen worden. En als een wetenschappelijk onderwerp zo'n belangrijke rol speelt in een maatschappelijk probleem als klimaatopwarming is het van belang dat de wetenschappelijke uitspraken door de media niet ontdaan worden van de bijbehorende nuanceringen. Ter informatie: dit stuk is ge-peer-reviewed.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Dokter, betaal ik nu ook meer premie?

11 Februari 2010, 03:08

Door Terry Vrijenhoek 

Ik heb een 22% verhoogd risico op trombose. En 9% meer kans op prostaatkanker. Maar het allerergste is: ik heb natte oorwas. Zeggen ze.

Het Amerikaanse bedrijf 23andMe heeft deze risico’s voor mij berekend. Ik heb ze daarvoor gegevens over mijn gezondheid en levenspatroon, mijn goedkeuring, én mijn speeksel gegeven. Tijdens een geïmproviseerd ‘spuugfeestje’ op de eerste maandag in 2010 vulden mijn professor, mijn onderzoeksleider, en ikzelf drie 23andMe-buisjes met ons speeksel. Nu, drie weken later, vertelt 23andMe mij hoe het met mijn genetische aanleg voor 136 ziekten, uiterlijke en gedragskenmerken, en respons op medicijnen gesteld is. Het genetische paspoort ter waarde van vierhonderd dollar is op het eerste gezicht verbluffend overtuigend.

Neem bijvoorbeeld trombose, waarvoor volgens 23andMe voldoende wetenschappelijk bewijs is om een betrouwbaar risicoprofiel te maken. Bijna 34% van de blanke mannen met mijn genetische opmaak krijgt trombose, terwijl het gemiddelde rond 12% ligt. Mijn genen zorgen er dus voor dat ik 22% meer kans op trombose heb dan iedere ander. Toch? Het zou kunnen, maar dat is niet wat de analyse van 23andMe mij vertelt. Het ‘tromboseprofiel’ waarvoor 23andMe test, bestaat uit DNA-variatie in 2 genen. Van een van de twee heb ik de normale, niet-risicoverhogende variant. Van de variant die ik heb van het andere gen is bekend dat 22% meer Europese mannen dan normaal trombose heeft. Dat zegt niet zoveel over mijzelf, maar meer over de Europese man in het algemeen. Bovendien, zegt 23andMe, wordt trombose voor 55% bepaald door je genetische opmaak, en voor de overige 45% door ‘andere factoren’, zoals overgewicht en heup- of beenfracturen. Effectief zou het verhoogde risico als gevolg van deze ene variant dus slechts 12% (55% * 22%) zijn. Tenslotte is dit slechts een van de genen die een rol spelen bij trombose (waaronder andere die wellicht het risico verlagen). Het valt dus allemaal best mee; ik heb ongeveer net zoveel kans op trombose als iedere andere blanke man.

Natuurlijk had ik zoiets al wel verwacht. Toch heb ik mijn DNA laten testen. Geldverspilling? Ik vind van niet. Eigenlijk zou iedereen het moeten doen. Niet omdat het medisch allemaal zo relevant is, maar om alvast kennis te maken met het gewoongoed van de toekomst. DNA zal overal worden toegepast, zoals bij diagnostiek en preventie van ziekte, maar bijvoorbeeld ook bij identificatie. ‘Genetische hielprikken’ en ‘genoompaspoorten’ komen eraan, en het heeft weinig zin om benauwd te worden van ieder verhoogd risico dat daaruit komt rollen. Zoals geneticus George Church al aangaf, is het geen kwestie van “Hier is je lot, wen er maar aan!”, maar van “Hier is je lot, doe er iets aan!”. Met de huidige stand van de wetenschap gaat ‘er iets aan doen’ niet veel verder dan ‘niet roken’ of ‘voldoende bewegen’. Maar de hele genetische wereld staat nu te trappelen om scans van het complete genoom te maken (23andMe scant slechts 1%), waarmee de adviezen ongetwijfeld steeds specifieker worden. Dus zal DNA een grote rol gaan spelen bij discussies over verhoogde verzekeringspremies.

Of 23andMe de complete genoomscans gaat uitvoeren, of dat een ander bedrijf dat zal doen, is nog niet duidelijk, en ook niet zo relevant. Waar het om gaat, is dát de tests er komen, en de vraag hoe ze in te passen in de reguliere gezondheidszorg. Zolang wij – academici – schreeuwen dat de tests onzin zijn, maar ondertussen slechts schoorvoetend praten over de medische waarde van DNA, zal dat niet gebeuren. Iedereen – wetenschappers incluis – denkt dat 23andMe medische tests aanbiedt, maar dat is niet het geval. Zelfs 23andMe verklaart duidelijk geen medisch advies te bieden, maar slechts inzicht in je genen. Maar ja, dat onderscheid is lastig te maken als je nog nooit eerder met DNA en risicoprofielen te maken hebt gehad.

Niet iedereen is geneticus, en dat maakt het soms moeilijk om te bepalen welke risico’s relevant zijn. Toch gaat er een ‘genetische revolutie’ komen, en ik raad iedereen aan er alvast aan te wennen. Mocht je nog ergens vierhonderd dollar hebben liggen, gebruik het dan voor je genetische paspoort. Schrik niet van de uitslag, ren niet naar de huisarts (ook die kan je hierover niet goed adviseren), en raak vooral niet in een depressie (ook niet als je daar aanleg voor hebt). Bespreek de uitslag gewoon op een verjaardag of borrel; wie weet zijn er nog wel meer mensen met natte oorwas.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Ouderdom is zó 2009

31 Januari 2010, 17:23

Door Tim van Opijnen

Wat als je alle kwalen die gepaard gaan met ouderdom achter je zou kunnen laten? Weg met alle suffe en saaie opa’s en oma’s, geen lusteloosheid of slappe lichamen meer. Op de wereld zou voortaan alleen nog plek zijn voor de vitale mens. Een kleine groep artsen gelooft dat dit werkelijk kan, en voor een flinke smak geld kan je nu alvast experimenteren met je eigen leven.

Gouden bergen

Steeds vaker duikt er wetenschappelijk onderzoek op dat laat zien hoe één of andere stof ouderdomsverschijnselen voorkomt. Nog geen 2 jaar geleden vormde resveratrol de heetste ontdekking van het nieuwe millennium. Resveratrol zit in rode wijn en zou celschade (wat geassocieerd is met ouderdom) tegen gaan. Bovendien verhoogt het de gezondheid van muizen op een fast-food dieet, en zou het diabetes (type 2) en kanker kunnen voorkomen. Resveratrol dus, voor een leven lang gezond leven? Het Harvard spin-off bedrijf Sirtris dat vervolgonderzoek deed werd in 2008 voor $720 miljoen overgenomen door GSK dat gouden bergen aan de horizon zag liggen. Maar concurrenten Pfizer en Amgen zeggen nu met nieuw onderzoek alle claims te kunnen ontkrachten, Pfizer beweert zelfs dat resveratrol negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor mensen. De nieuwste lieveling is rapamycin, een medicijn dat gebruikt wordt om afstoting van getransplanteerde organen tegen te gaan. Ook hier komt het bewijs van muizen. Die leven 10% langer wanneer er rapamycin aan hun dieet is toegevoegd. Rapamycin legt het afweersysteem plat en dat is weer een probleem voor mensen, maar niet voor muizen die in een semi-steriel lab leven.

Gokken met je leven

Voor mensen die niet langer op nieuw onderzoek willen wachten is er een oplossing in Las Vegas. De private onderneming Cenegenics Medical Institute brengt voor zo’n $10.000 per jaar (dat is toch peanuts in euro’s tegenwoordig) maandelijks je hele gezondheid in kaart en probeert vervolgens processen in je lichaam te ‘optimaliseren’ door allerlei preparaten voor te schrijven. Cenegenics zegt zo’n 10.000 patiënten te behandelen (voornamelijk mannen) en op het eerste gezicht klinken de aanbevelingen als oude koek: multivitamines, een dieet met een laag-glykemische index, sporten en verder een regelmatig leven. Niets mis mee, maar daar blijft het niet bij. Cenegenics blijkt ook zeer regelmatig de hormonen HCG (humaan choriongonadotrofine) en HGH (humaan groeihormoon) voor te schrijven. En daarmee begeven ze zich op ongetoetst ijs.

Wat is normaal?

HCG stimuleert de testis om meer testosteron aan te maken. Normaliter neemt de productie van testosteron na het 30ste levensjaar af en volgens Cenegenics is een laag testosteron gehalte één van de oorzaken van ouderdomsverschijnselen zoals het verlies van spiermassa, botontkalking en verlies van energie en libido. Het voorschrijven van HGH heeft eenzelfde reden want ook een laag HGH zou bijdragen aan het verlies van spierweefsel en een toename aan vetweefsel. Het probleem met hormonen is, net zoals met heel veel andere stoffen in je lichaam, dat elk individu een ander ‘normaal’ gehalte heeft, dus hoeveel spuit je in? Er is misschien wel een fijne balans voor beide hormonen maar waar die balans precies ligt is niet duidelijk. Het gevaar bestaat namelijk dat een te hoog hormoon gehalte tumoren kan aanzetten tot versnelde groei. Dat er echte positieve lichamelijke en geestelijke gevolgen zitten aan het toedienen van extra hormonen is mogelijk, maar vooralsnog onduidelijk (voor testosteron zal dat de komende 6 jaar in zo’n 800 mannen onderzocht worden).

Amateurs

Niet alleen wetenschappers en artsen proberen munt te slaan uit het menselijke verlangen naar een verlengde jeugd, ook wanhopige amateurs staan te trappelen om de wereld te overtuigen van onbewezen praktijken. Neem bijvoorbeeld Suzanne Somers, een 63 jarige actrice met een gezicht dat zo strakgetrokken is dat je geen idee meer hebt of ze lacht of huilt. Zij was een paar maanden geleden te gast bij Oprah ‘Kijk maar onder je stoel voor de sleutels iedereen krijgt een gratis auto’ Winfrey. Somers heeft zichzelf heruitgevonden als zelf-hulp-guru en kwam haar nieuwste aanpak om jong te blijven promoten. De methode: neem 60 supplementen per dag (o.a. vitamines en omega-3-vetzuren), smeer dagelijks oestrogeencrème op je armen, neem 2 weken per maand progesteron en injecteer jezelf dagelijks met een dosis HGH. Als klap op de vuurpijl spuit je 1x per dag met een injectiespuit oestrogeen direct in de vagina. Dat was niet alles, ze gaf aan dat ze na het nuttigen van wijn haar lever vertroetelt met een verjongingskuur (een intraveneuze vitamine C drip) en na blootstelling aan sigarettenrook laat ze haar bloed chemische reinigen. Oprah liet wat artsen aan het woord om de boel op scherp te zetten, maar nadat Winfrey zelf verklaarde dat ze na 1 dag het gevoel had dat er bij haar ‘een sluier was weggetrokken’, was het pleit beslecht. Er werd weinig tot niets over de gevaren gemeld, zoals dat het toedienen van deze hormonen vrouwen een hogere kans kan geven op een hartaanval, beroertes, bloedstollingen en kanker.

Langer gezond maar eerder dood?

Waarom is men geneigd om zulke risico’s met het leven te nemen? Is het een vorm van ijdeltuiterij om maar zo lang mogelijk de illusie van een eeuwige jeugd vast te kunnen houden? Of zijn het vooruitstrevende mensen die kiezen voor agressieve preventieve behandelingen, weliswaar zonder stevig wetenschappelijk bewijs, om langer gezond te kunnen leven? Al deze behandelingen lijken nu nog veel op Russisch roulette, maar meer onderzoek de komende jaren zal aangeven in hoeverre bedrijven als Cenegenics en mensen als Suzanne Somers het gelijk aan hun kant hebben. Misschien komt het binnen een paar jaar zelfs zover dat we rond ons 40ste voor de volgende afweging komen te staan: ‘normaal’ oud worden met alle gebreken die daarbij horen, of met hormonen vitaal tot aan je 70ste en vervolgens een grote kans op kanker en een snelle dood. Ik weet niet direct wat ik dan zou kiezen.

Dit stuk verscheen oorspronkelijk op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Ik ben geen wetenschapper, ik ben een nummer

23 Januari 2010, 16:38


Door Mark Geels


Vrijdag 22 Januari 2020,
En zo, beste leden van de wetenschappelijke raad, komen we in deze jaarvergadering bij de resultaten. Dit jaar kenmerkte zich niet alleen door 37 wetenschappelijke publicaties maar ook robuuste royalty’s inkomsten op onze uitvindingen maar ook door gelijk gebleven CO2 uitstoot van onze laboratoria. We hadden uitzonderlijk goede media optredens: onze CEO heeft als forum voorzitter gefungeerd op het ministerie en zat in de jury van de wetenschapsquiz. Verder zijn we een opleidingsinstituut site in La Paz gestart. Al deze resultaten zijn gewogen en geauditeerd door onze “quality-assurance” afdeling. Onze ratio is 3.13 en hoger dan de door onze geldschieters vereiste 2.5. Is de vorige alinea je reinste quatsch? Misschien, maar een recente ontwikkeling binnen het traceren, documenteren en waarderen van wetenschappelijke voortgang zou misschien als voorbode gezien kunnen worden. Terug naar 2010.


Publish or Perish
In de wetenschap is het gebruikelijk om je resultaten in de vorm van een artikel te publiceren. Door middel van het publiceren van je hypothese, resultaten en conclusies maak je je eigen wetenschappelijke handelen openbaar. Je werk wordt door collega’s (lees concurrenten) uit jouw onderzoeksveld beoordeeld. De impact van je artikel wordt mede bepaald door het tijdschrift/boek waarin je publiceert. Hoe hoger de zogenaamde impactfactor van het tijdschrift, hoe toonaangevender. Namen als Nature, New England Journal of Medicine en Science zien we dagelijks in de krant staan. Uit dit systeem volgt dat bij het aanvragen van geld voor onderzoek, er voornamelijk door de geldschieters gekeken wordt naar de publicaties van een wetenschapper in het verleden. Het is voor de continuering van je werk dus belangrijk dat je je werk openbaar maakt: “Publish or Perish”. Los van het feit dat als je een briljant idee hebt en geen publicaties je kansloos bent, is er nog een reden waarom het scheef loopt. Een klinisch toponderzoeker op het gebied van Alzheimer zal namelijk publiceren in tijdschriften met een hogere impact dan een toponderzoeker die de online database van met uitsterven bedreigde vissen vult met informatie. Beide doen cruciaal onderzoek, maar de eerste zal makkelijker aan onderzoeksgeld komen dan de tweede, simpel omdat zijn werk meer gelezen en dus beter opgemerkt wordt. Om o.a. deze ongelijkheid het hoofd te kunnen bieden en vooral duidelijkheid te scheppen is er een nieuw identificatie systeem voorgesteld. Het Open Researcher and Contributor ID (ORCID) is een uniek nummer dat gekoppeld wordt aan een auteur dat het mogelijk maakt om alle ‘output’ van een wetenschapper terug te leiden, zoals die dataset met bedreigde vissen. Het zal ook veel voorkomende misverstanden op basis van foutief geschreven/geciteerde namen tegen gaan (vooral bij Aziatische namen). Daarnaast kunnen met ORCID bijdrages van wetenschappers die niet gelieerd zijn aan publicaties worden getraceerd. Men kan ook denken aan meewerking aan het maken van voorlichtingsmateriaal van de overheid, posts op wetenschappelijke blogs en het meeschrijven aan een wiki-pagina.

Vooraanstaande Instituten
Wat dit nieuwe initiatief een goede kans van slagen geeft én extra cachet is dat 23 grote en vooraanstaande organisaties zich achter dit initiatief hebben geschaard: uitgevers, software ontwikkelaars, universiteiten en gerenommeerde onderzoeksinstituten waaronder Thomson Reuters, Nature Publishing, Group, Elsevier, Springer, the British Library and the Wellcome Trust. Deze betrokkenheid zorgt waarschijnlijk voor de noodzakelijke kritische massa en een vliegende start. ORCID is op dit moment nog in de concept fase en moet in de komende maanden in een werkend systeem worden gegoten. Cruciaal voor het praktisch slagen is niet alleen dat een zo groot mogelijke groep van organisaties zich bij deze nieuwe indicering aansluit maar vooral zij die in de keten van publicatie-financiering-benoeming zitten denk bijvoorbeeld aan het NWO of de Europese Unie. Verder is wezenlijk dat het systeem grondig getest en beveiligd wordt met het oog op fraude en de privacy. Want het centraal opslaan en registreren van persoonlijke gegevens roept vragen op vergelijkbaar met het elektronische patiënten dossier. Hoeveel controle krijgt de auteur over zijn nummer? En hoe groot wordt de macht van de uitgevers?

Multi-dimensionaal
Los van de uitdagingen die het ORCID nog te wachten staan, is het streven om de wetenschappelijke relevantie zo eerlijk mogelijk te beoordelen een goede zaak. En zo kan o.a. beter duidelijk gemaakt worden (aan de belastingbetaler bv) wat de output en impact van de wetenschap is. Van een ééndimensionaal naar een multi-dimensionaal waarderingssysteem. En wie weet, misschien is zo’n systeem ook iets voor banken of de petrochemische industrie?

Dit stuk verscheen origineel op www.sciencepalooza.nl

 

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Eenzaam maakt creatief

17 Januari 2010, 23:55

beach

Door Pleuni Pennings

Op de ochtend van 5 januari kwam ik aan op Mallorca waar ik voor tien dagen een appartementje heb gehuurd, lekker goedkoop in het laagseizoen. Ik pak mijn spullen uit, doe een paar boodschappen, zet een kopje koffie. Dan kan het werk beginnen. Tien dagen voor de wetenschap. Ver van alle afleiding en ver van de Noord-Europese sneeuw.


Ik zet mijn computer aan. Nu kan ik eindelijk het idee uitproberen dat ik kort voor het kerstdiner had maar dat toen natuurlijk even geen prioriteit had. De computer is mijn laboratorium en computerprogramma's zijn mijn proeven, dus ik kan mijn werk doen waar ik wil. De eerste twee dagen op Mallorca besteed ik aan programmeren. In de pauzes, bij het joggen, koken of douchen schieten allerlei ideeën door mijn hoofd. Ik bekijk formules en modellen van alle kanten en denk scenario's door. Meer dan ooit ben ik het met Einstein eens dat verbeeldingskracht (imagination) belangrijker is dan kennis.

Het kerstdineridee lijkt te werken. Ik heb een nieuwe manier heb gevonden om te bepalen of twee populaties (van dieren of planten) genetisch van elkaar gescheiden zijn. Dat is belangrijk voor allerlei vragen in de evolutiebiologie, maar ook voor medisch genetische vragen. Het duidelijkst is het nut voor natuurbeschermers: zij willen bijvoorbeeld weten of en hoe vaak populaties van gorilla's genetisch materiaal uitwisselen doordat individuen uit de twee populaties met elkaar paren.

Op de derde dag van mijn verblijf in Spanje wil ik plotseling schrijven. De computer gaat uit, want schrijven doe ik met de hand. Schrijven betekent voor mij het ordenen van gedachten. Kijken of mijn redeneringen sluitend zijn. Of er een verhaal uit komt. En dat gaat het beste met veel papier, gekleurde pennen en een grote tafel. Een paar uur later heb ik een eerste, erg ruwe versie, van een kort artikel. En een lange ‘to-do’ lijst voor de komende dagen.

Dag 4 en 5 gaan op aan schrijven, lezen en nog meer programmeren. Het blijkt ook op Mallorca te kunnen sneeuwen, maar het werk gaat vooruit. Mijn humeur gaat heen en weer van euforisch (Het lukt! Schrijven is leuk! De wereld van de evolutiebiologie zal versteld staan van mijn briljante ideeën!) naar wanhopig (Het lukt helemaal niet! Mijn nieuwe idee levert tig nieuwe problemen op. En er zit nog een bug in mijn programma, waarom heb ik nooit behoorlijk leren programmeren?) en weer terug. Op dag 6 is het artikel weliswaar niet af, maar af genoeg om het naar een kritische collega te sturen voor commentaar. De rest van de dag neem ik vrij om van het mooie weer te genieten.

Op dag 7 ontdek ik dat mijn “nieuwe manier” niet nieuw is. Het artikel kan dus grotendeels de prullenbak in. Jammer! Maar nu kan ik de nieuwe methode wel toepassen op de mieren waaraan ik eigenlijk werk. Op dag 8, 9 en 10 wil ik een artikel schrijven over hoe verschillend Amerikaanse mierenpopulaties zijn.

Kan ik dit werk niet gewoon thuis in München doen? Wel natuurlijk. Maar niet zo snel en misschien ook minder degelijk. Meestal heb ik mijn mond vol over hoe belangrijk het is met anderen te communiceren, maar soms is eenzaamheid de beste manier om resultaten te boeken. Darwin had het wat dat betreft wel goed voor elkaar, denk ik. Hij werkte alleen, in zijn landhuis, maar kon per brief met veel collega's communiceren. E.O. Wilson schrijft in zijn autobiografie (Van mieren bezeten) dat hij zijn belangrijkste ideeën te danken heeft aan lange, saaie treinreizen door Amerika, die hij maakte omdat zijn vrouw niet wilde dat hij vloog. En Motoo Kimura, de bedenker van een van de belangrijkste theorieën in de evolutiebiologie, de neutrale theorie, schreef zijn eerste belangrijke paper tijdens de twee weken die hij op de boot zat van Japan naar Amerika. Overigens ging Kimura naar Amerika in de hoop daar (als onderzoeker) minder eenzaam te zijn. In Japan was er namelijk niemand die zijn werk begreep.

Ik heb nog drie dagen eenzaamheid over voordat in München het normale leven weer begint. Drie dagen van nadenken en schrijven en wandelen langs het strand. Heerlijk! Ik zou dit ieder jaar een keer moeten doen. En nu ga ik even naar Facebook. Om mijn vrienden te vertellen hoe fijn het is om alleen te zijn.

Dit stuk verscheen origineel op www.sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Klimaatverandering is hip, bodemdaling is urgent

08 Januari 2010, 15:14

Door Bregje van Wesenbeeck

Terwijl iedereen zich druk maakt over de stijging van de zeespiegel daalt de bodem in deltagebieden drastisch. Een recente studie in het wetenschappelijke blad Nature laat zien dat in de meeste deltagebieden de bodem sneller zakt dan de zeespiegel stijgt.

Stijgende zeespiegel en verhoogde rivierafvoeren zijn de gevolgen van klimaatverandering die de meeste aanpassingen vragen. Dijken moeten worden verhoogd en ruimte voor wateropslag moet worden aangewezen. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar voor alle deltagebieden in de wereld. Vooral in minder ontwikkelde landen ontbreekt het geld om de bevolking te beschermen tegen overstromingen. Dit probleem is onlangs tijdens de klimaattop in Kopenhagen hoog op de agenda geplaatst en resulteerde in de toezegging van rijkere landen om geld te reserveren voor benodigde aanpassingen in armere landen. De noodzaak hiervoor is groot, maar niet alleen omdat die landen te maken hebben met een stijgende zeespiegel. Door bodemdaling komen grote delen van het land nog lager te liggen. Naast dat dit de kans op overstromingen verhoogt, worden ook de gevolgen van een overstroming erger. Ook zonder zeespiegelstijging is dit geld dus keihard nodig.

Extreme risicogebieden

Volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zal de zeespiegel tot 2070 met 44 cm stijgen. De bodem daalt in veel gebieden minimaal 1 cm per jaar. Het Nature artikel wijst elf deltagebieden als extreme risicogebieden aan, omdat hier bijzonder snelle inklinking plaatsvindt. Zo is bijvoorbeeld de Po-delta in Italië de vorige eeuw 3.7 meter gezakt door de winning van methaangas en zakt een stad als Jakarta rond de 8 centimeter per jaar door winning van grondwater op grote diepte. De bodemdaling is dus momenteel op veel plaatsen groter dan de zeespiegelstijging.

Inklinking
Hoe komt het dat de bodem daalt? Menselijke invloeden, zoals drainage en winning van drinkwater en aardgas, vormen de grootste oorzaak. Deze factoren leiden tot inklinking van de bodem. Zo is de bodem van de landbouwgronden van de Flevopolder dertig jaar na de drooglegging al bijna anderhalve meter gedaald door inklinking van klei. In gebieden waar de grond voornamelijk uit veen bestaat, zoals bijvoorbeeld ten noorden van Amsterdam, leidt het omlaag brengen van het waterpeil tot het verdwijnen van het veenpakket. Veen dat niet meer onder water staat komt in aanraking met zuurstof waardoor het wordt afgebroken. Als gevolg hiervan zakt de bodem en moet het waterpeil opnieuw omlaag worden gebracht om droge voeten te houden, waardoor het resterende veen wederom langzaam verdwijnt.

Opslibbing
Naast de inklinking van de bodem vindt in deltagebieden opslibbing van de bodem nauwelijks meer plaats. In de meeste delta’s zijn immers de rivieren en de zee, die het sediment meenemen en op het land neerleggen, volledig buitengesloten door dammen en dijken. Volgens het artikel in Nature zijn er slechts vijf deltagebieden (van de 33 bekeken delta’s) die voldoende opslibbing door rivieren hebben om de zeespiegelstijging te kunnen compenseren.

Voelbare gevolgen
Is bodemdaling nu een probleem? In de afgelopen tien jaar heeft 85% van de onderzochte deltagebieden te kampen gehad met zware overstromingen. De schatting van de onderzoekers is dat met het huidige scenario voor zeespiegelstijging en een zich voortzettende bodemdaling het aantal overstromingen in deze eeuw nog met 50% zal toenemen. Hoewel wij in ons rijke Nederland kunnen anticiperen op zowel zeespiegelstijging als bodemdaling, worden de risico’s van wonen in delta’s voor mensen in arme landen steeds groter.

Dit stuk verscheen origineel op sciencepalooza.nl

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea

Science Palooza wint Dutch Bloggie

02 December 2009, 09:38

Dutch Bloggies

De blogsite sciencepalooza.nl heeft een Dutch Bloggie gewonnen in de categorie wetenschap. The Dutch Bloggies zijn een jaarlijkse weblogverkiezing in Nederland. Op de website van de Dutch Bloggies staan mooie woorden over hen: "Science Palooza bewijst dat wetenschap niet saai hoeft te zijn. De site sprong er in zijn eigen categorie met kop en schouders uit, dus hoort hij absoluut bij de creme de la creme van bloggend Nederland."

Scilogs feliciteert Sciencepalooza en is blij dat hier binnenkort ook blogposts van hen te lezen zullen zijn!

Geschreven in WetenschapVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea