Exit vis

30 Juni 2010, 15:59

Bijna negentig procent van het Europese visbestand wordt overbevist. Sommige experts gaan ervan uit dat meer dan de helft spontaan zal herstellen als er een lange sperperiode komt. De vraag is naar welke toestand men terug wil. Vaak wordt 1970 als richtjaar genomen, maar recent onderzoek toont aan dat overbevissing al veel langer gebeurt. Ongeveer duizend jaar geleden begonnen Europeanen meer zeevis te eten, een gevolg van de terugval van lokale zoetwatervissen door vervuiling en overexploitatie. Technische verbeteringen aan schepen en netten – beide werden groter – zorgden in de 16de en 17de eeuw voor een ware revolutie. De 19de eeuw is berucht om de meedogenloze jacht op walvissen en andere zeezoogdieren, maar ook andere zeeschepselen kregen het hard te verduren. Britse onderzoekers ontwikkelden een eigen maatstaf – het vangstvermogen van Britse treilers, gebaseerd op factoren zoals pk van de scheepsmotoren en grootte van de netten – en berekenden dat vissers vandaag 17 keer meer vermogen moeten aanspreken om evenveel vis te vangen als in 1889, het jaar dat registratie verplicht werd. Conclusie: overbevissing is geen recent fenomeen.

Slecht nieuws is er ook over de reuzentonijn, een van de eerste beviste soorten, zwemmend cultureel erfgoed. Hoewel er nog nooit zo weinig blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee te vangen viel, kwam de internationale gemeenschap in maart jongstleden niet tot een akkoord over een handelsverbod. Tonijn is big business, niet alleen in Japan, waar hij een basisingrediënt is in de nationale gerechten sashimi en sushi. Lange tijd werd gedacht dat andere reuzentonijnen, zoals die uit de Stille Oceaan, er beter aan toe waren, maar nieuwe cijfers weerleggen dat. Japanse vissers dringen steeds verder in de paaiplaatsen door, waardoor de vis letterlijk in zijn voortplanting wordt bedreigd. Nog een teken aan de wand: de markt voor jonge Pacific-tonijn groeit snel, meer dan negentig procent van de huidige vangsten bestaat uit exemplaren jonger dan twee jaar. De lagere prijzen – 100 dollar voor een jonge tonijn tegenover 100.000 dollar voor een volwassen exemplaar – houdt de vissers niet tegen.


De Tsukiji-markt in Tokio, de grootste vismarkt ter wereld. 

Moeten we het broodje tonijn of de tonijnsteak voortaan laten? Niet als we kiezen voor gecertificeerde vis. Het label van de Marine Stewardship Council, kortweg MSC, is het bekendste keurmerk. MSC-vis is duurzaam gevangen, wat in de praktijk geen overbevissing en respect voor de mariene biodiversiteit (weinig bijvangst) betekent. Aan de hand van de Viswijzer van het WNF en Stichting De Noordzee kunt u snel checken of een bepaalde soort duurzaam gevangen wordt. Marien bioloog Daniel Pauly vindt het doel van MSC lovenswaardig, maar stelt vragen bij de praktijken op zee. Volgens hem komen de ‘duurzame’ vissen evengoed uit de netten van grote zeeschepen, en biedt enkel de goed gecontroleerde, kleinschalige visserij soelaas.

Duurzame visserij moet ervoor zorgen dat wij en de volgende generaties nog vis en zeevruchten kunnen eten. Want vis is gezond, toch? Dat valt te bekijken. Sommige vissoorten zijn echte gifbommen. Neem de pangasius, die de laatste jaren vanuit de Mekongdelta vlot de weg vindt naar onze supermarkten. Op het gebied van duurzaamheid scoort de kweekvis zo slecht nog niet, maar om gezondheidsredenen hou je hem beter ver van je bord. Paling en snoekbaars bevatten hoge concentraties dioxines en pcb’s, reden genoeg voor het Voedingscentrum om expliciet voor deze soorten te waarschuwen. Een volwassen tonijn kan kwikconcentraties bevatten die vele keren hoger liggen dan in het omringende water. Naast duurzaamheid is gezondheid dus minstens even belangrijk voor de consument. Milieujournalist Michel Robles rangschikte de bij ons verkrijgbare vissoorten volgens hun gezondheidsrisico, en bekeek tevens de MSC- en andere certificaten. Het resultaat is een handige vis-eet-wijzer die u kan meenemen naar de visboer of de supermarkt. U vindt hem aan de achterflap van de nieuwste Eos of hier.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Vertrouwen?

23 Juni 2010, 16:33

Biotechnologie is alomtegenwoordig - ook letterlijk aanwezig in je kleren, je wasproducten en je voeding - maar haalt zelden de media, en als het gebeurt dan meestal in negatieve zin. Zoals in 2008 toen het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) dreigde zijn proefveld genetisch gewijzigde populieren naar Nederland te verkassen omdat het voor de proeven geen toestemming kreeg. Intussen staan de bomen toch in Gent, verstopt achter een hoog hekwerk. Nochtans staat Vlaanderen – sinds Marc Van Montagu en Jozef Schell aan de Universiteit Gent de eerste transgene planten ontwikkelden – sterk in groene biotechnologie (plantenveredeling). Ook in de zogenoemde rode (medische) en witte (industriële) biotechnologie scoort Vlaanderen niet slecht. Nergens in Europa is het aandeel wetenschappelijke publicaties zo hoog en het percentage onderzoekers in biotechbedrijven ligt enkel hoger in Zweden.



De redactie van Eos vroeg zich af hoe goed de Vlaming deze veelzijdige wetenschap kent, of hij de verwezenlijkingen juist kan inschatten en in hoeverre hij bereid is biotechtoepassingen in zijn leven toe te laten. Net voor de zomer peilden we naar de houding van de Vlaming tegenover biotechnologie. We vroegen aan een representatief staal van de bevolking om van tien toepassingen uit de drie domeinen (groene, rode en witte) aan te duiden of ze nu al realiteit dan wel toekomstmuziek waren. De Vlaming scoort hier met een gemiddelde van 5,4 op 10 vrij matig. Driekwart van de ondervraagden gaf dan ook aan meer informatie te wensen.

Onbekend is niet noodzakelijk onbemind, want dé conclusie uit het onderzoek is dat de Vlaming uitgesproken positief staat tegenover biotechnologie: vaak meer dan 70 procent verwelkomt de verschillende toepassingen. Vooral medische doorbraken, zoals de ontrafeling van het menselijk genoom, scoren positief, een trend die men ook in andere Europese landen terugvindt. Ook over meer controversiële onderwerpen zoals genetisch gewijzigde gewassen toont de Vlaming zich nuchter: 61 procent denkt dat grootschalige teelt ervan in Europa onvermijdelijk is. Mogelijk speelt de enorme groei van de ggo-teelt in landen als de Verenigde Staten en Argentinië een belangrijke rol in dit oordeel.

Er is dus voldoende draagvlak voor genetische gewijzigde gewassen, en de meeste Vlamingen geven ook aan dat men wetenschap niet mag tegenhouden. Toch valt het op dat het grote publiek weinig vertrouwen heeft in de wetenschappers die in onderzoeksinstellingen met biotechnologie in de weer zijn. Slechts 53 procent heeft er vertrouwen in, dat overigens toeneemt met de leeftijd. Nog minder vertouwen is er in de firma’s die ggo’s ontwikkelen en op de markt brengen. Dat heeft natuurlijk met het geldgewin te maken – als iemand er geld mee verdient, deugt het niet -, maar waarschijnlijk ook met de monopolieposities die bedrijven als Monsanto of Syngenta innemen. Onlangs beklaagde het wetenschapsblad Scientific American zich erover dat die grote firma’s weigeren hun ggo-zaden voor onafhankelijk onderzoek ter beschikking te stellen. Dat maakt het voor wetenschappers moeilijk om de milieu-impact van de ggo’s te bestuderen.

Internationale poll

Hoe valt het geringe vertrouwen in wetenschappers te rijmen met de positieve houding tegenover hun verwezenlijkingen? Geldt dat ook voor andere wetenschappelijke domeinen dan de biotechnologische en is dit een wereldwijd fenomeen? Ook dat vragen we ons af. U kan ons daarbij helpen. Samen met onze partners Scientific American en Nature houden we een internationale enquête over het vertrouwen van de burger in wetenschap. U kan de poll hier invullen. Als de resultaten binnen zijn, brengen we u op de hoogte.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Menselijke robot

26 April 2010, 14:26

Woensdag 30 maart was een hoogdag voor de natuurkunde. Anderhalf jaar na de plechtige inhuldiging kon de grootste deeltjesversneller ter wereld eindelijk doen waarvoor hij gemaakt is: elementaire deeltjes tegen recordtempo laten botsen. De fysici hopen nieuwe partikels te ontdekken, niet het minst het legendarische Higgs-boson, dat zou verklaren waarom andere deeltjes massa hebben en dat het sluitstuk is van het standaardmodel van de deeltjesfysica. De man in de straat ligt er waarschijnlijk niet wakker van en vraagt zich eerder af waartoe dit wetenschappelijk speeltje van 6 miljard euro nu eigenlijk dient. Dat is moeilijk uit te leggen. Het belang van fundamenteel onderzoek is niet zomaar een-twee-drie aan te tonen, concrete resultaten komen soms pas na jaren boven water. Achttiende- en negentiende-eeuwse geleerden als Galvani, Volta of Faraday experimenteerden dat het een lieve lust was met nieuw ontdekte elektrische en magnetische krachten. Toepassingen kwamen er pas later, van dynamo’s over batterijen tot elektrische motors. Vandaag zijn ze, samen met de duizenden apparaten die ze aandrijven, zo vanzelfsprekend. Maar het onderzoek dat er de basis van vormt, zijn we al lang vergeten.


    Michael Faraday geeft een lezing voor Britse jongeren in 1856. 

In Nederland hebben vijf organisaties die zich met onderzoek inlaten een methode ontwikkeld om de maatschappelijke relevantie van wetenschappelijk onderzoek te meten. Het is de bedoeling de gangbare financiering, waarbij de kwaliteit van onderzoek getaxeerd wordt op het aantal keer dat onderzoekers elkaar citeren, te vervangen door een methode die rekening houdt met bruikbaarheid. Bijvoorbeeld voor innovatieve producten of voor het oplossen van maatschappelijk problemen zoals klimaatverandering. Zou het CERN, de organisatie die de deeltjesversneller LHC uitbaat, in dit systeem zoveel geld toegestopt krijgen? Om bundels protonen op elkaar af te vuren om eventueel een nieuw deeltje te vinden, ‘iets’ dat eventueel een veertig jaar oud theoretisch model zou bevestigen?

Nee, dan spenderen we onze centen beter aan iets tastbaars en nuttigs. Robots bijvoorbeeld, mooie staaltjes elektronica die ons al jaren te hulp schieten in diverse domeinen. In de industrie nemen ze al een halve eeuw het meest routineuze, maar vaak ook het gevaarlijkste werk van de arbeiders over, in de geneeskunde opereren ze met een precisie waar een chirurg van vlees en bloed (en ook de patiënt) alleen van kan dromen en – toegegeven, iets minder fraai – in militaire operaties nemen ze steeds vaker het voortouw. Maar het summum van hulpvaardigheid is natuurlijk de persoonlijke assistentierobot, die kinderen, ouderen en zieken met liefde en zorg bijstaat. Bij dit alles groeit zelfs de nood aan een nieuw soort ethiek: robo-ethiek.


    Als de uitkomst op voorhand vastligt, zal het onderzoek naar nieuwe robots niet erg opschieten. 

Maar ook het bij uitstek toepassingsgericht domein van de robotica heeft nood aan meer fundamenteel onderzoek. ‘We hebben te weinig wetenschappelijke vrijheid, we zijn gebonden door regelneverij en door de kortzichtige focus op kortetermijntoepassingen’, fulmineert computerwetenschapper Luc Steels in de recentste Eos. Zijn specialisme, de artificiële intelligentie die robots moet leren praten en bewegen zoals wij, dreigt achterop te raken. Zonder creatieve vrijheid zal het onderzoek naar menselijke robots niet erg opschieten, zeker niet als de uitkomst – bijvoorbeeld zorg voor zwakkeren – op voorhand vastligt.

Zet men in Nederland een nieuwe stap in de richting van gestroomlijnde wetenschap? In zijn pamflettair essay Hamlet en entropie legt wetenschapsfilosoof Jean Paul Van Bendegem de vinger op de wonde. Hij heeft het, naar analogie met de sport of de economie, over de olympifiëring van de wetenschap: gezien de zware investeringen willen overheid en industrie op voorhand weten waar het onderzoek zal uitmonden en dus ook vooraf meer eisen. Hij wijst verder op de problematische verhouding tussen de burger en ‘de wetenschappen’, een nieuwe kloof die de oude – tussen exacte (natuur) en humane (alfa/gamma) wetenschappen – langzamerhand overschaduwt. Kijk bijvoorbeeld naar de beperkte aanwezigheid van wetenschappers in het politieke bedrijf, dat al decennia gedomineerd wordt door economen en juristen. Met alle gevolgen van dien.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Wat geven we de baby te eten?

19 Maart 2010, 13:18

Onze eerste drie levensjaren zijn cruciaal. Van bij de bevruchting tot het einde van de babytijd past het embryo, de foetus of het kind zich zo goed mogelijk aan zijn veranderende omgeving aan. Ongunstige omstandigheden – honger, stress, blootstelling aan sigarettenrook enzovoort – hebben vaak verstrekkende gevolgen: chronische aandoeningen als hartlijden, suikerziekte of hoge bloeddruk vinden er voor een stuk hun oorsprong. Dat baby’s zo plastisch zijn, is een relatief recente ontdekking. De interactie tussen omgevingsfactoren als milieu, voeding of gezondheid en onze genen wordt bestudeerd door de epigenetica. Die wetenschap verklaart bijvoorbeeld waarom succesvolle individuen met een armelijke kindertijd qua gezondheid vaak een levenslange achterstand hebben op hun gelijken uit welgestelde gezinnen.

Deze kennis geeft een dagelijkse bekommernis van jonge ouders meer gewicht: wat geven we onze kneedbare baby te eten? De Amerikaanse auteur Jonathan Safran Foer beschrijft in Dieren eten hoe de geboorte van zijn zoon de aanleiding was om volledig vegetarisch te gaan. De kleine Foer zou zonder vlees noch vis groot worden. De successchrijver nam dit besluit niet licht. Hij informeerde zich uitvoerig bij voedingsdeskundigen, die hem verzekerden dat een vegetarische levenswijze in elke levensfase verantwoord is. Zijn vragen resulteerden in een lijvig werk dat – in zijn woorden – de gruwelijkheden beschrijft van de oorlog tussen mensen en dieren.

New Yorker Foer is het prototype van de moderne, hoogopgeleide stedeling die het vegetarisme belijdt en zich daarbij sterk afkeert van de intensieve veehouderij, de zogenoemde bio-industrie. Zelf had hij in de eerste dertig jaar van zijn leven geen boerderijdier van dichtbij gezien. ‘Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw was in het Westen nog nooit zoveel voedsel beschikbaar, betaalbaar en van goede kwaliteit. We danken het aan de intensivering en de technologisering van de landbouw,’ zegt de Luikse diergeneticus Michel Georges verder in deze Eos, ‘maar het zijn net de mensen die daar het meeste voordeel uit halen, de stadsmensen, die de grootste tegenstanders zijn van industriële landbouw. Ze weten nauwelijks hoe hun biefstuk op hun bord belandt.’ Volgens Georges kunnen we de groeiende wereldbevolking niet voeden zonder industriële landbouw en technologie


 Is de biologische kip van de poelier om de hoek dan echt zo slecht voor het milieu? 

Het weren van dierlijke producten uit onze voeding wordt vaak gezien als een belangrijke manier om onze ecologische voetafdruk te verkleinen. Dat de overmatige vleesconsumptie nefast is voor het milieu, is onderhand bekend. Maar of we nu allemaal vegetariër moeten worden? Toen we een aantal maanden geleden met de Eos-redactie een week lang low impact werkten, en onder meer alle vlees uit onze maaltijden weerden, vroeg ik me af of de kipfilet van de biologische poelier om de hoek wel zoveel slechter is voor het milieu dan de tofu- of seitanburger, waarvan de grondstoffen van ver worden aangevoerd. Op de Vleeswijzer van de Nederlandse Stichting Varkens in Nood en van Milieudefensie prijken de vegetarische alternatieven voor vlees weliswaar helemaal bovenaan, maar het ene vlees blijkt het andere niet te zijn. Kip komt met vier sterren zelfs in de buurt van de vierenhalf van tofu of de vegaburger.

Een recente Britse studie naar de milieu-impact van vleesvervangers concludeerde dat ook het ene alternatief het andere niet is, en dat tofu en quorn bijvoorbeeld niet automatisch beter scoren dan bepaalde vleessoorten. Sommige vegetariërs reageerden bits op de (inderdaad) ongenuanceerde berichtgeving hierover. Er staat dan ook veel op het spel. Als het milieuvoordeel van een vleesloos dieet ter discussie staat, wankelt een belangrijk argument om geen vlees meer te eten. Er blijven nog genoeg redenen over – denk aan bepaalde gezondheidsclaims en het welzijn van dieren – maar het potentiële draagvlak wordt kleiner. De vegetarische lobby mag niet overgelaten worden aan de dierenactivisten. De radicalen onder hen zaaien graag tweedracht tussen vegetariërs en omnivoren. Bij een oorlog tussen ‘goeden’ en ‘slechten’ is echter niemand gebaat.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Passief bouwen

19 Februari 2010, 10:49

De voorbije weken konden klimaatsceptici en al diegenen die langzamerhand hun buik vol hebben van opwarming en klimaatverandering zich lekker verkneukelen. Eerst barstte, net voor de top in Kopenhagen, climategate los. De e-mailcorrespondentie tussen twee prominente klimaatwetenschappers werd gehackt en op het internet gegooid. Uit de vaak grove mails bleek dat een van hen, Phil Jones, mogelijke cruciale gegevens achterhield om de stelling van opwarming beter in de verf te zetten.

Toen de storm was gaan liggen – het vakblad Nature kwam na analyse van alle e-mails tot de conclusie dat de consensus rond klimaatverandering niet in gevaar komt – raakte bekend dat ook het klimaatpanel van de VN (het IPCC) met cijfers knoeide. De stelling in het recentste IPPC-rapport dat de gletsjers in de Himalaya tegen 2035 verdwenen zullen zijn, met grote gevolgen voor de waterhuishouding in Zuid-Azië, bleek onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Daarbij kwam IPCC-voorzitter Rajendra Pachauri onder vuur. Hij bleek als adviseur van een Indiaas studiebureau goed garen te spinnen bij een lekkend dak van de wereld. Ook de uitspraken van het IPCC over het afsmelten van het ijs in de Andes, de Alpen en in Afrika zouden op onwetenschappelijke bronnen zijn gebaseerd. 


  Infraroodbeelden tonen het warmteverlies. Hier is vooral het schrijnwerk een probleem.

Deze smet op het klimaatblazoen mag geen reden zijn om de aandacht voor het milieu te laten verslappen. Ook al blijft de wetenschappelijke onzekerheid groot en zaaien specialisten enige verwarring met de boodschap dat we mogelijk een kleine ijstijd tegemoet gaan. Er is geen weg terug. In welke mate onze soort nu debet is aan de opwarming, we moeten blijven investeren in innovatieve technologie, in betere productieprocessen en efficiëntere gebruiksgoederen en installaties. 

Neem nu de bouwsector. Om de CO2-uitstoot drastisch terug te dringen is een andere manier van bouwen nodig. In Europa zijn gebouwen verantwoordelijk voor ongeveer veertig procent van het energieverbruik. Eenvoudige maatregelen zoals betere isolatie, het vermijden van koudebruggen (onderbrekingen in de constructie waarlangs koude naar binnen kan) en een gecontroleerde, mechanische ventilatie in een luchtdichte constructie leiden tot spectaculaire resultaten. Het neusje van de zalm is natuurlijk het passiefhuis – dat verbruikt tot acht keer minder dan een klassieke nieuwbouw – of nog beter, de nulenergiewoning, die evenveel energie produceert dan dat ze nodig heeft. Als u denkt dat dit vooral een zaak is voor nieuwe gebouwen, dan heeft u het mis. Huizen van vóór de oliecrisis van begin jaren zeventig zijn meestal niet geïsoleerd, maar een slimme renovatie kan veel goedmaken. Technisch gezien kan men zelfs van een kathedraal een passiefgebouw maken, zegt een bouwexpert verder in dit nummer. Het grootse probleem bij renovaties is het wegwerken van koudebruggen, stedenbouwkundig niet altijd haalbaar en vaak een dure ingreep. 


  Dertig tot veertig procent van de warmte in een niet-geïsoleerd huis verdwijnt door het dak. 

Een individuele bouwheer kan heel wat milieuwinst boeken, maar ook op het niveau van de stad denken architecten en planners na over milieuvriendelijke alternatieven. Nederlands architect Winy Maas pleit voor een ‘5 minutenstad’, waar zoveel mogelijk functies vlakbij zijn en je je voor vrijetijdsbesteding bijvoorbeeld niet ver hoeft te verplaatsen. In zijn ideale wereld mogen satellietsteden als Zoetermeer en Nieuwegein – in Vlaanderen bestaan dergelijke zorgvuldige geplande groeikernen niet – van de kaart verdwijnen om plaats te maken voor grote nationale parken. Maas denkt nóg verder, hij is de drijvende kracht achter een denktank van docenten en studenten die de steden van de toekomst uittekenen. Van de vaak wilde fantasieën van stripauteurs en futurologen pikken ze de ideeën die daarom nog niet concreet haalbaar, maar toch bruikbaar zijn. Het levert verrassende plannen op voor nieuwe of bestaande steden. 


  Zicht op de ecostad Gwanggyo, die tegen 2011 in de buurt van Seoel zou moeten verrijzen.

Maar worden die op papier spectaculaire ecosteden daadwerkelijk gebouwd? De met veel poeha aangekondigde CO2-neutrale stad Dongtan, in de buurt van Shanghai, ligt op apegapen. Tientallen andere ecoprojecten staan in China op stapel, maar vaak blijkt dat niemand erop zit te wachten. Kwatongen beweren dat westerse studiebureaus Azië als proeftuin gebruiken en daarbij vrolijk voorbijgaan aan de plaatstelijke realiteit. Hoe het ook zal vergaan: het is niet verboden om te dromen. En de toekomst is sowieso aan de vernieuwers.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Wat met nucleair afval?

22 Januari 2010, 11:40

In 1966 bestelde de Belgische regering van premier Paul Vanden Boeynants met één pennenstreek zeven kernreactoren bij de Amerikaanse firma Westinghouse. België had na de Tweede Wereldoorlog ruime nucleaire expertise opgebouwd dankzij het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) in Mol, een cadeau van de Amerikanen voor de levering van uranium uit Belgisch Kongo. De keuze voor kernenergie was technologisch gezien logisch, maar gebeurde zonder maatschappelijk debat, en bijgevolg zonder draagvlak.

Kritiek kwam er pas in de jaren zeventig en tachtig toen de reactoren in Doel en Tihange werden gebouwd en in werking traden. Naast een onvermijdelijk not in my backyard-gevoel ontstond er grote bezorgdheid over het kernafval, een van de zaken die de beleidsmakers niet of nauwelijks in aanmerking hadden genomen. Men dacht er niet aan dat één generatie afvalstoffen zou produceren die miljoenen jaren radioactief blijven en zo ettelijke volgende generaties zou bezwaren. In de jaren zeventig groeide het protest tegen de dumping van laagradioactief afval in de Noordzee, een veelvuldig toegepaste praktijk die in 1982 werd verboden.


De kerncentrale van Tihange. 

België stapte dus vrij onbezonnen in het kernenergie-avontuur dat het land samen met grote broer Frankrijk – op energievlak anno nu een voogd geworden – tot een van de meest genucleariseerde naties ter wereld maakte. Voor het laagradioactief  en kortlevend afval, dat na driehonderd jaar geen gevaar meer vormt, is een duurzame oplossing gevonden, namelijk bovengrondse opslag in de Antwerpse gemeente Dessel. De problematiek van het hoogradioactief en langlevend afval schoof de overheid jarenlang voor zich uit. Een deel werd ‘opgewerkt’, voor een stuk gerecycled zeg maar, gestockeerd in Dessel, een ander deel blijft onverwerkt bij de reactoren liggen. NIRAS, de instelling die zich met het beheer van het kernafval bezighoudt, consulteert op dit moment de bevolking en wil tegen het eind van 2010 een rapport voorleggen. Op basis daarvan kan de overheid eindelijk een beslissing nemen.

 
Het kernafval dat na recycling overblijft, wordt met glas versmolten en in deze containers gestopt.
 

Uiteraard staat België niet alleen met zijn hoogradioactief afval. Nederland, met één kernreactor een veel kleinere nucleaire natie, besloot om de kat uit de boom te kijken en de boel honderd jaar te stockeren. De enige overblijvende realistische opties zijn diepe geologische berging in zoutlagen (Duitsland en de VS), in rotsformaties (Finland) of in kleilagen (Frankrijk). Onder het noordelijk deel van België (en het oostelijk deel van Nederland) ligt eveneens een kleilaag en de meeste experts in België zijn voor deze oplossing gewonnen. In de jaren tachtig werd daarvoor tweehonderd meter onder grond in Mol het lab Hades gebouwd. De kans is groot dat het NIRAS-rapport de optie van berging van superafvalcontainers in Boomse klei naar voren schuift. De instelling zou graag voor de helft van de eeuw om is, hiermee starten. Maar honderd procent veiligheid is een illusie. De kleilaag is niet erg dik, en wie honderdduizenden, zelfs miljoenen jaren vooruit wil kijken, moet bijvoorbeeld rekening houden met nieuwe ijstijden. Gletsjers boven de Lage Landen zouden tot in de kleilaag kunnen slijten.


Een blik in Hades. 

Onzekerheid is troef, zowel maatschappelijk-politiek – zal onze regio stabiel en welvarend blijven? – als wetenschappelijk-technologisch. Misschien zijn er over honderd jaar goede, duurzame alternatieven voorhanden, de optie van Nederland. Termen als tijdsverloop, (on)omkeerbaarheid en onzekerheid domineren de discussie.

De berging van het historische afval is één zaak, de beslissing om de centrales langer open te houden maakt duidelijk dat kernenergie nog lang niet afgeschreven is. Wat brengt de toekomst? Het SCK mikt op Myrrha, een onderzoeksreactor van de vierde generatie die efficiënter werkt en minder afval produceert dan de huidige installaties. Nucleair expert Gilbert Eggermont gelooft niet dat Myrrha veel soelaas zal bieden. Volgens hem moeten kleine landen als België en Nederland de kaart trekken van hogetemperatuurreactoren. Dat zijn kleine installaties die op het niveau van een grote stad als Antwerpen niet alleen elektriciteit en waterstof leveren, maar ook proceswarmte voor de industrie.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Iedereen elektrisch?

14 Januari 2010, 16:21

2010 is voor de autoliefhebber en -rijder een cruciaal jaar. Niet alleen is het uitkijken naar de manier waarop de constructeurs de aanslepende economische crisis het hoofd zullen bieden, minstens zo boeiend is de race naar milieuvriendelijker auto’s. Want het gaat hard nu de verbrandingsmotor niet langer alleenzaligmakend lijkt. De klimaatverandering dwingt overheden, industrie én consument tot verandering, tot het maken van de klik.


De elektrische auto ligt in poleposition. Zowel in Nederland als in Vlaanderen legt de overheid al haar eieren in dat mandje. Vlaanderen wil naar de woorden van minister van Innovatie Ingrid Lieten een ‘referentieregio’ in het vlak van de elektrische wagen worden, maar kan alvast starten met het achterna hollen van Duitsland en Nederland. Daar rijzen immers  overal – weliswaar weinig uniforme – laadpalen uit de grond. Elektrisch rijden biedt zeker kansen om de CO2-uitstoot te verminderen, maar dan moet de energie wel duurzaam zijn. Op dit moment is amper drie procent van de elektriciteit afkomstig van hernieuwbare energie. Verder moet men ook kijken naar de hele levensloop van een auto, van wieg tot graf. Grotere batterijpakketten betekenen meer vervuiling tijdens de productie en recycling.

De autoconstructeurs, slim als altijd, werken aan verschillende oplossingen tegelijkertijd. Het onderzoek naar biobrandstoffen ter vervanging van benzine en diesel loopt niet van een leien dakje. De eerste generatie werd uit voedselgewassen gewonnen, maar ethische en milieubezwaren legden een hypotheek op deze oplossing. Nu bekijken wetenschappers wat ze met restafval uit de landbouw – biomassa –, dierlijke vetten of mest kunnen aanvangen. En er staat ook al een derde generatie biobrandstoffen op stapel, op basis van algen.

Het bericht dat BMW zijn onderzoek naar de waterstofauto terugschroeft, lijkt symptomatisch voor dit zero-emission-alternatief. Een van de grote problemen is de opslag en het transport van waterstof, dat onder zeer hoge druk bewaard moet worden. Ook het bereik van waterstofauto’s laat nog te wensen over, maar dat geldt ook voor bijvoorbeeld elektrische auto’s.

Welke technologie het ook haalt – waarschijnlijk zullen een aantal alternatieven naast elkaar rijden –, finaal is het de consument die overtuigd moet worden. En bij hem zal de kostprijs de doorslag geven.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Vaarwel Wim

27 November 2009, 15:29

 

Wim Daems (1948-2009) 

Vandaag werd Wim Daems begraven. Hij overleed vorige zondag na een korte maar hevige ziekte. Eenenzestig is veel te jong om te gaan.

Wim was een van de pioniers van Eos-magazine. Begin jaren tachtig stapte hij van het zieltogende opinieblad Spectator over naar het gloednieuwe wetenschapsblad Eos, dat binnen dezelfde uitgeverij (Het Volk) het licht zag. Toen ik de Eos-ploeg een zevental jaar geleden als eindredacteur kwam versterken, was Wim er de ancien, de kritische wetenschapsjournalist die je niks wijs moest maken. Als enige vond hij zijn weg in het uitgebreide knipselarchief dat hij jarenlang ten behoeve van de redactie had opgebouwd. Het vormde de basis voor zijn uitgebreid gedocumenteerde,
goed uitgebalanceerde en veelvuldige gecheckte populairwetenschappelijke artikelen. Geneeskunde, gezondheid, milieu en energie waren zijn specialiteiten.

De kwaliteiten van Wim als wetenschapsjournalist stonden buiten kijf, kreeg ruime erkenning. Tien jaar geleden ontving hij van SKEPP, de Studiekring Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale, de Zesde Vijs voor ‘zijn onpartijdige, kritische, objectieve en neutrale inzet om wetenschap bij het grote publiek te brengen’. De laatste jaren was Wim als freelancejournalist aan Eos verbonden. Hij had de kaartenbak intussen ingeruild voor het internet, maar de grondige aanpak, de wetenschappelijke precisie en de journalistieke gedrevenheid bleven onverminderd overeind. Kritisch, koppig en intelligent, wetenschapsjournalisten als Wim zijn deze dagen waarin alles snel en hapklaar gepresenteerd moet worden, helaas een zeldzaamheid geworden.

Velen zullen Wim Daems ook kennen als gevierd jeugdauteur. Tussen 1987 en 1994 publiceerde hij bij Davidsfonds/Infodok zeven romans, waarvan De Horizonjagers en Het Koopkind de bekendste zijn. Uit het laatste boek komt deze mooie passage, die op Wims bidprentje staat:

‘Ik heb nog nooit met iemand over mijn dromen gesproken. Maar ik heb die andere wereld gezien, nadat ik een nacht had liggen ijlen. Het leek alsof ik in een heel diepe put viel. Achteraf vertelden ze me dat ik heb gegild van angst, maar geleidelijk werd het vallen anders. Er was geen gevoel van snelheid meer, geen geluid, geen licht, net alsof ik roerloos in een eindeloze ruimte hing. Ik voelde ook mijn lichaam niet meer, ik was alleen nog een punt, en in dat punt was er niets, zelfs geen vluchtige gedachte. Het was het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt, het was zo vredig...’

De lezers van Eos zullen Wims bijdragen missen, wij verliezen een gewaardeerde collega en een uitzonderlijk mens. Namens de redactie bied ik de familie van Wim en al wie hem dierbaar is ons oprecht medeleven aan.

Geschreven in ZuidpoolVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Nu of nooit?

20 November 2009, 14:06

Onze uitgeverij is onlangs verhuisd naar een nagelnieuw kantoorgebouw. Het jarenzeventigpand waarin we sinds enkele jaren een ruimte huurden, was compleet uitgeleefd en gaat tegen de vlakte. De eigenaar ervan, een Antwerps-Limburgs mediaconcern, liet een steenworp verder een mooie, monolithisch ogende blokkendoos neerpoten. Overal airconditioning, tapijt en toegangscontrole om op je werkplek te raken, de Eos-redactie heeft zijn stek in een functioneel en strak ontworpen 21ste-eeuws landschapskantoor. Laten we hopen dat dit casco het langer uithoudt dan de dertig à veertig jaar van het vorige pand – van een modern kantoorgebouw zou je toch een levensduur van enkele honderden jaren mogen verwachten.

 

 

Erg duurzaam, ecologisch of energiezuinig lijkt het hier op onze nieuwe plek niet en dat is jammer. Geen groendaken die voor extra isolatie zorgen, geen zonnepanelen of windmolens om hernieuwbare energie te oogsten, geen warmtepomp met lage temperatuurverwarming of natuurlijke ventilatie als alternatieve klimaatregeling. Het zijn technieken die intussen ruim beproefd zijn in passiefhuizen en die niet alleen in Scandinavië of Duitsland, maar ook in Nederland steeds meer hun weg vinden naar in nieuwe woningen, kantoren en overheidsgebouwen. En dan hebben we het niet eens over ideeën die nóg verder gaan, zoals cradle to cradle. Het is nu al bijna zeven jaar geleden dat architect William Mc Donough en chemicus Michael Braungart met hun boek het begrip duurzaamheid een nieuwe inhoud gaven. De stelling dat alle gebruikte materialen ofwel volledig gerecycled moeten kunnen worden, ofwel biologisch afbreekbaar moeten zijn, vindt in de praktijk weinig ingang. Het ideaal van een wereld zonder restafval is nog ver weg.

De sfeer net voor de VN-klimaatconferentie in Kopenhagen, die een opvolger voor het Kyoto-protocol moet opleveren, is er een van nu of nooit, de laatste kans om het overal aangekondigde rampenscenario – dezer dagen een populair thema onder regisseurs – af te wenden. Het streefdoel van Kopenhagen is om de mondiale uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 te verminderen met 25 à 40 procent. Op de valreep raakte de Europese Unie het eens over een afname van 20 procent, met een optie voor 30 procent als de rest van de wereld meedoet. Deze premisse en de moeizame totstandkoming van het Europese akkoord voorspellen weinig goeds voor de ‘onderhandelingen van de eeuw’ in Kopenhagen. Bijna niemand verwacht een volledig uitgewerkt klimaatverdrag, eerder een raamakkoord dat verder ingevuld moet worden.
Lijken de internationale klimaatonderhandelingen zich op het eerste gezicht ver boven onze hoofden af te spelen, de remedies om de uitstoot terug te dringen sluipen steeds meer onze leefwereld binnen, of het nu gaat over het schielijk verdwijnen van de gloeilamp of het fiscaal voordeel voor een kleine, zuinige wagen. En onze portemonnee zal het in de toekomst nog sterker voelen. Europa overweegt de invoering van een CO2-belasting op het energieverbruik van gezinnen. De plannen zijn nog niet zo concreet als die in Frankrijk, waar vanaf januari een taxe carbone van kracht wordt, een belasting op olie, gas en steenkool. Die kan voor huishoudens variëren van 78 tot 344 euro per jaar. De kritiek als zou het om een ordinaire belastingverhoging gaan onder het mom van duurzaamheid, pareert de Franse regering door een aantal fiscale compensaties. Toch maar even afwachten.


Dat zijn we bij Eos alvast niet van plan. De laatste week van november proberen we de milieu-impact van onze redactie drastisch terug te schroeven. We grijpen niet terug naar pen en papier en we gaan ook niet eerst een uurtje fietsen om onze computer aan de praat te krijgen. Wel rekenen we op eenvoudige maatregelen en een rist technologische snufjes. De ‘low impact-redactie’ zal tijdens de actieweek verslag uitbrengen op de wetenschappelijke blogsite scilogs (.be en .nl) en op de Eos-website. Misschien brengen we onze huisbaas wel op enkele ideeën ...

Geschreven in ZuidpoolVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Antioxidant

25 September 2009, 11:14

Tijdens een recent bezoek aan de supermarkt trok de boodschap ‘antioxidante werking’ op een margarinevlootje mijn aandacht. Op de zijkant van de verpakking las ik dat het komt door de vitamine E waarvan dit merk royaal voorzien is, en verder dat voeding met antioxidanten bij een gezonde levensstijl past. Geen bijzondere vondst tussen de tientallen met allerlei omega’s en andere wondermoleculen verrijkte margarines, ware het niet dat Nature die week een studie had gepubliceerd die uitwees dat antioxidanten helemaal niet zo gezond zijn, eerder het tegendeel.

Ongetwijfeld kent u de theorie over antioxidanten, die sinds de jaren 1980 opgang maakte: ze neutraliseren vrije radicalen, die schade aan DNA kunnen aanrichten en zo aan de basis liggen van allerlei aandoeningen zoals kanker, hartziekten of diabetes. Antioxidanten zitten van nature vooral in fruit, groenten en noten, maar worden ook aan tal van voedingsmiddelen toegevoegd. De ster van antioxidanten is door een aantal kritische studies de voorbije jaren sterk aan het tanen. De voorlopig laatste slag kwam vanuit Harvard, waar onderzoekers vonden dat antioxidanten kanker in de hand kunnen werken. Weliswaar werden de experimenten uitgevoerd in het lab en is meer onderzoek nodig, maar de margarine liet ik die dag maar in het schap.

Met de gezondheidsclaims van voedingsmiddelen gaat het vaak zo. Nieuwe inzichten dringen traag door tot het grote publiek, dat zich al dan niet geholpen door de commercie hardnekkig blijft vastklampen aan vroegere denkbeelden. Zo heeft koffie sinds mensenheugenis een kwalijke reputatie. Een bakje troost kon je met zowat elke kwaal opzadelen. Door een aantal onderzoeken van de laatste jaren slinkt het lijstje schadelijke effecten, maar koffie raakt nauwelijks verlost van zijn negatief imago.

Een schoolvoorbeeld van mythevorming is spinazie. In de jaren 20 van vorige eeuw ontdekten Amerikaanse wetenschappers dat de bladgroente erg veel ijzer bevatte, zoveel zelfs dat je er sterker van werd. De intrede van tekenfilmfiguur Popeye in 1929, die zich met een blik spinazie uit de meest benarde situaties redt, maakte het plaatje compleet. Toen een aantal jaren later aan het licht kwam dat er cruciale rekenfouten in de studie stonden, en dat spinazie minder ijzer bevat dan pakweg sla of peterselie, was het te laat. De mythe van spinazie als natuurlijk krachtvoer leeft tot vandaag voort.

De laatste tijd verschenen er enkele nieuwe studies over de gezondheidseffecten van thee. Ook hier geldt dat een complex product zich niet in simpele slogans laat vatten. Of thee beschermt tegen kanker en hart- en vaatziekten is tot op heden niet duidelijk, andere gunstige effecten krijgen wel wetenschappelijke ondersteuning. Intussen is het wachten op de Europese regelgeving rond gezondheidsclaims van etenswaren en voedingssupplementen. De Europese Voedselautoriteit EFSA kreeg de voorbije maanden van de industrie duizenden claims binnen, die ze allemaal – weliswaar gebundeld – onderzoekt. Begin volgend jaar worden de resultaten verwacht. Er staat voor sommige producenten veel op het spel, want eerder dit jaar verwierp de EFSA al de claim dat probiotica (‘yoghurtdrankjes’) de immuniteit zouden verhogen.

Moeten we alle voedingssupplementen dan maar uit de rekken (en uit onze voeding) weren? De meeste zijn wellicht pure geldverspilling – een gevarieerde en evenwichtige voeding volstaat voor de meeste mensen. Maar soms zijn toevoegingen wél zinvol, en dan is het aan de overheid om de regels aan te passen. Zo gebruiken de Belgische bakkers sinds april jodiumhoudend zout in plaats van gewoon zout, want de gemiddelde Belg krijgt te weinig jodium binnen. In Nederland en België pleiten sommige specialisten al langer om hetzelfde te doen met foliumzuur, dat niet alleen heilzaam is voor zwangere vrouwen (minder baby’s met open rug of hazenlip), maar ook helpt tegen bloedarmoede of hart- en vaatziekten. In een veertigtal landen, waaronder de Verenigde Staten, is de toevoeging van extra foliumzuur aan brood en graanproducten al verplicht.

Geschreven in ZuidpoolVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Jong en doof

20 Augustus 2009, 11:13

De muziekfestivals deden het ook deze zomer weer erg goed. Naast de gevestigde waarden als Rock Werchter of Folkfestival Dranouter, kon je in elke zichzelf respecterende stad in Vlaanderen wel terecht voor een of ander zomerpodium. Ook in kleinere lokaliteiten klinkt steeds vaak rockmuziek op pleintjes en in straten. Allemaal goed voor de ambiance (en de horeca), maar is het wel goed voor onze oren? Pukkelpop, het alternatieve rockfestival dat zich vandaag onder een loodzware zon op gang trekt, deelt 50.000 oordopjes uit, en is daarmee het eerste grote festival dat zijn bezoekers massaal geluidbescherming aanbiedt.


Eind juli maakte de 29-jarige Dietrich Hectors een eind aan zijn leven. Het permanente gesis en gefluit in zijn oren werd hem te veel. De fantoomgeluiden maakten hem gek en depressief. Een einde maken aan zijn leven, dat voor hem een martelgang was geworden, leek de enige mogelijkheid. De Kempenaar leed niet alleen aan tinnitus of oorsuizen, maar ook aan hyperacusis, overgevoeligheid voor elk soort lawaai. Ook voor stemmen – zelfs het eigen stemgeluid –, en dat bracht hem in een sociaal isolement. Geen feestjes, bioscoopbezoek of uitjes met vrienden meer, en al helemaal geen concerten. Luide, zeg maar loeiharde muziek lag aan de oorsprong van zijn ziekte.

Niet elk geval van blijvende gehoorschade – eigenlijk een pleonasme, want dit soort schade is altijd onomkeerbaar – eindigt zo tragisch, maar dat er een generatie volwassenen aankomt die slechter hoort, staat voor vele experts vast. Of het nu ligt aan luidere concerten door betere PA’s of aan de massale verspreiding van goedkope, kwaliteitsvolle mp3-spelers is niet duidelijk, maar in Nederland en Vlaanderen zouden er jaarlijks zo’n 45.000 jongeren met ernstige gehoorproblemen bijkomen. Deze twintigers en dertigers hebben nu al de oren van een bejaarde en zonder grote medische doorbraken is de kans reëel dat velen onder hen vroegtijdig doof worden.

Drie jonge Eos-redacteurs namen de proef op de som en trokken net voor de zomer naar de audioloog én naar enkele concerten. De voorafgaande auditieve tests voorspelden weinig goeds: een van hen had zelfs het profiel van een staalarbeider. In het septembernummer van Eos leest u hun wedervaren, maar dit kunnen we hier al kwijt: er wordt overal te lande erg luid gespeeld en het dragen van oorbescherming loont.

 

Jongeren zullen altijd van luide muziek houden, daar is zelfs een wetenschappelijke uitleg voor. Het is maar de vraag of goede voorlichtingscampagnes volstaan om de gehoorschade binnen de perken te houden. Zowel in Vlaanderen als Nederland pleiten sommigen voor de begrenzing van het geluid van mp3-spelers tot 90 decibel. Voor concerten en discotheken ligt de simpelste oplossing – het geluid gewoon zachter zetten – niet voor de hand, want dan zou men samen met het volume ook de tijd terugdraaien. Dan rest nog de actie die Pukkelpop dit jaar onderneemt. Laten we hopen dat de oordoppen van goede kwaliteit zijn, want ook dat leren we uit de uitgebreide, op het internet gepubliceerde afscheidsbrief van Dietrich Hectors: er is een hemelsbreed verschil tussen goedkope, minderwaardige oordoppen en op maat gemaakte exemplaren die de vorm van de oren aannemen en die het geluid dempen zonder vervorming. Jammer dat hij daar zelf zo laat achter kwam.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Mens en dier

25 Mei 2009, 16:14

Jaarlijks worden er in de Nederlandse leghenfokkerij meer dan 30 miljoen mannelijke eendagskuikens vergast, omdat de sector daar weinig mee kan aanvangen. Wetenschappers bestuderen nu manieren om te zorgen dat meer vrouwtjeskuikens dan haantjes het licht zien. Die zoektocht naar diervriendelijker alternatieven is een gevolg van de groeiende maatschappelijke weerstand tegen het nutteloos doden van levende wezens. De consument krijgt in dit Nederlandse onderzoek trouwens inspraak, de verschillende alternatieve technieken werden in een enquête voorgelegd aan het grote publiek. Het zal u niet verwonderen dat de diervriendelijkste oplossing de publieke voorkeur kreeg, namelijk de leefomstandigheden zo inrichten dat de hennen ‘spontaan’ meer vrouwtjes voortbrengen.

De zoektocht naar efficiëntere legbatterijkippen is een voorbeeld van het toenemende respect dat de samenleving voor dieren opbrengt. In Nederland leeft het meer dan in Vlaanderen. Niet alleen bezet de in 2002 opgerichte Partij voor de Dieren (PvdD) twee zetels in de Tweede Kamer, het debat over dierenrechten is er een dat de krantenkolommen beheerst, waar boeken over verschijnen.

Naast de slechte behandeling van dieren in fokkerijen en slachterijen, zijn er de vele dierproeven die dierenactivisten een doorn in het oog blijven. Voor hen is er weinig verschil tussen wat er in de bio-industrie en de wetenschappelijke wereld omgaat, hun enige focus is het welzijn of het (blijven) leven van dieren. Bepaalde actiegroepen treden trouwens steeds driester op, staat in een nota van de Nederlandse inlichtingendienst, die zelf het onderscheid maakt tussen dierenrechtenactivisten – zij die folders uitdelen en lobbyen, de aanhangers van de PvdD zeg maar – en de extremisten. Die laatste groep schuwt het geweld niet, de aanhangers breken in fokkerijen in om dieren (pelsdieren vooral) vrij te laten, ze stichten brand en intimideren dierproefnemers, onder andere door hun huizen te bekladden. ‘We distantiëren ons alleen van het geweld tegen dieren,’ citeerde een krant een van de leiders.

De discussie over wetenschappelijke dierexperimenten stond dezer dagen ook op de Europese agenda. Eind vorig jaar werd een richtlijn aangekondigd die het aantal proeven en het dierenleed verder moest beperken, maar het Europese Parlement ging – met verkiezingen in het verschiet – op de rem staan. Voorlopig geen strengere regels dus, tot grote vreugde van wetenschappers die dieren gebruiken in hun onderzoek. Uit een Britse enquête bleek dat zowat drie vierde van hen gelooft dat ze nooit hetzelfde resultaat halen zonder experimenten. Een van de struikelblokken voor wetenschappers was het mogelijk verbod op het gebruik van niet-menselijke primaten. Onze nauwste verwanten kunnen we voor bepaald onderzoek, ook naar niet acuut levensbedreigende ziekten zoals kanker of alzheimer, voorlopig niet door andere soorten vervangen. Dat erkent ook Europa nu.

Het is dit jaar 50 jaar geleden dat de Britse zoöloog William Russel en microbioloog Rex Burch in hun boek The Principles of Humane Experimental Technique de 3 R’s (of 3 V’s) voorstelden. Ze schreven dat wetenschappers zich bij dierproeven moeten bezinnen over drie alternatieve mogelijkheden: refinement (verfijning), reduction (vermindering) en replacement (vervanging). Dat deze principes een halve eeuw later nog relevant zijn, bewijst een recent Amerikaans rapport dat het gebrek aan goede studies over pijn en stress bij proefdieren aan de kaak stelt. Al te vaak ontbreekt het geld om onderzoek naar betere labomstandigheden (refinement) te voeren en ook aan de diermodellen schort er wat. In de praktijk blijkt reduction ook allerminst evident: in België steeg het aantal proefdieren de afgelopen zeven jaar met bijna 20 procent, tot een goede 800.000 per jaar.


Intussen is het uitkijken naar échte alternatieven. Veel heil wordt verwacht van human tissue engineering, het creëren van natuurlijk menselijk weefsel waarop men onder andere geneesmiddelen zou kunnen testen. Of van de ontwikkeling van een virtuele mens, waarbij simulatieprogramma’s een deel van de tests vervangen. De militaire industrie werkt al met dergelijke computermodellen om de impact van biologische aanvallen op het menselijke lichaam te meten. Maar wetenschap zonder dierexperimenten zal niet voor morgen zijn.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Homoseksualiteit in de 21ste eeuw

24 April 2009, 10:48

Anno 2009 zijn er in het Verenigd Koninkrijk nog behoorlijk wat psychiaters en psychotherapeuten die mensen proberen te genezen van hun homoseksualiteit. Van de meer dan 1.300 specialisten die door het team van psychiater Michael King van de University College London werden ondervraagd, zegden 200 minstens één keer een poging te hebben ondernomen iemand seksueel te ‘bekeren’. 55 van hen bieden nog een of andere therapie aan, ook al bestaat er geen enkel bewijs dat die zou werken. Het is intussen meer dan vijfendertig jaar geleden dat homoseksualiteit als mentale stoornis uit het handboek van de American Psychiatric Association werd geschrapt, maar de gedachte dat deze ‘afwijkende’ geaardheid op een of andere manier behandelbaar is, blijft overeind. Of ook therapeuten in België en Nederland nog dergelijke sessies aanbieden, is niet duidelijk, maar het Britse voorbeeld geeft aan dat er over homoseksualiteit nog altijd achterhaalde ideeën circuleren.

Eind 1973 schrapt de American Psychiatric Association homoseksualiteit als een mentale stoornis.
Meteen waren 20 miljoen Amerikanen genezen.

Natuurlijk komt een hulpverlener altijd tegemoet aan een vraag van een individu dat met zijn seksualiteit worstelt. In bepaalde religieuze kringen is homoseksualiteit nog steeds taboe, en om zo min mogelijk discriminatie te ervaren bewandelt men het best nog altijd rechte wegen. We besluiten snel dat het bij ons allemaal wel meevalt – kijk maar naar het homohuwelijk –, maar volgens een recent Europees rapport zijn discriminatie, pesterijen en geweld tegen homoseksuelen en transseksuelen in de Unie nog steeds wijdverspreid, ook in de zogenaamde tolerantere landen. In België stelde het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding in 2008 een kleine honderd dossiers hierover samen. Naast deze flagrante gevallen zijn er nog de moeilijk uit te roeien, dagelijkse vooroordelen.

Wat heeft de wetenschap over homoseksualiteit te zeggen? Eigenlijk bitter weinig. Er bestaan wel vele studies, zowel sociologisch/psychologisch als biologisch, maar de onderzoekers laten het al te vaak bij hypotheses. De verschillende standpunten en discussies zijn meestal terug te brengen tot het nurture-nature-debat. Zijn het de opvoeding of de leefomstandigheden die iemand homoseksueel maken (nurture), of is seksuele voorkeur eerder aangeboren, heeft hij een biologische oorsprong (nature)? Een stevig argument voor een natuurlijke homoseksualiteit is het veelvuldig voorkomen ervan in de dierenwereld. Bij zo’n 1.500 soorten werd homoseksueel gedrag opgetekend, niet alleen bij zoogdieren, maar ook bij vogels, reptielen, vissen en zelfs ongewervelde dieren.
Begin jaren negentig van de vorige eeuw ontdekte een Amerikaans wetenschapper dat de hersenen van homo- en heteromannen van elkaar verschillen. Bepaalde hersengebieden waren net als bij vrouwen kleiner, wat wees op een biologische basis. Met de ontrafeling van het menselijke genoom in de eerste jaren van deze eeuw hoopte men eindelijk een – genetische – verklaring voor homoseksualiteit te vinden, maar echt succesvol werd de zoektocht naar homogenen niet.

Een stevig argument om homoseksualiteit als een natuurlijk fenomeen te beschouwen,
is het veelvuldig voorkomen ervan in het dierenrijk.

Homo-onderzoek blijkt meer dan ander wetenschappelijk onderzoek allesbehalve waardevrij. Veel onderzoekers die rond het thema werken, zijn zelf homo of lesbisch, wat hen per definitie betrokken maakt, soms niet geheel onpartijdig. Homoactivisten zijn blij met elk nieuw nature-bewijs, want het versterkt hun eis voor gelijke rechten. Met het argument ‘we zijn nu eenmaal zo’ kan de homobeweging zij aan zij strijden met andere minderheidsgroeperingen (etnisch, cultureel, feministisch enz).

Vooral nature dus, en weinig nurture. Of ligt de waarheid zoals zo vaak ergens in het midden. De Vlaamse bioloog Sven Bocklandt, die aan de universiteit van Los Angeles naar de genetische basis van homoseksualiteit zoekt, denkt dat seksuele voorkeur voor de helft in de genen zit, en voor de andere helft afhangt van de omgeving. Hij verwijst daarbij naar het bewezen ‘ouderebroereffect’: hoe meer oudere broers een man heeft, hoe groter de kans dat hij homoseksueel is. Maar ook deze omgevingsfactor wortelt in de biologie, hij zou tijdens de embryonale ontwikkeling worden vastgelegd. Maar zeker is dat allemaal niet en het geldt bijvoorbeeld niet voor vrouwen. Meer onderzoek is nodig, zullen we dan maar besluiten.

17 mei is de internationale Dag tegen Homofobie, voor Eos een ideaal moment om een dossier samen te stellen.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Belgen op de pool

23 Maart 2009, 14:02
Nieuw bewijs dat de opwarming van de aarde zich in de poolstreken sterk laat gevoelen. Dat is, in één zin samengevat, het resultaat van het Internationaal Pooljaar 2007-2008 (IPY), dat rond deze tijd afloopt. De voorbije twee jaar voerden onderzoekers uit een zestigtal landen meer dan 160 wetenschappelijke projecten uit in beide poolgebieden. Ze stelden vast dat de ijskappen van zowel Groenland als Antarctica in omvang afnemen, waardoor een wereldwijde stijging van de zeespiegel onafwendbaar is. Aan de noordpool troffen wetenschappers bovendien grote hoeveelheden methaan aan in de permafrost, de permanent bevroren bodem. Als die verder ontdooit, zal het extra broeikasgas vrijkomen. Langs de Siberische kust is het afgelopen pooljaar al een substantiële uitstoot van methaan (afkomstig van de oceaanbodem) gemeten. Aan de andere kant van de aardbol tekenden onderzoeksschepen een abnormale temperatuurstijging op in de Zuidelijke Oceaan. Dichter bij het Antarctische continent zorgt het smeltende ijs voor kouder water aan de bodem, waardoor de oceaancirculatie zou kunnen veranderen. Amerikaanse wetenschappers voorspellen zelfs dat bij een massale transformatie van ijs in oceaanwater de draaiingsas van de aarde zo’n halve kilometer opschuift.

Het voorlopige eindrapport van het IPY – in juni 2010 wordt een groot wetenschappelijk congres gehouden – klinkt dus vrij alarmerend. Maar er zijn ook positieve berichten: de Zuidelijke Oceaan herbergt een ongelofelijke biodiversiteit, nieuwe meteorologische inzichten maken betere voorspellingen mogelijk en een grotere kennis van de Arctische gemeenschappen moet tot betere leefomstandigheden leiden. Tot slot was het IPY belangrijk vanwege het internationale karakter van het onderzoek, en het zorgde bovendien voor een nieuwe generatie poolonderzoekers en een grotere interdisciplinariteit.

Esperanza-basis Antarctica
De Argentijnse poolbasis Esperanza.

Princess Elisabeth-basis
De Belgische Prinses Elisabethbasis.

Of toch niet? Want je zou even goed kunnen stellen dat vele landen het IPY aangrijpen om hun eigen station neer te poten, om territorium af te bakenen. Op het Antarctische schiereiland, het stukje continent dat naar Patagonië reikt, houden de Argentijnse, Chileense en Britse basissen elkaar al langer in de gaten. Elders op het witte continent wordt druk gebouwd door onder anderen Belgen, Duitsers en Britten. Wat in de ruimte kan – één groot onderzoeksstation – kan blijkbaar niet op Antarctica. De vergelijking loopt wat mank, want ruimteonderzoek heeft weinig met visie en alles met middelen te maken. Als het materieel en financieel haalbaar was, zou het geopolitieke spel zich tot ver buiten de dampkring voortzetten, met tientallen ruimtestations van evenveel landen.

KLEIN MAAR DAPPER
Waarom is een klein land als België met een eerder beperkt internationaal gewicht dan zo prominent aanwezig op Antarctica? Zelfs grotere buur Nederland heeft er geen eigen station. De verklaring is prozaïsch: dankzij het initiatief van enkele avontuurlijke individuen. Het Belgische zuidpoolverhaal ontwikkelt zich steeds volgens hetzelfde patroon. Een sterke persoonlijkheid grijpt de internationale belangstelling voor Antarctica aan om zijn droom te verwezenlijken. De overheid neemt een afwachtende houding aan, maar ziet zich uiteindelijk verplicht de wilde plannen te steunen.

Drie keer ging het zo. De jonge marineofficier Adrien de Gerlache  begon met wisselend succes te lobbyen na de oproep van het Internationaal Geografisch Congres van 1895 om de zuidpoolregio wetenschappelijk te exploreren. Hij zocht privésteun, slaagde erin zich te omringen met jonge, veelbelovende wetenschappers en voer in 1898 met de Belgica de geschiedenis in. Zijn zoon, piloot Gaston de Gerlache, was de drijvende kracht achter de Koning Boudewijnbasis, die in 1957 – ten tijde van het Internationaal Geofysisch Jaar – werd neergezet op een drijvend ijsplatform voor de kust van Koningin Maudland. En poolreiziger Alain Hubert greep het IPY aan om met een non-profitorganisatie (International Polar Foundation) het onderzoeksstation Prinses Elisabeth te bouwen in Utsteinen.

Het zijn dezelfde histories van stijfkoppigheid en volharding, maar ook van financiële problemen en frustratie. Adrien kreeg niet voldoende middelen bij elkaar om een tweede expeditie te ondernemen, de Boudewijnbasis werd al in 1961 verlaten wegens geldgebrek en de onlangs geopende emissieloze basis heeft al drie keer zoveel gekost als begroot. Zonder gulle overheidssteun was de Prinses mooi thuisgebleven. Het ga haar goed, daar op de Zuidpool.



 

Geschreven in ZuidpoolVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Dag 8: Wiencke-eiland

21 Februari 2009, 17:57



Wiencke-eilandWiencke. Deze ochtend meren we aan bij Wiencke-eiland. Op 22 januari 1898 viel de 21-jarige lichtmatroos Carl August Wienck overboord van de Belgica. De jonge Noor kon nog een touw vastgrijpen, maar het ijskoude water kende geen genade, zijn vingers bevroren en hij verdween tussen de golven. Antarctica werd zijn graf, dit eiland een eerbetoon. De Belgica-expeditie zou enkele maanden later nog een slachtoffer eisen. De Gerlaches vriend Emile Danco overleefde de gedwongen overwintering niet. Zijn zwakke hart begaf het. Ook hij kreeg een zeemansgraf – neergelaten in het pakijs. Zijn naam is vereeuwigd in de Danco-kust, een uitgestrekte kustlijn langs de Gerlache-straat.
 
We landen op de Britse basis Port Lockroy. Op de vroeger walvisjagersplaats bouwden de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog in het kader van operatie Tabarin een kleine militaire basis. Missie top secret. Vandaag is Port Lockroy een op-en-top toeristische plek – naar de normen van hier toch – met een museumpje (met schrijn voor Wiencke), een souvenirshop én het meest zuidelijke postkantoor ter wereld.

‘Ik ben de meest succesvolle zegelverkoper van Antarctica,’ grapt base commander Rick Atkinson. Hij roemt het microklimaat van de baai waarin zijn haventje ligt, goed beschermd tegen felle winden en sterke stromingen. Hij waarschuwt ons echter voor de ‘environmental terrorists’, de honderden ezelspinguïns die zijn eilandje bezoedelen. Hij praat wel met het nodige respect voor de beschermde dieren, maar tussen de lijnen door merk je zijn afkeer van de rotbeesten die uren in de wind stinken en alles volschijten. Volgende week is het zomerseizoen voorbij en mag Rick naar huis.

Zaterdagmiddag staat de laatste landing op het programma, op Pléneau-eiland. Het biedt een samenvatting van wat we afgelopen reisexpeditie allemaal te zien kregen, met nog een extraatje in de vorm van een Weddellzeehond (ja, van die man die in Oostende is geboren). Het bezoek is meteen ook ons afscheid van Antarctica en van deze blog. De volgende vier dagen zullen we nodig hebben om terug in Brussel te raken. Tot later.

Foto: Yan Verschueren

Geschreven in ZuidpoolVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon