SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Wetenschapsfraude

21. Maart 2013, 09:10

De Duitse minister van Wetenschap, Annette Schavan, moest begin februari haar doctorstitel inleveren. Een commissie van de universiteit van Düsseldorf, waar ze ruim dertig jaar geleden in de filosofie promoveerde, oordeelde dat ze plagiaat had gepleegd. Ze is, na Karl-Theodor zu Guttenberg, de tweede minister uit het kabinet Merkel die wegens een dubieus verkregen doctorstitel – in Duitsland wordt die nog met egards bejegend – een stap opzij zette. In beide gevallen waren het anonieme bloggers die via zogenoemde wiki-sites de kat de bel aanbonden. Het is een teken van de tijd: het internet maakt de jacht op plagiaatplegers en fraudeurs een stuk eenvoudiger. In de VS is Retraction Watch in korte tijd uitgegroeid tot een geduchte blogsite, die commentaar levert bij verdachte wetenschappelijke publicaties. Gemanipuleerde beelden of creatieve statistiek zijn met aangepaste software sneller op te sporen dan vroeger. Scripta manent, maar anders dan vroeger leest in het digitale tijdperk de hele wereld mee. Zelfs coryfeeën als Jane Goodall ontsnappen er niet aan. Voor haar laatste boek Seeds of Hope nam ze lappen tekst van het internet over zonder bronvermelding.

Koreaans stamcelonderzoeker Hwang Woo-suk, Harvard-prof Marc Hauser, MIT-Vlaming Luk Van Parijs, Nederlands sociaalpsycholoog Diederik Stapel of de Iers-Leuvense filosoof Martin Stone: het zijn geen kleine jongens die de laatste jaren door de mand vielen. Dat ook lagere echelons niet immuun zijn, blijkt uit de anonieme enquête die Eos uitvoerde onder medische wetenschappers aan Vlaamse universiteiten. Een van de twaalf bekent ooit data te hebben verzonnen of ‘gemasseerd’, de helft heeft het bij collega’s gezien. Gevraagd of ze zich ooit waagden aan – minder erge – praktijken in de grijze zone, zoals resultaten uit intuïtie weglaten, een oogje dichtknijpen bij andermans gebrekkige data, of onterecht auteurs aan je studie toevoegen, antwoordt minstens een van de vijf positief. De cijfers zijn verontrustend.

Volgens Alan Leshner, CEO van de wetenschappelijke vereniging AAAS en uitgever van vakblad Science, plegen wetenschappers niet meer bedrog dan vroeger, maar wordt fraude nu wel meer opgespoord. Net als andere specialisten wijst hij op de rush to publication die het wetenschapsbedrijf in zijn greep houdt. Het mechanisme is bekend: onderzoekers worden afgerekend op het aantal keer dat hun onderzoek – liefst gepubliceerd in een vakblad met een hoge impactfactor – wordt geciteerd. Vooral voor jonge wetenschappers geldt publish or perish, meedraaien of verzuipen.

‘Als ik vandaag moest beslissen hoe ik de kost wou verdienen, dan zou ik geen wetenschapper, geleerde of leraar worden. Ik zou liever loodgieter of venter zijn, in de hoop een beetje onafhankelijk te kunnen leven,’ schreef Albert Einstein in november 1954 aan het blad The Reporter. Het is een illusie dat men zorgeloos en in volledige vrijheid wetenschap kan beoefenen – toen evenmin als nu, voor grote kleppers evenmin als voor jonge postdocs. Druk om te presteren zal er altijd zijn, de vraag is hoe we die draaglijk houden en mogelijke fraude vermijden. Leshner en co vragen hun peer reviewers alvast om waakzamer op treden. Maar zal dat volstaan? In Eos van deze maand reiken experts en respondenten van de enquête een aantal oplossingen aan, zoals het beschikbaar stellen van ruwe data die door collega’s nagekeken en verbeterd kunnen worden, of het beter begeleiden (en belonen) van peer reviewers. Anderen willen wetenschap op een nieuwe leest schoeien, waarbij minder aandacht gaat naar het aantal publicaties en citaties, en de nadruk meer op inhoud en kwaliteit komt te liggen.

Met een nieuw groot fraudegeval is de discussie ook in Vlaanderen goed losgebarsten.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Iedereen racist?

12. November 2012, 15:18


Wie net ik al eens een voetbalmatch meepikt in een hogere afdeling, kan er niet omheen. Ondanks verwoede pogingen om racisme in en rond het stadion in de kiem te smoren, vliegen de racistische verwensingen er in het rond. Voetbal een familiefeest? Het ruwe, scabreuze taalgebruik is alvast niet voor kinderoren bestemd. Sommige spelers wakkeren de primaire gevoelens nog aan. Chelsea-aanvoerder John Terry – met een loon van 150.000 pond per week allerminst een amateur – werd eind september door de Engelse voetbalbond geschorst en stevig beboet voor racistische uitlatingen aan het adres van een zwarte tegenspeler. Voetbal is oorlog, zei Nederlands bondscoach Rinus Michels zaliger. Veertig jaar na datum staat zijn beruchte oneliner er nog.


Racistische spreekkoren zijn niet aan u besteed? De kans dat u onbewust racistische gevoelens koestert, is nochtans groot. Doet u de Impliciete Associatietest van de Harvard University (ook in het Nederlands) maar even. Daar krijgt u een aantal woorden (positieve en negatieve concepten) en foto’s (van zwarte en blanke mensen) naast en door elkaar te zien. U moet snel oordelen in welke categorie een concept of gezicht thuishoort. Door de reactietijd te berekenen, kunnen de onderzoekers kijken hoe bevooroordeeld de proefpersoon is. Blanken zullen een bleke neus onbewust eerder associëren met een positief concept, en dus sneller de knop indrukken. Hetzelfde impliciete racisme doet ons in een wachtzaal bijna automatisch iets verder van een vreemde plaatsnemen, of doet ons terugdeinzen als een potentiële huurder niet Eddy maar Ahmed blijkt te heten.

Racisme zit in ieder van ons, leert de gedragsbiologie. Toen onze voorouders in kleine groepen rondtrokken, was het aangewezen om vreemden te wantrouwen. Op die manier werden bijvoorbeeld ziektes buiten gehouden, en konden eigen mensen beter overleven. Daarbij komt dat onze hersenen geprogrammeerd zijn om in hokjes te denken – een leeuw betekent gevaar, dus weglopen. Eigenschappen die ons duizenden jaren lang voordeel opleverden, raken maar moeilijk uit ons systeem. Maar niet alle gedrag kan worden verklaard vanuit de evolutiebiologie of neurowetenschap – naast nature speelt ook nog nurture (opvoeding en omgevingsfactoren) mee – en deze inzichten zijn zeker geen vrijgeleide voor evolutionair determinisme, à la ‘we zijn nu eenmaal zo’. De Amerikaanse psychologe Trish Devine stelde een programma op om impliciet racisme terug te dringen. Ze grijpt naar evidente trainingen zoals het zich bewust worden van stereotypen, aantonen dat vooroordelen niet gefundeerd zijn, inzien dat individuen niet gelijk zijn aan groepen of het zich leren inleven in de situatie van de anderen. De ‘therapie’ blijkt wonderwel te werken.

In de VS werd trouwen met een blanke lange tijd beschouwd als een bewijs van een geslaagde integratie. Zo trouwden veel meer hispanics met blanken dan zwarte Amerikanen dat deden. Hoewel er de laatste decennia weer meer puur Mexicaanse huwelijken zijn, beschouwen experts de smeltkroes als een positief demografisch gegeven. Als etnische groepen niet mixen, dan zijn ze minstens op elkaar aangewezen. In de VS is het uitkijken of en hoe de slinkende, verouderende blank-Europese bevolking de snel aanwassende, jonge latinobevolking de hand zal reiken. Het zou wel eens urgent kunnen worden, nu bekend werd dat de levensverwachting van de blanke lagere klassen in de VS tegen alle trends in gestaag afneemt.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Daar komen de jagers weer

27. September 2012, 16:20

Kent u naast het stierengevecht nog een eeuwenoud tijdverdrijf waarbij dieren letterlijk worden opgejaagd, gejend en daarna koelbloedig afgemaakt? 

Ergens in de vroege jaren negentig woonde ik een stierengevecht bij in Sevilla. Door gebrek aan geld belandden we in de zon, vlak onder het orkest dat met regelmaat een deuntje inzette dat werd beantwoord met een massaal olé van het Andalusische publiek. Terwijl de stemming in de tribunes alsmaar vrolijker werd, oordeelde beneden in de arena de torero over leven en dood. Het was een kleurrijk, spannend schouwspel, dat ons echter met een dubbel gevoel achterliet. Wat hadden we nu gezien? Eeuwenoud cultureel erfgoed dat we moeten koesteren, of een barbaarse daad die compleet uit de tijd is? Er werd een hulpeloze stier gejend, tientallen keren geprikt en ten slotte – compleet afgemat – de finale doodsteek toegediend. Het protest tegen de dodelijke corrida’s nam de voorbije jaren toe. Niet alleen dierenactivisten, maar ook vele Spanjaarden zijn tegen. In Catalonië is het stierengevecht sinds begin dit jaar verboden, andere regio’s zullen ongetwijfeld volgen.


Kent u nog een eeuwenoud tijdverdrijf waarbij dieren letterlijk worden opgejaagd, gejend en daarna koelbloedig afgemaakt? Juist, de jacht, die binnenkort weer officieel van start gaat – in de praktijk wordt er het hele jaar door gejaagd. Jagers opereren in kleine groepjes of alleen, niet met enkele honderden toeschouwers in de buurt, maar net als torero’s zijn hun daden in rituelen gedrenkt, en gaan ze te werk volgens welbepaalde regels. Lange tijd waren die in de jacht ongeschreven, de laatste jaren zie je ze meer zwart op wit opduiken. De term ‘weidelijk’ is daarbij cruciaal. Een weidelijke jager heeft eerbied voor de natuur en toont zich in meerdere opzichten verantwoordelijk. Hij zet alle middelen in om dieren niet onnodig te laten lijden en werkt waar mogelijk samen met natuurbeheerders. Zo bekeken is de jager een soort rentmeester van de natuur, die zorgt dat het wildbestand op peil blijft.

In tegenstelling tot een goed stierengevecht dient de jacht dus niet om (zich) te vermaken – plezierjachten liggen in het water, beweren de jagers. ‘Ik voel mijn hart een beetje bloeden omdat ik deze trotse bewoner van het veld het leven heb ontnomen,’ omschrijft Oswin Schneeweisz (in De Jacht in Nederland en Vlaanderen) zijn gevoel bij het schieten van zijn eerste haas. In mijn oren klinkt het hypocriet, want ondanks alle mooie woorden denk ik dat het jagen – van de hele santenkraam aan rituelen over het jargon tot het omleggen van het beest – de jager vooral genot en vertier verschaft. En dit leidt tot onvermijdelijke schuldgevoelens die jagers zoals Schneeweisz onderdrukken door te verwijzen naar het rijke verleden, of naar de liefde voor dier en natuur. Ze jagen naar eigen zeggen niet om te schieten, maar ze schieten om de natuur te helpen, bijvoorbeeld door exoten en andere schadelijke soorten terug te dringen.


 De vos is een geduchte concurrent voor de jager. Ondanks het verbod worden fazanten nog steeds uitgezet.

Daar zijn de meeste natuurbeheerders en biologen het niet eens mee. De natuur doet het even goed zonder hulp van de jagers, zeggen ze in Eos van deze maand (Eos nr. 10, 2012). In sommige gevallen zou het wel zinvol kunnen zijn, maar de manier waarop het nu gebeurt, is niet altijd de beste. In Nederland is de wetgeving op de jacht strenger dan in Vlaanderen. Ze gaat uit van het ‘Nee, tenzij’-principe, maar in de praktijk zorgen lokale overheden voor voldoende uitzonderingen (de ‘tenzij’s’) die jagers de vrije baan laten. Het afschot is in beide landen vergelijkbaar.

Vroeger kwamen jagers af en toe bij ons thuis langs met een fazant of konijn, als dankbetuiging omdat ze op een stukje weide van mijn ouders mochten jagen. Ik weet niet of dat gebruik vandaag nog in zwang is. Veel open ruimte is intussen verdwenen, hele lappen grond zijn verkaveld en volgebouwd. Je vraagt je af wat een jager er nog te zoeken heeft.



Geschreven in Algemeen | 6 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Schoon water?

19. Juni 2012, 15:11

Op 8 juli springen in heel Europa mensen het water in tijdens de Big Jump. Hun eis: propere rivieren, kanalen en meren. Er zal echter nog heel wat (vuil) water naar zee vloeien voor het zover is.

Vorige lente hadden de landbouwgewassen erg te lijden onder de aanhoudende droogte. Het was volop bijsproeien geblazen om de jonge plantjes alle kansen te geven. Waar de landbouwers in droge tijden hun water halen? Daar hebben we het raden naar en waarschijnlijk wilt u dat ook niet weten. In de buurt waar ik regelmatig wat jog, is er een plek waar de tuinbouwers gewoon een generator naast een beek plaatsen, en het opgepompte, ongefilterde water rijkelijk over hun bloemkoolvelden laten vloeien. Het water van het riviertje, behorend tot het bekken van de Beneden-Schelde, is ronduit smerig, onder andere door het vele huishoudelijke afvalwater dat er in wordt geloosd en door de landbouwbemesting. ‘Verontreinigd’, lezen we op de website van de Vlaamse Milieumaatschappij. Mogen die landbouwers zomaar water uit een open riool oppompen en over hun gewassen sproeien? Welke residu’s zitten er nog op de bloemkolen op het moment dat ze worden geoogst? En worden die überhaupt nog gecontroleerd voor ze in het schap belanden?

 
  Sommige landbouwers pompen ongefilterd water uit vervuilde beken. Rechts de Grote Nete,
  een voorbeeld voor Vlaanderen?

Met de waterkwaliteit in onze contreien gaat het niet zo goed. Ondanks de grote inspanningen van de bevoegde overheden haalt Vlaanderen de Europese Kaderrichtlijn Water niet. Die richtlijn vraagt dat tegen 2015 alle oppervlakte- en grondwater zich in ‘goede ecologische toestand’ zou bevinden. Vergeleken met de buurlanden, die ook veel werk voor de boeg hebben, is Vlaanderen het kneusje. De regio kampt met historische vervuiling. In 1990 werd er slechts 28 procent van het afvalwater gezuiverd, terwijl Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk toen respectievelijk 91, 93 en 96 procent haalden. Met 80 procent zit Vlaanderen daar vandaag nog flink onder. In deze kapotverkavelde regio, waar de dorpen verbonden zijn door lintbebouwing en vele gemeenten ruimtelijke wanorde prediken, is het op grote schaal scheiden van afval- en regenwater geen sinecure – én het kost handenvol geld. Maar er zijn ook positieve signalen. In het zomernummer van Eos leest u meer over de Grote Nete, volgens sommigen het bewijs dat schoon water ook in het volgebouwde Vlaanderen mogelijk is. De Grote Nete is echter een buitenbeentje, stromend door de dunbevolkte Kempen met relatief weinig industrie in de buurt.

Zoet water is een schaars goed waar we beter spaarzaam mee omspringen. De kustzones van de Lage Landen zijn mede door het intensieve waterverbruik van de land- en tuinbouw aan het verzilten. Brak water welt er naar boven, en vervuilt de drinkwaterputten. Het bodemwater is overigens van iedereen, en met de nodige vergunningen kunnen industriële grootverbruikers de slinkende zoetwaterreserves verder leeghalen. Neem bijvoorbeeld een grote brouwerij als Inbev, die vanaf 2013 haar productiecapaciteit in Leuven van 6 miljoen hectoliter bier per jaar wil optrekken naar 8 miljoen hectoliter. Inbev gebruikt grondwater voor het bier zelf, maar ook voor het reinigen van de installaties en het spoelen van de flessen. Voor elke liter bier is een veelvoud aan grondwater nodig. Hoewel de aanzienlijke waterwinning van Inbev Leuven de grondwaterspiegel lokaal doet zakken, zou de drinkwaterwinning in de ruimere omgeving geen hinder ondervinden. Toch rijst de vraag of deze praktijk op termijn houdbaar is.


  Op sommige plaatsen in New Delhi is het kraantjeswater besmet met resistente bacteriën.

Wat voor ons in het Westen een evidentie is, is dat allerminst voor miljoenen mensen in ontwikkelingslanden. Weliswaar kregen meer mensen de laatste jaren een betere toegang tot drinkwater – ‘slechts’ 800 miljoen zouden er nu van verstoken blijven –, maar het water blijkt niet altijd even veilig. Volgens een Amerikaans rapport zou 28 procent van de wereldbevolking, ofte 1,8 miljard mensen, geregeld besmet drinkwater gebruiken. ‘Toegang tot veilig en schoon water’ is volgens de VN een mensenrecht, in de praktijk blijft die ongelijk verdeeld. Benieuwd wat de duurzaamheidstop in Rio de Janeiro de komende dagen oplevert...




Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Kat en hond

03. Mei 2012, 13:56

Elke ochtend is het uitkijken geblazen. De parkeergarage waar ik dagelijks mijn auto achterlaat, ligt op een goede honderd meter van de Eos-redactie. Niet zo ver lopen, maar het is wel een tocht vol hindernissen. De eerste vijftig meter voert me langs de grote opslagplaats die tot parkeerplaats is omgebouwd en het trottoir daar is steevast bezaaid met hondendrollen. Stedelijke schoonmaakploegen – we bevinden ons in het noordelijk deel van een Vlaamse provinciehoofdplaats – passeren er regelmatig, die kan je weinig verwijten. Hun werk (respect!) is echter vrij nutteloos, want de volgende ochtend liggen er weer een pak nieuwe exemplaren te blinken. Het verschil met het laatste stuk van mijn traject, waar er ook wat appartementen zijn, is duidelijk, hoewel ook hier een wakkere blik geboden blijft. Wat u ook moet weten: de bewuste straat grenst aan een groot park, met … jawel een vrij ruime uitlaatplaats voor honden. Op nog geen honderd meter van de parkeergarage. Ik vraag me trouwens af waarom stadsbewoners per se een (grote) hond moeten houden.


Alle honden stammen af van de grijze wolf. De inuit gebruikten wolvenvacht om hun parka's af te boorden.

Oudste huisdier
Mensen en honden delen een lange gemeenschappelijke geschiedenis. De hond is het oudste huisdier. Tot nu toe namen wetenschappers aan dat het vroegste domesticeren van de grijze wolf, waarvan de hond ontegensprekelijk afstamt, zo’n veertienduizend jaar geleden plaatsvond – de huiskat is ongeveer 9.500 jaar oud. De voorbije jaren katapulteerde de Belgische paleontoloog Mietje Germonpré de eerste hond echter een eind terug in de tijd. In 2009 dateerde ze een in de 19de eeuw gevonden hondenschedel uit de grotten van Goyet in de provincie Namen. De prehistorische Goyet-hond was maar liefst 32.000 jaar oud, leefde in het begin van het Jong-Paleolithicum, de periode waarin ook de eerste kunst (rotsschilderingen en sieraden) verschijnt. Haar afwijkende vondst werd bevestigd door recente fossielen uit Centraal-Europa en Siberië, die ze vorig jaar mee hielp dateren. Het onderzoek van Germonpré, waarover ze zelf in deze Eos schrijft, werd door het Amerikaanse Archeology Magazine tot de tien belangrijkste archeologische ontdekkingen van 2011 gerekend.


De hondenschedel van Goyet is 32.000 jaar oud (foto KBIN, Brussel).

Vermoedelijk werden de eerste gedomesticeerde honden door de jagers-verzamelaars als lastdieren gebruikt – de mens moest zich nog settelen. Soms werden ze samen met mensen begraven, wat duidt op de waarde voor de eigenaar. Zijn rol als gezelschapsdier is jonger, en door gerichte fokprogramma’s kennen we sinds de negentiende eeuw een enorme verscheidenheid aan hondenrassen.

Ziek
De exponentiële groei van kleine huisdieren heeft echter ook een schaduwzijde. Op de jongste meeting van de American Association for the Advancement of Science in het Canadese Vancouver werd bekendgemaakt dat steeds meer zeezoogdieren dodelijk ziek worden door pathogene micro-organismen die afkomstig zijn van huisdieren. De ziektemakers spoelen samen met de uitwerpselen in de buurt van rivieren en zeeën rechtstreeks in het water. Het gaat onder andere over Neospora caninum, een hondenparasiet die eerder al abortus bij runderen veroorzaakte, en Toxoplasma gondii dat door katten wordt verspreid. Vooral die laatste parasiet is hardnekkig. Katten scheiden de eerste dagen na besmetting miljoenen ‘eitjes’ uit in hun uitwerpselen, één kat kan dus miljoenen infecties veroorzaken.

Toxoplasmose of kattenziekte is wereldwijd erg verspreid en vormt bij de mens enkel voor zwangere vrouwen een zeker gevaar. Maar het lijkt erop dat de grote aantallen katten (en honden) zorgen voor een grote biologische vervuiling van andere soorten ter land en in de zee. Om de kattenpopulatie binnen de perken te houden moeten de sterilisatiecampagnes worden uitgebreid. En verder moet honden- en kattenbezitters vermijden dat de uitwerpselen van hun geliefde dier in de (vrije) natuur terechtkomen. Door katten binnen te houden of door de inhoud van de kattenbak goed te verpakken. En door hondenpoep op te rapen. Elke ochtend stel ik vast dat er nog veel werk aan de winkel is.




Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Viva Brasil?

20. Januari 2012, 09:30

Braziliaanse economie steekt Britse voorbij, vertelt een klein krantenbericht van net voor de jaarwisseling. Volgens cijfers van het Londense onderzoeksbureau CEBR schuift het Zuid-Amerikaanse land op naar de zesde plaats in de ranglijst van economische grootmachten, en heeft het Frankrijk (5) en Duitsland (4) in het vizier. Op voetbalgebied waren de Brazilianen de oude Europese landen al langer de baas, dat ze economisch een klasse hoger (gaan) spelen is een nieuw fenomeen. De gevolgen laten zich nu al voelen. Hogeropgeleide Portugezen trekken naar de oude kolonie op zoek naar een gepaste of alleszins beter betaalde job. Ook andere Zuid-Europese landen in crisis krijgen te maken met emigratie naar boomende landen in het oosten of het zuiden. Het CEBR berekende dat in 2020 geen enkel Europees land de topvijf meer haalt, Rusland en India zullen dan de plaatsen van Frankrijk en Duitsland hebben ingenomen vóór de gebeitelde top drie VS, China en Japan.


De inheems bevolking is hevig gekant tegen de gigantische Belo Monte-dam (links). Het verzet wordt aangevoerd door indianenleider Raoni.

De toekomst is aan de BRIC-landen Brazilië, Rusland, India en China, samen goed voor 40 procent van de wereldbevolking en een kwart van de landoppervlakte. De snelle economische ontwikkeling maskeert vaak endemische ongelijkheid en armoede. In Brazilië laait de spanning tussen economie en ecologie geregeld hoog op. Ondanks de succesvolle inspanningen van de laatste jaren om de ontbossing van het regenwoud – ‘de longen van de wereld’ – tegen te gaan, werd in 2011 opeens weer een grotere kaalslag opgetekend. Vorig jaar kwam ook een aantal regenwoudactivisten gewelddadig om het leven – in de noordelijke staat Pará woedt een vuile oorlog tussen illegale houthakkers en ecologisten. In dezelfde staat wordt een juridische strijd uitgevochten rond de controversiële Belo Monte-dam. In december herriep een federale rechter een eerdere beslissing om de bouw van de megadam stop te zetten omdat die het visbestand van de Xingu-rivier zou bedreigen. De milieubeweging en de inheemse bevolking – aangevoerd door indianenleider Raoni – blijven gekant tegen de stuwdam, die een ecologische ramp voor het Amazonegebied zou betekenen. Intussen gaat de ontginning van nieuw landbouwareaal onverminderd verder. Aan de zuidelijke Amazonerand met zijn onmetelijke sojavelden luisteren de nieuwe heiligen naar nationale en multinationale namen als Cargill, Bunge, Amaggi, Dreyfuss of Nidera, schrijft journalist Lode Delputte in zijn recente boek Braziliaanse bloei.


Onmetelijke sojavelden in Mato Grosso. Multinationals zijn de nieuwe heiligen.

De inheemse bevolking van Brazilië heeft het hard te verduren. De indianen worden niet alleen belaagd door houthakkers en grootgrondbezitters, maar ook door missionarissen, olie- en goudzoekers en drugstrafikanten, die vaak ziektes en minder fraaie westerse gewoontes meebrengen. De FUNAI, de overheidsinstantie die zich het lot van de indianen aantrekt, laat vaak betijen. Amazonefotograaf Guido Sterkendries streek tijdens een van zijn reizen neer in Atalaia do Norte, een plek in de Javarivallei dicht bij de grenzen met Colombia en Peru. De plaatselijke FUNAI-ambtenaar was drie weken afwezig, wat de fotograaf de kans gaf om contact te leggen met een groep Kanamary-indianen, die letterlijk onder de ogen van de administrador op een vlot vertoeven. De indianen vragen steun, maar leven intussen in de meest erbarmelijke omstandigheden op een drijvende vuilnisbelt. Beelden van drinkende mannen, bedelende vrouwen en rokende kinderen blijven op het netvlies gebrand. Wanneer de FUNAI-verantwoordelijken weer op hun post arriveren, maakt Sterkendries zich met een smoes uit te voeten, wetende dat hij in dit land, maar ook daarbuiten, vijanden maakt en dat nieuwe bezoeken problematisch kunnen worden. Eos van deze maand publiceert de schrijnende foto’s.

In juni 2012 is Brazilië het gastland van een grote VN-top over duurzame ontwikkeling. Twintig jaar na de Conferentie van Rio, waar onder meer het klimaatverdrag en het biodiversiteitverdrag werden goedgekeurd, moet Rio+20 nieuwe impulsen geven aan de zogenoemde groene economie. Het valt af te wachten hoe krachtig de conferentie uit de hoek komt, maar de argwaan bij de landen in ontwikkeling is groot. Groen staat voor hen vaak synoniem met protectionisme en een rem op de ongebreidelde groei.
Groen en geel zijn de kleuren van de jaren tien. Brazilië organiseert in 2014 de Wereldbeker Voetbal, twee jaar later vinden de Olympische Spelen in Rio de Janeiro plaats. De BRIC’s doen het ook qua marketing niet slecht.





Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


The SKA is the limit

23. September 2011, 15:50

De 42 schotelantennes van de Allen Telescope Array (ATA) in Californië staan er al enkele maanden werkeloos bij. Vier jaar lang probeerden ze radiosignalen van buitenaardse intelligentie te vangen, maar door de financiële crisis draaide de Golden State de subsidiekraan dicht, en sloot het observatorium de deuren. De ATA, gesponsord en bijgevolg vernoemd naar de medeoprichter van Microsoft Paul Allen, was niet het speeltje van enkele gekke geleerden die in aliens geloven.


Paul Allen, mede-oprichter van Microsoft (rechts, met Bill Gates), gelooft in het SETI-project van astronoom Frank Drake (links)

De telescoop was het belangrijkste instrument van het SETI-instituut. SETI of search for extraterestrial intelligence is een idee van de Amerikaanse astrofysicus Frank Drake die in 1960 zijn satellietschotel in de richting van een zonachtige ster op 11 lichtjaar draaide om vervolgens te luisteren naar mogelijke buitenaardse boodschappen die via radiogolven planeet aarde bereiken. Serieuze astronomen hielden zich de voorbije jaren met SETI bezig, vaak als nevenproject of in hun vrije tijd, en wereldwijd stellen honderdduizenden mensen hun ongebruikte computerkracht ter beschikking voor de analyse van de data. SETI@home is ook in Nederland en België actief. Vijftig jaar luisteren leverde echter enkel oorverdovende stilte op, en met lege handen hebben overheden en beleidsmakers het meestal moeilijk.

Betekent het stopzetten van het ATA-project de doodsteek voor SETI? Dat hoeft niet. Enkele kleinere SETI-telescopen blijven in werking, en ook andere radiotelescopen kunnen buitenaardse signalen detecteren. De lagefrequentietelescoop LOFAR in het noorden van Nederland is er zo een, en ook zijn prestigieuze opvolger Square Kilometre Array (of SKA) komt in aanmerking. Een array bestaat uit duizenden kleine schotelantennes die onderling verbonden zijn door optische vezelkabels. Alle signalen worden bij elkaar gebracht (door interferometrie) waardoor je een beeld krijgt alsof je een supertelescoop zou hebben, in het geval van de SKA eentje van een vierkante kilometer. Zijn ambities reiken ook letterlijk ver. De telescoop zal zich op de periode onmiddellijk na de vorming van de eerste sterren richten, de zogenaamde donkere middeleeuwen van het heelal, en moet ons inzicht verschaffen in hoe de eerste melkwegstelsels ontstonden en wat donkere energie eigenlijk is. En ook Einstein loert om de hoek, zijn algemene relativiteitstheorie ondergaat de ultieme test.


Het schotelnetwerk van de SKA overstijgt de grenzen van Zuid-Afrika. Het project spreekt nu al jonge ingenieurs uit heel Afrika aan.

De SKA moet operationeel zijn in 2024. Twee landen zijn nog in de running om het gigantische project binnen te halen: Australië en Zuid-Afrika. De finale rapporten worden dezer dagen ingeleverd bij het consortium van twintig deelnemende landen (waaronder Nederland), de toewijzing volgt in februari 2012. Wat beide landen gemeen hebben, is de aanwezigheid van uitgestrekte droge vlaktes, waar het ook in radiotermen erg stil is. Anders dan bij de Europese LOFAR is de interferentie met mobiele telefonie, tv of radars er miniem. ‘Wij denken dat onze site, in Karoo in de Noord-Kaapprovincie, de beste is’, trachtte de Zuid-Afrikaanse projectleider Bernie Fanaroff me onlangs te overtuigen. Maar er staat voor zijn land meer op het spel. Om de overvloed aan data van de duizenden schotels te versturen en te analyseren is een supercomputernetwerk nodig dat meer aan kan dan het huidige internetverkeer. Radioastronomie leunt sterk op ICT, op nieuwe technologieën, van supersnel datatransport tot draadloze connecties, die morgen hun weg vinden naar het grote publiek. Sleutelsectoren als deze naar Zuid-Afrika brengen en er verder tot ontwikkeling laten komen, zou een economische boost voor de regio betekenen.

Kan astronomie het Afrikaanse continent uit het slop trekken? Dat is misschien sterk uitgedrukt, maar de wetenschapsdiscipline is er alvast populair, want toegankelijker en minder vaag dan pakweg pure fysica. In Kaapstad werken nu al een tachtigtal jonge ingenieurs aan een voorloper van de SKA, de MeerKAT-telescoop, en ook de verschillende Afrikaanse partnerlanden startten universitaire opleidingen in astronomie en astrofysica. Het zou mooi zijn mocht Zuid-Afrika in februari groen licht krijgen. Misschien ontvangt de wieg van de mensheid wel de eerste signalen van buitenaardse intelligentie …??



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Meertalig

19. Augustus 2011, 13:14

Tweetaligen zijn beter beschermd tegen alzheimer

Op vakantie in Frankrijk was het handig. Neem deze situatie: je staat achter een gezin Nederlandse toeristen – en er zijn er nogal wat in die contreien – dat een probleem wil bespreken met een stugge camping- of hotelbaas. Ze begrijpen elkaar niet. De Nederlanders proberen het wanhopig nog een keer in het Engels, maar vangen uiteindelijk bot. Net voor ze afdruipen bied je je hulp als tolk aan en laat je iedereen in bewondering voor je uitgebreide talenkennis achter.

Dat is een van de troeven van de Belgen, zo werd ons ingepeperd. Vanaf het vijfde leerjaar van de lagere school tot het laatste jaar in het secundair gaat heel wat tijd naar de studie van het Frans, de verplichte tweede taal. In een land met meerdere officiële talen is kennis van de andere landstaal onontbeerlijk.

Vandaag is mijn kennis van de taal van Voltaire lang niet meer je dat, en daarmee volg ik jammer genoeg een trend. De talenkennis van de Vlaming gaat namelijk al langer achteruit. Heeft het te maken met de verzelfstandiging – ontvoogding zeggen de nationalisten – van Vlaanderen, waardoor we meer op onszelf teruggeworpen zijn? In de jaren zeventig en tachtig keken we niet alleen en masse naar de Nederlandse televisie, ook de Franstalige media konden op onze belangstelling rekenen. Wie zoals ik in pré-Studio Brussel en -MTV-tijden op zoek was naar goede muziek, stemde af op Radio Cité, het programma van Marc Moulin op Radio21, of keek naar Follies met Gilles Verlant. Vandaag heb ik geen flauw idee welke programma’s er in Franstalig België toe doen. Zou ik ze überhaupt nog kunnen volgen?


The Cure speelt A Forest live in de studio van de RTBf (Follies, 7 oktober 1980).
Geen spoor van hen op de Vlaamse televisie.

Vlaams minister Pascal Smet wil iets doen aan de tanende talenkennis. Hij pleit voor drietaligheid (met Engels als mogelijke tweede taal), voert taalonderwijs vanaf het derde leerjaar in en maakt zogenoemd immersieonderwijs mogelijk, waarbij bepaalde vakken in een vreemde taal worden gegeven. Dat diezelfde minister niet zo lang geleden het meertalig onderwijsproject van de Foyer in Brussel - allochtonen kunnen er in de Nederlandstalige school ook vakken in hun thuistaal volgen - na dertig jaar opdoekte, zullen we maar toeschrijven aan de wispelturigheid van het politieke bestel. Anders dan Smet beweert zijn wetenschappers het niet eens over de beste leeftijd om een andere taal onder de knie te krijgen. Een recent Israëlisch onderzoek toonde dat volwassenen zich sneller grammaticaregels eigen kunnen maken dan kinderen. Volgens andere experts is dat niet hetzelfde als een taal verwerven, daar komt veel intuïtie aan te pas. Daarin zijn kinderen sterker.

Dat een vreemde taal leren de hersenen verandert, is wel duidelijk. Psycholoog Janet Werker van de University of British Columbia ontdekte dat zelfs pasgeborenen in staat zijn om vlot tussen twee verschillende talen te switchen. Ze bestudeerde de opmerkzaamheid van jonge baby’s door ze stille video’s te tonen van 3 perfect tweetalige sprekers (Frans-Engels) die steeds dezelfde zinnen uitspreken. Na een tijd worden de baby’s het beu en vermindert hun kijktijd, tot er nieuwe zinnen komen of naar een andere taal wordt overgeschakeld. In het laatste geval werden ze plots veel aandachtiger.

Over het algemeen kunnen tweetalige kinderen zich beter focussen, omdat hun brein de taal die ze niet spreken in actieve modus houdt. Ze ontwikkelen een controlesysteem in de hersenen dat hen permanent bij de les houdt en de competitie tussen de twee moedertalen in goede banen leidt. De voordelen van twee- of meertaligheid reiken tot op hoge leeftijd. De Canadese neurowetenschapper Ellen Bialystok ontdekte dat bij tweetaligen de ziekte van Alzheimer zich gemiddeld vier jaar later manifesteert dan bij eentaligen. Nader onderzoek bracht aan het licht dat de hersenen van de tweetalige alzheimerpatiënten niet minder aangetast waren, maar dat ze merkelijk beter met de aftakeling konden omgaan.

De heilzame effecten gelden in hoofdzaak voor wie van jongs af aan in twee of meerdere talen is grootgebracht of naar een anderstalige school ging. Maar vreemde talen leren is voor alle leeftijden aan te raden. Zijn de cognitieve voordelen misschien minder spectaculair, het opent alvast de deur naar andere culturen, naar boeiende ontmoetingen of nieuwe ideeën. En het zorgt voor minder frustratie op vakantie.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Zeldzame materialen

14. Juni 2011, 10:04

In de VS is de Toyota Prius, wereldwijd de best verkochte hybrideauto, uitgegroeid tot een statussymbool. De Amerikanen willen met het voertuig vooral hun buurman de loef afsteken, eerder dan dat ze met het zuinige verbruik en de lage uitstoot het milieu willen sparen. Door zijn opvallende vorm heeft de Prius een streepje voor op de hybrides van Honda of Ford, die nauwelijks van de gewone modellen te onderscheiden zijn.

Zelf rijd ik bijna een jaar met zo’n hybrideauto, en veel indruk maak ik er niet mee. Toch niet aan de verkeerslichten, waar snel optrekken helaas geen optie meer is. Eens afgekickt van de vroemgeluiden is het echter zalig rijden in zo’n halfelektrische wagen. En ik draag mijn bescheiden steentje bij tot de oplossing van het milieuvraagstuk, niet? Dat valt nog te bezien. Als je het hele productieproces bekijkt, van wieg tot graf, dan scoort een hybride met zijn uitgebreide batterijpakket niet zo best. Maar volgens specialisten weegt vooral de milieu-impact tijdens de gebruiksfase door en dan is een hybrideauto, of beter nog, een volledig elektrische wagen, voorlopig onklopbaar.

Maar er is nog een probleem met hoogtechnologische apparaten, of ze nu groen zijn of niet. In een hybride auto zitten, net als in gsm’s, zonnepanelen of windturbines, een pak grondstoffen die niet onuitputtelijk beschikbaar zijn. Mijn Prius bijvoorbeeld torst 15 kilogram zogenoemde zeldzame aarden mee, die luisteren naar tongbrekende namen als lanthaan, neodymium, cerium, dysprosium of terbium. In één windturbine gaat ongeveer een ton van die grondstoffen.


 Voor zeldzame materialen is de wereld afhankelijk van China.

Zeldzame aarden of rare earths zijn zeventien metalen die maar in een beperkt aantal mijnen gewonnen worden, vandaar het predicaat zeldzaam. De productie is erg vervuilend en energieverslindend – vaak gaat het om bijproducten van andere metalen –, redenen waarom westerse landen als de VS en Australië in het verleden hun mijnproductie stillegden. Daardoor kreeg China zowat het monopolie, en toen het vorige zomer aankondigde zijn zeldzame aarden vooral voor eigen gebruik aan te willen wenden, ontstond er onrust in de VS, Europa en Japan. Fysicus Robert Jaffe van het MIT, die meeschreef aan een Amerikaans rapport over kritieke grondstoffen (energy critical elements, waaronder zeldzame aarden), verwacht op korte termijn geen tekorten, hoewel hij erkent dat elke betrouwbare informatie over de Chinese mijnbouw en de voorraden ontbreekt. Hamsteren is op lange termijn weinig zinvol, want dat zou de noodzakelijke innovatie in de weg staan. 

Twee alternatieven blijven over: doorgedreven research naar nieuwe materialen en recycling. Voor dat laatste staat het Belgische bedrijf Umicore in poleposition, hoewel ze daar – wellicht om tactische redenen – nogal mistig over doen. Recycling van kritieke chemische elementen is op dit moment bijvoorbeeld om economische redenen niet evident. Batterijen van elektrische auto’s of windturbines hebben een vrij lange levensduur van enkele tientallen jaren. Umicore legt zich voorlopig dan ook volop toe op de recycling van mobiele telefoons, die in een veel hoger tempo worden geconsumeerd.


 Afgedankte elektronische apparaten bevatten een schat aan zeldzame grondstoffen.

Als de toelevering van essentiële grondstoffen voor onze elektronica en ‘groene’ technologie in gevaar komt, schiet men in het Westen wakker. Maar met de grondstoffenhandel is er zoveel meer mis. De Nederlandse journaliste Seada Nourhussen bezocht onlangs Oost-Congo waar het ‘stikt van de mijnen met coltan, cassiteriet, worlframiet en goud’, materialen die eveneens in onze mobiele telefoons, laptops en mp3-spelers terechtkomen. De ontginning van deze ertsen gebeurt chaotisch en in bijzonder primitieve arbeidsomstandigheden door jongeren, oudere mannen en alleenstaande vrouwen. Het onderbetaalde reguliere leger en de vele rebellenbewegingen proberen op een brutale manier controle over de mijnen te krijgen, volgens velen de echte inzet van de vuile burgeroorlog die de regio sinds 1998 teistert.

 De precieuze mineralen vinden hun weg naar westerse en Aziatische producenten via een rist schimmige tussenhandelaars, verschillende daarvan met een adres in Brussel. ‘Kleeft er bloed aan mijn gsm?’ vraagt Nourhussen zich af in haar boek Bloedmobieltjes. Coltan in Congo af. Je zou na lezing van haar relaas geneigd zijn ja te antwoorden.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Bioprinter

22. April 2011, 10:59

Op de jaarlijkse bijeenkomst van de AAAS (American Association for the Advancement of Science) in Washington zag ik een driedimensionale bioprinter aan het werk. De machine, de fab@home van Cornell University, printte in een goed half uur een menselijk oor. In silicone weliswaar, en niet helemaal tot in de puntjes afgewerkt, maar de contouren waren snel zichtbaar. Het apparaat, niet groter dan de printer op onze redactie, spuit in het echt geen silicone, maar biologisch materiaal dat in een biocompatibele inkt is ondergedompeld. Laag per laag bouwen de druppeltjes menselijk weefsel op, tot er een orgaan ontstaat dat getransplanteerd kan worden. Voorlopig experimenteren de Cornell-onderzoekers nog met eenvoudige constructies zoals de meniscus, een schijfje kraakbeen in de knie. Maar in principe kunnen de 3D-bioprinters verschillende celtypes op verschillende plaatsen aanbrengen, net zoals een kleurenprinter dat met kleuren doet.


  Na een half uur worden de contouren van een oor goed zichtbaar.

Een andere Amerikaanse onderzoeksgroep, die van James Yoo (Wake Forest University), werkt in opdracht van het Amerikaanse leger aan een mobiele bioprinter die rechtstreeks huidweefsel op brandwonden kan spuiten. Gewonde soldaten in oorlogsgebieden als Afghanistan hebben heel vaak een beschadigde huid. De bioprinter biedt soelaas door ter plaatse de wonden te scannen – iedere verwonding is anders – en nieuwe huid te fabriceren op maat van het slachtoffer.

Het grote voordeel van ‘levende’ implantaten is duidelijk: dankzij identieke biologische eigenschappen treden weinig of geen afstotingsverschijnselen op. Hod Lipson van Cornell droomt nog verder. In de toekomst ga je naar het ziekenhuis voor een gedetailleerde MRI-scan, waarna al je gegevens in de databank opgeslagen worden. Als je later, bijvoorbeeld na een ongeval, een nieuwe meniscus of een ander implantaat nodig hebt, dan zoekt het ziekenhuis gewoon de files, kweekt je eigen cellen op en print met de geprepareerde inkt een extra exemplaar van je kapotte orgaan.


  De betonprinter van D-Shape. Zoek de technicus.

3D-printers bestaan al meer dan tien jaar, maar de laatste jaren neemt hun populariteit toe. De eerste geprinte materialen waren metaal en plastic, gevolgd door keramiek. Vooral in de designwereld ontketent 3D-printing een revolutie. Het gaat dwars in tegen de idee van massaproductie, hier kan de consument producten op maat tegen een betaalbare prijs bestellen. Er verloopt minder tijd tussen concept en product, en onverkochte stocks zijn in principe uitgesloten. Naast de creatieve sector breken 3D-printers overal door waar maatwerk nodig is, zoals in de luchtvaart- en auto-industrie of in de tandheelkunde, waar ze kronen maken. Dat de schaal van de 3D-printers steeds groter wordt, leest u in de recentste Eos. In de creatie van een monumentaal wiskundig kunstwerk slaagt een 3D-betonprinter waar de gangbare technieken falen. Ook hier gaan kunstenaars en architecten dromen. Als we zo’n apparaat naar de maan brengen, en hem met daar aanwezige grondstoffen maanwoningen laten te bouwen ...


  Wiskundig kunstwerk in wording.

Terug naar de bioprinter. Zal die in de toekomst grotere organen of zelfs een volledige mens printen? Een alternatief voor kloneren, met alle ethische implicaties die erbij horen? Waarschijnlijk loopt het zo’n vaart niet. De genoemde wetenschappers werken voorlopig nog met diermodellen en concentreren zich op amorfe weefsels zonder veel bloedcirculatie of interne structuren zoals huid of kraakbeen. Hoewel ze al denken aan volgende stappen – het printen van bot of hele organen zoals de lever – zijn er nog vele hinderpalen als het gaat om grotere, vitale lichaamsdelen. Hoe zit het bijvoorbeeld met het aanbrengen van de vers geprinte organische implantaten in het lichaam? Denk maar aan de verbinding met de bloedvaten of het neurale netwerk, of de voorziening van zuurstof. Geen problemen die niet opgelost kunnen worden, denkt prof. Lipson. Over twintig jaar is 3D-bioprinting een ingeburgerde geneeskundige praktijk. Toch maar even afwachten.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Dierproeven

23. Maart 2011, 15:39

‘In vergelijking met de gevangenen in België verblijven mijn muizen in een hotel. Er is dag- en nachtverlichting, de vochtigheid en de temperatuur zijn perfect geregeld, de dieren krijgen altijd genoeg te eten en ze zitten nooit in overbevolkte kooien’, grapte biomedicus Peter Carmeliet afgelopen december tijdens een Eos-debat met criminoloog Sonja Snacken. Zijn instituut in Leuven herbergt zowat dertigduizend proefdieren. Carmeliet werkt met zogenoemde knock-outmuizen, muizen waarvan een gen uit- of aangeschakeld kan worden en die het afgelopen decennium een ware revolutie in de geneeskunde hebben teweeggebracht. Carmeliet en zijn team zorgden voor doorbraken in het onderzoek naar de groei van bloedvaten – als je de vorming van nieuwe bloedvaten kan terugdringen kan je ook de tumorontwikkeling stoppen – en de spierziekte ALS. Op de vraag of hij dezelfde belangwekkende resultaten zonder de muizen zou hebben bereikt, antwoordde hij negatief. Er zijn geen alternatieven.

De Leuvense wetenschapper erkent dat de afstand tussen mens en dier meespeelt in het debat rond dierproeven. Zijn lab probeert ‘primitievere’ diersoorten in het onderzoek te betrekken, zoals kikkervisjes en zebravissen, waarvoor de tolerantie bij het publiek groter is. Zelf ziet Carmeliet af van proeven met primaten, niet alleen omdat de knock-outtechniek op hen niet toepasbaar is, maar ook omwille van de tegenkanting. Het verzet tegen dierproeven wordt in België en Nederland aangevoerd door de Anti Dierproeven Coalitie. Begin februari verzamelden ze, naar jaarlijkse gewoonte, in Leuven, om tijdens het patroonsfeest van de universiteit te protesteren tegen de experimenten op apen. Korte tijd later overhandigde de Nederlandse afdeling een petitie van zestienduizend ondertekenaars aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Volgens de actievoerders zijn de experimenten op apen niet alleen gruwelijk, ze brengen de wetenschap geen stap vooruit. Jarenlange dierexperimenten hebben ons niets wijzer gemaakt. Zo blijft het menselijke brein nog even ondoorgrondelijk als vroeger.


In Europa worden jaarlijks ongeveer 12 miljoen proefdieren gebruikt, ongeveer tienduizend daarvan zijn primaten. De meest recente cijfers (uit 2009) voor België en Nederland vermelden respectievelijk 65 en 655 apen. Volgens Jan Langermans van het BPRC, het grootste onderzoekscentrum voor primaten in Europa, zijn voor sommige studies proeven op apen onontbeerlijk. Dat geldt zeker voor neurowetenschappelijk onderzoek naar bijvoorbeeld parkinson en alzheimer, want de dieren staan nu eenmaal dicht bij de mens. Maar ook de mechanismen achter infectieziekten als aids, malaria en tuberculose worden beter begrepen. Mede dankzij primatenonderzoek werd in 2003 snel de oorzaak van de dodelijke longziekte SARS gevonden.

Voor de wetenschap blijven dierproeven een noodzaak, zolang er geen volwaardige alternatieven zijn, en zolang de voordelen (voor de geneeskunde) het ruimschoots halen van de ‘kosten’ (het dierlijk leed). De vraag is natuurlijk of er genoeg naar alternatieve mogelijkheden wordt gezocht en of dierenwelzijn wel genoeg doorweegt in de beoordeling van de aanvragen. In september vorig jaar legde het Europese parlement strengere regels op, maar in de rest van de wereld gelden die niet. In de VS worden nog steeds experimenten op mensapen uitgevoerd, de toestand in sommige Aziatische fokkerijen is schrijnend.


Veel in de EU gebruikte primaten komen uit fokkerijen in Azië, waar de Europese normen niet gelden. (foto BUAV)

Intussen liggen de wetenschappers die op dieren experimenteren onder vuur. Ook letterlijk: twee jaar geleden werd brand gesticht in het biomedisch onderzoekscentrum van de Universiteit Hasselt en in de zomer van 2009 ging het buitenhuis van de topman van Novartis Zwitserland in de vlammen op. Volgens een recente enquête van het vakblad Nature heeft een kwart van de onderzoekers die dierproeven verrichten ooit een negatieve ervaring met dierenrechtenactivisten gehad. Het gaat dan over brandstichting, fysiek geweld, vandalisme of haatcampagnes. In het Verenigd Koninkrijk ligt het percentage hoger, tot een derde van de wetenschappers, maar daar is de trend, mee door de strenge aanpak van de extremisten, aan het keren. Zoals zo vaak is goede communicatie cruciaal. Wetenschappers moeten, in nauwe samenspraak met de instituten waar ze werken, het publiek duidelijk maken welke experimenten ze juist uitvoeren, waarom en onder welke condities ze dat doen, en welke strategie ze ondernemen om het aantal proefdieren te verminderen.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Mirakel

16. Februari 2011, 15:13

Op 17 februari van het jaar 1600 werd de astronoom en wiskundige Giordano Bruno naar de brandstapel op de Campo de' Fiori in Rome geleid. De voormalige dominicanermonnik werd na een lang proces door de Congregatio Romanae et Universalis Inquisitionis ofte de inquisitie veroordeeld en overgeleverd aan de wereldlijke autoriteiten. Elk jaar op zijn sterfdag verzamelen wetenschappers en andere sympathisanten bij zijn standbeeld op het Romeinse plein waar hij werd terechtgesteld (wie er niet bij kan zijn, kan terecht op Facebook). Ze herdenken de geleerde en eisen eerherstel, zoals dat in 1992 voor Galileo Galilei is gebeurd. Bruno is voor velen een martelaar van de vrije gedachte en een slachtoffer van de onverzoenlijke houding van de kerkelijke hiërarchie tegenover de moderne wetenschap. Door meer dan vierhonderd jaar na dato amnestie te vragen, wijzen ze impliciet ook op de vandaag nog moeilijke relatie tussen geloof en wetenschap.


  Vandaag waakt Giordano Bruno over het plein waar hij werd terechtgesteld. Galilei (onder) had meer geluk
.


Over Bruno’s noodlottig einde zijn de meningen verdeeld. Lange tijd werd aangenomen dat hij veroordeeld werd omwille van zijn wetenschappelijke inzichten. Hij hing het Copernicaanse heliocentrische model aan, beschouwde het heelal als oneindig, en verkondigde dat de zon een van de vele hemellichamen was met eigen planeten. Maar dat was geen reden om hem te folteren en te veroordelen, is het standpunt van het Vaticaan. Kijk maar naar zijn tijdgenoot Galilei, die voor zijn wetenschappelijke eigengereidheid weliswaar voor een kerkelijke rechtbank verscheen, maar die ‘slechts’ huisarrest in zijn Toscaanse villa kreeg. Bruno was gewoon een hardleerse ketter, die de goddelijkheid van Christus maar bleef ontkennen, en daar stond nu eenmaal de doodstraf op.

In de tweede helft van de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw wordt de moderne wetenschap geboren. Ook ‘oude’ disciplines als de sterrenkunde leven op. Het Aristotelische wereldbeeld – de aarde in het centrum van een onveranderlijk heelal – komt steeds meer onder druk te staan door het werk van astronomen als Tycho Brahe, Bruno, Galilei en Johannes Kepler, die voortborduren op het werk van Copernicus. Het is een religieus erg onrustige tijd. De christelijke wereld is verscheurd, en de roomse kerk gaat na het Concilie van Trente (1545-1563) resoluut in de tegenaanval. Vermoedelijk speelde die machtsstrijd, eerder dan wetenschappelijke ongehoorzaamheid, vele pioniers parten. De meesten bleven trouw aan hun godsdienst en probeerden de nieuwe inzichten zoveel mogelijk met de heilige schriften of de oude dogma’s te verzoenen. Een wetenschappelijke reus als Isaac Newton hield zich in zijn laatste levensjaren vooral met godsdienst bezig.


De gewijde koepel van het observatorium in het pauselijke buitenverblijf Castel Gandolfo.

Ook de kerkelijke overheid toonde interesse in de nieuwe ontdekkingen. In het begin van de zeventiende eeuw zag in Rome de Academie van de Lynxen het licht, een van de eerste echt wetenschappelijke academies, die later opgevolgd zou worden door Pauselijke Academie van Wetenschappen. De Academie telt van oudsher grote namen. Ook vandaag zetelen er befaamde wetenschappers, die zich niet onmiddellijk katholiek of religieus noemen, of die onderzoek verrichten in bijvoorbeeld genetica of kosmologie dat moeilijk ligt voor Rome. Het leidt soms tot verrassende standpunten van de paus inzake genetisch gemodificeerde organismen of klimaatverandering. De rooms-katholieke kerk trekt ook de evolutietheorie niet in twijfel. De andere wereldgodsdiensten zijn veel minder hiërarchisch georganiseerd, wat meer ruimte geeft aan fundamentalistische, antiwetenschappelijke strekkingen.

Wringt het in de katholieke wereld dan nooit tussen geloof en wetenschap? Neem nu het (bij)geloof in mirakels. Erg wetenschappelijk is dat inderdaad niet. Op 1 mei wordt Johannes-Paulus II zalig verklaard. Dat kan dankzij de wonderbaarlijke genezing van de Franse zuster Marie Simon-Pierre. Kort na de dood van de paus in 2005 zou ze na een intense gebedsstonde plots verlost zijn van de ziekte van Parkinson, toevallig ook de aandoening die Karol Wojtila fataal werd. Sommigen suggereerden dat de non aan een verwante hersenziekte leed die in tegenstelling tot het ongeneeslijke parkinson wel snel (tijdelijk) kan wegebben. Geruchten gaan dat ze hervallen is. Maar inmiddels is de race naar de heiligheid wel ingezet. Nog één mirakel te gaan ...



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


GSM-straling en gezondheid

19. Januari 2011, 09:45

Het nieuws uit Wageningen ging half november snel de wereld rond: wifi maakt bomen en planten ziek. In een proefopstelling van de afdeling plantcelbiologie van de Nederlandse universiteit leidde de straling van zogenoemde wifi acces points – die voor draadloos internet zorgen –, tot verkleuring en afsterven van bladeren van jonge essen. Het experiment gebeurde in opdracht van de gemeente Alphen a/d Rijn, die een verklaring zocht voor de verslechterende gezondheid van zijn bomenbestand. Het nieuwsbericht werd prompt genuanceerd, zowel door de onderzoekers zelf als door het Kennisplatform Elektromagnetische Velden, dat na een eerste snelle screening 65 publicaties bovenhaalde die geen invloed op planten vonden. Conclusie: op basis van dit beperkte onderzoek kan men niet stellen dat wifi bomen en planten aantast, en ja: meer studies zijn nodig.


Het elektromagnetisch spectrum. Ioniserende stralen kunnen ons DNA rechtstreeks beschadigen, niet-ioniserende straling kan dat niet.

Dit verhaal is symptomatisch als het over elektromagnetische straling gaat, vooral radiogolven van mobiele telefoons en draadloos internet, maar ook van babyfoons en looptelefoons. Op de verspreiding van de spectaculaire boodschap – zieke, zelfs stervende bomen door straling – staat geen rem, terwijl de nuance en de duiding die vaak achteraf komen, tussen de plooien van weer nieuw ‘baanbrekend’ nieuws vallen. Wat overblijft, is onrustbarende berichtgeving, die in dit geval nog extra gevoed wordt door actiegroepen die erg actief zijn op het internet.

Is gsm-straling nu gevaarlijk voor onze gezondheid of niet? Wie even grasduint in de (populaire) media stoot op tegenstrijdige antwoorden. Het lijkt wel een klassieke strijd tussen believers (vaak mensen uit ‘groene’ hoek) en non-believers (de ‘sceptici’). Terwijl Eos-redacteur Dieter De Cleene eind december de laatste hand legde aan zijn stuk over gsm-straling, verscheen in Humo over hetzelfde onderwerp een tweeluik, dat een erg alarmerende toon aansloeg. Net als in een soortgelijk artikel vier jaar geleden laat het weekblad onder het motto ‘bij de volgende toon is het vijf voor twaalf’ een stoet buitenlandse professoren aan het woord, de ene al langer overleden of gepensioneerd dan de andere, maar allen steevast bestempeld als gereputeerd, befaamd of gerespecteerd. Ruw samengevat stelt het artikel dat het bewezen is dat gsm-straling de gezondheid schaadt en dat de overheden en vele wetenschappers nalaten het onheil af te wenden omdat ze in de zak van de telecomindustrie zitten. Het ruikt hier sterk naar complottheorieën ...

Onze redacteur consulteerde naar aanleiding van nieuwe Vlaamse stralingsnormen een aantal Belgische en Nederlandse experts, en zij vertellen een genuanceerder verhaal. Uit epidemiologische studies blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat gsm’s en zendmasten bij de huidige normen – in Nederland 41,3 Volt per meter, in Vlaanderen 20,6 V/m – schadelijk zijn voor de gezondheid. Maar er blijft een belangrijke factor voor onzekerheid zorgen: tijd. De draadloze technologie is nog jong, ze evolueert voortdurend. Over effecten die pas opduiken na tien à vijftien jaar is dus weinig bekend. Daarom pleiten de meeste wetenschappers voor voorzichtigheid. Nadeel van het voorzorgsbeginsel is de vaagheid, met als gevolg de uiteenlopende normen in verschillende landen (en regio’s). De gezondheidsproblemen waar we eventueel bang voor moeten zijn, zijn net zo weinig tastbaar als de radiogolven zelf. Zoals altijd is goede communicatie cruciaal: het zou voor iedereen duidelijk moeten zijn over welke normen het gros van de wetenschappers het eens is, en waar de voorzorgsmarge begint. En bijvoorbeeld ook dat de stralingsintensiteit van mobiel bellen vele keren hoger ligt dan de straling van zendmasten. Het ene heb je min of meer zelf in de hand, het andere kan je enkel ondergaan.  

De actiegroepen tegen straling verwijzen graag naar precedenten, bijvoorbeeld naar hoe de asbest- en tabakindustrie er decennialang in slaagden om hun schadelijke producten ongestoord in de handel te houden. Het grote verschil is echter dat zij bleven doorgaan nadat een meerderheid van de wetenschappelijke wereld had erkend dat asbest en tabak schadelijk waren. Vooralsnog is dat bij radiogolven niet het geval.


Lees het
volledig artikel over gsm-straling ('Hoger, lager', pdf) in het februari-nummer van Eos (nr. 2, 2011).



Geschreven in Algemeen | 8 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Hardlopersleed

23. December 2010, 14:57

Een vijftal jaar geleden begon ik te joggen. Een beetje sporten zou me ongetwijfeld goed doen en de keuze was snel gemaakt. Je kan het (bijna) overal doen, op momenten die je zelf bepaalt, en een paar goede loopschoenen zijn je grootste initiële kost. Vrij snel stelde ik vast dat ik een trend volgde. Ik nam onbewust deel aan de ‘tweede hardloopgolf’, een nieuwe explosie van hardlopers na de joggingrage uit de jaren tachtig. Helaas surfte ik na een tijd ook op een andere trend mee: die van de blessures. Van alle populaire sporten leveren alleen zaalvoetbal en squash meer blessureleed op. De meest courante hardloopaandoeningen zijn een gevolg van overbelasting en treffen vooral de onderbenen, het scheenbeen (shin splints), de voetzool of de achillespees. De achillespeesblessure is de nachtmerrie onder de runners, ze is pijnlijk – kan ik u verzekeren – en moeilijk te behandelen. Ongeveer de helft krijgt ermee te maken. Het risico neemt met de leeftijd toe.

 

 

Over hardlopen en bijbehorende blessures wordt veel zin en onzin verkondigd, en dat niet alleen door de sporters zelf, die graag uitgebreid hun ervaringen delen. Ook voor fysiotherapeuten en artsen is het vaak gissen naar oorzaken of beste behandelingen. Neem de achillespeesblessure. Vroeger werd vooral rust voorgeschreven of, voor intensieve sporters, een chirurgische ingreep waarbij slecht weefsel werd verwijderd en inkepingen in de lengte van de pees de weefselaangroei moesten bevorderen. De voorbije jaren dook een aantal nieuwe therapieën op, zoals injectie met bloedplaatjes (die tot weefselgroei aanzetten) of het aanbrengen van nachtspalken. De Nederlandse sportarts Robert-Jan de Vos onderzocht deze therapieën en kwam tot de conclusie dat ze niet helpen. Ook de gangbare operatie staat ter discussie, omdat niet iedereen ermee gebaat is. Volgens De Vos zijn de eenvoudige oefeningen ter versteviging van de pees nog het meest effectief: op een trapje staan en met je volle gewicht (eventueel verzwaard met een rugzak) de hiel op en neer bewegen. En wachten tot het beter gaat.

Hoe komen we toch aan al die blessures? Recente studies tonen aan dat de mens van nature een uitstekend afstandsloper is, die veel beter presteert dan andere zoogdieren. Meer en meer komt de sportschoen in het vizier  als bron van al dat hardlopersleed. De mens liep duizenden jaren blootsvoets of op dunne schoenzolen, pas in de jaren 1970 deed de sportschoen zijn intrede. In tegenstelling tot mensen die blootsvoets lopen, landen geschoeide hardlopers op hun hielen, waardoor de impact op de hielen en de benen merkelijk vergroot – ook al dienen die met lucht, gel en andere substanties gevulde zolen net om die schokken te dempen. In grote publieke hardloopwedstrijden zie je meer en meer (blanke) blootsvoetslopers opduiken, er worden clubs opgericht en fabrikanten bieden al sportschoenen met flinterdunne zolen aan, die dezelfde sensatie als blootsvoets garanderen.

 

 

Is sporten echt wel zo gezond? Moeten we als gek hardlopen om ons lekker te voelen? Feit is dat we in het Westen meer dan ooit alles binnen handbereik hebben. We brengen heel wat tijd zittend door, in de auto, op de trein en op het werk. Je hoeft voor weinig nog je deur uit, zelfs een ommetje naar de kiosk om wat tijschriften en kranten in te slaan is niet meer nodig. Onze mobiliteit is in pakweg vijftig jaar drastisch gewijzigd. Om aan de internationale sport- of beweegnormen (respectievelijk drie keer een half uur intensief sporten per week of dagelijks een halfuurtje matig bewegen) te voldoen, moet je dus wel in actie schieten. Nieuw onderzoek toont aan dat het beter is verschillende sportactiviteiten te combineren, dan in één discipline de grenzen te verleggen. Zoals ik zelf aan den lijve mocht ondervinden.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Azië boven

24. November 2010, 15:29

Eind februari 2011 vertrekt de 134ste en officieel laatste spaceshuttlevlucht vanaf Cape Canaveral in Florida. Nadien kan de Endeavour naar het museum, net als de Discovery, die, als hij tijdig hersteld raakt, komende maand eerst nog de humanoïde robot Robonaut 2 naar het Internationaal Ruimtestation ISS zal brengen. Voor de derde nog operationele spaceshuttle Atlantis wacht er (waarschijnlijk) in juni nog een finale opdracht, een soort navlucht naar het ISS met nog wat extra spullen. Daarmee sluit de Amerikaanse luchtvaartorganisatie NASA een hoofdstuk af.


 Spaceshuttle Endeavour op het lanceerplatform.

Het shuttleprogramma liep dertig jaar en slorpte niet alleen megabudgetten op – de Russen doen het met hun Sojoez-ruimtecapsules een pak goedkoper – het is ook een verhaal van technisch falen en menselijk leed – herinner u het droeve lot van de Challenger en de Columbia. NASA staat nu op een kruispunt. President Obama schroefde het Constellation-programma van zijn voorganger terug. Constellation voorzag in een vervanger voor de spaceshuttle die later dit decennium ook naar de maan zou reiken. Obama wil de pendelvluchten naar het ISS uitbesteden aan de privésector.

Daarmee zou NASA niet alleen veel geld besparen, het agentschap kan zich voortaan ook op de langere termijn focussen: de kolonisatie van andere planeten, te beginnen met Mars. Voorlopig gaat men uit van een enkele reis, waarbij de astrokolonisten zich blijvend op de rode planeet vestigen. Maar eerst last NASA dus een pauze in.


 Falcon 9-raket van Space X.

Er zijn veel argumenten tegen een privatisering van de bemande ruimtevaart. Wat met de veiligheid en de continuïteit bijvoorbeeld? En is de privésector er klaar voor? Daar lijkt het wel op. Gevestigde firma’s als Boeing en Lockheed Martin werken al langer samen met NASA, en de voorbije jaren zien we een sterke toename van privé-initiatieven in de ruimtevaartsector. De firma Space X is de bekendste, ze bracht tests met zijn Falcon-raket tot een goed einde en maakt een goede kans om naar het ISS te pendelen. Ook avonturiers als Richard Branson, die vooral op de beurzen van ruimtetoeristen mikken, maken – ook letterlijk – grote sprongen voorwaarts. Enkele weken geleden opende Branson het vliegveld Spaceport America in New Mexico, vanwaar hij volgend jaar de Virgin Galactic VSS Enterprise de ruimte in wil laten schieten. Mét toeristen.

Bemande ruimtevaart is niet langer het voorrecht van de VS en Rusland, met of zonder steun van Europa. In Eos brachten we de voorbije maanden een trilogie over Aziatische ruimtevaart, met bijdragen over Japan, China en India. Wat deze landen gemeen hebben, is hun tomeloze ambitie. Tijdens de gouden jaren (1960) van NASA, toen de ruimterace tegen de Sovjet-Unie werd beslecht, vervoerde India zijn satellieten bij wijze van spreken nog per boerenkar naar het lanceerplatform. Anno nu zet de wereldmacht (dixit Obama tijdens zijn recente bezoek) in op de verovering van de ruimte. De komende jaren moeten bemande vluchten in een baan om de aarde en onbemande verkenningstochten naar de maan het grote werk voorbereiden: de eerste Indiër op de maan. Daarin verschillen ze van de VS, maar niet van Aziatische concurrenten Japan en China.


 De controlekamer tijdens de lancering van de Chandrayaan-1. 

 Schuilt er achter de uiteenlopende ruimtevaartplannen van de VS en Azië net als in de jaren zestig van de vorige eeuw een nakende machtsovername in de wereldpolitiek? De ster van de VS taant al langer. Terwijl het land zich de voorbije jaren verloor in uitzichtloze oorlogen, konden de jarenlang als groei-economieën bestempelde landen eindelijk hun belofte waarmaken. Bovendien komt aan het aantal Amerikaanse crisissen maar geen eind. Na de internetbubble (2000) en de kredietcrisis (2007) kondigen zich barre tijden aan voor de sector van de groene technologie. Bedrijven actief in wind- en zonne-energie zitten op een zeepbel. Heeft de Amerikaanse belegger zich eens te meer vergaloppeerd?



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


1 2 3  Volgende»