04 Mei 2010, 13:52
Meestal begint het met artisjokken en eindigt het met wc-papier, maar het kan ook omgekeerd. Dit verhaal begint in een supermarkt van Delhaize waar we gisteren deze rol toiletpapier vonden:
Voortaan kunnen we ons dus schoonvegen met vergelijkingen van Maxwell en formules van andere helden. De psychologische gevolgen voor de mensheid in het algemeen, en voor jonge wetenschappers en fysicastudenten in het bijzonder, zijn voorlopig niet te overzien.
Nu, als toiletpapier arrogant uit de hoek komt, voelen we ons uitgedaagd en gaan we in de tegenaanval. Het viel ons namelijk op dat de manier waarop papierrollen doorgaans verpakt worden, meer winkelruimte verspilt dan nodig. Van bovenuit gezien lijkt een pak wc-rollen op identieke cirkels die het vlak opvullen:
Gewoonlijk opteert de fabrikant helaas voor het "vierkantpatroon".
De verpakkingsdichtheid, gedefinieerd als de fractie van het vlak dat door de cirkels ingenomen wordt, kan eenvoudig berekend worden als de oppervlakte van de cirkel gedeeld door de oppervlakte van een omgeschreven vierkant.
In dit geval vinden we dus:
pi/4 ≈ 0,785
Meer dan 21% ruimte blijft dus onbenut.
Nochtans kondigde Axel Thue al in 1890 zijn theorema aan: de meest optimale manier om met cirkels het vlak op te vullen gebeurt volgens een "zeshoekpatroon":
Nu zijn de cirkels ingeschreven in regelmatige zeshoeken die het vlak betegelen. De verpakkingsdichtheid is dan de fractie van de oppervlakte die binnen de zeshoek bedekt wordt door een cirkel:
pi/√(12) ≈ 0,907
We hoeven dus niet meer dan 10% ruimte verspillen!
Merk op dat de middelpunten van de gestapelde cirkels (wc-rollen) op een regelmatig rooster liggen, zowel bij het vierkantpatroon als bij het zeshoekpatroon. Inderdaad, als we de middelpunten van drie elkaar wederzijds rakende cirkels coördinaten (0,0), (1,0) en (0,1) geven, dan liggen de andere middelpunten op (m,n) met m en n gehele getallen (let op, het assenstelsel is enkel rechthoekig in geval van het vierkantpatroon). Carl Friedrich Gauss bewees al eerder dat het zeshoekpatroon de hoogste dichtheid heeft als we ons beperken tot cirkels op een regelmatig rooster, maar het Theorema van Thue is algemener.
Denk in bovenstaande optimale cirkelconfiguratie de cirkels even weg, zodat enkel de zeshoeken overblijven. We herkennen onmiddellijk de structuur van de honingraat.
Wat is er zo speciaal aan zeshoeken dat ze zo geliefd zijn door bijen (en over het hoofd gezien door toiletpapier-verpakkers)?
Om te beginnen zijn er niet zo veel regelmatige veelhoeken waarmee het vlak kan betegeld worden. Gelijkzijdige driehoeken, vierkanten en regelmatige zeshoeken, en dan hebben we het gehad.
Maar waarom kiezen bijen dan niet voor de driehoek, het vierkant, of misschien een andere niet-veelhoekige vorm?
Dit brengt ons bij het befaamde honingraatvermoeden :
"Van alle mogelijke vlakverdelingen in cellen met gelijke oppervlakte gebruikt de honingraat het minste materiaal (dus, de totale omtrek van de celranden is minimaal als we voor regelmatige zeshoeken kiezen)"
In 1943 gaf Lázló Fejes Tóth hiervoor een bewijs in de veronderstelling dat de cellen convexe veelhoeken zijn, Pappus van Alexandrië wist dit al in het geval de cellen regelmatige veelhoeken zijn, maar in 1999 bewees Thomas C. Hales het vermoeden in volle algemeenheid, vanaf toen de honingraatstelling.
Het voorgaande probleem heeft een boeiende 3D-versie: hoe kunnen we de ruimte in cellen van gelijk volume verdelen zodat de oppervlakte van de celranden geminimaliseerd worden? Dit staat bekend als het probleem van Kelvin. Uit wat ze tot hiertoe geleerd heeft, zou de lezer kunnen concluderen: kijk naar de bijtjes (en vooral niet naar verpakkers van papierrollen).
Inderdaad, eigenlijk bestaat een honingraat uit 3D-cellen:
Meetkundig worden deze honingraatcellen gevormd door een
combinatie van een zeshoekig prisma en een "ruitdodecaheder".
Maar L.F. Tóth ontdekte in 1965 dat de natuur in deze kwestie een
steekje had laten vallen: de honingraatcel is niet de oplossing van Kelvin's probleem. De boog kan niet altijd gespannen staan, moeten de anders zo ijverige bijen ditmaal gedacht hebben. Lord Kelvin zelf suggereerde een oplossing, gebaseerd op een "gesnoeide octaheder", maar in 1994 spatte dit vermoeden als een zeepbel uit elkaar toen D. Phelan en R. Weaire "schuim" ontdekten met gelijk volume maar kleinere oppervlakte dan het Kelvinschuim.

Op het einde van de zestiende eeuw, het tijdperk van kapers en
zeevaarders, stelde Thomas Harriot
formules op voor het aantal
kanonskogels in een piramidevormige stapel.
Deze manier van bolstapeling kan in heel de ruimte voortgezet worden. Als we een horizontale laag doorsnijden met een vlak door alle middelpunten, dan vinden we onze optimale vlakke cirkelstapeling terug (zeshoekpatroon). De volgende laag is een halve boldiameter verschoven zodat de kogels in de kuiltjes van de vorige laag passen, maar zodanig dat ze precies boven de kogels liggen van twee lagen eronder. Scheikundigen kennen dit als een "kubisch vlakkengecentreerde atoomstructuur", fruitkramers als de voor de hand liggende manier om sinaasappels in een hoop te leggen. Op deze manier wordt 26% ruimte verloren. Meer bepaald, de dichtheid van deze "kanonkogelstapeling" is gelijk aan
pi/√(18) ≈ 0,74
In 1611 beweerde Johannes Kepler dat geen enkele bolstapeling een efficiëntere dichtheid kon hebben dan deze pi/√(18), maar kon het niet bewijzen. Deze bewering staat sinds dan bekend als het vermoeden van Kepler. Er zijn nog enkele andere stapelingen bekend die even opvullend zijn, telkens opgebouwd uit lagen die het zeshoekpatroon volgen. Hieronder zie je een veelgebruikt alternatief (de "hexagonaal compacte stapeling"):
In 1831 bewees Gauss dat
pi/√(18) de grootst mogelijke dichtheid is voor een bolstapeling met middelpunten op een regelmatig rooster. Maar dit sloot het bestaan niet uit van onregelmatige compactere stapels. In het vlak zijn de dingen veel eenvoudiger. Rond iedere cirkel kunnen we precies zes identieke cirkels leggen, die de gegeven cirkel allemaal raken. Probeer dit maar uit met euromunten. Wiskundigen zeggen dat het vlak
kusgetal zes heeft. Dit verklaart waarom het zeshoekpatroon werkt bij cirkels in het vlak. Het ruimtelijke kusgetal is gelijk aan twaalf; twaalf identieke bollen kunnen een bol met dezelfde straal simultaan raken, en voor een dertiende is er geen plaats (deze observatie gaat terug tot Newton). Maar in tegenstelling tot het vlak is het kussen nu geen starre aangelegenheid: de rakende bollen kunnen nog een beetje bewegen relatief t.o.v. elkaar. Dit leidt tot heel veel mogelijkheden van "lokaal compacte situaties".
In 1998 stuurde Thomas Hales (jawel, de man van het honingraatvermoeden) het bericht de wereld rond dat hij het vermoeden van Kepler bewezen had. Hij had het probleem eerst herleid tot ongeveer 5000 mogelijk kanshebbers, die daarna een voor een uitgesloten werden met behulp van de computer (en zijn student Ferguson). Dit doet onwillekeurig denken aan het bewijs van Appel en Haken voor het vierkleurenprobleem. Het nadeel van dergelijke computerbewijzen is dat ze moeilijk controleerbaar zijn. In 2003 werd het resultaat van T. Hales dan toch gepubliceerd, maar met een kanttekening van de uitgevers waarbij ze de correctheid niet garandeerden. Dit was de aanleiding voor Hales en Ferguson om het Flyspeck project te starten ("Formal Proof for Kepler").
Stapelproblemen kunnen ook statistisch bekeken worden. Als we knikkers willekeurig stapelen dan mogen we een dichtheid van ongeveer 60% verwachten. Na het schudden van de doos knikkers wordt de stapeling lokaal geoptimaliseerd, wat gemiddeld een dichtheid van 65% oplevert. Iedereen heeft dit fenomeen al waargenomen bij een doos met keukenzout. Als je nu geduldig alle zoutkorrels stapelt als kanonkogels dan zou dit een extra winst van 9% geven.
Stanislaw Ulam vermoedde dat iedere hoop van identieke convexe objecten zodanig kan gestapeld worden dat de dichtheid groter is dan die van een stapel kanonkogels. Bij mijn weten is dit vermoeden nog niet bewezen. Even leek het erop dat regelmatige tetraeders nog slechter te stapelen zijn dan bollen. Sinds John Conway in 2006 de race naar compacte tetraederstapels gestart heeft, zijn al een hele reeks verbeteringen gepubliceerd. Het huidige record geeft een dichtheid van 85,63% (ver boven de 74% van een kanonkogelstapel, conform met het vermoeden van Ulam) en staat sinds dit jaar op naam van Chen, Engel en Glotzer.
In ieder geval hebben de wiskundigen nog genoeg problemen op stapel staan. Wat dacht je bijvoorbeeld van de volgende uitdaging, een e-mail die Thomas Hales van een groenteboer kreeg net nadat hij het probleem van Kepler opgelost had: "We need you down here right away. We can stack the oranges, but we're having trouble with the artichokes."?
Verder lezen: (met aandrang aanbevolen)
"Cannonballs and honeycombs" door Thomas Hales.
G. Szpiro, Kepler's Conjecture: How Some of the Greatest Minds in History Helped Solve One of the Oldest Math Problems in the World, John Wiley & Sons, 2003.
Geschreven in
Actuele wiskunde
Vaste link