De biomechanica van seks

11 April 2010, 18:25

Onlangs heb ik een goede film gezien over de grondlegger van het wetenschappelijk onderzoek naar seksueel gedrag bij de mens, Alfred Kinsey. Hij was de vader van de moderne seksuologie. Zoals ondergetekende was ook hij een bioloog, en aanvankelijk trouwens meer geïnteresseerd in de galwesp dan in de G-plek.

Amper zestig jaar geleden startte hij met taboe-onderzoek: wat doen mensen zoal tussen de lakens, en hoe dikwijls? Wie koestert homoseksuele gevoelens? Hoeveel wordt er vreemdgegaan? Hoe groot is een penis nu eigenlijk? Zeer interessant allemaal. Gelukkig is er Kinsey oms ons te informeren – en Monty Python natuurlijk!

Filmpje: Sexuele voorlichting volgens Monty Python in The Meaning of Life.


Moet dat nu echt? Het belang van seks.

Op zich is het eigenaardig dat onderzoek naar seks zo lang op zich heeft laten wachten, maar wat niet eigenaardig is, is dat een bioloog zich eraan gewaagd heeft. Je kan als bioloog namelijk niet écht begrijpen hoe planten en dieren functioneren zonder te gaan kijken naar hun evolutieve voorgeschiedenis. En in die evolutie is voortplanting een noodzakelijke voorwaarde. Voorplanting betekent seks, toch bij de mens. (Ja, bij vele organismen kan het ook anders, maar dat is saaier.)

Wat heeft dit nu allemaal met biomechanica te maken? Wel, seks is ook mechanica (en gelukkig nog véél meer), en bij mechanisch falen van de penis, faalt de hele voortplanting. Je mag zo sterk, slim, snel, of biologisch “fit” zijn, dat doet er allemaal niet toe als Hij er het hoofd bij laat hangen en je je genen niet kan verspreiden in de volgende generatie.

De moeite dus om ons eens in de biomechanica van seks te verdiepen. En wat blijkt? Misschien staan we hier niet veel verder dan het gedragsonderzoek ten tijde van Kinsey. Is de mechanica van seks de olifant in de biologische woonkamer? Weten we wél alles van het kleinste peesje en ligamentje maar negeren we de functie van de “penseel der liefde”?

Vliegtuigvleugels en knikkende zuilen (Dorische en andere).

Figuur 1: Dorische zuilen.


De penis is wat we een hydrostatisch skelet noemen. Skelet, omdat het stevigheid verschaft, hydrostatisch omdat het die stevigheid haalt uit opgebouwde druk van een vloeistof (bloed in de corpora cavernosa) want mensen hebben in tegenstelling tot veel andere zoogdieren geen penisbeen.

Figuur 2:Dwarsdoorsnede door de penis, met de corpora cavernosa of zwellichamen.


Mechanisch gezien is dat dus perfect te vergelijken met de slurf van een olifant, het lichaam van een spoelworm of met brandstof gevulde vliegtuigvleugels. De hydrostatische druk zou een stevige structuur moeten geven, zoals een Dorische zuil. Zou moeten, want soms gaat het mis, en dan “knikt” de structuur, in Engelse vaktermen “buckling” genoemd.

Figuur 3: Het fenomeen knikken of “buckling”: vanaf een kritische kracht faalt de structuur.


Nu hebben fysiologen (Udelson et al 1999, Udelson 2007) het knikken van de penis bestudeerd zoals een ingenieur een zuil of brugpeiler zou onderzoeken, en zij zijn één van de weinigen die zich op dit terrein wagen. Ze gingen na onder welke kracht een penis (en vooral deze van mannen met erectieproblemen) ging knikken, en of deze kracht nog voldoende is om te penetreren. Andere onderzoekers hadden al aangetoond dat dit 5 tot 15 Newton, of tussen de 0.5 en 1.5 kg kracht vergt (Karacan et al 1985).  De techniek die ze gebruikt hebben heet – hou je vast – pharmacocavernosometrie, en die bestaat erin dat je de corpora cavernosa via infusie onder druk zet.  Op die manier kan je zien wat de potentiële (om een gepast woord te gebruiken) kwaliteit van een penis is. Ze maten ook lengtes en diameters want, net zoals bij een brugpeiler, bepalen die ook in  sterke mate de knikkrachten, en een hoop andere variabelen die roet in het passionele eten kunnen gooien.

Figuur 4: Proefopstelling voor pharmacocavernosometrie (naar Udelson 1999).


Wat vonden ze? Dat bij de meeste van hun patiënten er wel degelijk iets mechanisch fout was, met name met hun variabele X (sic). Die factor geeft de uitrekbaarheid weer van de corpora cavernosa. Bij een kleinere groep konden ze met hun meetopstelling aantonen dat de onderdaan mechanisch wel OK was, maar er een psychologisch probleem optrad.

Door het kennen én meten van de onderliggende mechanismen kunnen mannen met erectiestoornissen misschien beter geholpen worden, en kunnen biologen de mechanica van seks beter begrijpen. Voorwaar geen slappe kost.



Referenties

Udelson D, Park K, Sadeghi-Najed H, Salimpour P, Krane RJ & Goldstein I (1999). Axial penile buckling forces vs RigiscanTM radial rigidity as a function of intracavernosal pressure: why Rigiscan does not predict functional erections in individual patients. Int J Impot Res 11: 327-339.

Udelson D (2007). Biomechanics of male erectile function. J Roy Soc Interface 4: 1031-1047.

Karacan I, Moore C & Sahmay S (1985). Measurement of pressure necessary for vaginal penetration. Sleep Res 14: 269.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Onze voorouders op het spoor: 1,5 miljoen jaar oude voetafdruken gevonden in Kenya

15 Maart 2009, 11:56

Fossiele voetafdrukken zijn fascinerend. In tegenstelling tot skeletten, geven ze informatie over de zachte weefsels, die minstens even belangrijk zijn voor een goed functioneren van de voet als de 26 botjes die erin zitten. Mensen met platvoeten of een hielspoor weten waarover ik het heb.

Het meest fascinerende aan fossiele voetafdrukken is echter dat ze ons iets vertellen over de dynamica van de wezens die ze maakten. Ze zijn, bij wijze van spreken, een miljoenen jaren oude registratie van gedrag, en niet enkel van skeletale anatomie. De manier waarop gedrag, biomechanica en substraateigenschappen samenwerken in zo’n afdruk is natuurlijk erg complex (Figuur 1) en we moeten nog veel onderzoek doen voor we dit proces volledig zullen begrijpen.

Figuur 1: enkele factoren die samen de topologie van een (al of niet fossiele) voetafdruk bepalen (K. D’Août).

Fossiele voetafdrukken zijn erg schaars, want een fragiele afdruk in zachte bodem kan enkel fossiliseren als hij onmiddellijk na het maken bedekt wordt door een beschermende laag. Tot voor kort kenden we dan ook maar één echt oude reeks mensachtige voetafdrukken. Ze werden in de jaren ’70 gevonden in Laetoli (Tanzania), zijn 3,75 miljoen jaar oud, en werden vermoedelijk gemaakt door Australopithecus afarensis. Deze vroege mensachtige leek niet sterk op ons: hij was maar een meter groot, had korte benen en (zo blijkt uit de afdrukken) voeten die zowel aapachtige als mensachtige kenmerken hadden.

Figuur 2: afgietsel van de Laetoli afdrukken en reconstructie van de makers in hun biotoop, zoals te zien in het kleine museum aan Olduvai Gorge, Noord Tanzania (K. D’Août).

En dan was er Ileret
In dit kleine plaatsje in Kenya vond een internationaal onderzoeksteam onder leiding van Matthew Bennett (van Bornemouth University in Engeland) nieuwe voetsporen, en hun resultaten verschenen zonet in Science.
De vondst is ronduit spectaculair. Waar paleo-anthropologen normaal al flippen als ze een tand of een teenkootje opgraven, werden ze nu getrakteerd op maar liefst vier sporen en dan nog wat losse voetafdrukken. Ze zijn een goede 1,5 miljoen jaar oud en lijken verbazend sterk op onze eigen voeten – het zijn hoogstwaarschijnlijk de eerste voetafdrukken die we kennen van ons eigen geslacht Homo. Voor onze soort was het nog veel te vroeg en de afdrukken worden voorlopig toegeschreven aan Homo ergaster of vroege Homo erectus.

Figuur 3: overzicht van de ingescande Ileret voetsporen (Bennett et al., Science Magazine).

Deze oude mensachtigen zijn nu net diegenen waarvan men denkt dat ze een “moderne” manier van stappen hadden (met lange gestrekte benen) en zelfs dat ze goed konden hardlopen (check een van mijn vorige blog-items en Eos van november 2008). Blijft dit beeld van onze vroege voorouders intact, nu we hun voetafdrukken kennen?

Het antwoord is een volmondig ja. De onderzoekers scanden de afdrukken nauwkeurig in met een laserscanner en deden een kwantitatieve analyse. Hieruit blijkt dat de afdrukken van Ileret duidelijk verschillen van die van Laetoli, maar dat verschillen met onze eigen voeten hoogstens subtiel zijn. De Ileret-sporen zijn niet altijd even duidelijk (wat wil je, na anderhalf miljoen jaar) maar tonen wél aan dat vroege Homo voeten had met een grote teen die naar voor stond (en dus geen grijpfunctie meer had) en met een goed ontwikkelde voetboog (en dus een efficiënte afstoot) – twee cruciale kenmerken van een moderne mensenvoet.

Figuur 4: contouren van twee Ileret-afdrukken, samen met een van Laetoli (links) en de moderne mens (rechts) (Bennett et al., Science Magazine).

Onder de indruk van een afdruk
Fossiele voetafdrukken zijn directe sporen van menselijke daden en daarom spreken ze ook zo sterk aan. Ze verdienen het om nauwkeurig onderzocht te worden, want ze leren ons iets over onze Oost-Afrikaanse voorouders en, bij uitbreiding, ook over onszelf.

Referentie:
Bennett M.R. et al. (2009). Early Hominin Foot Morphology Based on 1.5-Million-Year-Old Footprints from Ileret, Kenya. Science 323 (27 February 2009): 1197-1201.

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

De benen-trilogie, deel 1: Een moment voor Bolts benen

28 September 2008, 17:21
De zomer van 2008 was de zomer van de Olympische Spelen, en voor een MeccanoMens is een meeting van dat kaliber een feest. Wat je er ziet zijn absolute topprestaties en die zijn interessant - niet alleen voor de sportliefhebber, maar voor iedereen die wil weten hoe ons lichaam functioneert, waartoe het (niet) in staat is en waar de grenzen van Homo sapiens liggen. Ik heb er dus van genoten. Ik heb explosieve krachtinspanningen, zweet, extase en teleurstelling gezien. En ik beken... ik heb vooral veel naar benen gekeken – maar ik kan alles uitleggen. Daar heb ik wel drie afleveringen voor nodig, en ik trap af met de benen van Usain Bolt.

Bolts benen op de Memorial Van Damme (foto K. D'Août)

Een sprint om U tegen te zeggen

De Jamaicaan stelde op de Spelen het wereldrecord op de 100m weer wat scherper: 9.69 s is voortaan de te kloppen tijd. En weinigen twijfelen er aan dat Bolt himself die klus zal klaren. De atleet begon 20m voor de finish zowaar te feesten – en dat moet hem milliseconden gekost hebben. Bekijk gerust het filmpje nog eens. Nu het stof van de Spelen neergedaald is, beginnen bewegingswetenschappers verwoed te discussiëren over Bolts marge. Zijn poses mogen dan cool zijn, bij biomechanici is Bolt hot.

Hoe snel kan Bolt écht?

Een Noors onderzoeksteam (Eriksen et al.) heeft door middel van enkele veronderstellingen en een recht-voor-de raap extrapolatie proberen in te schatten hoeveel Bolt verloren heeft door zijn 20 meter feesten. (zie links onderaan)

Hun conclusie was: 140 milliseconden. Met je ogen knipperen duurt ongeveer 250 milliseconden*, dus 140 ms is erg weinig, maar op een sprint telt het door. Als Bolt had doorgelopen op de Spelen, had er mogelijk 9.55s op het bord gestaan. En dan houden we nog geen rekening met zijn vrij trage reactietijd van 165 ms – de beste in de race deed het 32 ms beter.

 

Bolts lijf

Enkele weken geleden was ik samen met het Gentse onderzoeksteam van prof. Dirk De Clercq op de Memorial Van Damme en daar viel het me pas echt op: Bolt is groot! Andere sprinters van zijn lengte (meer dan 1.90 m) waren nooit zo succesvol, dus we moeten de verklaring allicht niet bij Bolts lengte zoeken. Waar dan wel? We weten het nog niet, maar er wordt volop gespeculeerd dat het wel eens aan de momentarmen van ’s mans spieren zou kunnen liggen.

De momentarm van een spier vertelt hoe de beweging van een spier zich vertaalt naar de beweging van het gewricht. Vergelijk het met de versnellingen van een fiets: een klein verzet is dan een grote momentarm en vice versa. Met een identiek stel benen kan je, door zorgvuldig te schakelen, ofwel een steile berg op (maar traag) of erg snel rijden (bijvoorbeeld als het bergaf gaat).

Schematische voorstelling van een gewricht waarover een spier loopt. Het enige verschil tussen beide figuren zit hem in de aanhechting van de spier. Links zit die ver van het gewricht af: dit vergroot de momentarm van de spier (weergegeven in blauw). Met een dergelijke architectuur kan je een grote kracht leveren, maar aan een lage snelheid. Rechts is de aanhechting van de spier dichter bij het gewricht. Dit resulteert in een kleine momentarm, waarmee diezelfde spier een grotere snelheid in het gewricht kan genereren (maar enkel onder een lichtere belasting).

Biomechanici postuleren nu dat Bolt misschien kleinere momentarmen heeft dan andere sprinters. Dit zou nadelig zijn bij de start, waar kracht belangrijk is, maar voordelig tijdens de rest van de race – en dat is net wanneer Bolt komt opzetten.

Dat Bolt nog records gaat breken lijkt zeker. Hopelijk gaan we ook begrijpen hoe.


Referenties

 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

In den beginne was er Darwin

01 Juli 2008, 17:25

Evolutietheorie wordt vandaag 150.

Het grote feest is pas volgend jaar: dan zal het anderhalve eeuw geleden zijn dat Charles Darwin On the Origin of Species publiceerde. Maar omdat dit zo’n ongelooflijk belangrijk werk is, vind ik dat we alvast aan de aperitiefhapjes mogen beginnen.

Vandaag is het namelijk net 150 jaar geleden dat Darwinstheorie over evolutie door natuurlijke selectie mondeling werd voorgesteld aan The Linnean Society in London. De zaal waar dat gebeurde wordt nog steeds gebruikt voor wetenschappelijke bijeenkomsten (ik was er in 2002 voor een symposium over de evolutie van rechtop stappen) en er hangen twee portretten: één van Charles Darwin en één van Alfred Russel Wallace. Want eigenlijk werd op 1 juli 1858 van beide heren een voordracht gelezen. Wallace wordt al eens vergeten, maar had een minstens even sympathieke kop als Darwin én kwam tegelijk met hem (en onafhankelijk) tot gelijkaardige inzichten.Er zijn vandaag dus eigenlijk twee feestvarkens.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
Charles Darwin (links) en Alfred Russel Wallace (overgenomen van www.linnean.org).


Over de theorie van evolutie door natuurlijke selectie zal ik vandaag niet uitwijden, maar ik suggereer graag enkele goede bronnen als introductie.  Veel leesplezier en schol!



De meeting room van The Linnean Society in London (overgenomen van www.linnean.org).

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Korte tenen, elastieken benen en de cannabisplantage in je lijf

01 Juni 2008, 19:54

Je moet stappen voor je kan rennen - en in de paleo-anthropologie mag je dat heel letterlijk nemen. Eén van de grote onderzoeksthema’s in deze discipline is namelijk de evolutie van habituele bipedalie: waarom zijn wij als enige primaten rechtop gaan stappen? Onderzoek naar hardlopen was lang niet aan de orde en misschien was dat wel te begrijpen: fysiologen wisten al langer dat de mens minder efficiënt is dan vele dieren tijdens snelle voortbeweging (hardlopen, galopperen). 

We werden dus geacht om “slecht” te zijn in hardlopen en iets waar we slecht in zijn bestuderen we minder graag dan iets waar we goed in zijn. Iets waar we “slecht” in zijn is allicht ook niet fijn afgeregeld door natuurlijke selectie en dus biologisch minder interessant. 

Maar hardlopen is helemaal actueel, en niet alleen omdat het zomer wordt en de love handles moeten verdwijnen. De laatste jaren vinden wetenschappers steeds meer aanwijzingen dat het misschien niet toevallig is dat er zo veel mensen graag lopen. Onze anatomie is eraan aangepast en als kers op de taart brengt het ons in een roes. De runner’s high is geen fabeltje maar, zo leerde ik op het recentste congres van de American Association of Physical Anthropologists, berust waarschijnlijk op cannabisachtige stoffen in ons lichaam. Nieuwsgierig?

ZIJN WE ECHT ZO'N SLECHTE HARDLOPERS?

Margaria, een Italiaans fysioloog, publiceerde in de vroege jaren zestig al een merkwaardige vondst: bij de mens is de energetische kost om van punt A naar punt B te lopen onafhankelijk van de snelheid. Met andere woorden, of je een marathon snel of traag afwerkt, het kost je even veel Joules.  Dit is bijzonder, want bij de meeste dieren is het anders: zij lopen het goedkoopst aan één optimale snelheid. Willen ze sneller of trager, dan neemt de energetische kost relatief sterk toe (figuur 1).

Figuur 1: Transportkost van de mens (volle lijnen) en het paard (stippellijnen).  Merk op dat de mens een hogere kost heeft, maar dat de kost van hardlopen bijna niet afhangt van de snelheid. (Gebaseerd op Hoyt & Taylor (1981) voor de paarden en Margaria et al (1963) voor de mens.)

Een tweede opmerkelijke vaststelling is dat de mens schittert in uithoudingsvermogen. In 1984 beschreef Dave Carrier, een Amerikaans bioloog, dit paradoxale gegeven al en suggereerde dat we lang konden hardlopen, niet dankzij maar ondanks onze efficiëntie. Een heel scala aan fysiologische aanpassingen, zoals het vermogen om af te koelen door intensief te zweten, helpen ons daarbij.

De grote wetenschappelijke doorbraak kwam er in 2004, toen in het vakblad Nature een artikel verscheen dat niet alleen verklaarde welke anatomische kenmerken waarschijnlijk aan de basis liggen van onze loopprestaties, maar ook een scenario voorstelde voor de evolutie ervan. De auteurs van het artikel, Bramble en Lieberman, confronteren ons met een dertigtal (!) kenmerken van de menselijke anatomie die allemaal gunstig zijn voor lopen. Typische voorbeelden zijn onze korte tenen, die een krachtige afstoot toelaten, en lange achilespezen, die als "elastiek" fungeren, en constant energie opslaan en terug vrijgeven.

Veel van deze kenmerken laten sporen na in het skelet, en fossielen tonen aan dat ze bijna allemaal voor het eerst opdoken in het geslacht Homo, zo’n twee miljoen jaar geleden. Figuur 2 toont een aantal van deze kenmerken bij de mens en nauwe verwanten.

Figuur 2: Een anatomische vergelijking van de mens (a en c), de chimpansee (b en d), Homo erectus die aanpassingen aan lopen vertoont (e) en Australopithecus afarensis die deze aanpassingen niet vertoont (f). Een lijst met de kenmerken vind je op http://www.nature.com/nature/journal/v432/n7015/fig_tab/nature03052_T1.html. (Aangepast met toestemming van Macmillan Publishers Ltd: Nature 432: 349, copyright 2004.)

De hypothese dat de mens geadapteerd is aan hardlopen leek vroeger misschien onwaarschijnlijk, maar is het dus niet. Dat bewees Louis Liebenberg, die Zuid-Afrikaanse bosjesmannen uitrustte met gps-trackers. De bosjesmannen jagen namelijk met persistence hunts: ze lopen, letterlijk, achter hun prooi tot deze erbij neervalt. Dit vereist van de bosjesmannen twee talenten: spoorzoeken (aanvankelijk is de prooi, een Kudu of een Gemsbok, namelijk snel uit het gezicht) en lopen, erg lang lopen. Liebenberg kon via de gps-trackers achterhalen dat de bosjesmannen niet snel liepen, maar ze konden het wel meer dan zes uur volhouden en op deze manier bijna de afstand van een marathon afleggen. En dat op het heetste moment van de dag (hun prooi heeft er namelijk nog meer last van dan zij) en zonder te drinken. Deze indrukwekkende prestaties zijn sterke aanwijzingen dat de theorieën van Carrier en van Bramble & Lieberman niet alleen waar konden zijn voor onze voorouders, maar zelfs vandaag de dag nog bij bosjesmannen op zoek naar voedsel. 

Figuur 3: Bosjesman met een GPS-tracker. (Overgenomen van http://www.cybertracker.co.za/.)

Het vermogen om lang en ver te lopen hebben we ook als Westerling, al ligt ons voedsel voor het grijpen in de rekken. Maar waarom zouden we het dan nog doen? Misschien is het wegwerken van de vetrolletjes op onze heupen niet het hele verhaal...

DE CANNABISPLANTAGE IN ONS LIJF

Sommigen kunnen er niet bij, maar lopen kan écht leuk zijn en zelfs verslavend. Ervaren lopers zijn lyrisch over hun runners’ high, een euforisch gevoel dat ze krijgen na lang lopen. Eén van de stoffen die verantwoordelijk zijn voor deze gelukzaligheid zijn endo-cannabonoïden: aan cannabis gelijkende stoffen die door ons lichaam worden aangemaakt bij hardlopen. Dave Raichlen en zijn collega’s hebben daarom een experiment opgezet. Niet met mensen, maar met muizen, maar dat doet er in dit geval niet erg toe (het gaat om de effecten van de endo-cannabinoïden en die vind je net zo goed bij muizen). Bij sommige muizen werden de receptoren van de endo-cannabinoïden farmacologisch geblokkeerd, andere muizen kregen niets toegediend. Wanneer de muizen dan een looprad voorgeschoteld kregen, bleek dat de controlegroep er na een tijdje duchtig op los liep terwijl de behandelde muizen af en toe liepen, maar verkozen om in een hoekje te gaan liggen luieren. Dit experiment toont aan dat de endo-cannabinoïden inderdaad een beloning vormen die allicht de fysieke ongemakken van hardlopen (want eerlijk is eerlijk, die zijn er) meer dan compenseren.

Er is nog veel onderzoek te doen, maar dit alles suggereert dat hardlopen een essentieel deel vormt van onze evolutieve voorgeschiedenis. En verder is het natuurlijk gewoon lekker!

 

Referenties :

Bramble DM, & Lieberman DE (2004). Endurance running and the evolution of Homo. Nature 432: 345–52.

    http://www.nature.com/nature/journal/v432/n7015/pdf/nature03052.pdf

Carrier DR (1984). The energetic paradox of human running and hominid evolution. Current Anthropology 25:483–95.  

    http://www.journals.uchicago.edu/doi/abs/10.1086/203165

Hoyt DF & Taylor CF (1981). Gait and the energetics of locomotion in horses. Nature 292: 239-240.   

    http://www.nature.com/nature/journal/v292/n5820/abs/292239a0.html

Liebenberg L (2006). Persistence hunting by modern hunter-gatherers. Current Anthropology 47(6): 1017-1025.

    http://www.journals.uchicago.edu/doi/abs/10.1086/508695

Margaria R, Cerretelli P, Aghemo P & Sassi G (1963). Energy cost of running. Journal of Applied Physiology 18: 367-370.

    http://jap.physiology.org/cgi/content/abstract/18/2/367

Raichlen DA, Keeney BK, Gerdeman G, Meek TH, Wijeratne RS, Garland T Jr (2008). Wired to run? The evolution of novel locomotor behaviors in hominins. American Journal of Physical Anthropology 135(S46): 176-177.

  http://www.physanth.org/annmeet/aapa2008/ajpa2008.pdf (pagina 176).

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Lopen, vliegen, zwemmen, kruipen en weer doorgaan

21 Mei 2008, 19:16

 

You gotta run, run, run, run, run
(L. Reed)

 

 

Ze mochten dan snuiven, spuiten en slikken, die van The Velvet Underground waren hun tijd vooruit.  Ze beseften het allicht zelf niet, maar “You gotta run, run, run, run, run” was misschien wel het adagio van onze voorouders – en het zou tot vandaag duren voor de wetenschap dit doorhad.

De hardlopende mens werd tot voor kort als een beetje vieze (maar meestal ongevaarlijke) diersoort aanzien – niet alleen door de niet begrijpende couch potato maar ook door biologen en paleo-anthropologen.  Hun onderzoek focuste op de evolutie van het rechtop stappen en dat was al moeilijk genoeg.

Recent wordt echter duidelijk wat de doorgewinterde loper (en The Velvet Underground) al wisten: misschien is hardlopen nog zo gek niet. Meer zelfs, misschien is een groot deel van onze biomechanica en fysiologie wel te verklaren als aanpassing aan afstandslopen tijdens de laatste twee miljoen jaar van onze evolutie – zeg maar de opkomst van het geslacht Homo. In één van mijn volgende blog-items zal ik bij dit hardlopen langer stilstaan (vergeef me de flauwe woordspeling) want het verhaal achter haar evolutie illustreert perfect waar ik met mijn blog naartoe wil. Het illustreert hoe we ons eigen functioneren beter kunnen begrijpen met een goed inzicht in de evolutietheorie en met eenvoudige mechanische principes.

 

 

Binnen de primaten hebben we een unieke manier van voortbewegen (en cognitief zijn we de buitenbeentjes par excellence). Maar – nederigheid siert de mens – vergeleken bij veel dieren brengen we het er maar bekaaid van af. Wat wij extreme prestaties noemen – het sprintvermogen van een jachtluipaard, de kracht van een olifant, de vogeltrek – zijn in de dierenwereld alledaags en elk van deze prestaties is op zijn manier het resultaat van een proces van evolutie waarbij selectie inwerkt op (onder andere) het musculo-skeletaal stelsel. Daarom gaan we graag op zoek naar interessante dieren (alsof er ook andere zijn) en trachten te begrijpen hoe ze functioneren. Stof genoeg dus voor honderd jaar bloggen.

 

 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon