Egoïstische redenen voor wetenschappers om te bloggen
Je moet wel heel wanhopig zijn als je nog naar een bibliotheek rijdt om
informatie te zoeken. Internet is the place to search voor 9 op de 10
Amerikanen, zo bleek uit recent onderzoek. Dat zal voor Europeanen en Aziaten niet anders zijn. En 60 procent vindt internet
nog altijd de belangrijkste bron als er specifieke informatie moet
worden gezocht. Wat niet bovenaan in de zoekresultaten van Google komt,
bestaat niet.
Dit zou een wake-up-call moeten zijn voor
wetenschappers. Ik schreef het eerder: willen ze dat hun waarheden gevonden worden door het
brede publiek, dan moeten ze online actief zijn.
Spiraal van Google
De
klassieke media (kranten, tijdschriften, radio en tv) lijken steeds
minder dé informatiebron. In een Science-artikel vorige week schrijven
communicatiewetenschappers Dominique Brossard en Dietram Scheufele dat de
opkomst van online media sinds de jaren negentig het aandeel wetenschap in de traditionele media doet slinken. Christopher Zara van International Business Times onderstreepte dit deze week nog eens: van 1989 tot nu slonken de wekelijkse wetenschapskaternen in de VS van 95 tot 19 (de krantenbusiness en het aantal kranten krompen de voorbije tien jaar sowieso). In de Vlaamse pers wemelt het nu ook niet van de wetenschapsbijlagen, -tijdschriften en wetenschapsprogramma's (van eigen makelij).
Het effect ervan is voelbaar
volgens de onderzoekers in Science: het brede publiek klikt steeds vaker
naar blogs en andere online bronnen om specifieke informatie te zoeken.
Volgens een recente studie doet de helft van de Amerikanen dat, slechts
12 procent surft nog naar de websites van de kranten en tijdschriften.
Een
andere zorg van Brossard en Scheufele zijn de algoritmen van de
zoekmachines. Een bericht of pagina komt hoger in Google op basis van
het aantal kliks, het aantal keren gepost op sociale media, geforward
per mail. Zo kan er een groot verschil ontstaan tussen wat je als
gebruiker wou weten en wat je uiteindelijk vond. Informatie komt door
zoekmachines en de manier waarop ze hiërarchie aanbrengen, ook in
een zichzelf versterkende spiraal terecht: wat veel hits krijgt door de
plaats in Google, wordt belangrijker geacht en blijft zo (een hele tijd)
‘belangrijk’. De auteurs van het artikel roepen de wetenschappelijke
gemeenschap op om hier meer aandacht aan te besteden, en het ook
empirisch te gaan onderzoeken.
Ingebed in sociale media
Er wordt steeds meer onderzoek
gedaan naar de perceptie van wetenschap in de online omgeving. Dat
nieuwsberichten en blogposts steeds meer ingebed zijn - in reacties, Facebook-likes, commentaren via Twitter – beïnvloedt bijvoorbeeld je
mening over het onderwerp. Onderzoekers gaven twee groepen eenzelfde
artikel over nanotechnologie met een aantal commentaren. De inhoud van
die commentaren was voor de beide groepen dezelfde, alleen veranderden
de onderzoekers de toon ervan voor de tweede groep. Ze stelden vast dat
een artikel met een ruwe toon voor- en tegenstanders binnen een
leesgroep sterk polariseerde, en dus de mening van de lezers over de
mogelijke risico’s van nanotechnologie beïnvloedde. Bloggende
wetenschappers kunnen wetenschap beter op de internetkaart zetten en de
perceptie proberen (bij) te sturen, maar ook commentaar-schrijvers,
twitteraars en facebookers doen dus hun deel.

Zelfzuchtig bloggen
Sommige
wetenschappers zeggen dat ze niet getraind zijn om populariserende
teksten te schrijven (laat staan video’s of podcasts te maken). Anderen
zeggen dat ze die tijd beter besteden aan A1-publicaties. Je moet
ook wel altruïstisch en idealistisch van aard zijn om je avondjes-lekker-lui-op-de-bank op
te geven om je vakgebied te populariseren of de klassieke pers te corrigeren. Maar in mijn persoonlijke 'missie' wetenschappers tot bloggen te bekeren, alvast vier puur
egoïstische redenen om een blog te starten. Ik las ze op de blog ‘Communication breakdown’ van Matt Shipman.
-
Goeie jonge onderzoekers vinden.
Goeie doctorandi zijn goed voor de toekomst van je lab. Maar zij willen
pas bij jou werken als ze weten dat je bestaat en als ze een goed beeld krijgen van wat jouw onderzoeksgroep doet en nog wil doen. Je blog is indirect
ook een jobkanaal.
-
Maak de financierder blij. De meeste
onderzoeksfondsen willen dat het publiek weet waar het zijn
belastingsgeld aan spendeert. Dat kan de budgetten voor de fondsen in de
toekomst alleen maar ten goede komen. Als je ruchtbaarheid geeft aan jouw
gefinancierd onderzoek, kom je in een goed blaadje bij de
fondsbeheerder.
-
Netwerken. Ook andere onderzoekers in
je vakgebied en gerelateerde disciplines lezen je blog. Eén mailtje van hen kan
tot nieuwe ideeën, samenwerkingen en publicaties leiden.
-
Interesse van de private sector en beleidsmakers. Niet de cup of tea van iedere wetenschapper,
natuurlijk. Maar als je wil dat privéondernemingen en beleidsmakers je
onderzoek vinden en (ooit) iets met je onderzoek doen, kun je maar beter
de online media opzoeken. Beleidsmakers en bedrijfsmensen
lezen niet altijd de vakbladen.
(Ook dinospecialist Dave Hone van Lost Worlds (blog van The Guardian) schreef recent over de persoonlijke voordelen van bloggen).
Blogs zullen de wereld niet
veranderen, maar ze zijn wel hard nodig in deze op en top online wereld.
Bloggen zal niet voor iedereen weggelegd zijn (zelfs veel
wetenschapsjournalisten die ik ken, doen het niet). Maar wie het in zich heeft,
wordt in deze onderzoekscultuur vol publicatiedruk te vaak gehinderd.
Onderzoeksinstellingen zouden een paar obstakels kunnen wegnemen, door
wetenschappers die erom vragen een dagje per week vrij te
stellen voor blogs of andere vormen van wetenschapscommunicatie
(Kinderuniversiteit, wetenschapsfestivals, lezingen, video- en
audioprojecten, enz.). Of zoals blogger-wetenschapper ‘Scicurious’ op
'Neurotic Physiology'
schrijft: ‘Geef de wetenschapper niet de schuld dat hij/zij niet blogt. De
academische wereld moet hem of haar meer incentives geven om aan zogenoemde
outreach te doen. Maak het voor de onderzoeker de moeite waard, maak de
blogs/lezingen/enz. zichtbaar.’ Wetenschapscommunicatie zou een zichtbare alternatieve carrière moeten kunnen worden, die gerespecteerd wordt door collega-onderzoekers. Veel meer dus dan in de luwte - tussen twee data-checks en een broodje in - een blogstukje pleuren uit idealisme.
Dat dit een lang uitgesponnen uitnodiging is om op
Scilogs.be (of het pas opgestarte Scilogs.com) te bloggen, had u, wetenschapper, hopelijk al door.
Geschreven in Wetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken




























Van het piepkleine militaire vliegveldje gaat het langs eindeloos uitgestrekte landschappen met her en der kamelen, dromedarissen en geiten naar het hotel op het centrale plein. Alles doet erg jaren vijftig aan. Op het plein is het in Sovjettijden incontournabele standbeeld van Lenin overeind gebleven. De plaats heette vroeger ook Leninsk, maar in 1995 herdoopte Boris Jeltsin de stad in Bajkonoer, de naam die tijdens de vroegere Sovjet-Unie als afleidingsmanoeuvre werd gebruikt: de eigenlijke stad Bajkonoer is een mijnstad die enkele honderden kilometers verderop ligt. Dat dubbele gebruik moest de plaats van het lanceercomplex verborgen houden. De plek zelf was gekozen omdat hij vlak, droog en geen andere landen in de buurt heeft, maar vooral omdat Russen daar veilig dachten te zijn voor de Amerikaanse afluister-posten, die tot in Turkije stonden. Tevergeefs, de lanceringsputten waren vanuit de vliegtuigjes makkelijk te zien.






| 